[De dissertatie van Dr. de Visser]

De Heraut

No. 147, Amsterdam (De Heraut)
Zondag 3 October 1880

a



Amsterdam, 1 Oct. 1880.


De heer candidaat J.H. Gunning JHz. heeft, gelijk de lezer op onze laatste bladzijde zien zal, geen vrede met ons oordeel over Dr. De Vissers dissertatie. Hij verzocht opneming van zijn protest tegen dit ons oordeel, en volgaarne is dit hem toegestaan. Niet in dien zin, alsof we over elke door ons besproken zaak een afzonderlijk dispuut konden openen. Tijd noch kracht gedoogt dit. Aan zoo iets waagt, tot zoo iets leent zich geen enkele redactie. Maar ingewilligd is dit verzoek drom met bijzondere bereidwilligheid, overmits hier een verschijnsel aan het licht trad van meer algemeene strekking en het zijn nut heeft, dit verschijnsel even van naderbij onder de oogen te zien.

We laten daarbij het eigenlijke protest rusten. Op zulk een inquisitoir valt niet van regel tot regel te antwoorden. „Waar Dr. De Visser gezegd heeft, dat hij Gen. 3 niet voor openbaring houdt, maar slechts voor product van menschelijke voorstelling?” Hierop zij eenvoudig geantwoord: Onze klacht was juist dat Dr. De Visser dit niet zegt, maar verzwijgt, en, dat indien hij metterdaad meent, dat ook in zijn voorstelling Gen. 3 nog „bijzondere openbaring” blijft, dit resultaat alleen verkregen wordt, door aan het woord „openbaring” een begrip onder te schuiven, dat lijnrecht indruischt tegen hetgeen de Heilige Schrift en Christus’ kerk, door haar geleerd, nu deze eeuwenlang onder „openbaring” verstaan heeft.

Dr. De Visser leert dat Gen. 3 niet van Mozes is; ook niet uit Mozes’ tijd; maar van veel later; uit de dagen der Koningen. Hij leert, dat in dien veronderstelden tijd, dit stuk niet samgesteld is uit een verhaal van wezenlijk gebeurde feiten, maar uit gefantaseerde voorstellingen, die de auteur van dit verhaal zich alzoo heeft ingebeeld. Hij leert almede, dat deze gefantaseerde verhalen hem niet zijn ingegeven, maar door hem zelf zijn uitgedacht. Dat de openbaring ten deze alleen hierin bestaat, dat God de Heere in de Hebreeuwsche levens- en gedachtenwereld zekere bepaalde waarheden tot het bewustzijn der vroomste menschen had laten komen. En dat alsnu deze schrijver de stof voor zijn stuk uit dit Hebreeuwsch bewustzijn genomen, en slechts voor wat de voorstelling betreft met Heidensche bestanddeelen vermengd heeft.

In hoofdzaak verklaart de candidaat Gunning, tot ons leedwezen, het met deze beschouwing der Heilige Schrift eens te zijn.

Van deze voorstelling nu verklaren wij zoo stellig en beslist mogelijk, dat ze in beginsel volstrekt modern is; geheel den bodem der Heilige Schrift van onder het geloof der gemeente wegneemt; en dat geleerden die deze meening zijn toegedaan (geheel afgezien natuurlijk van de meer of minder vrome gesteldheid van hun hart; waarover we noch oordeelen kunnen noch mogen) onbewimpeld aan de gemeente behooren te verklaren: ons wetenschappelijk standpunt in zake de Heilige Schrift is vlak het tegenovergestelde van dat der kerk aller eeuwen en valt in beginsel geheel sam met dat der modernen.

Het protest van den candidaat Gunning heeft in zooverre op ons dan ook geen andere uitwerking gehad, dan om ons te versterken in onze overtuiging, dat de gemeente nog dringender dan dusver te waarschuwen onze zeer ernstige plicht was, en ons te doen omzien naar middelen, teneinde nog eer het te laat is, de oogen der gemeente voor het ontzettende feit te openen, dat er een nieuwe storm is opkomende, die haar geloof aan de Heilige Schrift, en dus aan het principium theologiae, zooals onze vaderen spraken, op de onrustwekkendste wijze bedreigt.

