De kunst

II.

Op hope, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.

Rom. 8 : 21.


Moet alzoo aan de Kunst een zelfstandig bestaan, en evenzoo aan het gebied van het Schoone een zelfstandig karakter worden toegekend, dan dient onderzocht, welke opvatting we van het Schoone, en in verband hiermede van de Kunst, ons te vormen hebben. In breeden kring past men hier de tegenstelling van vleesch en geest toe, rekent het Schoone onder de begeerlijkheden des vleesches, en is daarom, wel verre van het, Schoone te waardeeren, veeleer geneigd het te veroordeelen. Dat men desniettemin, ook bij zulk een denkwijze, zich herhaaldelijk door het Schoone voelt aangetrokken, is hiermede niet in strijd. Immers men erkent zelf, dat het zondig hart voor elke begeerlijkheid openstaat, maar belijdt dan van achteren ook, te hebben gefeild. „Vleesch en geest”, brengt in absolute tegenstelling genomen, voor al wat oog of oor bekoort, een oordeel met zich. De geest is dan het eenig goede, het vleesch de bron van al het booze, en het schoon, dat deze bron van het booze nog verleidelijker maakt, wordt dan de Sirene, die door haar lieflijk geklank ons in de diepte naar het verderf wil lokken. Op dit standpunt is de geest uit God, het vleesch is uit den Booze. Uw vroomheid klimt dan in waardij, naarmate ge meer geheel geest wordt, en van al het vleeschelijke u aftrekt. Uw lichaam is dan een kerker, waar de ziel in is opgesloten, en die ziel zucht naar ’t oogenblik dat haar de dood uit den kerker verlossen zal. Dat lichaam moet dan zoo weinig mogelijk gevoed, de kleeding moet enkel bedekking zijn zonder schoonheid in vorm of tint, vooral zonder sieraad. En ter bewaring van het heilige in ons, heeft het leelijke dan boven het Schoone voorkeur. Het leelijke is dan de goede engel, die ons bij God houdt, het Schoone de kwade engel, die ons van God aftrekt. En wat bekoring ook de kwade engel voor ons hebben moge, toch voelt ieder, dat alleen de goede engelen aanspraak hebben op onze sympathie.

De vraag is nu maar: Is deze opvatting juist? Uit te lachen wie zoo denkt, brengt geen oordeel van zedelijke waarde, en of men in onzen tegenwoordigen tijd, die met Kunst dweept, en aanstonds gereed staat, terwille van het Schoonbeidsideaal den Vader der geesten te vergeten, ook in |53| Christelijke kringen al neigt tot meezingen in het koor, dat het loflied voor de Kunst doet weergalmen, zegt voor den man of de vrouw van ernstige levensopvatting niets. Nog altoos toch staan we voor het feit, dat in de kunstminnende kringen het eerste gebod, dat we God zullen liefhebben met heel ons hart en heel onze ziele en al onze krachten, veel zwakker betracht wordt dan in kringen, die voor de wereld van het Schoone blind en doof zijn. Zelfs onder Christenen valt niet zelden het verschijnsel waar te nemen, dat er leven in het oog en warmte in den toon komt, als er van kunstproducten of van het Schoone sprake komt, terwijl datzelfde oog zoo vaak afdwaalt en die toon koel blijft, als het gesprek valt op het heilige Gods. Zonder meer zou de ervaring der practijk dan ook niet anders kunnen doen, dan ter wille van de waarheid, tegen de Kunst positie te nemen; en zoo onze beschouwing van de Kunst tot een ander resultaat leidt, verklare niemand dit uit inschikkelijkheid voor den nu heerschenden toon, noch uit schuldig toegeven aan wereldzin, maar uitsluitend uit gehoorzaamheid aan Gods Woord. We scharen ons in het minst niet aan de zijde van hen, die feitelijk afgoderij met de Kunst drijven, maar zeer beslist aan de zijde van hen, die de eere Gods boven alles stellen. En het is uitsluitend de vaste overtuiging, dat het Schoone uit God, en niet uit den Booze is, die ons verbiedt de tegenstelling tusschen „vleesch en geest” hier in zijn volstrekte beteekenis toe te passen.




