TWEEDE GEDEELTE

De kunst

I.

Want hoe groot zal zijn goed wezen, en hoe groot zal zijne schoonheid wezen!

Zach. 9 : 17a.


Het laatste onderwerp, dat in verband met de gemeene Gratie opzettelijke toelichting vereischt, is de Kunst.

Niet alsof we de religie en het zedelijk leven van minder gewicht achtten, noch ook als ontkenden we, dat er onder den zegen der gemeene Gratie, ook zonder hooger licht, wel waarlijk zekere religie en zeker zedelijk leven onder menschen denkbaar ware. Het tegendeel blijkt ook nu nog gedurig, zoo wat de enkele personen, als wat geheele kringen, ja zelfs natiën betreft. Die streken van Afrika b.v., waar de Islâm doordrong, mogen, vergeleken bij het Christelijk Europa, verre achterstaan, toch valt niet te betwisten, dat ze veel hooger religieus en zedelijk karakter vertoonen, dan de negerstammen van midden-Afrika. En ook onder ons ontmoet ge onder de familiën, die met de belijdenis van den Christus finaal gebroken hebben, soms mannen en vrouwen, wier religieus leven sterk ontwikkeld is, en wier zedelijk standpunt vaak eerbied afdwingt. Dat we desniettemin noch aan de religie, noch aan het zedelijk leven hier een afzonderlijke studie wijden, vindt daarin zijn verklaring, dat de verschijnselen, die hier ter sprake zouden moeten komen, reeds volledig in het |44| leerstellige deel zijn afgehandeld. Afzonderlijke bespreking zou hier uit dien hoofde slechts òf resumptie òf herhaling kunnen zijn, en hiervan wenschen we ons te onthouden.

Heel anders staat het met de Kunst. Dit onderwerp werd hier en daar slechts terloops aangestipt, en vraagt te meer een afzonderlijke bespreking, omdat de waardeering van de Kunst op godsdienstig gebied een zeer uiteenloopende is, en met name op het kerkelijk erf der Gereformeerden, schijnbaar op haar veroordeeling, zoo niet op haar bannissement, is uitgeloopen. Godsdienst en Kunst zijn elkander zoo na verwant, dat de Kunst nu nog dankbaar erkent, hoe ze haar oorsprong dankt aan den openbaren eeredienst. Het is dan ook geen geheim, hoe in de heidenwereld Religie en Kunst, schier op elk punt, dooreen gevlochten waren. De Schrift zegt ons, hoe de Kunst onder Israël zich geheel in den tempel op Sion saamtrok, en buiten den dienst in het heilige schier braak lag. En nu nog toont ons de Grieksche, de Roomsche en ten deele de Luthersche kerk, welke hooge beteekenis voor de ontwikkeling van het religieuse gevoel aan de Kunst gehecht wordt. Het is zoo, onder den Islâm verloor de Kunst, op het heilig terrein, veel van haar beteekenis, door zijn streng verzet tegen alle gebruik van beelden of afbeeldingen. Maar zelfs onder de Gereformeerden, hoezeer hun vorm van eeredienst een streng geestelijk karakter droeg, is toch de bouwkunst, de zangkunst en de toonkunst op niet zoo kleine schaal van meet af in den eeredienst opgenomen. Van Calvijn is het bekend, welke waarde hij aan het kerkelijk gezang toekende, welke moeite hij aanwendde, om het gezang tot hoogeren kunstvorm op te heffen, en hoe met name Goudimel hem hierin trouw ter zijde stond.

Toch is de opmerking van Von Hartmann juist, dat de religie, in haar hoogsten vorm, zich van het kunstkleed ontdoet, en eindigt met een geheel zelfstandige positie tegenover de Kunst in te nemen. Dit kan zelfs niet anders. Krachtens Scheppingsordinantie, komt het ons ingeschapen godsdienstig besef tot ontwikkeling door twee middelen. Er spreekt ons kennisse van God toe uit de natuur der geschapen dingen, want „de onzienlijke dingen Gods worden van het begin der schepping aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid.” Dit is het ééne middel. En daarnaast stond in het paradijs, als tweede middel, de geestelijke openbaring in en aan het hart des menschen. Gevolg nu der zonde was, dat voor deze geestelijke openbaring oog en oor dicht ging, en dat, behalve een traditie van deze geestelijke openbaring, niets anders overbleef dan de openbaring van God in de natuur; terwijl ook deze op haar beurt verduisterd werd, deels doordien de vatbaarheid om God uit de natuur te kennen, afnam, deels omdat de vloek over de aarde kwam, en een floers over haar schoon trok. Ware dan ook de gemeene Gratie niet tusschenbeide gekomen, om het religieus besef inwendig te |45| sterken, en uitwendig de sprake der natuur tegen verstomming te bewaren, zoo zou alle religie in ’t kort verdwenen zijn.

