De kunst

IV.

Al laagt gijlieden tusschen twee rijen steenen, zoo zult gij toch worden als vleugelen eener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geelachtig goud.

Psalm 68 : 14.


De Kunst, door het Schoon der Natuur niet bevredigd, grijpt naar een hooger, rijker Schoon, dat met het rijk der Heerlijkheid eerst komt, maar toch nu reeds profetisch kan doorschemeren. De Kunst is alzoo niet geroepen om enkel natuurcopie te leveren, maar om boven de natuur uit te gaan, mits ze naar dat hoogere, langs de ladder der natuur, de scala creationis, opklimme, Omgekeerd geeft de natuur indrukken van schoonheid, die roepen om Kunst, opdat idealer standpunt bereikt worde, dan de natuur biedt. En dat de Kunst hiertoe dienen kan is, omdat ze haar aanzijn dankt aan het beeld Gods, waarnaar de mensch geschapen is; |70| een beeld tot welks trekken ook deze hoort, dat gelijk God schept, ook de mensch scheppe; altoos wel te verstaan, op menschelijke wijze. God in de werkelijkheid, de mensch in den schijn. God schiep den levenden persoon in Adam, de kunstenaar uit marmer het menschelijk beeld. Edoch, al is ons hiermede een vast en duidelijk standpunt voor de Schoonheidsleer en de Kunst, bij het licht der Schriftuur aangewezen, toch is hiermede de beteekenis der Kunst op verre na niet volledig toegelicht. „Het schepsel, zegt de heilige apostel, d.i. alle creatuur, verwacht als met opgestoken hoofde de openbaring van de heerlijkheid der kinderen Gods.” „Het creatuur is nu, zoo gaat hij voort, onderworpen aan de verderfenis,” maar het houdt stand door „de hoop, dat het ook zelf vrij gemaakt zal worden,” en zoo deelen zal „in de heerlijkheid die Gods kinderen wacht” (zie Rom. 8 : 19-21). En evenzoo ging reeds van David’s harp tot Israël de profetie uit: „Al laagt gij tusschen twee rijen van steenen, zoo zult gij toch worden als vleugelen eener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geelachtig goud” (Ps. 68 : 14). ’s Menschen Kunst heeft alzoo óók de roeping, om de natuur, en hierdoor ’s menschen aanzijn, op aarde te veredelen. Bloemenpracht als in onze trekkasten gekweekt wordt, kent de aan zichzelf overgelaten natuur niet. Ook de rassen der dieren worden door ’s menschen Kunst tot hoogere ras-zuiverheid en ras-schoonheid opgevoerd. En wat zoo geldt van plant en dier, geldt evenzoo van het onderscheid tusschen de wilde natuur, die gewisselijk een eigen schoonheid vertoont, maar wie toch een geheel ander beeld doet zien dan de landstreek, die door ’s menschen Kunst veredeld is. Wie Jotünheim of de Hardanger, in Noorwegen, vergelijkt met ons Gooi of met Arnhem’s omstreken, voelt het verschil terstond. Ginds meer aangrijpende verhevenheid; maar in de landstreek die haar wildheid verloor, meer lieflijkheid en teederheid. Ginds een verhevenheid waarvoor ge huivert, hier een schoon dat u aantrekt.

