[Gunnings Leven van Jezus]
De Heraut
No. 9, Amsterdam (De Heraut)
Zondag 3 Februari 1878
a
Amsterdam 1 Febr. 1878.
Met een droefheid der ziel, die zich slechts zwak in onze woorden kan afspiegelen, maken we ons ten tolk van de bijna algemeene smart en ontsteltenis, waarmeê van Gunnings Leven van Jezus door de gemeente die den Christus Gods in dezen lande belijdt, naar de van alle zij door ons ingewonnen berichten, is kennis genomen.
Pijnlijker indruk kon al moeilijk te weeg gebracht.
Bedenk toch, het geldt hier een der broederen; een der broederen, wien God talent en gaven schonk; een broeder wiens overgieting met versche olie telkens anderren verkwikken kon; en daarom en boven dat alles een broeder, die, om zijns persoons wille, der gemeente zoo lief is en op het hart ligt gebonden.
En van zulk een broeder ontvangt de gemeente een gedenkboek over den Eenig Geliefde; over Hem, uit wien èn haar eigen leven vloeide èn door haar ook zijn, des auteurs, geestelijk leven geweld is, en van dien Eenige ontvangt ze ook hier een belijdenis zóó bezield, met zoo warmen gloed, zoo naar het hart van Jeruzalem, dat ze mét den schrijver bij zijn beeltenis nederknielende, een Amen, ja, amen! op de lippen heeft.
Maar, en zie hier het onbeschrijflijk smartelijke daarbij, in datzelfde boek komt die tot wegsleepens toe verleidelijke, wijl zoo geliefde en bezielde verhaler, der gemeente eerlijkheidshalve, maar toch zonder schroom of aarzeling verklaren, dat voor hem ophielden historische berichten aangaande gebeurde zaken te zijn, de ons door Mattheüs en Lucas medegedeelde verhalen van:
de ontmoeting tusschen den engel Gabriël en Maria;
de ontmoeting tusschen Maria en Elisabeth;
de reis van Maria en Jozef van Nazareth naar Bethlehem;
de herders bij Bethlehem;
de verschijning van den engel aan deze herders;
de geboorte van Christus in kribbe en stal;
de lofzang van het engelenheir;
de wijzen uit het Oosten;
de kindermoord te Bethlehem;
de voorstelling in den tempel, en
de vlucht naar Egypte.
Deze verklaring strekt, zoo wil de auteur, niet om de mogelijkheid van een engelverschijning te bestrijden, veel min om twijfel te wekken aan het niet door den wille des mans; noch ook om met stellige zekerheid te ontkennen, dat er niet een iets, een kern misschien van aan kan zijn, maar wel om het karakter van historisch bericht van gebeurde zaken aan deze verhalen te betwisten.
Volgens Gunning weten we langs den weg der historie van Jezus ontvangenis, geboorte en eerste levensjaren niets. Wisten ook de apostelen hiervan schier niets. En heeft, ter aanvulling van deze leemte, de eerste gemeente van den Nazarener zich toen met heilige poësie een cyclus van heerlijke legenden gedicht, waarin elke geestelijke gedachte diep gevoeld en schoon geteekend is, maar die toch geen hoogere waarde heeft dan om ons de wijze te leeren kennen, waarop de gemeente dier dagen zich het historisch onbekende heeft voorgesteld.
Zelfs het alles beheerschende feit van Jezus geboorte uit de moedermaagd is hem geen wetenschap door historisch bericht verkregen, maar postulaat van Jezus heilige persoonlijkheid.
Hij neigt er wel nog toe om bij Jezus' geboortestad eer aan Bethlehem dan aan Nazareth te denken, maar ook dat zal voortaan onzeker zijn.
