De kunst

V. (Slot.)

En de koning Sálomo zond henen, en liet Hiram van Tyrus halen. Hij was de zoon eener weduwvrouwe, uit den stam van Naphthali, en zijn vader was een man van Tyrus geweest, een koperwerker, die vervuld was met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, om alle werk in het koper te maken; deze kwam tot den koning Sálomo, en maakte al zijn werk.

1 Kon. 7 : 13, 14.


Nog slechts één punt rest ons ter bespreking, t.w. de beteekenis van de Kunst voor het Koninkrijk der hemelen. Niet alsof uit de rijke stof van de Schoonheidsleer niet nog veel en velerlei geheel onbesproken ware gebleven, dat op zichzelf uiterst belangrijk is; doch al dat overige mocht hier zelfs niet worden aangestipt. Immers, handelende over de gemeene Gratie, mochten we ook ten opzichte van de Kunst slechts datgene aan de orde stellen, wat in de Schoonheidsleer met de gemeene Gratie samenhangt. Onder dit laatste nu valt zeer stellig ook de beteekenis van de Kunst voor het Koninkrijk Gods. De gemeene Gratie toch vormt wel een tegenstelling met de particuliere Genade, uit welke het Koninkrijk Gods opkomt, maar wordt toch eerst dan in haar waardij recht verstaan, zoo ze van dat hooger standpunt bezien en beoordeeld wordt. Bij de Overheid, bij het Gezin, bij het Huwelijk, bij de Opvoeding, bij de Maatschappij en bij de Wetenschap werd daarom telkens niet alleen de werking der gemeene Gratie, maar ook het verband van alle deze stukken menschelijk |79| leven met de Christelijke religie toegelicht en zoo doe ook dit slotartikel in kort bestek ten opzichte van de Kunst.

En dan sta op den voorgrond, dat ook de Kunst instrument en voertuig van tweeërlei geest kan zijn. De voorstelling, alsof de Kunst, omdat ze tot de ideale levensuitingen behoort, nooit kwaad kon, berust op misverstand. De Kunst kan niet alleen veel schade aanrichten, maar feitelijk sticht ze veel kwaad; en het is schuldige oppervlakkigheid, dat zoo menig minnaar van de Kunst ook onder de verlosten des Heeren, nog altoos weigert dit te erkennen. Men versta dit niet verkeerd. Geen ernstig man zal betwisten, dat de Kunst in haar misvorming en door de zonde van haar beoefenaars, maar al te dikwijls het zedelijk ideaal trotseert. Om dát droeve feit te erkennen, behoeft men waarlijk geen Christen te zijn. In de kunstcritiek ook van onze liberale dagbladpers is er reeds herhaaldelijk op gewezen, hoe b.v. het tooneel zich gedurig verlaagt door het opvoeren van oneerbare vertooningen en het bezigen op het tooneel van vuile taal. Dit wordt zoo helder ingezien, dat ernstiger mannen onder de minnaars der Kunst, die geheel buiten de belijdenis van den Christus staan, reeds herhaaldelijk pogingen hebben aangewend, om, zoo mogelijk, het tooneel te veredelen. Dat dit toch niet hielp, lag aan de geldquaestie in verband met den smaak van het publiek. Tooneeluitvoeringen zijn uiterst kostbaar, en de kosten er voor kunnen alleen gedekt worden, hetzij door subsidiën en giften, hetzij door ruime ontvangsten van de toegangskaarten. Was er nu een publiek talrijk genoeg, genoeg bemiddeld en ideëel genoeg aangelegd, om een nobel stuk door trouwe opkomst te eeren, zoo zou de zaak loopen kunnen. Maar zoo staat de zaak niet. Het grooter deel van het tooneel bezoekend publiek mist hooger kunstzin, komt enkel om te genieten, om pret te hebben, en heeft dan alleen pret, als het door zotteklap vermaakt of door vertoon van laffe zeden zinlijk geprikkeld wordt. Een degelijk tooneel speelt voor een leege zaal. Om te trekken, moet het te vertoonen stuk de Kunst prostitueeren. Voorts ligt het in den aard der zaak, dat tooneelspeelsters, die er zich toe leenen moeten, om op de planken zulke stukken voor te dragen en te vertoonen, alweer de schaamte moeten hebben uitgeschud, zoodat gemeenlijk niet zelden ook het gezelschap zedelijk laag staat. Dit alles echter vloeit voort uit het misbruik, niet uit het gebruik van de Kunst. De echte Kunst is wel terdege in staat, stukken op te voeren, die boeien en veredelen, en waarvan alle onzedelijkheid verre blijft.