En ditzelfde geldt van ’s menschen eigen existentie. Een wilde Indiaansche vrouw van de Roodhuiden maakt een gansch anderen indruk dan een visschersvrouw van Marken, en wederom maakt een edele vrouw van hoogen huize, in onze steden, een geheel anderen indruk, dan de reeds zoo rijk ontwikkelde vrouw van ons belangwekkend eiland in de Zuiderzee. En telkens ziet ge zoo de Kunst tusschenbeide treden, om in kleedij en sieraad, in woning en huisraad, in manier en vorm van leven, ons leven tot hooger standpunt op te voeren. Het menschelijk leven in de Afrikaansche stad Tombuktu is niet te vergelijken bij het leven in een Mahomedaansche stad als Tunis, en toch zinkt dat leven in Tunis weer geheel weg bij de weelde en het schoon, dat ’s menschen leven vertoont in steden als Londen en Parijs. En bij dit alles nu speelt de Kunst haar hooge rol. De kunst van het bouwen, de kunst van het weven, de kunst van het ornament en wat niet al, is eeuw aan eeuw doende geweest, om ons uitwendig |71| menschelijk leven steeds meer te verheffen, te verrijken, te veredelen. Zoo vertoont van lieverlede heel ons menschelijk leven een schooner gelaat, een harmonischer vorm, die onwilkeurig ook op den mensch zelven inwerkt, en hem manierenen levensvormen eigen maakt, waardoor zijn gestalte, en voorkomen, en optreden hooger komt te staan. Wie een beeltenis van Gladstone met het conterfeitsel van den Zulu-koning Dingaan vergelijkt, tast het onderscheid. En bij dit alles werkte een kunstzin, die niet tot enkelen beperkt was, maar in de massa werkte. De houtsnijkunst die zich in Zwitserland, de borduurkunst die zich op Marken ontwikkeld had, kwam uit het volk in zijn breede rijen op. Er sprak een drang in, om het aanzijn sierlijker, om het leven schooner te maken. En wat wansmaak daarbij ook soms insloop, toch is het niet tegen te spreken, dat deze algemeene kunstdrift de breede basis heeft gevormd, waarop de hoogere Kunst rust. Elk volk zong van ouds, elk volk speelde in toonkunst, en al bleef hierbij zang en toonkunst primitief, toch was het de volkszang en de volksmelodie, die aan de hoogere zang- en toonkunst den spoorslag gaf.




Maar toen trad dan ook het onderscheid in tusschen de Kunst op lager trap, die aller gemeen goed was, en de hoogere Kunst, die niet langer door het algemeen besef, maar door hooger ideaal werd bezield en gedreven; en wat ook opmerkelijk is, hoe meer deze hoogere Kunst zich ontwikkelde, hoe meer de volkskunst terugging. Het volk zelf was vroeger veel poëtischer dan thans, de kunstvaardigheid bij den gemeenen man stond nog in de eeuw der reformatie veel hooger. Het was of sinds de kunstzin uit de breede schare zich concentreerde in de enkele genieën, en zoo het volk ontbloot liet. Tot in zijn spreken toe is het eens zoo zinnige en zangerige en kunstminnende volk prozaisch geworden, Het leven is te gejaagd en te onrustig geworden, om tijd en kalmte te geven voor het naar buiten treden van de dieperliggende beseffen. De Kunst heeft toen uit het volksleven zich teruggetrokken, zich een eigen tente opgeslagen, en een zelfstandige positie in het leven gewonnen. Dit zou ondenkbaar geweest zijn, indien niet kunstenaars van ongemeen talent, genieën op het gebied van het Schoone waren opgetreden; en wie schiep die genieën anders dan God, God in de gunste zijner gemeene Gratie? Ja, zelfs mag gevraagd, of de Grieksche wereld niet even opzettelijk op het kunstschoon was aangelegd, als de Romeinsche wereld op de ontwikkeling van het gezag en van het recht. Ook in de wereld van het Schoone gold een eigen van God gestelde ordinantie. Die ordinantie was eerst een geheimnis, en werkte slechts onbewust in de volkskunst. Maar in de Grieksche wereld is die Goddelijke ordinantie van het Schoone tot het bewustzijn van enkele genieën doorgedrongen. Deze hebben toen in hun |72| kunstwerken die ordinantie verstaan, geopenbaard, verwerkelijkt. En van. daar dat in de Grieksche kunst het klassieke voor deze wereld van het Schoone ligt. Niet omdat het Grieksche kunst was, maar omdat het God beliefd had, het eerst in dat wondere volk de vaste, de eenig geldende regelen en wetten, d.i. de Goddelijke ordinantiën voor het Schoone tot openbaring te brengen.