Laat het zich dan niet begrijpen, zoo vragen we, dat de gemeente van den Christus, deze droeve mare vernemende, eenvoudig gezegd schrok, en zich, juist wijl het van zoo geliefde hand kwam, op het allerbitterst gekwetst gevoelde in de gaafheid en ongedeerdheid van haar heilig en dierbaar geloof!
o, Dat gejuich in de straten van het Askelon onzer Arianen, en het gejubel in de poorten van den modernen Asdod! Die triomfkreet van de hooghartige mannen der wetenschap tegenover de eenvoudige belijdende gemeente!
Ze weet wel, het was niet bedoeld, maar het tergend vreugdegeroep dringt haar dan toch in de ooren!
Ze gelooft wel: als het er op aan komt, zal Gunning als een Arnold von Winkelried met vreugde en heldenmoed tegen die slagorden van Askelon en Asdod instuiven om de gemeente van den Christus weêr met zijn offerande te dekken!
Maar wat baat dit haar?
De slag is toegebracht. Een bewijs te meer in handen van wie ons belagen, dat degelijker studie vanzelf aan ons bijgeloof wel een eind zou maken, en meerder degelijkheid de onhoudbaarheid van onze vaste telkens helderder zal doen uitkomen.
Hebben wij het u niet reeds voor jaren gezegd? Herlees onze boeken over die voorverhalen dan! En wat is onze bestrijding van de opstandingsverhalen anders dan toepassing op dien cyclus van denzelfden maatstaf hier door Gunning bij de kribbe aangelegd . . .
Zóó vraagt men, en . . . zij, . . . ze hoort het, de gemeente, en ze bedekt zich het aangezicht, en treurt!
Treurt, óók om Gunning zelf, wiens persoon ze met hare liefde en gebeden blijft omvangen, maar wiens schriftelijke arbeid voor haar verloor in vertrouwbaarheid.
Treurt, om den droeven invloed, dien zúlk een woord van zúlk een man oefenen moet op de geesten onzer jongere broederen, die, minder dan Gunning vastgeworteld in den levensbodem, zoo licht, indien ook zij prijsgeven wat hij varen laat, verliezen ook wat hij behoudt.
Och, ze treurt, de gemeente, en ze verbergt haar klachte niet, dat het dus weêr in haar boezem tot een deeling, een scheuring, een uiteengaan van broederen zal komen en er weêr een steen is losgewoeld aan de vastigheid van haar naief, volheerlijk, niet kunstmatig verworven, maar van God gegeven geloof.
Ze weet het uitnemend wel dat poësie iets geheel anders dan verdichting is; dat ook een geestelijke gedachte waarde heeft; en een schoone inkleeding kan boeien, maar met dat al is een enkele teug uit de koele wateren der historie haar beter voor haar dorst dan een geheele groep van de prachtigste waterwolken, die zich aan den horizont in de schitterendste lichttinten doopen.
Ze wil leven, ze wil werkelijkheid!
Niet wat zij, of wat anderen, in heilige dichting over het mysterie der eeuwen hebben gedacht, maar wat God heeft gedaan; wat Hij deeddoen en liet geschieden; wat bij de instrooming van het leven Gods op deze aarde werkelijk plaats greep; dát en dat alleen voedt haar. Vandaar dat ze de Evangeliën nog boven brief en openbaring verheft, en nog nimmer, hoe dikwijls ook herhaald, aan de bekoring van deze kinderlijk naieve verhalen kon ontkomen.
Met dichting, inkleeding, poësie heeft de arme menschenheid het lange eeuwen moeten doen, en daarin nu juist bestaat de onverwinlijke kracht van het Christendom, dat het niet dicht maar bericht, niet inkleedt maar meêdeelt, niet poëtiseert maar verhaalt, d.w.z. dat het staat en valt met de vleeschwording des Woords; en hoe wil het dan bij het vleesch worden van dat Woord, bij de kribbe van den eenig Reëele, van haar historische zekerheid aflaten?
