De kunst

III.

Want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is.

Hebr. 11 : 10.


Samentrekkend wat het dusver ingestelde onderzoek leerde, staan we alzoo voor deze uitkomst: 1º. dat de wereld van het Schoone, en het Schoone in en aan de wereld, hoezeer ook telkens door satan en zonde misbruikt, in zijn oorsprong en wezen uit Gods besluit is voortgekomen, en als zijn schepsel is te waardeeren. 2º. Dat onder het Schoone te verstaan is, wat de Schrift noemt de „Goddelijkheid”, die in de schepping van Gods eeuwige kracht, niet enkel wat haar wijs plan, maar ook wat haar uitwendige verschijning betreft, doorblinkt. 3º. Dat in het paradijs alle schepsel schoon was, zonder feil of gebrek, maar zonder daarom nog het Goddelijk schoon in zijn ideale volkomenheid te vertoonen. 4º. Dat na ’s menschen ontzinking aan God in zonde, toen de vloek over de aarde toog, het Schoon afnam en het leelijke en afzichtelijke opdoemde. 5º. Dat, ware deze werking ongetemperd doorgegaan, alle Schoon door het afzichtelijke zou vervangen zijn, gelijk de hel terecht steeds als de voltooide afzichtelijkheid geteekend is; 6º. Dat intusschen deze doodelijke werking niet ongehinderd is doorgegaan, maar door de gemeene Gratie is gestuit, en dat hierdoor thans een wereld bestaat, die drieërlei vertoont: het Schoone, het Afzichtelijke en het Gewone, dat noch afstoot, noch boeit. En dat evenzoo 7º. in den mensch, bij zijn schepping, gevoel voor deze Goddelijkheid in den vorm en in de verschijning der dingen was ingeschapen, en dat één der trekken van onze schepping naar Gods beeld, bestond in het Schoonheidsgevoel. 8º. Dat dit Schoonheidsgevoel door de zonde is verduisterd, en geheel te loor zou zijn gegaan, indien de gemeene Gratie het ons niet ten deele bewaard had. 9º. Dat, ten gevolge hiervan, drieërlei thans onderscheidenlijk in den mensch gevonden wordt, t.w. zeer fijn Schoonheidsgevoel in enkelen, onverschilligheid voor het hooger Schoon bij velen, en lust in het onooglijke bij de verdorvenen. 10º. Dat deze staat van zaken niet bestemd is, om altoos te duren, maar eens zal worden afgebroken door een algemeenen wereldbrand, en dat uit dezen wereldbrand een nieuwe wereld zal voortkomen, die niets dan het voltooide Schoon te aanschouwen geeft, en dat dit voltooide Schoon heet het „rijk |62| der heerlijkheid.” En 11º. dat in dat rijk der heerlijkheid de herboren mensch niet alleen met een onzondige ziel zal verkeeren, maar ook met een verheerlijkt lichaam, en dat in dat verheerlijkte lichaam tevens het orgaan zal zijn gegeven, om het voltooide Schoon, d.i. de heerlijkheid, op volkomen wijze te genieten en te waardeeren, Alzoo niet terugkeer tot den paradijstoestand, maar een toestand verre daarboven uitgaande.

Na dezen grond gelegd te hebben, zullen we ons thans niet langer ophouden bij de vraag, waarin het wezen van het Schoon bestaat. Men kan daarover boekdeelen schrijven, zonder ooit in staat te zijn, het te definieeren. Men kan zeggen, dat het Schoon uit harmonie, symmetrie en juiste proportie geboren wordt; maar hiermede is men geen stap verder gekomen. Men heeft dan wel aangewezen, welke verhoudingen zich bij datgene, wat op ons den indruk van het Schoon maakt, voordoen, maar is van de definitie van het Schoone nog even ver af. Zelfs bij de toepassing van de dusgenaamde gouden snede kan men wel aantoonen, dat de proporties van de gouden snede een schoon effect maken, maar waarom dit effect schoon is, valt niet te beredeneeren. Het is hiermede als met de liefde, die men wel genieten en plegen, maar niet ontleden kan, of ze ontglipt bij die ontleding aan uw waarneming. Het Schoon is zoo als het is, omdat het Gode beliefd heeft, het aldus te doen zijn; en wij hebben er gevoel voor, omdat God er ons dat gevoel voor inschiep. Maar het behoort niet tot de verschijnselen, die ons verstand in verstandsbegrippen kan overleiden. Het behoort tot de wereld der verbeelding, die afgescheiden is van onze begrippenwereld, evenzoo gelijk dat het geval is met de wereld van de liefde en van alle zedelijke qualiteit. Het is dan ook stellig een leemte, dat men in de Dogmatiek, en in het algemeen in de zielkunde, te veel verzuimd heeft met deze wereld der verbeelding te rekenen. Er is nu eenmaal een geestelijk-inwendige, en een uitwendige in zichtbaren of hoorbaren vorm optredende wereld, en het is in het doorglansen van het Goddelijke in deze waarneembare wereld dat alle Schoon bestaat.