De eigendunkelijkheid van wat men den smaak noemt, wil daar niet aan. Het Latijnsche spreekwoord: „de gustibus non est disputandum”, d.w.z. over smaak valt niet te twisten, is de uitdrukking van de eigendunkelijkheid, waarmeê in de wereld van het Schoone nog vaak geoordeeld wordt. „Ik vind het zoo” en „Gij vindt het zus”, is het gewone zeggen, waarmeê een ieder zijn gelijk recht om te oordeelen staande houdt. Hierin nu ligt een betrekkelijke waarheid, en zulks in tweeërlei opzicht. Vooreerst toch bezit op geen gebied zóó sterk als op dat van het schoone, het subjectieve recht van meêspreken, omdat de beteekenis der indrukken, die men ontvangt, voor zoo aanmerkelijk deel afhangt van den spiegel onzer ziel, waarin we ze opvangen. En ten anderen, en zulks niet minder, omdat over het Schoone slechts zeer zijdelings te redeneeren valt, en het dusgenaamde aesthetisch oordeel opkomt uit het schoonheidsbesef zelf, dat, al naarmate het fijner ontwikkeld is, tot zuiverder oordeel bekwaam wordt. Toch mag geen oogenblik toegegeven, dat in de wereld van het Schoone de wilkeur. van ieders smaak vrij spel zou hebben. Wie dat zegt, maakt het schoone los van God. Wie daarentegen met ons belijdt, dat God ook de Verzinner en Schepper van het Schoone is, die kan er niet aan twijfelen, of ook voor het Schoone geldt een voorwerpelijke, een objectieve maatstaf; die kan niet ontkennen, dat er ook voor de wereld van het Schoone een Goddelijke ordinantie bestaat; en die zal, schoon met schoon vergelijkend, altoos weer tot de erkentenis komen, dat de klassieke grondslagen van het Schoon het eerst in Griekenland met zuiverheid gegrepen zijn. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat alle kunst mitsdien Grieksche kunst moet zijn. Met name het hooger motief van het Christelijk bewustzijn heeft Griekenland nooit gekend. Bovendien is het klassieke er niet, om eentonig en eenvormig steeds zichzelf te herhalen. Ook in de wereld van het Schoon, ja, in deze wereld bovenal heerscht de rijkste veelvormigheid, een schier eindelooze pluriformiteit, telkens met een eigen stijl en een eigen karakter. Maar gelijk aan de veelvormigheid onzer bloemenwereld toch de gemeene type van de bloem ten grondslag ligt, zoo komt ook alle kunstvariatie op uit vaste oorspronkelijke gegevens, en die oorspronkelijke gegevens in hun juistheid heeft God door Griekenland aan ons menschelijk geslacht ontdekt. |73|




Toen nu een eigen kunstkring zich in het menschelijk leven afscheidde en in dien kring de Kunst haar zelfstandig bestaan verkreeg, ging er van dien kring tweeërlei werking uit. De aldus opgekomen Kunst zocht aansluiting aan het kunstbesef in het volk, om het volk op te voeden en te doen genieten. Maar ook werd de Kunst, door nog hooger aandrift bezield, gedreven om de Kunst om zichzelve te zoeken, en het is in deze tweede formatie dat ze grootsche scheppingen in het leven riep, die voor het gemeen zonder beteekenis en zonder invloed op het volk, een afzonderlijke openbaring van menschelijk leven vormden, alleen door de uitverkorenen op dit gebied naar prijs gewaardeerd.