We achten de dagen niet, en breken voor onze feesten geen lans, maar zooveel mag dan toch gezegd, dat een Kerstviering van eeuw na eeuw den geest der Christenheid zóó onlosmakelijk aan de historische waarachtigheid juist van déze berichten gehecht heeft, dat de scheure niet meer heelbaar zou wezen, die door deze scherpte der critiek in het kleed van het geloof der gemeente zou worden aangebracht.
Bij den Vleeschgewordene moet álles vleesch, d.i. historie zijn geworden, of het Woord blijft ongrijpbaar en ijl.
Het zeggen alsof het dusgenaamd Kerugma, d.i. de Christus-prediking in de gemeente eerst bij den Doop zou begonnen zijn, is dan ook een voorstelling die allerminst uit Hand. 1 : 21 en 22, of ook uit het ontbreken van voorverhalen in de Evangeliën van Marcus en Johannes mag worden afgeleid, en niet in historische gegevens, maar in de afbrekende critiek, waarmeê Scholten het eerst ten onzent optradt, haar onverdedigbaren oorsprong vindt. 1)
Van harte stemmen we toe, dat déze verhalen zoo min als die aangaande de schepping of ook die over de opstanding, vatbaar zijn voor opteekening in een notarieel proces-reaal. Zoodra de hemelen zich openen en de kracht Gods, onmiddellijk, zich als schalm in de keten der gebeurtenissen invoegt, staan we voor een ten deele onbeschrijflijken factor en een onuitsprekelijke majesteit. Vandaar dat elke poging om harmonistisch elke bijzonderheid in de onderscheidene verhalen uit den zwevenden achtergrond in het volle licht te trekken en in haar verbinding met het geheel te ontleden, schipbreuk moet en zal lijden, juist wijl dat zwevende en onsamenhangende, indien het ontbrak, vermoeden tegen de aanwezigheid van den Goddelijken factor zou wekken.
Maar moet dit bezwaar tegen de volkomen geldigheid van het overgeleverd bericht zijn, wie mag zich dan verhelen, dat geheel ditzelfde bezwaar op élk bericht drukt waarin sprake is van een wonder; drukt op geheel het bericht van het volk Israël, dat zelf een wonder was; en nog sterker drukt op geheel het verhaal van hem die het Wonder in eigen persoon, aan alle notarieel nauwkeurige beschrijving, zoo in woord als werk, ontsnapt.
Zoo kwam het dan ook, dat een onweêrstaanbare logica de critici eener vroegere periode voortdreef, om eerst ter wille van het ongewone in het verhaal, en straks ter wille van het ontzenuwde verhaal het ongewone in den loop der dingen te loochenen, en alzoo geheel dezelfde kunstbewerking eerst op déze verhalen, straks op die der opstanding, dan op die van verheerlijking en hemelvaart, allengs op die van elk wonder, van lieverleê op heel de historie van Israël, niet lang daarna op de patriarchen, en ten leste op de Bijbelboeken zelf, als deel dier historie, toe te passen.
Erkennen we alzoo volkomen, dat deze berichten notarieele ontleding en rangschikking niet toelaten, we grijpen daarom intusschen zoo min naar harmonistisch geknutsel, als naar het expediënt der legende, maar minder juist is dit naast elkaâr schitteren op het Evangelieblad van losse medaillons, elk met hun eigen licht en donker, juist in die blijkbare onmacht om het onbeschrijflijke toch te beschrijven, een keurig en heerlijk bewijs te meer, dat het Goddelijke wel metterdaad zich in dit leven openbaarde en dat van dit Goddelijke het Evangelie, óók in de voorgeschiedenis, niet poëtiseert met heilige dichting, maar het door oor- en ooggetuigen, van mond tot mond overgeleverde, op ongekunstelde wijze bericht.