Nu echter, dank zij deze werking der gemeene Gratie, komt bij schier alle volken zekere behoefte aan religie uit, en sluit deze religie in haar verzwakten en verminkten vorm, zich bijna allerwegen aan de natuuropenbaring aan. Zon, maan en sterren wenken tot aanbidding, tot men den levenden God verliest, en zon, maan en sterren zelve gaat aanbidden. Niet weinigen zelfs onder Israël, aanbaden de maan als de Melêcheth, d.i. als de koningin des hemels. De stier als type van de voortbrengende natuurkracht, werd al spoedig onder den naam van Apis aangebeden, en wat onder Israël de kalverendienst heette, was niets dan nabootsing van dezen heidenschen eeredienst. In het oosten vooral, waar de indruk der schoone, rijke en weelderige natuur zoo veel machtiger is, dan in onze noordsche en westersche landen, is deze natuur-aanbidding van zelf opgekomen; en zelfs in het hooge noorden, waar het ijs de groote natuurverschijning was, gaf ijswand en ijsberg de geboorte aan een religieuse voorstelling, die in haar diepsten grond niet anders dan natuur-vereering was. De vereering en aanbidding van den mensch, waartoe men met name in Griekenland voortschreed, en die, zij het ook in gewijzigden vorm, evenzoo in Indië bekend was, stond dan ook reeds hooger dan de dierenaanbidding in het oosten, ook al stond er ontegenzeggelijk tegenover, dat hiermede zelfverheffing van den mensch gepaard ging, en deze zelfverheffing het zoo belangrijke element in de religie, t. w. het besef van menschelijke afhankelijkheid, te niet deed.

Doch in wat vorm de afgodische eeredienst ook optrad, juist wijl ze aan het uitwendige ontleend was, en den factor van geestelijke openbaring steeds meer verloor, kon ze niet anders, dan zich in zichtbare vormen ontwikkelen. Een zichtbaar voorwerp der aanbidding bleef haar behoefte, en zoo kwam, onder allerlei vorm, de beeldendienst op. Zonder beeld van zijn afgod, kon men zich ten leste zijn afgod niet meer denken. De schare, die aanbad, bezat niets meer in zich zelve. Alles moest voor haar verricht worden. Zoo trok alle religie zich steeds meer saam in een heilige plaats, in een gewijd gebouw, in gewijde personen, in heilige beelden en altaren, en in bij die altaren plaats grijpende heilige verrichtingen. Vandaar de groote beteekenis, die de tempel ontving, die aan afgodsbeeld en altaren, aan allerlei instrument van den eeredienst, aan de kleedij der priesters, aan hun muziek, aan hun zang, aan hun verrichtingen werden toegekend. Van geestelijke vereering was ternauwernood sprake meer. Het moest al gezien en gehoord, in verrukking aanschouwd en bewonderd worden. En overmits de aldus onder den indruk van dat gewijde gehouden schare, haar geld met stroomen voor dezen eeredienst deed saamvloeien, ontstond er wedijver tusschen stad en stad, tusschen tempel en tempel, en kwam |46| alzoo het eerst op dit gewijd terrein de groote som beschikbaar, die de Kunst altoos behoeft, om haar grootsche ontwerpen uit te voeren. Zoo kan het geen verwondering baren, dat de bouwkunst, de beeldhouwkunst, de schilderkunst, de toonkunst en de dichtkunst, het eerst aan den tempeldienst opbloeiden tot die hoogere vormen, waarin ze haar ideaal poogde te verwezenlijken. Een religie, die, in haar afgodischen vorm, schier uitsluitend door de natuur of door den grootheidswaan van den mensch gevoed wordt, kan niet anders dan in uitwendige vertooning, haar glorie zoeken. Vandaar, dat het huwelijk tusschen de Kunst en de Religie in den aard zelf van alle afgoderij ligt.