Dit leidt vanzelf tot de vraag, of het Schoone al dan niet ook in het geestelijke bestaat. Het spraakgebruik neemt dit metterdaad aan. Men spreekt van een schoon karakter, van een schoone daad, van een schoone gedachte, van een schoone ziel zelfs. En in dien zin zou het dus allerminst ongerijmd zijn, te zeggen, dat God schoon is. Toch zij men hiermede voorzichtig. Vroeger gebruikte men onder Christenen zulk een uitdrukking nimmer, en ze kwam op uit de Platonische school, die aan het begrip van Schoon een geestelijke duiding gaf, door te spreken over het dusgenaamde kalokagathon, d.i. van het „schoon-goede.” Nu ligt hier dit deel waarheid |63| in, dat, overmits ook het Schoone zijn oorsprong in God heeft, de grond ervan geestelijk moet zijn, gelijk dan ook niet ons oog en niet ons oor, maar onze ziel, door middel van het oor en het oog, het Schoone waarneemt en geniet. Doch in dien zin zou men dan even goed kunnen zeggen, dat een metaal ook geestelijk is, daar toch immers ook het metaal door God geschapen is, en onze geest in ons slechts door middel van onze hand het metaal smelt, giet en drijft. Deze opvatting leidt daarom tot niets dan tot verwarring. De geschapen wereld vertoont ons nu eenmaal de tegenstelling tusschen het zichtbare en het onzienlijke, tusschen het stoffelijke en het geestelijke, en bij elk dezer twee komen eigenaardige hoedanigheden voor: de stof is zwaar, licht, hard of soepel, en zoo ook schoon of leelijk; het geestelijke daarentegen is goed, verstandig, vernuftig, zondig of heilig. Zoo heeft elk der twee deelen van de schepping een eigen reeks van woorden, waardoor we zijn eigenschappen uitdrukken, en het sticht slechts verwarring, zoo we deze eigenschappen voor beide dooreenmengen. Nu hecht onze eeuw onevenredige waarde aan de Kunst en aan het Schoone en vandaar komt ons het denkbeeld, om nu het schoon in veler schatting de alles te boven gaande eigenschap is geworden, ook op den geest, om dien hoog te verheffen, de eigenschap van „schoon” toe te passen. Toegepast op het hoogste ideaal, gelijk zij spreken, zegt het voor hen dan ook weinig, dat God is almachtig, wijs, barmhartig en genadig, en wanen ze nóg iets veel hoogers van God uit te drukken, als ze ook van God zeggen, dat Hij het inbegrip van al het Schoone is. Tegen deze overdrijving nu dient gewaarschuwd. Stellig is ook het Schoone in God, en zal God alleen het Schoone in de Heerlijkheid eens tot zijn voleinding brengen. Maar het Schoon en het Heerlijk blijven ook zoo toch eigenschap pen van de uitwendige verschijning der dingen, die slechts overdrachtelijk op den geest kunnen worden toegepast.

De geest is niet alleen vatbaar om wijs, om vernuftig, om rein, om heilig te zijn en liefde uit te ademen, maar ook de geest treedt te voorschijn in verhoudingen, in evenredigheden, in zekere maat; en omdat nu bij de stoffelijke dingen juiste verhoudingen, zuivere evenredigheden en bepaalde maten schoon aandoen, kiest men ook voor de ziel de uitdrukking van schoon te zijn, indien ze zulk een juist evenwicht vertoont en in liefelijke hoedanigheden uitkomt. Toch is hieraan geen andere dan een overdrachtelijke beteekenis te hechten, en niemand heeft er nog ooit aan gedacht, om zulke gesteldheden der ziel in de Aesthetica of Schoonheidsleer te behandelen. Als dan ook de Heilige Schrift ons het rijk der heerlijkheid beschrijft, als een stad, „welker Kunstenaar en Bouwmeester God is” (Hebr. 11: 10), dan is hierbij, zoo min als bij de beschrijving van het nieuw Jerusalem in Openbaring 21, te denken aan de heiligheid der gezaligden, die in een heel ander beeld wordt uitgedrukt, maar uitsluitend aan de |64| nieuwe aarde onder den nieuwen hemel, die uitwendig en waarneembaar Schoon zal wezen, gelijk nu de stoffelijke dingen voor ons hoorbaar en waarneembaar zijn. Alleen van de dichtkunst zou men kunnen zeggen, dat zij louter geestelijk is, doch ook dit berust op misverstand. Het woord is de stof waarmee de poësie schept, en het woord is op zich zelf niet geestelijk, maar het stoffelijk kleed van de geestelijke gedachte.




