De wetenschap

V. (Slot).

In denwelken alle de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn.

Col. 2 : 3.


De Schrift zegt, dat „de wijsheid der wereld dwaasheid is bij God.” Dit beduidt niet, gelijk ieder tast, dat de wetenschap, voor zoover ze de Bijzondere Openbaring verwerpt, niet op veel een juist licht zou werpen, en niet in allerlei opzicht onze heerschappij,over de natuur uitbreiden en bevestigen zou; maar heel anders, dat, zoodra ze van het waargenomene tot den geestelijken achtergrond poogt door te dringen, en voorts uit de |35| gewonnen gegevens een geheel poogt op te bouwen, ze falikant uitkomt, doordien ze op hoogen toon voor wijsheid uitgeeft, wat, bezien bij het licht Gods, dwaasheid blijkt te zijn, d.w.z. in strijd met de wezenlijkheid en werkelijkheid. Alles komt er hier op aan, dat de volstrekte onafhankelijkheid van God van de wereld volstandig beleden, en in verband hiermede, de zelfstandigheid van den geest tegenover de stof met beslistheid gehandhaafd worde. Te dien einde moet weerstand worden geboden aan de neiging, om de geestelijke wetenschappen aan de methode van de natuurkundige te onderwerpen, en de beteekenis van het onderzoekend en denkend subject, tegenover het te onderzoeken en in te denken object, tot haar recht komen. En dit laatste nu kan niet geschieden, of aanstonds moet het verschil zich doen gelden, dat tusschen mensch en mensch bestaat, al naar gelang hij nog geheel in de verduistering door de zonde bevangen is, en dus Gods Bijzondere Openbaring verwerpt, of wel, als wedergeboren persoon, zich de duisternis op zag klaren, door de omzetting, die in zijn bewustzijn plaats greep, en door het inleven in de Openbaring van Gods Woord.

Dat geestelijk licht in de ziel en, die lampe voor den voet, die ons in Gods Woord is geboden, brengen alle Christenen tot éénzelfde grondaanschouwing, maar daarom nog niet tot eenvormigheid in denkwijze en levensuiting. Hun subjectiviteit is niet een vaste copie van éénzelfde model, maar vertoont schakeeringen. Geen twee oorspronkelijke denkers denken precies eender. In deze schakeeringen vertoonen zich echter vier hoofdrichtingen, waarvan de Calvinistische er ééne, en, voor wie zelf Gereformeerd is, de meest juiste is. Dit leidt dan onder Christenen tot vier wijzen van zich de wereld en het leven voor te stellen. Wie nu in zijn wetenschap geen mozaiek, maar samenhangenden bouw bedoelt, zal gestadig bouwen naar de lijnen, die hij als de meeste juiste heeft erkend. Vandaar dat de Roomsche structuur een andere zal worden, dan de structuur die de wetenschap voor ons verkrijgt. En dit heeft ten gevolge, dat alle hoogere wetenschap, juist omdat de waarheid hier boven alles gaat, zich voor ieder denker moet aansluiten aan wat zijn geestverwanten weleer saamstelden en voortgaan saam te stellen in zijn eigen tijd. Afgewezen als ondoeltreffend moet daarom door ons elk pogen, om in de geestelijke wetenschappen, en in het gemeen in de hoogere wetenschap, saam te bouwen met wie de Bijzondere Openbaring verwerpen, of ook met hen, die, hoezeer deze Openbaring aanvaardende, krachtens hun anders bestaande subjectiviteit, bouwen in een stijl, die de onze niet is, en dit zonder verkrachting van ons verleden en van onze subjectiviteit, niet worden kan. |36|




Hieruit nu vloeit voort, dat wel alle onderzoekers saam kunnen werken bij die studiën die buiten het subjectief verschil omgaan, maar zich scheiden, en uiteengaan moeten, zoodra de studie zich richt op de geestelijke wetenschappen en op de hooger wetenschappelijke saamvatting van het geheel. Voor die laatste studiën moeten zij die gelooven, en zij die niet gelooven, hun eigen weg gaan. Wel kunnen ze ook zoo niet zelden over en weer voordeel trekken van de resultaten van elkanders onderzoek, maar saam bouwen aan één tempel der wetenschap, kunnen ze niet. Veel minder mogen de geloovigen zich terugtrekken op hun kerkelijk erf, en met hun geloofsbezit tevreden, het houwen aan den tempel der wetenschap aan de ongeloovige denkers overlaten, als ging hún de wetenschap niet aan. Ze mogen dit niet, omdat het wetenschappelijk onderzoek geen menschelijke overmoed, maar een van Gods wege ons opgelegde plicht is. Het is de eere Gods, die eischt, dat ’s menschen geest indringen zal in geheel het samenstel van het geschapene, om er Zijn grootheid en Zijn wijsheid in te ontdekken, en die in menschelijke gedachten, door het menschelijk woord, te vertolken. Daar nu de ongeloovige wereld met haar wetengehap niet anders kan, dan Gods grootheid en Gods wijsheid verdonkeren, zijn de Christelijke denkers geroepen, om onder die grootsche taak, die zij alleen vervullen kunnen, de schouders te zetten, ook al wierp het voor hun eigen leven geen voordeel af.