Reeds dieper grijpt een ander kwaad in, dat meer met het kunstwezen zelf samenhangt. Slechts op tweeërlei zij hier de aandacht gevestigd: het ééne bijna onafscheidelijk van de tooneelkunst, het andere gedurig |80| voorkomende bij beeldhouwers en schilders. Bij het tooneel namelijk is geen hooge kunst van opvoering bereikbaar, of de tooneelspeler moet de kunst verstaan, om zich geheel in te denken en geheel in te leven in het karakter en in het bestaan van den persoon, die hij in zijn rol voorstelt. Denkt gij u nu iemand, die van zijn 20ste tot zijn 60ste jaar niet anders doet, dan den éénen keer voor, den anderen keer na, aldus inleven in andere karakters, zoodat hij aldoor in een ander persoon optreedt, en nooit zich zelven mag vertoonen, dan springt het in het oog, hoe ondenkbaar het is, dat bij zoo iemand een eigen karakter zich zou ontwikkelen. Stemt nu ieder man van ernst toe, dat het vormen van een eigen karakter een der beste adelbrieven is, dan is de vraag niet te ontwijken, of het oorbaar is voor ons genot, heel een reeks personen, tot zulk een onpersoonlijk bestaan te veroordeelen. — En niet minder ernstig is het tweede kwaad, waarop we doelden, en dat voor beeldhouwers en schilders, niet zelden onafscheidelijk van hun kunst schijnt te zijn. Ze maken namelijk veel hun studie naar het naakte model, wat zeggen wil, dat ze jongens en meisjes huren, die soms geheel naakt, uren lang in hun ateliers voor hen staan of zitten. Het is zoo, enkelen bezigden daarvoor hun eigen vrouw, maar als regel geldt toch, dat ze deze naakte modellen voor geld huurden; en wie zal in dit geval ontkennen, dat de Kunst aldus triomfen zoekt ten koste van eerbaarheid en schaamte.

Zoo ware nog op meer te wijzen, maar reeds het aangevoerde is voldoende, om het voelbaar te maken, hoe de Kunst op meer dan één terrein de wet der eerbaarheid en der zedelijkheid als voor zich niet geschreven beschouwt. Reeds dit kwaad is van zeer ernstig karakter, en raakt de Kunst in beginsel. Zij acht zich, ter wille van haar kunstideaal, van de zedewet te mogen en te moeten emancipeeren. Voor haar zal de wet der eerbaarheid en der schaamte niet geschreven zijn. En dit gaat zoover, dat men in onze groote musea jonge dames kan vinden, die, van publiek omringd, zich niet schamen, openlijk en voor aller oog, de schaamdeelen van een manlijk figuur te zitten schilderen. Het heet dan, dat bij hoog kunstgevoel het zinlijk gevoel geheel tot zwijgen is gebracht, en dat daarom bij echte Kunst niet met schaamte kan of mag gerekend worden. Nu zal niemand ontkennen, dat hierin formeel een deel waarheid schuilt. Figuren en gestalten kunnen, met wegdenking van het persoonlijke, in normale schoonheid, vooral buiten tint of kleur, zoo gebeeldhouwd en ten deele geschilderd worden, dat ze alle zinlijke aandoening buiten sluiten. Maar wie die de ateliers kent, zal beweren, dat zoo hoog standpunt doorgaande regel is, en niet veeleer klagen dat maar al te dikwijls bedoeld is, munt te slaan uit wat de zinnen prikkelen kan. Van Christelijke zijde kan daarom niet ernstig genoeg tegen deze pretentie van de Kunst, als zou de wet der eerbaarheid voor haar niet geschapen zijn, geprotesteerd worden. Van |81| de wet Gods kan ook de Kunst geen dispensatie verleenen, en de Kunst onteert zich zelve, door die emancipatie te zoeken. Wat niet in beeld of op het doek kan gebracht worden zonder het offer der eerbaarheid te vorderen, of de schaamte te kwetsen, moet eenvoudig wegblijven. De Kunst is niet autonoom. Ze is één der hoogere menschelijke levensuitingen, en alle deze levensuitingen hangen organisch saam, en staan steeds onder Goddelijke ordinantie.