Het is zoo, herhaaldelijk komt in de Schrift vermaan voor, om ons niet door de zinlijke wereld te laten meeslepen. Tegenover den man met den gouden ring aan den vinger, wordt de arme man, die in Gods huis te vergeefs een plaatsje zoekt, in bescherming genomen. De arme Lazarus met zijn lompen en zweren, staat in Jezus’ schatting hoog boven den rijken man, die in pracht van kleedij aan zijn luisterrijk maal geniet. De vrouw wordt gewaarschuwd, om haar sieraad niet te zoeken in vlechtingen des haars en gouden versieringen, maar in een stillen geest die kostelijk voor God is. Er wordt ons gezegd, dat de wereld met al haar begeerlijkheden voorbijgaat, en dat omgekeerd, wie den wille Gods doet, blijft tot in der eeuwigheid. En deze tegenstelling wordt aangedrongen door de verklaring, dat „al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleesches, en de begeerlijkheid der oogen, en de grootschheid des levens, niet uit den Vader is, maar uit de wereld.” Nooit kan derhalve onder de belijders des Heeren het toegeven aan wereldzin gerechtvaardigd, of ook maar verontschuldigd worden. Alleen maar, dit beslist de zaak in beginsel niet. Dat alles toch doelt op een misbruik, dat afgekeurd en waartegen gewaarschuwd wordt, en beslist nog geenszins tegen het wettige gebruik. Men gevoelt dit terstond, zoo men let op de tegenstelling tussschen Jezus |54| en Johannes den Dooper. Johannes de Dooper was asceet. Hij leefde in de woestijn, kleedde zich met een vacht, voedde zich met sprinkhanen en honigraat, en onttrok zich aan het gemeen verkeer der wereld. Jezus daarentegen zat aan feestmaaltijden aan, bezocht een bruiloftspartij, at fijne spijzen, dronk wijn en beschikte over het geld, dat vrienden en vriendinnen hem gaven, zoo mildelijk, dat de kleederen die men Hem aftrok, eer Hij aan het kruis werd gehangen, begeerlijk ter deeling schenen voor de soldaten die de executie op Golgotha volbrachten. Het wereld-mijdende Ascetisme van Johannes is daarmede niet geoordeeld. Ook dit had zijn waarde en beteekenis op dat toenmalig oogenblik. Maar toch blijkt, dat Jezus dit aseetisme niet tot standaard van het leven heeft geijkt. Hem riepen ze zelfs na, dat Hij een vraat was en een wijnzuiper.