Maar er is meer: de door onzen broeder geïncrimineerde verhalen laat Lucas voorafgaan van de uitdrukkelijke verklaring, dat hij gaat geven een verhaal van dingen, die onder hem en de zijnen volkomen zekerheid hadden 2), dat hij ze verhalen gaat gelijk ze overgeleverd zijn door hen, die van den beginne zelven aanschouwers en dienaars des Woords geweest zijn; dat hij voorts, wijl er ook legenden begonnen te loopen, nogmaals alles van den eerste beginne aan (–<Thg<) naarstiglijk onderzocht heeft en het alzoo bevondene nu te boek stelt, opdat de lezer over deze dingen volkomen zekerheid mocht hebben, en na dat gezegd te hebben, geeft hij ons dan het nu legendarisch gekeurde verhaal.
Nu moeten we dan toch verklaren, dat indien Lucas, op zijn laatst 35 jaren na Jezus hemelvaart, zoo iets kon neêrschrijven om ons daarna legende in steê van verhaal (d.i. historisch bericht omtrent gebeurde zaken) te geven, het ons ten eenenmale onverklaarbaar is: 1. waar de tijd voor deze legendevorming (die dan toch minstens om volkomen zekerheid te hebben erlangd, reeds een tien à twintig jaren tot rust moest gekomen zijn) in deze korte jaren te vinden is; 2. hoe zou zijn aan te nemen dat Johannes, Maria's vertrouweling, zoo iets kon hebben gedoogd, zonder onmiddellijk de gemeente te waarschuwen, dat haar voor bericht werd aangediend, wat dit niet was; 3. hoe de geloofwaardigheid van een man als Lucas zou te handhaven zijn, indien hij na zulk een onderzoek, zoo kort na het gebeurde, zich zoo volkomen vergist had; en 4., en dit vooral, wat er overblijft van de inspiratie van den Heiligen Geest, indien deze een zoo plechtige verklaring in het hart van Lucas deed opwellen, juist toen hij zich zetten ging om twee lange hoofdstukken als verhaal neêr te schrijven, die dan niet door de aanschouwers en bedienaars waren overgeleverd; die dan hoogst onnauwkeurig onderzocht waren; en in steê van volkomen zekerheid te bieden aan de gemeente des Heeren, haar ten opzichte van het historisch karakter dezer verhalen, achttien eeuwen lang op een dwaalspoor zouden leiden.
Op grond alzoo dat de gemeente door dit uiterst gewaagd beweren van onzen broeder ten diepste geschokt is in haar geloof; op grond dat een legendarisch begin van de historie der vleeschwording met den eisch dier vleeschwording zelve in strijd is; op grond van het uiterst zwakke der argumentatie waarop zoo droef beweren rust; op grond van de noodzakelijke gevolgen waartoe deze eerste stap, ook tegen Gunnings wil, bij anderen leiden zal en moet; op grond van Lucas' geanticipeerd zoo klaar en krachtig protest tegen zúlk een onrustwekkend beweren; op grond van de onmogelijkheid dat in zoo korten tijd zoo breede legende zich zou gevormd hebben; maar bovenal ter wille van het heilig, dat is waar karakter des Heiligen Geestes; en niet minder opdat alzoo de vastigheid der Schrift voor de gemeente niet wegbrokkele; vragen we met bescheiden, met broederlijken, met heiligen aandrang, dat de zoo geliefde auteur van dit anders schoone boek deze eerste aflevering als niet verschenen beschouwe, en eerlang de Gemeente des Heeren, die zijn liefde heeft en die hém zoo teeder mint, maar wier droefheid hij thans zoo smartelijk heeft opgewekt, door een ander, door een betere eerste aflevering verblijde, die de ongeschonden poort tot een heerlijk heiligdom kan vormen, waarin zijn begenadigde geest ons de wonderen des Heeren aanschouwen doet.
Mocht ons in deze beoordeeling nu, tegen onzen zin en ons gebed, soms toch nog een woord of uitdrukking uit de pen zijn gegleden, die zelve onheilig, onheiligen gloed ontsteken kan, dan zij die vooruit ontwapend door onze oprechte betuiging, dat Gunning in geen enkel opzicht te kwetsen onzen toeleg was, en slechts dedure plicht, om tolk van het wakkere deel der gemeente te zijn en het nog onbewuste deel der gemeente voor te lichten, ons tot dit, ook voor ons, zeer pijnlijke, besliste woord dreef.