Toch draagt ook dit alles nog slechts een zijdelingsch karakter, in zooverre er schatten van Kunst bestaan, waarbij het vraagstuk van karakter of eerbaarheid geheel buiten spel blijft. Wat we uitspraken, dat in de Kunst als Kunst tweeërlei geest kan heerschen, doelt dan ook op heel iets anders. De Kunst is in al haar scheppingen draagster en voertuig van een geest, van een bezieling, die stuurt en stuwt in een bepaalde richting. Hiermede is niet ontkend, dat er tot op zekere hoogte ook een neutraal terrein van de Kunst denkbaar is, waarop geen geestesrichting uitkomt; maar zelfs dat gaat slechts bij oppervlakkiger beschouwing door, en nauwlijks verheft de Kunst zich tot iets hooger terrein, of de uiting van deze of gene geestesrichting is aanstonds onmiskenbaar. Zelfs bij de bouwkunst voelt een ieder, wat heel andere geest op u aandringt, als in het Pantheon te Rome het machtig koepelsymbool u overweldigt, dan dat ge een gothischen Dom als die te Keulen van buiten beziende of binnentredende, u opgeheven gevoelt in hooger, heiliger sfeer. Reeds in allen hoogeren bouwstijl belichaamt zich een gedachte, de gedachte der autoriteit en van het imperialisme, de gedachte der vrijheid, de gedachte van het hemelsche, de gedachte van het practische, en zooveel meer.

Maar veel sterker spreekt geestesrichting in de beeldhouwkunst en in de schilderkunst, naar gelang van de onderwerpen die ze kiezen, en de wijze waarop ze die uitvoeren. Vergelijk Rembrand en Jan Steen, en de tegenstelling tusschen diepen ernst uit het donkere licht, en de wufte losbannigheid treft u. Ge stuit op de verheerlijking van den mensch, in zijn gestalte, in zijn trots, in zijn sierlijkheid, in zijn weelde, of voelt u zacht en teeder aangedaan door de deernis met de menschelijke ellende, door heflige tafereelen van liefde en vroomheid. En wat op die wijs reeds bij de plastische kunsten zoo sterk uitkomt, neemt nog veel ernstiger karakter aan bij zang- en toonkunst. Hier toch is het niet meer het plastische effect, dat de aandoening teweeg moet brengen, maar er zijn trillingen van stem en instrument die door het oor binnendringen, zich in de ziel, in het hart, in het gemoed overplanten, dat gemoed zelf in trilling brengen, en zoo rechtstreeks op de gesteldheid van het gemoed inwerken. Wat een Wilhelmus van Nassauen ten goede, en een Marseillaise ten |82| kwade als volkslied op de gemoederen gewerkt heeft, is in geen cijfers aan te geven. Maar vast staat, dat elke tijdgeest zijn eigen muzikale vertolking vindt; zoo heel anders in de dagen der Reformatie en in de revolutionaire melodie van het laatst der 18de eeuw. Wie Bach en Meijerbeer met elkander vergelijkt, voelt aanstonds wat geheel andere geest hem tegenstroomt, en diezelfde tegenstelling gaat tot in de volksdeunen door. Het is daarom zoo stuitend oppervlakkig, indien men zich inbeeldt, dat muziek, mits van een voortreffelijken meester, niets dan muziek is, en daarom neutraal aan ons voorbijgaat. Het tegendeel is waar. In elke muziek, en in allen zang van hooger beteekenis, komt een geest tot ons, dringt op de golvingen der toonwereld in ons, en oefent invloed op de stemming van ons gemoed.