De oplossing van het vraagstuk, waarvoor we staan, moet alzoo elders gezocht. En dan zij er in de eerste plaats op gewezen, dat de Schrift aan den Booze geen scheppend vermogen toekent. De wereld van het Schoon, die feitelijk bestaat, kan dus geen anderen oorsprong hebben dan in de schepping Gods. Ook de wereld van het Schoon is alzoo door Hem uitdacht, door Hem in zijn besluit bepaald, door Hem tot aanzijn geroepen, en wordt door Hem in stand gehouden. Het Schoone bestaat dan ook volstrekt niet alleen in wat menschelijk genie of menschelijke kunstvaardigheid tot stand brengt, maar bestaat evenzoo in de natuur, die God zelf rechtstreeks schiep. De pracht van het firmament en de glinsterende wereld van den sterrenhemel zijn Zijns. Wat schoonheid in de plantenwereld schittert, heeft Jezus zelf ons doen opmerken, toen hij sprak van de leliën des velds, die niet arbeiden noch spinnen, en die toch Salomo’s prachtgewaad in schoonheid te boven gaan. De schoonheid der natuur is dan soms ook zoo overweldigend, dat de dorste geest zich niet aan den indruk van bewondering onttrekken kan. De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel zijner handen werk. En niet alleen de algemeene aanblik der natuur, hetzij in haar zomergewaad of in haar winterkleed, kan zoo verrukkend schoon zijn, maar ook de enkele deelen van de organismen die God schiep, zijn in schoonheid zoo treffelijk, — denk slechts aan den vederdos van zoo menigen vogel, aan de pels van zoo menig dier, aan het oog van het hert, of aan de manen van den leeuw. Ook de mensch zelf, die al dat Schoon waarneemt en er voor voelt, is een product dier schoone schepping, en de Schrift wijst vooral bij de vrouw er gedurig op, dat Sara „zeer schoon” was, dat Absalom een „schoone zuster” had, dat zoo „schoone vrouwen” als Job’s laatste dochters in heel het land Uz niet gevonden werden. Ook van mannen als Absalom staat de schoonheid der verschijning in de Schrift geroemd, en van het kindeke Mozes wordt zelfs gezegd, dat het door zijn schoonheid en aanminnigheid Farao’s dochter aantrok. Niet alleen wordt derhalve het Schoon in de menschelijke |55| gedaante geconstateerd, maar ook wordt die schoonheid als een aantrekkelijk iets door de Schrift op den voorgrond gesteld. Hieruit volgt alzoo, dat het Schoone iets is, dat door God als iets treffelijks bedoeld, uit den zin Gods is opgekomen, opzettelijk door Hem gewild is, en door zijn almachtigheid tot aanzijn is geroepen. En reeds dit verbiedt ons, dat Schoon, wijl het een schepping Gods is, als zoodanig te veroordeelen. Zelfs kan niet gezegd, dat God dit Schoon alleen schiep, opdat het ons tot vermaak zou zijn. God zelf moet in het Schoon genieten. Of heeft niet het Schoon, eeuw aan eeuw, geblonken en geschitterd op bergtoppen, en in afgelegen plaatsen, die nooit menschenvoet betreden had? Noch de Noordpool noch de Zuidpool zijn dusver door den mensch aanschouwd, en toch wie zal zeggen, wat pracht en majesteit in die ongekende ijswereld, voor Gods oog, reeds voor eeuwen, en nogmaals eeuwen, geblonken heeft. Wat weten wij van de sterren in den melkweg of zelfs van de planeten die met ons om onze zon wentelen, en toch, wat duizelende schoonheid kan ook die hemelwereld niet sieren?




Zoo staat het met het Schoone zelf, en met ons gevoel voor het Schoone staat het niet anders. Het feit is onloochenbaar, dat ons menschen een besef van, een gevoel voor het Schoone eigen is. Niet bij ieder werkt dat besef en dat gevoel even sterk. Bij enkelen schijnt het zelfs geheel afgestompt. Maar toch is de zucht om zijn woning of zijn kleed te sieren, en door goud, zilver of edelgesteente zich „schoon” te maken, aan alle volken gemeen. Zelfs bij de wildste stammen viel dat feit waar te nemen. Naar den zang van leeuwrik, meerl of nachtegaal luistert ieder. De schoone jonge vrouw is onder alle volken steeds voorwerp van aantrekkelijkheid geweest. Hoe valsch ook veler smaak zij, zekere zin voor het Schoone is toch een gemeen goed van onze menschelijke natuur. Dien zin voor het Schoone zien we zich ontwikkelen. Bij beschaafde volken wint hij in kracht en breidt hij zich steeds verder uit. In enkele kringen neemt die zin voor het Schoone allengs den vorm van kunstwaardeering aan. De Grieken zijn nog altoos het volk onder de natiën, dat bleek den meest klassieken zin voor het Schoon te bezitten. En op den top van deze pyramide staan ten slotte de geniale kunstkenners, die fijn besnaard, voor de zachtste trillingen van het Schoon aandoenlijk zijn. Vanwaar nu dat schoonheidsgevoel? Kan, wat hoort tot onze menschelijke natuur, iets anders zijn dan een ingeschapen vermogen? En zoo het ons ingeschapen is, door wien anders werd het dan in ons gelegd dan door Hem, die ons schiep? En vinden we nu eenerzijds in God zelf de ordinantie van het Schoone, zoodat het door Hem als Goddelijk stempel op zijn schepping is afgedrukt, en anderzijds in den mensch een gevoel voor het Schoone dat ons door |56| God is ingeschapen, wat anders zou dat schoonheidsbesef in ons dan zijn, dan een der trekken van het Goddelijk beeld, waarnaar we geschapen zijn?