Maar dit laatste is volstrekt niet het geval. Integendeel, alleen zoo de Christelijke wetenschap ons doet inleven in een helder doorgedachte en klaar uiteengezette beschouwing van de wereld en het leven, komt de denkende Christen tot een opvatting der dingen, die met zijn geloof in overeenstemming is, en dit niet ondermijnt, maar steunt en sterkt. Immers, het spreekt vanzelf, dat ook de belijdende Christenheid, levende te midden van deze wereld, niet volstaan kan met haar geloofsbelijdenis, maar evenals ieder mensch, behoefte heeft aan zeker verstand van de wereld, waarin hij zich beweegt. Ontvangt hij nu hierbij geen leiding van een Christelijke wetenschap, dan kan hij niet anders doen, en doet niet anders, dan de resultaten der ongeloovige wetenschap overnemen. Zoodoende leeft hij in een levens- en wereldbeschouwing, die bij zijn geloof niet past, maar op tal van punten met zijn belijdenis in onverzoenlijke tegenspraak is. Gevolg waarvan dan wordt, dat hij in zijn denken een tweeslachtig bestaan erlangt, en dat de inhoud van zijn belijdenis, en de wetenschappelijke beschouwing waarin hij opgaat, onverzoend naast elkander komen te liggen. Dat breekt zijn eenheid van besef, en daarmee zijn kracht. En dit heeft alsdan tot noodwendig resultaat, dat van lieverlede zijn geloof wijken gaat voor zijn wetenschappelijke opvatting, en dat hij ongemerkt naar de ongeloovige zienswijze gaat-overhellen. Iets, wat dan ook in de negentiende eeuw tot resultaat heeft gehad, dat er een |37| gemengde zienswijze ontstond, die, gelijk bij de ethischen hier te lande, enkele deelen geloof met enkele deelen der ongeloovige wijsbegeerte tot één geheel, dat altoos hybridisch blijft, poogt te vereenigen.

Plicht in omgekeerden zin daarentegen is, dat wij, die belijden, ook de wetenschap aangrijpen als een instrument voor de propaganda van onze geloofsovertuiging. Telkens is het gezien, hoe een geloovige groep, die deze verplichting niet gevoelt, zich van het volksgeheel isoleert, in een aparten hoek zich opsluit, en wel onder de minder ontwikkelde volks klasse stand houdt, maar allen invloed inboet op den gang van zaken, en op de vorming van de publieke opinie. Het ligt toch in den aard der zaak, dat de algemeene denkwijze onder het volk haar stempel ontvangt van de geleerden. Het zijn de universiteiten die de richting bepalen, waarin het denken der mannen van invloed zich beweegt. Van de universiteiten plant zich deze denkwijze voort onder de staatslieden, advocaten, doctoren, leeraren en schrijvers. Door dezer invloed wordt die denkwijze overgew bracht in de pers, op de middelbare en lagere school, en bij het corps onzer ambtenaren. Blijft nu dat universitaire leven, en blijft de invloed die hiervan op het volk uitgaat, uitsluitend in ongeloovige handen, dan wordt de publieke opinie, ook in zedelijk en religieus opzicht, ten slotte geheel in die richting omgezet, en werkt op hoogst schadelijke wijze door tot in onze Christelijke kringen. Ter afwering hiervan nu bestaat er slechts één middel, en dat is, dat ook de Christelijke denkers een universitair leven stichten, door dat universitaire leven een andere ziens- en denkwijze openbaren, deze voortplanten onder de mannen die deze universitaire studiën volgen, en zoo allengs een kring van ontwikkelde en invloed oefenende personen onder het volk doen optreden, die in de publieke denkwijze een keer doen komen. Het leven der particuliere Genade staat niet op zichzelf, maar is door God geplaatst midden in het leven der gemeene,Gratie. En overmits nu de Heilige Schrift volstrekt niet alleen strekt om ons den weg des heils te ontsluiten, maar ook om de gemeene Gratie met nieuw licht te verrijken, is het te kort schieten in plichtsbetrachting, zoo de belijders van dat Woord niet ook op het terrein der wetenschap, dat tot het erf der gemeene Gratie behoort, dit hooger licht schijnen doen.