Wel moet toegegeven, dat deze inwerking op ons gemoed geen aanstonds beklijvende is. Het ligt toch in den aard der zaak, dat de aandoeningen die de toonkunst ons aanbrengt, slechts schijn-aandoeningen zijn. Velen maken de gewaarwordingen van diepe smart of hooggestemde vreugd, de worstelingen van grievend leed of hoog heroïsme mede, onderwijl hun eigen hart uiterst ordinair gestemd is, en, na het aanhooren, een portie ijs of een glas champagne het eerste is waarnaar men de hand uitstrekt. Ten deele kan dit zelfs niet anders. Maar onwaar is het, dat deze schijnaandoeningen daarom zonder alle uitwerking op ons gemoed zouden blijven. Het telkens opnieuw ondergaan van zulke schijn-aandoeningen brengt het gemoed in onharmonischen toestand, verzwakt de vatbaarheid voor reëele aandoeningen, en geeft toch ten slotte aan het leven van ons gemoed zekeren plooi. De uitkomst leert dan ook gedurig, hoe menige dweper met de toonkunst, die er zich te roekeloos aan overgaf, het slachtoffer van zijn dweepzucht werd, tot in het zenuwleven werd aangetast, en bij al zijn onmiskenbaar talent, persoonlijk in waardij achteruitgaat en voor het leven dreigt te mislukken. De bestendige exaltatie spant het gemoedsleven te sterk en te gevarieerd, om den weg tot normale, constante, harmonische ontwikkeling van den persoon open te laten.




Steeds helderder moet het daarom worden ingezien, dat de verhouding tusschen ons persoonlijk zieleleven en ons kunstleven een zaak van het uiterste gewicht is. Gelijk Paulus zegt, dat de geest des profeten aan den profeet onderworpen moet blijven, zoo ook moet op muzikaal, en in het gemeen op kunstterrein, de genius der Kunst aan onzen persoon onderworpen zijn, of de schade voor ons persoonlijk leven kan niet uitblijven. Ook aan de Kunst kan men zich dronken drinken, en alzoo de heerschappij over zich zelven verliezen. Men geraakt dan uit zijn evenwicht, en wordt een speelbal van de Kunst die men verafgoodt. Dat toch de |83| liefde voor de Kunst bij velen tot afgoderij leidt, is aan geen twijfel onderhevig. Boven de Kunst gaat voor velen niets. Aan de Kunst moet alles worden opgeofferd. De Kunst is hun het hoogste doel, dat alle middel heiligt. Doch ook afgescheiden van dat verbreken van de harmonie in ons inwendig leven, dat zoo telkens door de Kunst gewrocht wordt, blijft toch de hoofdschade die ze ons kan brengen, en zoo telkens aanbrengt, de verkeerde richting, waarin ze ongemerkt onzen geest in ons drijft. Exaltatie bij en afgoderij met de Kunst bepaalt zich tot enkele dwepers, tot enkele Kunst-zeloten; daarentegen de verkeerde geest dien ze kweeken, kan, bewerkt ongemerkt de breede schare en richt verwoesting onder de menigte aan. En dit nu is daaruit te verklaren, dat de Kunst wel bestemd is als instrument, om den geest des Heeren te doen doordringen, voor het heilige en hooge ideaal te bezielen, en alzoo God den Schepper in alle Kunst te verheerlijken; maar dat van datzelfde instrument zich beurtelings ook de geest uit de diepte meester maakt, en alzoo met haar producten tegen den geest van God ingaat.