En hier komt nu nog iets heel anders bij. De wereld waarin we leven, is niet de eenige wereld, die de Schrift ons kennen leert. Ze wijst ons veeleer van deze wereld, die voorbijgaat, op een nieuwe wereld die komt. Al wat nu bestaat, gaat eens in den wereldbrand onder. „De hemelen door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen zullen brandende versmelten.” En dan zal uit dien wereldbrand te voorschijn komen „naar zijn belofte, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.” In wat beeld wordt nu die nieuwe aarde ons geteekend? Toch niet als enkel geestelijk? Neen, wel terdege ook als een zichtbare, uitwendige, waarneembare schepping. En wie kan nu in de teekening inleven, die ons, met name in de Openbaring van Johannes, van het nieuw Jeruzalem met zijn fundamenten van smaragd en saffier, en met zijn peerlen poorten, gegeven wordt, zonder aanstonds den indruk te ontvangen van een wondere schoonheid, die het schoonste dat thans ons oog ziet, verre zal te boven gaan? De Schrift heeft voor die hoogere schoonheid van die komende wereld zelfs een eigen woord, en qualificeert wat dan komen zal steeds als het Rijk der heerlijkheid. Hoe schoon ook in veel opzichten deze aarde reeds zijn moge, ze is nog niet het heerlijke. Dat hoogere Schoon, dat het „heerlijke” heet, komt eerst hiernamaals. Zoo zelfs, dat ook zij, die van Christus zijn, dan zullen opstaan, en verkeeren zullen in een herboren lichaam dat gelijkvormig zal zijn aan het verheerlijkte lichaam van Christus. En van dat verheerlijkte lichaam van Christus wordt ons in de Openbaring van Johannes een teekening gegeven, zoo verrassend en overweldigend in zijn verschijning, dat Johannes, hem aanziende, als dood ter aarde viel.