Thans tot de Kunst als zoodanig komende, is haar plaats als vanzelf aangewezen. We leven in een wereld die ons wel veel schoons, maar niet het Schoon in zijn voleinding te aanschouwen geeft. Naar dat voleinde Schoon leeft nochtans heimwee in ons hart. Die drang van het hart leidt tot pogingen, om dat hooger Schoon ons voor het oog en het oor te tooveren. En uit dat pogen leeft de Kunst op. Hiermede is, gelijk blijken zal, lang niet alles gezegd, maar toch stellen we met opzet dit hooge uitgangspunt voor alle ware Kunst op den voorgrond. Het motief voor de Kunst komt ons niet toe uit wat bestaat, maar uit het besef dat er iets hoogers, iets edelers, iets rijkers is, waaraan het bestaande maar zeer ten deele beantwoordt. Dat moge nu de niet-belijdende kunstenaar zoeken in het ideaal-schoone, wij, die bij de Schrift leven, noemen dat hoogere Schoon het schoon der Heerlijkheid die eens komt, en voor ons is alle Kunst en alle Schoon, dat boven de natuur uitgaat, profetie en voorafschaduwing van die komende Heerlijkheid. De Kunst staat daarom voor ons, Christenen, rechtstreeks in verband met onze verwachtingen voor de eeuwigheid. De Kunst grijpt als met bevende hand vooruit naar de heerlijkheid, die eens in en door Christus hemel en aarde zal vervullen. Gelijk de Schrift ons zegt, dat de enkele diamanten en keurgesteenten, die we op deze aarde vinden, slechts de verstrooide aanduidingen zijn van een nieuw Jeruzalem uit enkel edelgesteente opgebouwd, zoo ook geeft de Kunst in haar hoogste producten ons slechts verstrooide beelden te aanschouwen, die ons iets gissen en als vooruit grijpen doen van wat het in het rijk der Heerlijkheid zijn zal.

Om het met een enkel voorbeeld op te helderen. Op aarde vertoont zich het schoon in het menschelijk lichaam en in de menschelijke gestalte nog op verre na niet op het hoogst. Op de nieuwe aarde zullen we in het genot zijn gesteld van een verheerlijkt lichaam, en dat eerst zal het menschelijk schoon in volkomenheid doen uitblinken. En tusschen die beide staan nu de producten van de groote beeldhouwers en schilders in, die ons het menschelijk schoon en de menschelijke gestalte vertoonen in een verhevenheid en majesteit, die boven het reëele uitgaat, en als vooruit grijpt naar een heerlijkheid, waarin we ook lichamelijk eens schitteren zullen. Zoo heeft dus de Kunst voor ons Christelijk besef niet alleen een |65| heiligen oorsprong in de aandrift die in ons hart is gelegd, maar hangt ze ook rechtstreeks saam met onze verwachtingen voor de eeuwigheid, en vormt ze tot op zekere hoogte een tusschenschakel tusschen het leven hier en het leven aan de overzijde van het graf. Alle verachting der kunst onder de Christenen vond dan ook veelal daarin zijn oorsprong, dat men, tegen de Schrift in, het leven aan de overzijde van het graf zich uitsluitend als een geestelijk leven der zielen dacht, en alle verwachting omtrent het rijk der Heerlijkheid had opgegeven. Natuurlijk, als er, gelijk het Spiritualisme wil, geen waarneembare wereld in de eeuwigheid bestaat, dan behoort ook de Kunst tot de lagere dingen. Belijdt ge daarentegen met de Schrift, en op grond van de Schrift, dat er zijn zal een nieuw Jerusalem, op een nieuwe aarde, onder een nieuwen hemel, dan is de Kunst een vooruitschittering van wat komen zal nu reeds in dit aardsche leven.