Natuurlijk staan evenmin als op de andere terreinen van het leven deze twee geesten steeds in absoluten vorm tegen elkander over. Er is een satanische geest, er is een spotzieke geest, er is een wereldsche geest, er is een geest der onverschilligheid, er is een geest van zelfaanbidding en zooveel meer; gelijk daartegenover volstrekt niet altoos rechtstreeks een heilige geest staat, maar ook deze geest varieert als ideale geest, een geest der menschelijkheid, een geest der gerechtigheid, een geest der toewijding enz. Rechtstreeks heeft satan tegenover Christus alleen in de woestijn gestaan. Maar al is er ook hier velerlei schakeering in verzwakten vorm, toch is het ontwijfelbaar, dat in dit alles steeds twee richtingen tegen elkander indruischen, en dat tenslotte ook deze verzwakte en verwaterde uitingen altoos weer in de richting van den geest uit de diepte of in de richting van den geest uit den hooge ons menschelijk gemoedsleven trekken.

Eerst als men dit helder inziet, is men in staat de verhouding tusschen de Kunst en de particuliere genade, of wilt ge het Koninkrijk der hemelen, met eenige juistheid te beoordeelen. Reactie tegen de heidensche Kunst heeft in den eersten aanloop schier alle producten van menschelijke Kunst buiten het Christelijk erf doen veroordeelen, vernielen en begraven, en toen het aanzijn geschonken aan een geheel nieuwe ontwikkeling van de Kunst, waarin de geest der gekerstende natiën haar uitdrukking vond. Dit was eenzijdig, maar het was begrijpelijk, en aanvankelijk kon het niet uitblijven. De Christelijke religie stuitte in haar worsteling met de heidensche wereld telkens en telkens weer op het Kunstleven in den tempel en op het Forum, en het is te verstaan, dat bij de eerste botsing aan verzoening niet te denken viel. Het was een andere geest, die tegen den |84| geest uit de diepte in den schoot des volks inging, en deswege moest aan dien geest uit de diepte ook de machtige steun ontnomen worden, dien hij in de kunstschatten der oudheid vond, en omgekeerd aan den geest van de Christelijke religie de steun geboden worden, dien de schepping van een Christelijke Kunst alleen verschaffen kon. Te betreuren was het slechts, dat deze verjongde Kunst én te eenzijdig en te uitsluitend kerkelijk optrad. Te eenzijdig, door de vijandige positie waarin zij zich aanvankelijk stelde tegenover de klassieke Kunst der oudheid, én te kerkelijk, doordien alleen in het centrum van het kerkelijk leven vooralsnog de gegevens aanwezig waren om ware Kunst te doen opbloeien. De geest van de Christelijke religie was nog geconcentreerd in de kerk en. haar clerus, en nog te weinig diep in het volksleven binnengedrongen, om uit dat volksleven zelf nieuwe scheppende Kunst te doen opkomen. De nieuwe idéeënwereld die de Christelijke kerk in de wereld indroeg, hadden nog alleen in dogma en liturgie genoeg vasten vorm aangenomen om zelfstandig vrucht te dragen op kunstgebied. Dit nu had tengevolge, dat het denkbeeld van Christelijke kunst schier voor gelijkluidend gold met kerkelijke kunst drukte de reactie tegen het heidensche leven een eenzijdig spiritualistisch stempel; terwijl omgekeerd het exclusief karakter van deze Christelijke kunst aan den kerkelijken eeredienst steeds meer een plastisch karakter leende. Al heeft dan ook deze kerkelijke kunst ontegenzeggelijk veel schitterends voortgebracht, en kostelijken dienst gedaan, om aan de ideale opvatting van het leven een heiliger richting te geven, toch kan kwalijk beweerd worden, dat haar spoor ons duurzaam den weg kon wijzen. Immers de Kunst leeft bij de gemeene Gratie, en deze kerkelijke kunst trok haar ongemerkt juist van het terrein der gemeene Gratie af, en bracht haar over op het privatief terrein van de particuliere genade.