Het Schoon is dus, naar luid der Heilige Schrift, allerminst iets voorbijgaands, dat we bij ons sterven hier achterlaten, om het nooit weder te vinden. Integendeel, het Schoon behoort, naar luid der Schrift, tot de eeuwige dingen, die hier wel ondergaan, om eens eeuwiglijk in hoogeren vorm terug te keeren, en dan eerst de volle verheerlijking van Gods grootheid in zijn schepping te doen, uitstralen. Het Schoon is dan ook, volgens de Schrift, van God onafscheidelijk. „Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.” „Hoe groot”, roept Zacharias uit, „zal zijn goed, en hoe groot zal zijn schoonheid wezen.” Van Messias heet het: „Gij zijt veel schooner dan de menschenkinderen.” „Majesteit en heerlijkheid”, zegt de psalmist, „zijn voor zijn aangezichte.” „Zijn heerlijkheid is boven de hemelen.” En zelfs in het Onze Vader leerde Jezus ons bidden, dat niet alleen de kracht en het koninkrijk, maar ook de heerlijkheid Godes zijn tot in der eeuwigheid! De heerlijkheid nu is feitelijk niets dan een hooger graad van het Schoone. Het is het Schoone in zijn |57| voleinding. Maar toch zoo, dat het Schoone hier en de heerlijkheid die komt, met elkander saâmhangen, zoodat ze beide openbaringen zijn van één zelfde beginsel. Vooral op Thabor kwam dit sterk uit. Daar blonk op eenmaal de Christus in heerlijkheid, en toch was een oogenblik daarna die heerlijkheid weer gebluscht, en stond Jezus weer in zijn aardschschoone gedaante voor het oog zijner jongeren. Zoo zien we dus het aardsche schoon eerst stijgen tot heerlijkheid, en een oogenblik daarna dat heerlijke weer dalen tot het aardsch-schoone. En ook door zijn opstanding verrees Jezus in hetzelfde lichaam dat aan het kruis hing, en nog altoos was ’t zelfde lichaam, toen hij op Pathmos aan Johannes in heerlijkheid verscheen. Iets wat ons denken doet aan een eerst ongeslepen en straks geslepen diamant. Het is en blijft dezelfde steen, en toch, wat straalt van de fijngeslepen diamant niet een gansch andere heerlijkheid uit. Reeds nu weet men, dat diamant niets is dan koolstof, en bij zeer sterke gloeihitte, onder toetreding van de zuurstof uit de lucht, in kool. zuur wordt omgezet. Kan dus koolstof door elementaire kracht diamant worden, en dat diamant door slijping tot de hoogste schittering geraken, wat zou God dan beletten, om wat nu op aarde is eens om te zetten in de hoogere glanzen van zijn heerlijkheid. Wat de Schrift ons zegt, dat het edelgesteente, dat nu op aarde zoo zeldzaam is, in het nieuwe Jeruzalem eens de gewone bouwstof zal wezen, geeft ons immers geheel hetzelfde denkbeeld, dat de grondstoffen dezelfde zullen blijven, en dat door nieuw chemisch proces, uit wat nu is, de hooge, de hemelsche, de goddelijke heerlijkheid zal opschitteren. Het is dan ook opmerkelijk, dat Paulus, wanneer hij spreekt van de kennisse God die wij uit de natuur ontvangen, niet alleen op de „eeuwige kracht”, maar ook op de „Goddelijkheid” wijst die als stempel op al het geschapene staat afgedrukt. De schoonheid, en meer nog de heerlijkheid, is het doorglanzen van den geest in wat voor oogen is.




Ook hierbij echter is te rekenen met de breuke, die in de oorspronkelijke schepping is geslagen. De aarde, gelijk ze zich nu aan ons vertoont, is niet meer wat het Paradijs was. Wel zijn omtrent den oorsponkelijken Paradijstoestand geen juiste gegevens overgeleverd; maar toch is het uit heel de Schrift duidelijk, dat onder het woord „paradijs” een schooner staat van zaken verstaan wordt, dan ons nu omringt. Als in het Hooglied de Bruidegom spreekt van „een Paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, met cyprus en nardus”, is blijkbaar een poëtische verheffing bedoeld van den werkelijken toestand. Tot den moordenaar aan het Kruis spreekt Jezus van het paradijs, om daardoor den toestand der gelukzaligen aan te duiden. Als, Paulus getuigt dat hij, in verrukking van zinnen, werd |58| opgenomen in het paradijs, is ook door die uitdrukking een staat van hemelsche glorie aangegeven. En als eindelijk Jezus op Pathmos Johannes schrijven laat aan de Gemeente van Efeze, dat aan hem die overwint, gegeven zal worden te eten van den boom des levens, die midden in het paradijs van God is, wordt ook dáár door dat woord een wereld aangeduid, die in heerlijkheid verre boven deze wereld uitgaat. Reeds hieruit mag opgemaakt, dat de wereld, gelijk God ze eens schiep, veel schooner was, dan de wereld waarin wij thans leven. En hiermede nu stemt het paradijsverhaal zelf in zooverre overeen, dat we ook daarin lezen, hoe Adam en Eva, na hun afval van God, uit het paradijs verdreven werden, en hoe ze voortaan moesten leven op een aarde die met den vloek beladen was. Onder dezen vloek is alzoo te verstaan een vermindering van harmonie, en daardoor een vermindering van schoonheid. — Toch mag hieruit niet worden afgeleid, dat het paradijs was wat het rijk der heerlijkheid eens wezen zal. Men zou dit allicht afleiden uit het feit, dat Jezus den naam van het paradijs tot tweemaal toe gebezigd heeft, om die toekomende heerlijkheid aan te duiden, maar toch is dit niet zoo. Dit blijkt ons hieruit, dat Adam in het paradijs niet geschapen was in voleinden toestand. Krachtens de schepping stond hij in het paradijs gaaf en heilig, in volle oorspronkelijke gerechtigheid, maar toch niet zoo, alsof hij nu reeds den hoogsten toestand bereikt had, waarvoor hij bestemd was. Die hoogste toestand was voor hem nog geen werkelijkheid, maar werd hem als ideaal voorgehouden, en de beteekenis van het proefgebod is juist, dat hij door zedelijke overwinning eerst tot die hoogste heerlijkheid zou opklimmen.