En bedreigt met een bedreiging, die van verre nog niet zoo gevaarlijk was toen ze uit den Groninger hoek kwam of van moderne zijde vernomen werd; omdat men toen op gevaar verdacht was en onder het schild van ’s Heeren naam vluchtte.

En alzoo een bedreiging, die juist drom nu zooveel te bedenkelijker is, omdat ze tot de gemeente gebracht wordt door predikanten, die overigens den orthodoxen kant houden en niettegenstaande deze algeheele ondermijning van het Schriftdogma der gemeente, met warmte en bezieling voor andere mysterin van ons allerheiligst geloof opkomen.

*

Uit dien hoofde vragen we dan ook, dat men ophoude met dat zeggen: „Deze quaestin moogt ge niet voor de gemeente brengen. Die kan daar niet over oordeelen. Werleg ons in een wetenschappelijk boek, en dan zullen we u te woord staan.”

Dit toch is even onbillijk als onwaar gezegd.

Onwaar in de eerste plaats, omdat het uitgaat van de onderstelling, alsof studenten in den regel wl in staat zouden zijn de Oud-Testamentische quaestie te beoordeelen.

En toch, wie dat zegt, vat nog zelfs de omvang van deze quaestie niet.

Haast zouden we vragen durven, of er in ons gansche land vier menschen zijn, toegerust met zulk een kennis van de Oostersche talen en oudheden, en met zulk een kennis van wat er over dit samgesteld vraagstuk verhandeld is, dat men in der waarheid zou kunnen zeggen: Zie die mannen hebben nu op wetenschappelijk terrein het recht, om een zelfstandig oordeel te vellen.

Stellig achten we het onmogelijk dat men tot zulk een recht zou kunnen komen voor en aleer men minstens een studie van tien vijftien jaar achter zich had.

Hierme doen we den studenten volkstrekt geen onrecht aan. Want hetzelfde geldt van predikanten. Zelfs van sommige hoogleeraren in het Oostersch. Vooral op jeugdiger leeftijd.

Ja, zoo weinig bedoelen we met dit uit te spreken iets min aangenaams te zeggen, dat we er ons haasten bij te voegen, dat schrijver dezes met name zich zelven volkomen en in allen deele onbekwaam en onbevoegd weet en acht, om op grond van eigen studie over de Oud-Testamentische quaestie zelfstandig te oordeelen.

Ieder geleerde heeft zijn eigen vak van studie waarin hij werkt, en slecht zou het den dwaas vergaan, die op een terrein, niet tot zijn vak behoorende, den oppervlakkige spelen ging.

De candidaat Gunning ziet dus, dat we volstrekt niet met deze quaesties tot de gemeente gaan, als hielden we haar ook maar eenigszins voor bevoegd om deze quaestie van de wetenschappelijke zijde te beoordeelen. Eer integendeel houden we noch Dr. De Visser, noch den candidaat Gunning, noch nig student, noch ook ons zelven tot het vellen van een zelfstandig oordeel in deze bekwaam. En hoe dan de gemeente?

Ten tweede zij opgemerkt, dat de Arminianen in de 17de eeuw k altijd schreven: „Behandel zulke quaesties onder de geleerden, dat gaat voor de gemeente te hoog;” dat de Socinianen hetzelfde liedeke aanhieven; en dat de modernen van voor twintig jaren evenzoo spraken. „Och, het gold maar een andere voorstelling. In het geloof des harten bleven ze vast staan. Oude wijn in nieuwe zakken. Altegader quaesties, die het leven der gemeente niet raakten en vielen buiten haar competentie!”