De tempeldienst op Sion worde hiermede niet verward. De eeredienst op Sion toch wees, door de afwezigheid van alle zichtbaar voorwerp der aanbidding, juist op het onzienlijke en geestelijke, en de vorm en dienst die zeer zeker ook op Sion, tot in het kleinste toe, ontwikkeld was, droeg nooit anders dan een symbolisch karakter. Symbool nu beteekent het saamvallen van twee onderscheiden levenssferen. Het symbool zegt u, 1º. dat er, behalve deze zichtbare wereld, nog een onzichtbare, geestelijke wereld is; 2º. dat er tusschen deze zichtbare en onzichtbare wereld zekere band bestaat; en 3º. dat zichtbare teekenen ons de geestelijke dingen kunnen voorstellen. Een symbool is dan ook altoos een zichtbaar iets, dat teeken, beeld of aanduiding is van iets geestelijks en onzichtbaars. Terwijl de afgodendienst van het geestelijke afleidt, het verdonkert en naar den achtergrond dringt, heeft alzoo de symbolische eeredienst juist omgekeerd de strekking, om een volk, dat nog aan het zinlijke hangt, door het zichtbaar symbool weer aan het geestelijke te wennen, op het geestelijke te wijzen, en tot het geestelijke op te voeren. Zoo nu verstaan, was derhalve de eeredienst in den tempel op Sion, zeer stellig juist geestelijk in zijn strekking. God woonde daar, en toch, niemand zag God, ook niet de hoogepriester, als hij in het Heilige der Heiligen inging. En juist deze aanbidding van den Ongeziene en Onzienlijke, gaf aan dezen eeredienst zijn geestelijk karakter. Nog in onze Christelijke religie is het water bij den Doop, en zijn brood en wijn bij het Nachtmaal, zulke zichtbare symbolen, die ons de afwassching onzer zonden, en het lijden en sterven van Christus om onze zonden afbeelden. Toch is de verhouding tusschen het symbool en het geestelijke thans een andere. Bij ons staat de geestelijke vereering op den voorgrond, bij Israël stond al het geestelijke nog in schaduw en symbool voor het oog des volks. In die schaduwen en symbolen lag het beeld uitgedrukt van den Messias die komen zou. Nadat Hij gekomen was, scheurde het voorhangsel des tempels, en is de tempel op Sion verwoest, om nimmermeer te worden opgebouwd. Wie na Christus’ |47| komst nog aan het symbool en aan de schaduw van den Messias bleef hechten, toonde zijn komst niet te verstaan, loochende en verwierp Hem. Vandaar de heilige strijd, dien Paulus met name in de kerken van Galatiën tegen deze onzinnigheid gestreden heeft. Het symbolische te blijven vasthouden, toonde een geestesgesteldheid, die met het geloof in het Lam Gods onvereenigbaar was. Tot op Christus’ komst daarentegen had de Kunst haar hooge roeping, om het symbolische van Sions tempel op schitterende wijze te doen uitkomen, en de kunst van Egypte met de kunst van Hiram uit Tyrus, zijn cijnsplichtig gemaakt aan wat op Sions berg als „de volkomenheid der schoonheid” in Salomo’s tempel, en vroeger reeds in den tabernakel, geëerd werd.

Doch hieruit volgde dan ook, dat, nu eenmaal de vervulling gekomen was, het symbolische element terugtrad, de aanbidding in geest en waarheid zich boven de productie der kunst verhief, en alsnu zelfstandig te voorschijn trad. Naast de kennisse uit de natuur was nu de kennisse Gods in geestelijke openbaring getreden, en toen in Christus die geestelijke openbaring haar hoogtepunt en haar volkomenheid bereikte, moest de religie zich wel naar binnen keeren, en bij den eeredienst de uiting van het geestelijk leven op den voorgrond staan. Voorzoover die geestelijke uiting nochtans een vorm behoefde, moest zeker ook die vorm schoon zijn, en werd uit dien hoofde ook nu weer de Kunst te hulp geroepen, maar geheel als dienende. Niet van haar werd verwacht, dat zij het goddelijke toonen en openbaren zou. Alle heerschappij moest haar ontzegd worden. Hulpdienst verrichten, was nu voortaan haar eenige roeping. Toch heeft de religie zich ook na Christus niet op eenmaal tot dat vrije, zelfstandige standpunt kunnen opheffen. In de Levant, waar de Christelijke kerk haar eerste uitbreiding ontving, zoo in het zuiden van Europa, als in Klein-Azië en op de noordkust van Afrika, was de schare aan de zichtbare vertooning van het heilige te zeer gewend, en ook was ze te zeer aan zichtbare en schoone vormen gehecht. Al spoedig leefde dientengevolge de ondergegane tempelpracht in de weelde der kerken weer op. Sierlijke vormen en gewaden werden op prijs gesteld. En al spoedig deden tal van symbolen, en straks het schilderij en het beeld, weer hun intocht. Wel is er toen nog een heftige reactie gekomen, die in den bekenden beeldenstrijd tot een bange worsteling tusschen het geestelijke en zinlijke heeft geleid, maar het rein-geestelijke moest in de weelderige Levant wel het onderspit delven, en zoo de Grieksche als de Roomsche eeredienst wordt nog altoos door de uitkomst van dien strijd gedrukt. Niet alsof men, hetzij in de Grieksche, hetzij in de Roomsche kerk, theoretisch aan al dat uitwendige ooit anders dan een symbolische duiding had gegeven; maar practisch levert zulk een overladen symboliek, bij een in den grond geestelijken godsdienst, altoos het gevaar op, dat het geestelijke |48| weer in het zinlijke ondergaat. Wie opmerkzaam, vooral in zuidelijke landen, de practijk van deze symboliek gadesloeg voelde dan ook terstond, hoe na deze symboliek er aan toe is, om naar het afgodische terug te leiden.