Drie stadiën zijn alzoo te onderscheiden. Ten eerste, de paradijstoestand; ten tweede, de toestand der volmaakte heerlijkheid, en ten derde, als daar tusschen in staande, de toestand waarin wij ons thans bevinden, die niet was als in het paradijs, en nog niet is de toestand die komen zal. In het paradijs moet alzoo een hoogere schoonheid geblonken hebben, dan ons nu omringt; maar het schoon dat eens in het rijk der heerlijkheid zal schitteren, zal zelfs het schoon van het paradijs nog verre te boven gaan. En tusschen die twee in staat nu het gebroken schoon van onzen zondigen toestand, dat hoe lieflijk en verheven ook, toch niet meer beantwoordt aan wat eens geweest is, en nog op verre na niet haalt bij het schoon dat ons eens geopenbaard zal worden.

Doch ook in dat tusschenstadium, waarin wij thans verkeeren, is nog schakeering op te merken. Al aanstonds tengevolge daarvan, dat de vloek niet ongetemperd is doorgegaan. De voleinde vloek zou deze geheele aarde veranderd hebben in een bajert, in één chaos van afzichtelijkheid, in ééne woestenij van verderving. Doch hier nu trad de gemeente Gratie in. Zoo is de aarde niet geworden. De vloek is allerwegen merkbaar, maar is in zijn werking gestuit, en het is dank zij die bewarende werking van de |59| gemeene Gratie, dat deze wereld ons nog zooveel schoons vertoonen kan. Toch siert dat Schoone niet meer de geheele aarde. Integendeel, naast elkander vinden we thans staan het schoone, het gewone, het afzichtelijke. Een leeuw is schoon, een kalf gewoon, een rat afzichtelijk. Zoo ook is het in het plantenrijk. De ceder boeit door schoonheid, de wilg doet u gewoon aan, de distel stoot af. En zelfs onder ons menschen gaat dat door. Nog trekt u de Arabier aan door zijn schoone gestalte, wij Nederlanders zijn zeer ordinaire verschijningen, de Hottentot boezemt u weerzin in. En diezelfde drieheid van schakeering vindt ge niet alleen bij plant en dier en mensch, maar evenzoo in de anorganische natuur. Er zijn berggroepen die u verrukken tot aanbidding toe. Er zijn gansch gewone bultige bergen, die ge langs wandelt, zonder ze haast op te merken. En er zijn wilde rotskloven, zoo dor en spookachtig, dat ze u onwillekeurig een huivering aanjagen; echte toonbeelden van het woest en ledig, dat eens op aarde was. Zoo vindt ge naast de weelde der natuur in de ééne streek, de kale vlakheid van andere streken, en daarachter weer de dorheid van heide en woestenij. Tot in de atmosfeer zelfs gaat dit door. De eene maal een lucht en weersgesteldheid, dat alles u toelacht of boeit door verhevenheid; daarnaast de gewone dagen, dat het wel niet plasregent, maar dat er toch zon noch maan doorschijnt; en daarna komen de dagen der verschrikking, dat de stormwind den regen tegen u aan doet kletteren, en de weg onbegaanbaar wordt onder uw voet. In die drie phasen schommelt de actie der gemeene Gratie ten opzichte van het Schoon der natuur rusteloos op en neder. Telkens doet God u zien, en zelfs gevoelen, wat uw lot op aarde zou zijn, en hoe onschoon de wereld, zoo de vloek ten einde toe had doorgewerkt. Dan doet God u een verheffing in de natuur aanschouwen, die het heimwee naar het paradijs in u gaande houdt. En dan weer zinkt ge terug in het ordinaire, dat er niets is dat u boeit en ook niets dat u afstoot, maar dat toch alles om u heen bezieling mist en uw geestdrift doet bekoelen.