En ten derde, dat de gemeente niets met de wetenschappelijke zij van deze quaestie te maken heeft, maar alles met haar belijdenis. En dat, nu er almeer onder orthodoxen naam een meening over de Heilige Schrift in de gemeente wordt ingedragen, die geheel omverwerpt wat zij aangaande die Schrift belijdt, er niet maar iets, maar alles voor haar op het spel staat, en zij er dus recht op heeft, dat men haar waarschuwe.

*

Toch duiden we het op zichzelf noch aan Dr. De Visser noch aan den candidaat Gunning euvel, dat ze spreken gelijk ze doen; al kon misschien de vraag gedaan, of eerbied voor de eeuwenoude belijdenis van Jezus’ kerk niet tot omzichtiger spreken manen moest.

Wie zoo denkt, moet, indien hij spreekt, spreken naar zijn denken is.

Dat kan niet anders, dat is plicht.

En hierme is volstrekt nog niet gezegd, dat er later, onder andere invloeden, niet nog een keer in dit denken komen kan, waar alsdan een ander spreken vanzelf op zal volgen.

Zie, een jongman, die dusver nog slechts het gemeentelijk geloof megeloofde, en nu opeens, het wetenschappelijk terrein betredend, voor duizenden bezwaren komt te staan, wier aanwezigheid hij vroeger zelfs niet vermoedde, wordt uitteraard een oogenblik geschokt in zijn overtuiging.

Hij wilde zoo gaarne de oude belijdenis vasthouden. Maar . . . mag hij? Kan hij? Zijn dan die bezwaren niet wezenlijk? En ze eenvoudig te beschouwen als niet bestaande, zou dat blijk zijn van teedere conscintie?

Denk aan Matthes elf het slot: „Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt ze den kinderkens geopenbaard!”

o, Het is veel lichter, dat een kemel door ’t oog van een naald ga, dan dat een rijke, een rijke ook in kennis en geleerdheid, inga in het Koninkrijk van God!

Gave voor studie te bezitten, zooals de heeren De Visser en Gunning blijkbaar ontvingen, waarlijk het is lang niet in elk opzicht een benijdbaar genot.

Want weet wel, die gave loopt uit op een bangen strijd, op een angstige worsteling, en o, we kunnen ons zoo uitnemend verplaatsen in den toestand, dien vele studenten die „stil-geloovig” van huis gekomen, aan de academie, ook te Utrecht, van lieverle de vastigheden voelden wijken.

Drierlei gebeurt er dan.

Een enkele waagt er zich niet aan, doet zijn oogen voor die bezwaren dicht, en leeft in schijnbare rust door.

Een ander laat zich al verder en verder dringen en drijven, geeft er alles aan en komt allengs uit achter de huidendaagsche modernen.

Maar ook een derde groep is er, die door verprikkeling van subjectief geloof, zich inbeeldt z vast den Christus en zijn Verzoening te bezitten, dat ze „dien objectieven grond van het geloof der gemeente in de Heilige Schrift” wel missen kunnen, en dus twee dingen tegelijk kunnen doen: 1. met de modernen megaan in hun beschouwing van de Schrift, en 2. toch orthodox blijven voor het overige.

Die zich op dat laatste standpunt plaatsen, zijn veelal de meest ernstigen en meest begaafden.

Het is dan ook zoo verleidelijk!

Men is dan hoog-wetenschappelijk en hoog-geloovig be!

En, dat zich inbeeldende, wat moet men dan wel niet met melij op die „Gereformeerden” nerzien, die op wetenschappelijk terrein nie waard zijn, dat ge met ze in discussie treedt, en op geloofsgebied geen hoofdzaak maken van het geloof des harten.

Dat medelijden slaat dan, indien men door die „Gereformeerden” nog wordt tegengewerkt, licht in wrevel over, en het was dan ook volstrekt geen persoonlijke onbescheidenheid van den candidaat Gunning, maar slechts een echo van wat meestal in dien kring over de Gereformeerden gedacht wordt, dat een nog niet eens gepromoveerd jongman alzoo schreef als geschreven werd.