Daaruit is het dan ook te verklaren, dat de Reformatie met deze kerkelijke kunst brak en weigerde, bij alle waardeering van het schoon dat ze te voorschijn had gebracht, in haar de eenig ware en volkomen uiting der Kunst naar Christelijken maatstaf te eeren. Tweeërlei werkte hiertoe saam. Ten eerste de meer geestelijke vorm van aanbidding en eeredienst dien de Reformatie in het heilige voorstond, en ten andere de behoefte aan meer natuurlijke en alzijdige uiting op het gebied der Kunst. De eeredienst werd soberder, beeldhouwkunst en schilderkunst konden in Gods huis geen plaats meer vinden, men had voor tempel- en kerkversiering geen aanzienlijke geldelijke offers meer over, en poogde door te dringen tot een aanbidding die, inniger van aard, meer het schoon der ziel, dan het schoon in marmer of op doek deed schitteren. Maar ook ten anderen gevoelde men zich beklemd in eenlevensopvatting, die op heel |85| het kunstterrein het kerkelijk stempel zette. Het besef drong door, dat het menschelijk leven in al zijn uitingen een streven naar Kunst in zichzelf droeg, en hoe hoog men ook zijn kunstideaal opschoof, toch wilde men bij dit hooge grijpen met beide voeten in het werkelijke, zakelijke leven blijven staan. De natuur van ons gewone menschelijk leven was miskend, en geboeid was men door een ideaal dat hoog boven ons zweefde, maar dan ook met natuur en leven het reëele contact te zeer verloren had. En nu brak dit volle menschenleven door de kerkelijke staketsels heen; dat menschelijk leven zelf begon, bij hooger energie, van zijn zelfstandige heteekenis en van zijn onbetwistbaar recht op zelfstandige uiting, zich zelve bewust te worden; en zoo bloeide toen buiten de kerk, en los van kerkelijke overheersching, die nieuwe kunststuiting op, die, zich aan het classieke van oud-Griekenland, door de renaissance en door haar aan de natuur, aansluitend, en aan de Reformatie haar rechtstreeksch verband met het volksleven dankend, een geheel nieuwe periode van bloei der kunsten ontsloot.

Zoo betrad de Kunst weer de open markt des levens, doch stelde zich daardoor dan ook weer bloot aan de machtige verleiding van den geest uit de diepte, die ons te midden van ons zondig menschelijk leven bij alle levensuiting steeds opwacht. Ze sloeg weer vrij haar vleugelen uit, maar die vrijheid bracht vanzelf het gevaar mede van misbruik van talent. Ze keerde terug tot het erf der gemeene Gratie, maar liep juist daardoor opnieuw gevaar, wederom besmet te worden met de woelende zonde, tot wier tempering de gemeene Gratie geopenbaard was. Ze werd ruimer van opvatting en breeder in haar actie, maar zag in haar breedere ontwikking al spoedig die tweeheid van geest en richting invloeien, die met noodzakelijkheid uit de tweeërlei strooming van den volksgeest opkwam. Men begroette een kunstuiting der Palingenesie, die de macht van den Christelijken geest ook buiten het kerkelijk erf openbaarde, maar zag daarnaast een Kunst ontluiken, die deels ja, buiten de tegenstelling van het heilige en onheilige omging, maar allengs helaas, ook een kunstontwikkeling deed opkomen, die door den geest uit de diepte geïnspireerd was.