Die tweeërlei bezigheid der Kunst vond reeds vroegtijdig haar aanduiding in de vergelijking van Kunst en Religie. Gelijk de Religie oudtijds haar tempel had, wiens drempel alleen door priesters en koorknapen werd betreden, maar voor welks altaar toch ook het volk zich verzamelde om van de offerande getuige te zijn, zoo ook was er een tempel der Kunst, met zijn hoogepriesters, priesters en koorknapen, die binnen de wanden van het heiligdom een eigen leven leidden, voor het volk ontoegankelijk, maar een tempel voor welks poorten zich toch ook het volk verzamelde, om door de priesters der Kunst verrukt, verrijkt en gezegend te worden. Een leven alzoo binnen de wanden van het heiligdom der Kunst, alleen toegankelijk voor de met hooger Kunstzin begiftigden; maar ook een invloed die naar buiten uit dezen tempel op het volk in zijn breede geledingen uitging; en het is de meer of minder juiste verhouding tusschen deze beide werkingen der Kunst, die haar adel uitwijst. Vaart in de kunstenaarswereld te sterke jacht op faam, of boozer nog, jacht op baar geld, dan loopt ze gevaar zich te verlagen, en niet hooger smaak als wet te doen gelden, maar zich te voegen naar den lageren, zoo niet valschen smaak van wat men het publiek noemt. De orde wordt dan omgekeerd. Niet het kunstgenie vormt dan den smaak der wereld, maar de smaak der wereld zet dan zijn stempel op het kunstgenie, dat zich om faam of geld verkoopt. Dat dit kwaad ook thans insloop, valt niet langer te betwijfelen. Kunst is duur, kunstenaars zijn zelden zuinig, en het keurslijf van orde en regel benauwt hen. En daar nu de groote menigte haar geld niet offert, of ze moet genieten, en de smaak zich al minder ideaal afteekent, maar steeds meer het zinlijke beoogt, sloop er in de Kunst een zelfverlaging in, die haar ten slotte met zedelijkheid, eerbaarheid en kieschheid in botsing bracht, niet alleen in beeld en schilderstuk, maar even dikwijls in zang, in toonstuk en roman. Dientengevolge trad verwildering van de Kunst in, en vandaar de onmacht in dezen tijd, om uit het moderne leven een eigen kunststijl te doen opkomen. De moderne publicist Claretie heeft het zoo juist gezegd, na de Kunst op de Parijsche tentoonstelling van 1900 te hebben gadegeslagen: „De moderne Kunst mist een ziel, ze mist manlijke kracht, ze mist de |74| vastheid der lijnen.” Er is een schare die met al ’t hoogere brak en die om Religie noch Kunst meer geeft. Er is een andere menigte, die de Religie geheel varen liet, en nu het ideale in de Kunst zoekt, maar voor de Kunst het ideale niet zoekt in het hooge en verhevene, maar in het prikkelende, zinlijke en genot-gevende, dat om bevrediging roept uit de diepte. Daartegenover nu moet de priester der Kunst vrij, fier en onafhankelijk staan. Zijns is de roeping niet, om dezen doolgeraakten zin te voeden, maar om hem op het pad van het ware Schoon terug te leiden. Doch juist dat wil men in den tempel der Kunst thans niet. Men mist karakter, en geeft toe. Een kwaad, dat niet moet bestreden worden, door alle genieting die de Kunst geroepen is te geven, af te wijzen. Integendeel, zonder kunstgenot wordt ons menschelijk leven verarmd. Veeleer is het een kwaad, dat door zuivering overwonnen moet worden; doch die zuivering komt der Kunst niet toe, dan door verheffing van den mensch buiten het kunstgebied, in zijn religieus en ethisch leven.