De geestelijke reactie tegen dit gevaar is één der motieven van de reformatie geweest. Reeds door de mystiek der middeneeuwen was deze geestelijke reactie voorbereid. Doch eerst toen deze mystiek gesterkt werd door den conscientiedrang van het God-zoekend hart, voer in deze reactie de kracht, om het geestelijke door het staketsel van het zinlijke te doen doorbreken. Het is dan ook die geestelijke reactie die vrij plotseling tegen dien zinnelijken eeredienst de worsteling opnam, en die met name in de Gereformeerde kerken, meer nog dan in de Luthersche, „de kramerij”, gelijk men het naar Jeremia 10 : 17 noemde, „wegraapte.” Hiermede hing het dan ook saam, dat de reformatie in het zuiden van Europa schier geen baan brak, en zich bijna uitsluitend vastzette in het noorden, waar de levensaard de behoefte aan zinlijke vertooning minder sterk ontwikkeld had. Sinds is in de Engelsche staatskerk deze heerschappij van het geestelijk element weer teruggedrongen, maar voor het overige mag gezegd, dat ze in Scandinavië, in noord-Duitschland, in ons land, in Schotland en in Amerika stand hield. En veel meer nog, dat hoe hooger de Christelijke religie zich ontwikkelt, ze zich almeer van de behoefte aan den zinlijken vorm losmaakt, en in geestelijke schoonheid haar ideaal zoekt. We zien derhalve in dezen loop der dingen een proces, dat gehoorzaamt aan een natuurlijke wet. Zoo lang het godsdienstig besef kracht put enkel uit natuuraanschouwing, draagt de religie in de afgodische tempels een louter zinlijk karakter en heerscht de kunst in den tempel. Zoodra in Israël de geestelijke openbaring terugkeert, komt er een geestelijke sfeer naast de zinlijke sfeer te staan, en vindt beider saamvoegink haar uitdrukking in de rijke symboliek van Sion’s tempel. Als de geestelijke openbaring in Christus haar voleinding bereikt, wordt het symbolische door het geestelijke teruggedrongen, en in de apostolische kerken toonen de apostolische brieven ons niets dan een zuiver geestelijke vereering. Zoodra echter de Kerk zich uitbreidt onder de volken, die van nature aan het zinlijke schoon gehecht waren, sluipt weelderige symboliek de kerk weer binnen. In den beeldenstrijd blijkt de geestelijke reactie machteloos, om het juk af te werpen, en eeuwen lang blijft de eeredienst weer een sterk symbolisch karakter dragen. Nauwlijks echter zijn de volken van het noorden tot invloed geraakt, of na de reformatie komt een nieuwe geestelijke reactie op, die ditmaal zegepraalt, en in het noorden van Europa een eeredienst invoert, die zijn kracht alleen zoekt in het geestelijk schoon der ziel. En eenmaal op dit standpunt aangekomen, weet de geestelijke vereering zich steeds meer te handhaven, en is er een voortgang waarneembaar, die er |49| almeer toe leidt, om alle uiterlijk vertoon te versmaden, en de aanbidding in geest en waarheid tot de kern van den eeredienst te maken.