Is hiermede aan de Kunst haar positie in onze Christelijke levens- en wereldbeschouwing aangewezen, dan is hiermede tevens uitgesproken, waarom we in principiëel verzet komen tegen hen, die aan de kunst als hoogste taak de dusgenaamde Mimêsis, d.i. de nabootsing der natuur aanwijzen. Reeds onder de Grieken achtte men liet voor de schilderkunst het hoogst bereikbare, zoo men een druiventros zóó schilderde, dat de vogels er door misleid werden, en er op toevlogen om de druiven weg te pikken. Toch is men er niet meê van af, om dit standpunt te veroordeelen; het behoort ook in zijn beteekenis gewaardeerd te worden. Die beteekenis nu ligt hierin, dat ijdel alle kunstpogen is, dat kunst uit eigen ideeën wil tooveren, en zich losmaakt van het schoon in de natuur. Men weet tot wat gedrochtelijkheden dit pogen, vooral onder de inspiratie der ascese in de Middeneeuwen en in de vorige eeuw onder de inspiratie van Hegel, geleid heeft. Ons bestek gedoogt niet hierop nader in te gaan. Genoeg zij het op te merken, dat al zulk pogen wel dit goede had, dat het streefde naar iets dat boven de werkelijkheid uitging, maar dat het verzuimde de wet van het Schoone van de natuur af te zien. Zoo is men bij onnatuur en bij het gedrochtelijke uitgekomen. En tegenover dit pogen nu was de nabootsende school volkomen in haar recht. Zij heeft de kunst weer naar de natuur teruggeroepen, en haar gedwongen bij de natuur ter school te gaan. Dit nu juichen we van harte toe. Alleen zoo wordt het kunstenaarstalent in de realiteit van het Schoone ingeleid. Alleen maar, de Kunst mag hierbij niet blijven staan. De vormen van het menschelijk lichaam moeten niet phantastisch verzonnen worden, maar moeten anatomisch worden bestudeerd en van het levende lichaam worden afgezien. Maar de Kunst heeft nog hooger roeping dan photo’s van het geziene Schoon op het doek te brengen; en dan eerst vervult ze haar roeping zoo ze ons het Schoon ook van de menschelijke gestalte in verhoogde harmonie en verhevenheid voor oogen toovert. Doet ze dit niet, dan verlaagt ze zich, eer |66| ze het zelve weet, en verloopt in de afbeelding van het naakte, niet in zijn verheven, maar in zijn zinlijke opvatting, en gaat onder in onreinheden.




Om echter dit vraagstuk nader te beoordeelen, dient de vraag gesteld, of, zoo de paradijstoestand bestendigd ware, en de tegenstelling tusschen het schoone en het afzichtelijke niet ware opgekomen, de kunst niet zou zijn geboren. Men zou toch kunnen zeggen, zoo de Kunst slechts voorafschaduwing biedt van de komende heerlijkheid, in tegenstelling met het lagere schoon van deze zondige werejd, welke roeping zou de Kunst dan gehad hebben, bijaldien er geen zonde ware gekomen, en dus het paradijsschoon heel de aarde overdekt had. In verband hiermede nu herinneren we aan hetgeen betoogd is in ons vorig artikel, dat namelijk het paradijsschoon, hoe hoog ook staande, nog geenszins het rijk der Heerlijkheid was. Het paradijs was het uitgangspunt, niet het eindpunt van den weg. Stel dus al, dat geen zonde ware ingetreden, en dat geen vloek het afzichtelijke had doen opkomen, zoo zou toch voor den mensch het verschil bestaan hebben tusschen het Schoone in zijn aanvang op aarde, en het Schoone in zijn voleinding als de Heerlijkheid intrad. Dit verschil zou in zijn besef een verlangen naar het ideaal-schoone der heerlijkheid hebben wakker geroepen. En ook zoo zou de Kunst dus haar roeping hebben gehad, om uit het bestaande, als bij voorproef en profetie, tot het hoogere op te klimmen. We zeggen niet, dat daarom de Kunst op gelijke wijze als nu zou zijn opgetreden. Ze zou waarschijnlijk veel hooger hebben gestaan, vrijer, onafhankelijker zijn geweest en producten hebben geleverd, die het hoogst wat we nu aan de Kunst danken, te boven gaan. Maar in geen geval kan gezegd worden, en hierom alleen is het ons in dit verband te doen, dat op een wereld zonder zonde en vloek, die in haar paradijstoestand volhard had, geen plaats zou geweest zijn voor het optreden van eenige Kunst.