Keeren we thans tot het hoogere kunstsfeer binnen de wanden van den tempel der Kunst terug, dan geldt hier de eisch, dat de kunstenaar het Schoon in de natuur en in de verborgen wereld zoekt, het Schoon in zijn verbeelding belichaamd vindt, het Schoon tot uiting brengt, door het te objectiveeren met beitel of penseel, op harp of citer, in zang of lied, en dat hij, als het Schoon aldus uit zijn verbeelding in nieuwen vorm voor de wereld geboren is, in dat Schoon, omdat het Schoon is, geniete, er Gods heerlijkheid in aanbidde, en Hem danke, die zijn vingeren aldus heeft bekwaamd. Kunstenaars die aan dezen eisch beantwoorden, zijn kunstenaars bij de gratie Gods, en alleen zij zijn het, die nooit voor den tyran der volkssouvereiniteit op kunstgebied bukken zullen. En bijna zonder-uitzondering kan van de sterren van eerste grootte, op elk gebied der Kunst, geroemd, dat ze in hun diepsten levensgrond op die wijs de kunstgenieën der wereld geworden zijn. Hun kunstproducten zijn daardoor juist het duurzaam bezit der menschheid geworden. Voorzoover ze door beitel of penseel of stift getooverd werden, brengt men hun producten dan in Museums saâm, opdat de kenner er in geniete, en de koorknaap der Kunst er zijn wijding van ontvange, en steeds hooger stijgt de geldsom, die land tegen land opbiedt, om elkander zulke keurproducten van het kunstgenie te betwisten.

Toch is ook aan dit leven, binnen de wanden van den tempel der Kunst, een niet minder ernstig gevaar verbonden. Men zou het ’t clericalisme der Kunst kunnen noemen. Overschatting van eigen terrein, met laatdunkendheid neerzien op alle lager, alle verwant en zelfs op alle hooger levensgebied. Vroomheid, braafheid, alles niets. De Kunst het hoogste, de Kunst |75| het één en al, en zij als Priesters dier Kunst, een ieder oordeelend en zelf door niemand geoordeeld. Een kaste van het talent, met al de schaduwzijden aan het kasteleven verbonden. Zich alles veroorloovend, aan niets zich storend, en tot in kleedij en haardos het voor ieder openbarend, dat zij een eigen soort wezens van hoogere orde zijn, als waren ze Uebermensche, en zich verloopend in wat de Franschen noemen la vie bohémienne. Iets waarmee dan gepaard gaat de ijdelheid der weerkeerige bewondering, doorsneden door de bitterheid der wederzijdsche benijding. Reeds bij zijn leven moet men dan zijn buste geplaatst zien in het Rijksmuseum. Men wil met ordelint na ordelint omhangen zijn. De jubilea moeten met onderlingen steun, die men beurtelings elkander gunt, tot nationale feesten opgewonden. En de edeler karakters, de genieën van fijnere ontwikkeling, ze zijn er God zij lof nog, maar toch ze geven den toon niet meer aan.

Natuurlijk dreigt het hier gewraakte kwaad minder bij den zanger dan bij den toonkunstenaar, minder bij den bouwkunstenaar dan bij den schilder, minder bij den toonkunstenaar dan bij den kunstenaar op het tooneel; maar toch, tot zelfs bij de dichters bleek dit gevaar verre van denkbeeldig te zijn. Tot zelfs de wereld van ons proza in de belletrie is er door aangetast. Vroeger bood althans de Christenzin der kunstenaars nog tegengif, doch, hoe het ons te ontveinzen, kunstenaar en vroom zijn, is een al minder gevonden combinatie, en wie nog aan Christus vasthield, bleek maar al te vaak toch aan het modekwaad der kunstenaarswereld op verre na niet dien weerstand te kunnen bieden, dat hij door de kracht van het Kruis dit booze kwaad overwon.