Hierbij nu is dit het opmerkelijkst, dat het gevoel voor het Schoone het best in stand bleef en zich het hoogst ontwikkelt heeft in streken, waar de natuur deze schommelingen het sterkst vertoonde. In de Oostersche wereld, die zich in meerdere schoonheid en hoogere weelde baadt, is de ontwikkeling van het aesthetisch of schoonheidsgevoel wel niet uitgebleven, maar toch heeft het er zich niet tot veel scheppende kracht weten op te heffen. Nog grooter is het tekort ten deze in het hooge Noorden, waar de gegevens der natuur al te ongunstig zijn. En daaren tegen vindt ge de heerlijkste menschelijke ontwikkeling, ook op het gebied van het Schoone, juist in die tusschen Noord en Zuid gelegen |60| middenstreken, waar de contrasten zich gedurig naast elkaâr vertoonen, en beurtelings de drie phasen waarop we wezen, elk op haar wijs, doorleefd worden.

Hieruit blijkt, dat de gemeene Gratie ten opzichtte van het Schoon tweeërlei deed. Vooreerst heeft ze veel van het paradijsschoon gespaard en voor ondergang behoed, en ons nog zulk een rijken schat van schoone dingen in de natuur op onzen levensweg meêgegeven. Ze heeft den vloek getemperd en zoo poëzie in de natuur voor ons overgelaten. Aan eenzelfden stengel de ontloken rozenknop en de doorn die u wondt. Maar ook in de tweede plaats heeft de gemeene Gratie in den zondaar het gevoel voor dit Schoone in de natuur bewaard voor geheelen ondergang. Ook het gevoel voor het Schoone heeft geleden. Er zijn tal en tal van menschen, die elken avond onder Gods firmament kunnen wandelen, zonder ooit de oogen op te heffen, en God in de pracht van zijn sterrenhemel te aanbidden. Zelfs zijn er, die lust in het gemeene en walgelijke hebben gekregen. Maar in de menschheid als geheel genomen, is het schoonheidsbesef gered. Het is er nog. Het werkt nog. En die bestendiging van het schoonheidsgevoel danken we in niet geringe mate juist aan de afwisseling van de drie phasen, waarop we wezen. Al te weelderige glans verblindt, en, omgekeerd, wie te lang in het donker zit, lijdt aan het gezicht schade; maar wie afwisselend glans, gewone tint en dofheid voor het oog krijgt, wordt juist door die tegenstelling geoefend in gezichtscherpte. Het gesloten oog in den nacht en daarna het open oog des daags, is ons behoud. We ontkennen daarom niet, dat God ook niet inwendig door zijn Geest in den mensch gewerkt heeft, om dit schoonheidsgevoel te sterken. Ge ziet het bij Aholiab en Bezaleël, en nog komt dit uit in menig kunstgenie. Maar ongetwijfeld heeft toch het naast elkander plaatsen en het op elkaár doen volgen van schoone, gewone en afstootende verschijnselen, het schoonheidigevoel geprikkeld. Men zag verschil. Dat verschil onderwees. En juist dat zien en voelen van het verschil, is de machtige drijfveer geworden, waaraan, gelijk een volgend artikel toone, de Kunst haar ontstaan en haar verheffing dankt.