Dit proces leidt tot de vraag: Wettigt dit verloop tot de conclusie, dat derhalve de Kunst veroordeeld is, en van de zijde der geestelijk gestemde Christenen is aan te zien als een te bestrijden kwaad? En op die vraag nu kan niet anders, dan in bevestigenden zin geantwoord worden, indien men in de Kunst slechts een woekerplant ziet, die alleen op den stam van het kerkelijk leven bloeien kan. Ter wille van den bloei der Kunst het heilige te overladen, met wat het geestelijke naar den achtergrond dringt, is de eere der religie te na komen, en zonder aarzelen moet het uitgesproken, dat beter alle Kunst onderging, dan dat het geestelijk karakter onzer Christelijke religie schade lijde. Zonder Kunst kan een volk desnoods leven en bloeien, zonder religie niet. Maar staat zóó de quaestie? Of moet niet veeleer erkend, dat de Kunst, in haar eerste opkomen, wel onmachtig was, om anders dan in den leiband van den priester loopen te leeren, maar dat ze, eenmaal tot hoogere ontwikkeling geraakt, alleszins aanspraak kon maken op een zelfstandig, vrij en onafhankelijk bestaan? Natuurlijk moet, om dit helder in te zien, het wezen der Kunst nader onderzocht worden; iets wat we eerst in een volgend artikel ondernemen kunnen. Maar toch kan hier reeds geconstateerd, dat er veel en velerlei is, dat eerst alleen als klimop om het heilige zich slingerend, kon opkomen, en dat toch in een later stadium van ontwikkeling, tot geheel zelfstandige ontwikkeling geraakte. We denken hierbij met name aan het onderwijs in al zijn vertakkingen, dat aanvankelijk zoo bij Heidenen als Christenen leunde en steunde op het heilige en gewijde, maar sinds op eigen beenen is gaan staan, en eerst in die zelfstandige positie zijn eigenlijk wezen ontwikkeld heeft. Alleen zoo de Kunst zelve religie ware, en alzoo een integreerend bestanddeel van de religie uitmaakte, kon haar dat recht op zelfstandigheid betwist worden. Weet nu daarentegen een ieder, hoe uiterst zeldzaam het is, in de kunstenaarswereld vrome en volijverige belijders van ’s Heeren Naam te vinden, en hoe omgekeerd, in breede kringen van het kunstenaarsleven, zelfs de zedelijke ordinantiën licht geteld worden, dan blijkt reeds hieruit, hoe het kunstgenie en de geest van het kindschap Gods, volstrekt geen tweelingzusters van nature zijn. De uitkomst heeft dan ook getoond, hoe de onderscheidene kunsten, na op kerkelijk gebied van de Reformatie den scheidsbrief te hebben ontvangen, wel verre van in te zinken, veeleer allerwegen zich hebben opgemaakt, om van nu voortaan een zelfstandig bestaan te voeren, en hoe ze daarin op wondere wijze geslaagd zijn.

Dat dit ten deele geleid heeft tot een wereldsch maken, ja, tot een |50| ontwijding van de Kunst, zoo niet tot een misbruiken van de Kunst tot het bevredigen van zondige neigingen, kan zeker niet geheel worden ontkend. Ook hierop komen we later terug. Maar in geen geval kan dit misbruik van de vrijheid worden aangevoerd als bewijs, dat de Kunst op een zelfstandig bestaan geen recht heeft. Er is in ons menschelijk leven niets, volstrekt niets, dat tenslotte vrijheid verwierf, of het heeft die vrijheid in zonde misbruikt. Hoe telkens is niet zelfs de gewetensvrijheid misbruikt tot Godslastering, of wilt ge, de van God aan een Vorst of regent verleende Souvereiniteit tot onderdrukking, tiranniseering en uitmergeling van het volk. Op zichzelf is het volkomen waar, dat de Kunst, na haar vrijmaking, wereldsch geworden is, in dien zin, dat ze alsnu ophield op het heilig erf te verkeeren, en zich mengde in het gewone burgerleven. Haar inspiratie heeft nooit tot de particuliere Genade behoord, maar is altoos uit de gemeene Gratie voortgekomen; en juist het gewone menschenleven is het breede terrein waarop de gemeene Gratie schittert, en tevens het terrein waarop ook de Kunst haar eigen tempel bouwt. Maar hierin ligt volstrekt niet opgesloten, dat de Kunst daarom voortaan haar motieven niet meer aan het heilige zou mogen ontleenen, of geen roeping meer tot verheerlijking van Gods naam zou hebben. De bouwkunst nu daargelaten, die vanzelf ook bij den kerkbouw meêspreekt, is er niet één enkele kunst van hoogere orde, die, sinds ze haar zelfstandig karakter openbaarde, niet ook van het heilige en gewijde haar rijkste motieven heeft ontvangen. Dit kon ook niet anders. Kunstgenie en zieleadel sluiten elkander niet uit, en waar het kunstgenie in een edele ziel mag wonen, hoe zou daar het kunstenaarsoog gesloten zijn voor de geheel eenige verhevenheid die zich om den naam van den Christus concentreert? Waarom zou dan een beeld, een tafereel op doek, een oratorium, een hymne juist voor kerkelijk gebruik moeten vervaardigd zijn, om den genialen schepper van deze kunstproducten met heiligen gloed te bezielen? Ook de Kunst heeft haar lagere en hoogere sferen van ontwikkeling, en hoe zou het dan anders kunnen, of in haar hooge sferen moet ze wel tot het verhevene opklimmen, en in dat verhevene ontmoet ze vanzelf immers de wonderen der religie, neemt die in zich op, en reproduceert ze in kunstvorm. De scheiding tusschen Kerk en Kunst draagt daarom volstrekt niet het karakter van een volkomen scheiding tusschen Kunst en de Religie. Veeleer blijft de band tusschen beide gewaarborgd in beider ideaal karakter, en ligt het niet aan de Kunst als zoodanig, maar aan de onvroomheid van haar koorknapen, zoo men de hoogere religieuse aandrift niet ook op de Kunst laat inwerken.