En dit nu is het natuurlijke wat in verband met de zonde tot den einde toe zoo blijven zal. Zoo lang de vermenging van het onbeilige en heilige op deze aarde voortduurt, en het rijk der heerlijkheid, d.i. ons hoogste ideaal, nog niet gerealiseerd is, kan ook het Schoon niet tot eenheid en harmonische openbaring komen. Er heerscht nu eenmaal in de wereld, waarin we leven, velerlei geest, en in die geestenwereld vormt de geest van Christus en de geest uit de diepte een tegenstelling, die niet is te verzoenen. Ware nu Kunst stelselmatige belichaming van gedachten, zoo viel haar een band aan te leggen. Maar dat is Kunst niet. Kunst komt niet uit begrippen op en is onmachtig om ze te vertolken. |86| De Kunst komt, even zelfstandig als de begrippen uit ons denken, zoo harerzijds uit de wereld van onze zinnende verbeelding op. Wint nu die geest, die de verbeelding tot zijn instrument heeft, in klaarheid en zelfbewustheid, niet alleen persoonlijk, maar ook in de gemeenschap van het saamleven, dan drijft hem een innerlijke drang om zich ook in de wereld van het Schoone te openbaren, en wat innerlijk doorleefd wordt, te belichamen in wat waarneembaar is voor oor en oog.




Het is daarom een leemte in het leven der Christenheid, zoo zij, te ver van de natuur vervreemd, en in het zinnend, verbeeldend leven te weinig ingaande, den drang mist, om onder de inspiratie van den geest der Palingenesie zich ook in de wereld van het Schoone te uiten, en zoo ook op kunstgebied den naam van haar God te verheerlijken. Onze tegenstelling met veel dat in de wereld eere heeft, moge dit verklaren, maar toch, het moet als leemte blijven gevoeld. Op het gebied van zang en muziek heeft het, Gode zij lof, allerminst ontbroken aan hoogepriesters der Kunst, die uit den Heiligen Geest gedacht en onder de inspiratie van den Geesti des Heeren de harp getokkeld hebben, alzoo het voldingend bewijs leverend, hoe ook buiten het kerkelijk erf, door Christus’ Geest gedoopte Kunst, in hoogeren, in idealer vorm bloeien kan. Maar dit mag ons de leemte, die in dit opzicht op het gebied van de plastische kunsten bestaat, niet doen verschoonen; kunsten die, al staan ze lager, toch niet minder geroepen zijn, om eere te geven aan Hem, die ons tot hooger levensopvatting riep. Slechts zij men op zijn hoede, bij de plastische kunsten niet nogmaals de oude feil te laten insluipen, alsof de schilderkunst onder hooger geest alleen bijbelsche tafereelen, de bouwkunst alleen tempels voor den eeredienst stichten kan. De geest van Christus adelt gansch het leven. Wie de natuur aanziet, zooals Jezus haar aanzag, en dan het kunstenaarstalent bezit, om den ontvangen indruk op het doek te brengen en ons mee te doen genieten, heeft als Christen zijn God verheerlijkt. En zoo ook, wie het menschelijk leven in zijn rijkdom van verschijningen en in de veelheid van zijn worstelingen weet te verstaan, zoo als het bij het licht van Gods Woord moet verstaan worden, en den aldus ontvangen indruk in de wereld van het Schoon weet over te brengen, heeft in dat leven den Geest van zijn Heere vertolkt. Ook op kunstgebied zij het niet de Geest des Heeren naast, maar de Geest des Heeren in het leven. Ruskin schreef parodie, toen hij ons opriep om God in de zes scheppingsdagen na te bootsen, maar in zijn zonderlinge oproeping lag dan toch deze ware gedachte, dat zoo God Zich zelven verheerlijkt, om door zijn Heiligen Geest het licht in de duiternis, de zee en het droge, |87| de planten- en de dierenwereld te scheppen, alle Kunst zich zelf verarmt en in het verheerlijken van Gods naam te kort schiet, indien ze het heilige en het natuurlijk leven vaneen scheidt.




Onze studiën over de gemeene Gratie zijn hiermede ten einde gebracht; en indien deze studiën eenig licht over veel diepzinnige vraagstukken van ons Christelijk leven mochten spreiden, worde daarvoor Hem alleen de eere toegebracht, die er ons tijd en kracht toe schonk.