Toch leide men hieruit niet af, dat daarom de Kunst in haar productie ophield ook zegenend te werken. Priesterlijk toch blijft de bediening der Kunst in haar hoogere productiën altijd, ook al is het dat de priesters der kunst zelve zich van dezen priesterlijken dienst nauwlijks meer bewust zijn. Onder menschen dient, wie meer ziet of weet, op elk terrein den man, die minder zag of wist. De arme die geen uurwerk bezit, en op zijn tijd er wezen moet, houdt u staande, en vraagt hoe laat bet is, en gij die uw uurwerk bij u draagt, helpt hem. Slechts enkelen zijn de gelukkigen, die op een sterrenwacht den loop der hemelbollen mogen bespieden, maar ons deelen ze mede wat ze zagen, ze brengen het in beeld voor ons, en zoo geniet ons oog van wat hun oog zag. Wie nooit naar vreemde landen kon trekken, kan toch door wat anderen die er heen reisden en zagen, en van wat ze zagen vertelden, zich met zijn verbeelding in die landen verplaatsen. En zoo nu ook is het in de wereld van het Schoone. De kunstenaar heeft een fijner oog. Hij ziet wat gij niet ziet. Hij heeft een rijker verbeelding en vangt in den spiegel zijn verbeelding op wat u ontgaat. |76| Hij ziet meer, hij ziet dieper, hij ziet beter in samenhang, hij ontvangt harmonische indrukken, en die indrukken nu objectiveert hij op een wijze, zooals de natuur het niet geeft, maar zoo als het getoond moest worden, om u, met uw zwakker en grover en minder geoefend oog, soortgelijken indruk te doen genieten. De kunstenaar ziet het. Wat hij zag, ving hij in zijn ziel op. Uit zijn ziel belichaamt hij dien indruk in zijn verbeelding. Uit die verbeelding brengt hij ze op het doek, in lijnen, vormen en kleuren, en nu is het zoo menschelijk, zoo harmonisch u weergegeven, dat ge op het doek ontwaart en waarneemt, wat ge in de natuur nooit zelve zoudt hebben waargenomen. Dat is de vrucht van zijn inspanning voor den naaste. Dat is de priesterlijke dienst, dien hij aan ons oningewijden bewijst, ook al is er nog van niets anders sprake, dan om een natuurtafereel, een scène uit het leven, een machtige gebeurtenis u te laten zien, zooals de kenner die alleen ziet.

Maar hooger nog stijgt die priesterlijke dienst natuurlijk, als de kunstenaar der verbeelding u, die aan verbeelding, althans aan scheppende verbeelding, arm zijt, inwijdt in wat hij in zijn kunstvisioenen zag, schiep en genoot. Dan toch geldt het niet enkel wat objectief viel waar te nemen, maar nu wordt hetgeen te zien was in de smeltkroes der verbeelding eerst opgelost, en dan uit de fonkelende verbeelding in hooger, rijker vorm herboren. En aldus, in dien hoogeren levensvorm, ziet nu de beeldhouwer, de schilder, de zanger dit alles op het veld zijner verbeelding, en wat hij in het marmer, op het doek of in zijn zangen toovert, is dat hoogere, dat rijkere, dat vollere, dat edelere; en in de wereld van dat ideale leidt hij u, die er anders nimmer van zoudt genoten hebben, door zijn kunstschepping in. Zelfs gaat dit bij den toonkunstenaar en bij den zanger nog verder. Hier toovert de Kunst u een wereld van trillingen en bewegingen, die door het oor in contact worden gebracht met de trillingen en bewegingen in uw eigen gemoed. Ook hier geeft de Kunst wel niet anders dan schijn, maar toch een schijnaandoening, die, als de aandoening in uw eigen gemoed er mede overeenstemt, van zelf in de realiteit van uw eigen leven overgaat. De lof van God kan u de borst doen zwellen, maar zoo dat gij onmachtig zijt, om in den ademtocht uwer lippen de melodie en het woord te doen glijden, die den drang van uw gemoed bevredigt. Heeft nu een toonkunstenaar dienzelfden drang gekend, en een zanger eveneens, maar beiden bekwaam, om in toon en woord dien drang tot uiting te brengen, dan is het heerlijk, zoo ge zulk een lied gereed en zulk een melodie ter uwer beschikking vindt, en er een geoefende hand is die ze speelt, en een schoone stem die het lied aanheft, tot die toon en stem in uw ziel en zinnen inglijdt, en gij nu een hooger verheffing geniet, die anders nooit uw deel zou geworden zijn. Zoo is het bij smart die de ziel verkwijnen doet, bij liefdeweelde die het hart verrukt, bij deernis die u om anderer leed |77| aangrijpt. Dan vertolkt u de speler en zanger, wat gij zelf nauwlijks stamelen kondt, in rijke volle accoorden, en uw ziel voelt zich bevrijd. Zelfs de teekenaar met zijn stift geeft u zulk een genieting. Als er wrevel in uw hart was, over het onrecht tegen uw stamgenooten in Zuid-Afrika begaan, en gij kondt dat zelf niet tot uiting brengen, dan deed het u goed, in treffend spotbeeld uw wraakgeroep over Engeland’s tyrannie voor u te zien. En deze werking nu van de Kunst is onafhankelijk van de ijdelheid of de zelfverheffing van den kunstenaar. De vraag is dan alleen, of in zijn hart sprak wat uw hart wil uitspreken; of hij ’t trof.