Slechts zooveel geven we toe, dat in den eersten aanloop de gang der reformatie stoornis en verwarring veroorzaakt heeft. Het toenmalig geslacht, |51| dat gewend was, de Kunst hoofdzakelijk in het kerkgebouw te vinden, en dat zich uit geestelijke reactie tegen deze Kunst in de kerken te weer stelde, liep zeer ernstig gevaar, na de zuivering der kerken, de Kunst als zoodanig te veroordeelen. Dit gevaar is dan ook ten deele verwezenlijkt. Er is destijds zekere tegenzin tegen de kunst, uit religieus inotief, opgekomen, die nu nog in sommige kringen nawerkt. En anderzijds kan evenmin ontkend, dat de losgelaten Kunst maar al te spoedig verliep in bandeloosheid en haar eere wegwierp. Doch ook dit kon niet bevreemden. Wie van onder te langdurige en te strenge voogdij ten langen leste uitkomt, is vanzelf geneigd tot uitspatting en veelal buiten staat van de verkregen vrijheid het juiste gebruik te maken. Wat gaven in vroeger jaren onze academiën niet te aanschouwen, als jonge mannen, die dusver thuis te lang kind waren gehouden, op eens in de academiestad, van alle tucht ontslagen, hun eigen heer en meester waren? Wat schandelijke tafereelen heeft men niet vaak van militairen gezien, die, na de overwinning, door hun hoofdlieden uit den tuchtband werden ontslagen? Ook hieraan is derhalve allerminst eenig steekhoudend bewijs tegen de stelling te ontleenen, dat de Kunst, al kon ze eeuwenlang zich niet zonder den steun van den tempeldienst, en later van den eeredienst, in onze kerken staande houden, nochtans tot vrijheid geroepen is; en dat alzoo de scheiding tusschen Religie en Kunst, die de reformatie tot stand bracht, in tweeërlei opzicht de noodzakelijke werking van een natuurlijk proces was. Ten eerste, in zooverre eerst op die wijs de Religie haar geestelijk karakter kon bekennen. En ten andere, in zoover eerst, dank zij die scheiding, de Kunst tot de haar toekomende zelfstandigheid geraakte.

Zoo is dan de Kunst, in de 16de eeuw vooral, uit de heilige tente uitgegaan, om op het terrein van de gemeene Gratie, waarop ze thuis hoort haar eigen tente op te slaan. Iets wat tevens tengevolge had, dat de Kunst eerst na dit opbloeien op het terrein der gemeene Gratie, haar beteekenis voor het menschelijk leven in breeder kring erlangde. Want wel is, wat men de democratiseering van de Kunst noemt, eerst in de 19de eeuw een feit geworden, maar toch is de uitbreiding van het kunstterrein reeds in de 16de eeuw begonnen. Reeds onze Nederlandsche Schildersschool uit die dagen, bewijst het, zoo door de veelsoortigheid van de motieven, waardoor ze zich inspireeren liet, als door den breeden kring van burgers, die hun zalen met haar voortbrengselen sierden.