Waar zoo heilige, zoo uitnemende en heerlijke belangen voor het heden, en vooral voor de toekomst, der gemeente op het spel staan, mág een orgaan als het onze er het zwijgen niet toe doen.
Dat zou ontrouw aan eigen overtuiging zijn!
Liefdeloos tegenover de gemeente!
Ja, we durven er bij voegen, liefdeloos ook tegen den aangevallen broeder zelven.
Immers, zoo iemand zich op de stem der gemeente pleegt te beroepen, dan hij, en alzoo mag het billijk geacht dat ook déze stem der gemeente (wier zuiverheid hij zelve toetse) hem met teederheid en trouw aan het oor der ziel worde gebracht.
Over veel in deze aflevering zou bovendien nog te spreken vallen; zoo b.v. over de hoogst gevaarlijke stelling om onderscheid te maken, in maniere als hier geschiedt, tusschen wat men de gemeente in en buiten haar bedehuizen, aangaande deze heilige dingen zegt; maar van dit en zooveel meer zwijgen we met opzet.
Het licht moet voor het eerste oogenblik onverdeeld op de hoofdzaak kunnen vallen.
En die hoofdzaak is: bericht of gedicht?
K.
P.S. Nog even vóór mijn vertrek naar het Buitenland ontvang ik de verrassende tijding, dat Dr. Gunning, zonder van dit artikel af te weten, nagenoeg op gelijke gronden, tot juist hetzelfde besloot, wat mijn begeeren was. Zij er Hem, die ons zijn Woord gaf en dat Woord deed vleesch worden, de dank en de eere voor toegebracht. Ook bij dien toon des lofs weet ik, even zeker als bij mijn klachte, tolk der gemeente aan alle oorden van ons land te zijn.
Dat dit stuk, niettegenstaande de gelukkige wending die de zaak nam, toch wordt afgedrukt, heeft plaats met voorkennis van Dr. Gunning.
Dr. A.K.
1. Deze legende van het dusgenaamde Kerugma is voornamelijk ontleend aan Petrus woord in Hand. 1 : 21 en 22, toen hij de keuze van een apostel in de plaats van Judas voorsloeg. Hij zei toen, dat men geen discipel als apostel mocht voorstellen die niet van meetaf bij hen was geweest. Het is dus noodig dat van de mannen die met ons omgegaan hebben al den tijd in den welken de Heer onder ons uit- en ingegaan is, beginnende van den doop van Johannes, tot den dag toe, in den welken hij van ons opgenomen is, een derzelve met ons getuige worde. Het sprak wel vanzelf dat men niet een man kan kiezen die ook vóór den doop met Jezus was geweest; om de eenvoudige reden dat er toen geen mannen bij Jezus waren; dat Jezus toen schuil bleef en opzettelijke aanraking meed. Er kon dus niet anders sprake zijn dan van discipelen te beginnen na den doop. Niet vroeger. Wel later. Immers, er waren tal van discipelen die zich eerst later hadden aangesloten. De keuze stond alzoo tusschen twee categorieën: ten eerste degenen die reeds van den doop af hem gevolgd waren; en ten tweede zij die eerst later bijvielen. En wat zegt Petrus ons anders dan eenvoudig dit: Onze man moet van de eerste, niet van de tweede categorie zijn.
Een andere uitlegging laat zin noch tekst toe.
En hiermede vervalt het steunpunt voor deze legende.
2. BgB80D@n0:X<T< mag niet vertaald, gelijk thans sommige doen: dingen die onder ons tot hun volle uitwerking zijn gekomen, maar moet vertaald gelijk onze Overzetters het deden.
a.
|