En daarom nu blijft de Kunst ook op heilig terrein haar onvergankelijke bestemming behouden. Niet juist voor den eeredienst in een zin, alsof alle Kunst in het heiligdom moest schitteren. We gaven reeds aan, waarom dit niet kan, en uit wat hoofde de Religie, naarmate men meer in geest en in waarheid aanbidt, zich van het plastische losmaakt. Maar drie Kunsten toch blijven ook zoo bij den eeredienst ingeroepen. De bouwkunst, opdat er harmonie besta tusschen wat in het heiligdom geschieden zal en den vorm waarin dat heiligdom zich vertoont, zoo inwendig als van buiten. Maar dan ook de zang- en toonkunst, want er is geen eeredienst zonder lofverheffing, en de lofverheffing vraagt om het beste lied en om de zuiverste toonbegeleiding. Voor onzen God mag nimmer wat minder dan het beste is, ons bevredigen. Niet, dit spreekt van zelf, alsof ooit bouwof toon- of zangkunst heerschend mochten optreden in het heilige. In Christus’ kerk is Christus koning, en hem moet alles dienen. Een organist die zichzelf laat hooren, verstaat deswege zijn roeping niet, en de zanger die zijn lied niet in de historische lijn der overgeleverde aanbidding houdt miskent den stijl die in het heilige voegt. Zelfs wie voorzingt, heiligt niet, maar zondigt, zoo het laten hooren van zijn stem hem prikkelt, en zoo hij zelf onder het voorzingen zich niet verliest in de aanbidding van zijn Heer en Koning. Niets is zelfs stuitender, dan koorzangers te zien optreden, alsof ze vogels en geen menschen waren, die van het lied niets voelen en enkel in de toongeluiden opgaan. Maar mits dat optreden van de Kunst als woekerplant gemeden worde, blijft toch ook toon- en zangkunst voor onzen eeredienst onmisbaar, en Calvijn heeft in Genève er zich met de borst op toegelegd, om dien zang der gemeente plechtig, vrij, bezield en schoon te doen klinken.

Immers wie nuchter is, erkent gulweg, dat niet ieder die zich in het heiligdom neerzet, op dat eigen oogenblik in de warme stemming der aan bidding is, en dan moet toon- en zangkunst het middel zijn, om zijn ziel uit het alledaagsche, uit het stroeve, in beweging en gang te brengen, en uit lied en toon moet een menschenhart in de volheid der aanbidding |78| spreken, dat u tot aanbidding stemt. En dit nu juist, dát doel wordt niet bereikt, zoo in den zang de heilige gloed, zoo in de tonen de hoogere bezieling ontbreekt. En daarom, geheel afgescheiden van de roeping die de Kunst heeft, om buiten het heiligdom ook de Christelijke idealen te doen spreken, moet ook bij den eeredienst deze priesterlijke leiding van de Kunst, mits ze waarlijk dienen wil, gewaardeerd worden. Het was dan ook een misslag, toen uit Schotland onder ons de valsche smaak opkwam, om in de kerk het leelijke schoon te vinden, en alle schoon buiten den tempel te bannen. Calvijn heeft het te Genève heel anders begrepen. Zelfs waagde hij de poging om het veelstemmig gezang in te voeren. De Religie is in haar aandrift schoon en het schoone zoekend.