We zeggen dan ook niet, dat de Kunst aan de gemeene Gratie haar ontstaan dankt. Ze is niet gelijk de Overheid een nieuwe instelling, die opzettelijk door de gemeene Gratie in het leven werd geroepen. Veeleer is ze evenals het leven van het Gezin uit de Schepping zelve. En slechts in zooverre dankt ze haar bloei aan de gemeene Gratie, dat, ware de zonde en de vloek niet gestuit, het Schoone zou verdorven zijn, om onder te gaan in één afzichtelijkheid, en het schoonheidsgevoel in ons zou zijn vernietigd. Dat dit nu niet geschied is, maar dat er veel schoons bleef, dat het schoonheidsgevoel bleef werken, en dat de kunst niet uitbleef, maar opkwam, kracht won en opbloeide, dàt is het wat we hebben dank te weten aan Gods gemeene Gratie. |67|




Moet zoo de Kunst herleid worden tot de Schepping, dan volgt hieruit voor ons van zelf, dat de Kunst haar oorsprong vinden moet in ónze schepping naar Gods beeld, en eerst door dit te erkennen, kan men tot het eigenlijke geheimnis van de Kunst doordringen. Kunst is afgeleid van kunnen, en zulk een afleiding misleidt in haar hoofdstrekking nooit. Dat er Kunst onder menschen bloeit, beduidt dan ook feitelijk niets anders, dan dat de mensch iets kan. Zoo wordt dan ook nu nog het woord kunst op alle terrein en in allerlei omstandigheden gebezigd. Een goochelaar, een acrobaat kan wat gij niet kunt, en hij vertoont zijn „kunsten”. Bij een puzzle is het de „kunst” om gedaan te krijgen wat de puzzle wil. „Krijgen is de kunst”, zegt het spreekwoord. En zoo wordt op elk terrein de uitdrukking: „dat is de kunst”, gebezigd, om aan te duiden dat men dit of dat moet kunnen. Dit algemeen begrip moet echter een nadere bepaling ondergaan, om uit dat algemeen kunnen tot het bepaalde kunnen van den beeldhouwer, schilder, zanger enz. te komen. Gemeenlijk spreekt men daarom van de „vrije kunsten”, om de eigenlijke kunst van allerlei andere kunsten en kunstjes af te zonderen. En vooral tegenwoordig, nu de aanwending van de kunst op de nijverheid en op het practische leven zoo hand over hand toeneemt, dient dit onderscheid tusschen de Kunst in hoogeren zin, en allerlei practische kunst duidelijk gevoeld te worden. Er is kookkunst, er is rijkunst, er is schermkunst, er is danskunst, en wat niet al, maar dat alles heeft met de Kunst niets te maken. Kant moge in zijn bepaling, dat bij Schoon alleen te denken is aan wat „ohne Nützen gefällt”, allicht te ver zijn gegaan, en voor het minst de bouwkunst in het gedrang hebben gebracht, toch ligt in „vrije kunsten” wel ter dege het gronddenkbeeld opgesloten, dat de Kunst werkt om het schoone, en niet om wat we door het schoone kunnen uitwerken.

Zoo nu genomen, mag het kunnen in de Kunst niet anders verstaan worden, dan als een kunnen gelijk God kan, mits natuurlijk naar de maat van ons menschelijk perk. Zijn wij geschapen naar Gods beeld, moeten we navolgers Gods zijn als geliefde kinderen, is dit onze roem dat we kinderen Gods genaamd worden, en roept Jezus ons toe: „Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is”, dan is het hiermede geheel in overeenstemming, zoo we ook de Kunst in den mensch opvatten als een afschaduwing van wat God kan. Ook dit echter dient nader te worden beperkt. God kan liefhebben, God kan verzoenen, God kan veroordeelen; en toch, al is ook in ons tot dit alles het vermogen gelegd, toch is het niet dàt wat wij onder Kunst verstaan. Neen, als we de Kunst opvatten als een nabootsing van het kunnen Gods, dan is hier uitsluitend te denken aan dat hoogste kunnen Gods, dat zich uitspreekt in zijn scheppende almachtigheid. Wij kunnen wat bestaat bearbeiden en verwerken, maar God alleen schept. Dat is zijn Goddelijk kunnen bij |68| uitnemendheid, het kunnen Gods, dat zijn werk van alle menschenwerk onderscheidt. En in dien zin nu komen we tot deze nadere bepaling, dat de Kunst, in hoogeren zin genomen, is de uiting van dat wonderbare vermogen in den mensch, waardoor ook hij kan wat anders alleen God kan, d.i. scheppen. De taal zelve leert ons dan ook, dat het begrip van scheppen steeds, onder alle volk, op de Kunst in hoogsten zin is toegepast. De „scheppingen der Kunst” is een gemeenzame uitdrukking. „Scheppend genie” te bezitten, is voor den echten kunstenaar de hoogste eeretitel. En zoo toont de taal zelve ons, dat metterdaad het kunnen van de Kunst in dit scheppend vermogen moet gezocht worden.