Er is hier solidariteit van schuld; overmits men in die kringen doorgaans acht dat men zeer verre in wetenschappelijkheid, en ook voor een goed deel in het geloof, staat boven hen, die nog belijden wat de gemeente gelooft.

Dit nu is een veeg teeken.

Er blijkt toch uit, dat bij deze jonge mannen niet meer de zucht boven drijft, om, kon het, nog wer eens als apologeten voor het oude, eenvoudige, welbeproefde geloof der gemeente aangaande de Heilige Schrift te mogen optreden.

Dan toch zouden zij oordeelen: 1. voor ons zijn het nu de barensween, maar kwam de tijd van spreken nog niet; 2. we moeten tot de gemeente gaan, niet om haar geloof aangaande de Schrift af te breken, maar om door haar wer tot dat Schriftgeloof gebracht te worden; en 3. zijn er hier of daar mannen van wetenschappelijken zin, die k onzen strijd doorstreden, en toch wer tot het mebelijden met de gemeente geraakten, dan zullen we het pogen derzulken met vreugde begroeten, of ze ons ook een hulpe konden zijn, ter ontkoming aan den tweestrijd die ons beklemt.

Zoo zijn er studenten.

Ook te Utrecht. Ook te Leiden. Ook te Groningen.

Mochten deze eerlang de meerderheid vormen.

Want men zie het wel in: Of men, gelijk Dr. Valeton en zijn medestanders op Dr. Kuenens resultaten hier en daar iets afdingt, beslist niets noch voor beginsel noch voor methode; en omdat in die paden Kuenen de consequentste en dus de sterkste is, kan noch Dr. Valeton noch n zijner medestanders beletten, dat de meening over de Heilige Schrift in zijn eigen kring met onwerstaanbare macht naar Kuenens resultaten heentrekt.

Indien het dus waar is, dat er geen ander beginsel en geen andere methode bestaat, dan kan wel de gemeente haar belijdenis blijven voortbelijden, maar dan is het met de wetenschappelijke verdediging van het Schriftgeloof der gemeente gedaan.

Die tegenstelling mag niet verbloemd. Die moet uitgesproken. En elk student, en elk predikant heeft zich af te vragen: „Naar welke wetenschappelijke methode denk ik?”

Zegt men daarop eenmaal: „Ik denk over de Schrift naar de methode van Kuenen, Valeton en De Visser, al verschillen dezen ook zeer sterk in hun resultaten”, goed, dan moet men dat aan de gemeente ook zeggen en er voor uitkomen: „Gemeente, wat gij van de ingeving der Heilige Schrift houdt, is niet zoo, of is althans niet mijn belijdenis. Ik bestrijd dat. En overmits ik begrijp, dat ik als eerlijk man, niet uw prediker mag worden om uw belijdenis af te breken, zoo zie ik af van den predikdienst in uw midden, en ben tot het leeraarsambt onbekwaam!”

Maar ook, zegt men, wel leeraar te kunnen worden; dus wel de belijdenis der gemeente te deelen; dan moet ook ridderlijk en onbewimpeld erkend, dat dit zich k en wel in de eerste plaats moet uitstrekken tot het dogma omtrent de Heilige Schrift, als kenbron van alle geopenbaarde waarheid en volstrekte regel des geloofs. Dat derhalve de wetenschappelijke studie, die hiertegen ingaat, niet juist kan zijn. Dat dit liggen moet aan de verkeerde methode. En dat het alzoo plicht en roeping van alle geloovige theologanten is, om elk streven, dat naar een betere methode uitgaat, niet gelijk men in deze kringen doet, uit de hoogte te veroordeelen, maar te steunen met alle macht en te zegenen in den Naam des Heeren.


Kuyper.




a. Reactie op J.H. Gunning JHz. ‘Ingezonden’, De Heraut No. 147 (3 oktober 1880). Vgl. ‘[De dissertatie van Dr. De Visser]’, De Heraut No. 145 (19 september 1880) en ‘[De dissertatie van Dr. De Visser]’, De Heraut No. 146 (26 september 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001