Natuurlijk wil dit niet zeggen, dat de mensch scheppen kan, zooals God schept. De mensch schept slechts den schijn of de vertooning. De Stier van Potter is een prachtige schepping, maar op het doek; het dier wordt in zijn schijn gezien, maar het bestaat niet, het is niet wezenlijk. Een landschap van Ruysdael is prachtig, het toont u de natuur voor oogen, maar het is slechts vertooning van tinten en lijnen, van planten en dieren. Vormen en glanzen scheppen in de realiteit kan niet de menschelijke kunstenaar, maar alleen God. Al is dus de Kunst metterdaad een levensuiting, die toont dat ook de mensch, geschapen zijnde naar Gods beeld, als God scheppen kan, toch blijft het bij den mensch altoos een scheppen op creatuurlijke wijze, een scheppen uit de verbeelding, een scheppen voor den oogenschijn, een scheppen van het beeld der zaak, niet van de zaak zelve. Schiep God den mensch, de beeldhouwer schept evenzoo een Apollo of Venus, maar uit marmer, in lijnen en vormen, maar zonder dat er een mensch in is. Schiep God plant en dier, ook de schilder weet ze in vormen, lijnen en tinten te scheppen, maar zonder dat er een dier of plant in leeft. God schept de historie, de mensch schept het epos of het drama, maar òf overgenomen uit de historie Gods, òf zonder realiteit, in louter fictie. En zoo is er in alle Kunst wel een nabootsing van het scheppen Gods; van zijn heelal in onze paleizen en kathedralen; van zijn organische schepping in de beeldhouwkunst; van zijn levenstafereelen in de natuur en onder menschen in de schilderkunst op het doek; van wat God in het hart schiep en in het hart doorleven doet, in de toonkunst; en van wat God in het woord schiep door de poësie; maar al zulk scheppen van de Kunst blijft aan het perk van het menschelijke gebonden. Het is al scheppen uit Gods schepping, en Gods schepping nabootsen in de verschijning, zonder de wezenlijkheid te kunnen geven die alleen voortkomt uit Gods eeuwige kracht. Gelijk we zeer wel een muziekdoos kunnen maken, opwinden en laten afloopen, maar onmachtig zijn om één nachtegaal, één leeuwerik te scheppen, zoo ook kunnen we op geheel het gebied der Kunst tot een |69| nabootsen van de scheppingen Gods geraken, maar zonder dat we ooit het nabootsen te boven komen. De oorspronkelijke, de alleen wezenlijk scheppende, wijl alleen machtige en alleen wijze, Kunstenaar blijft altoos God.

En zeg nu niet, dat we op die wijs weer op de nabootsings-theorie terugkomen. De nabootsings-theorie toch spreekt niet van een nabootsen Gods, maar van een nabootsen van de natuur. En dit juist maakt hier al het verschil. In de natuur is niet al het scheppend vermogen Gods tot uiting gekomen. Ons wacht nog een hoogere herschepping. En gelijk ons de Prediker zegt, dat „God de eeuw in ons hart heeft gelegd,” zoo heeft God de Heere ook op dit gebied in ons hart het schoonheidsgevoel gelegd, dat vatbaar is voor de bevatting van een hooger Schoon dan de natuur ons toont. De conceptie van dit hoogere is gebonden aan het reëele Schoon der natuur. Alleen daaruit kan het zijn vorm en motieven nemen. Maar toch is de fantasie, de verbeelding, in ons machtig, om, mits gevoed door het Schoon der natuur, tot hooger bevatting op te klimmen. God zelf inspireert de hooge genieën ook op het gebied der Kunst. Hij doet hen een schoon zien en doorleven in hun geest, dat meer is dan de wereld bieden kan, en dat, uit hun verbeelding naar buiten uitgedragen, de wereld verrijkt, de ingewijden verrukt, en aan ons menschelijk leven iets toebrengt, dat het zonder dit kunstvermogen nooit zou hebben bezeten.