Ook beelde men zich volstrekt niet in, dat zulk een beoefening der wetenschap uitsluitend de denkwereld op het oog heeft. Al is het toch volkomen waar, dat de afspiegeling van de gedachten Gods uit de schepping, in den spiegel van ons menschelijk bewustzijn, reeds op zichzelf door de eere van Gods Naam wordt geëischt, toch staat deze zuiverder kennis niet buiten het leven. De wetenschap is in het bestel van Gods gemeene |38| Gratie ook een der krachtigste middelen om de zonde, de dwaling en de ellende, die uit haar voortvloeide, te bestrijden. Tegen het gif der zonde treedt de wetenschap in ’s Heeren naam als tegengif op. Niet, alsof de wetenschap ooit macht zou bezitten, om één eenig mensch uit den dood zijner ziel in het leven te doen overgaan. Het middel dáártoe van God verordend is het geloof, en dit zaligmakend geloof kan niet anders opkomen dan uit de herschepping zijner ziel, d.i. uit de wedergeboorte, die God-zelf, zonder ons en zonder eenig instrument, in het verborgene der ziel inbrengt. Daarom behoort de wetenschap niet tot de particuliere Genade, en kan er niet toe behooren, maar wel heeft ze haar eigen plaats in dat heerlijke werk der gemeene Gratie, dat de zonde, de dwaling en de ellende in haar uitingen tegengaat. Men behoeft, om zich hiervan te overtuigen, slechts een menschelijk leven, gelijk dit onder de negerstammen van Afrika geleefd wordt, te vergelijken met het leven des menschen in onze Europeesche staten, waar de fakkel der wetenschap allengs haar licht deed schijnen. De verwoestingen van het bijgeloof, die onder ons nog slechts sporadisch voorkomen, beheerschen in Afrika nog heel het leven. Van een rechtsbedeeling, dien naam waard, om orde en regel in de menschelijke samenleving in te voeren, is onder die stammen ternauwernood sprake. Van vrijheden en rechten des volks, tegenover de wilkeur der stamhoofden, heeft niemand er ooit gehoord. De vrouw doorleeft er een leven van smaad en vernedering. Aan opvoeding der kinderen in hooger zin wordt er niet gedacht. Tegen de verwoestende macht der natuur mist men er elk verweer. Ziekten en epidemieën woeden er voort, zonder dat aan genezenden invloed te denken valt. Zorge voor armen of behoeftigen bestaat er niet. Hooger geestesontwikkeling is er geheel onbekend; van lezen zelfs weet men er niet af. De begrippen van eerlijkheid en trouw zijn er diep gezonken. Het menschelijk leven heeft er geen waarde en wordt met ontzien. En de schandelijkste zinnelijkheid heerscht er schaamteloos en onbedwongen.

Nu is het wel zoo, dat ook in onze Europeesche staten elke zonde van dien aard in het geheim voortsluipt, en dat onze verfijnde, onnatuurlijke levenswijs nieuwe kwalen heeft doen opkomen, die men ginds niet kent, maar toch is het onloochenbaar, dat de menschelijke saamleving onder ons, in het openbaar, een veel edeler en hooger karakter draagt, en zulks niet alleen onder de Christenen, maar ook onder de ongeloovigen. Dat dit te danken is aan de gemeene Gratie is vroeger uitvoerig door ons ontwikkeld, en behoeft hier niet herhaald te worden. Maar wel dient er in dit verband op te worden gewezen, welk aanmerkelijk aandeel aan de Wetenschap in deze verheffing van het openbaar leven toekomt. Het bijgeloof kan geen stand houden waar het licht der wetenschap doordringt. De rechtswetenschap is het groote middel geweest om orde en regel in |39| de maatschappij te stellen, het geweld te bedwingen, en door het scheppen van veiligheid voor personen en eigendommen, het uitbreken van de woede van den hartstocht tegen te gaan. De medische wetenschap moge in veel hebben gedwaald, maar toch blijft het haar eere, dat ze in Gods hand het middel is geweest, om veel lijden te verzachten, veel ziekte te bedwingen, en veel omsluipend kwaad, eer het uitbrak, te ontwapenen. De natuurkundige wetenschap heeft op ongemeene wijze ons gewapend tegen de verwoestende kracht der natuur, en die natuur aan onze heerschappij onderworpen. De letterkundige wetenschap heeft op wondere wijze verhelderend en richting gevend op ons menschelijk denken ingewerkt. En de theologische wetenschap is het van God bestelde middel geweest, om de grondgedachten in ons denken recht te zetten, de beginselen waaruit alleen een gezond menschelijk leven kan opkomen, wortel te doen schieten, en den blik, die tusschen waarheid en dwaling kiezen moest, te verscherpen.

Het is wel waar, dat veel van dit goede niet door de Wetenschap rechtstreeks is gewerkt, en veel meer tot stand is gekomen door de staatslieden, de rechters, de pleitbezorgers, de artsen, de heelkundigen, de ingenieurs, enz.; maar dit ontneemt niets aan de beteekenis der Wetenschap, daar zij het dan toch is, die deze mannen gevormd en bekwaamd heeft. Deze kracht tot verweer tegen de zonde, de dwaling en de ellende, die in de Wetenschap schuilt, is dan ook reeds in de Middeneeuwen zoo helder ingezien, dat het destijds zelfs niet ongewoon was, de beoefening der wetenschap schier uitsluitend uit dat oogpunt te beschouwen, en ongetwijfeld hangt zelfs de indeeling der wetenschap in faculteiten hiermede saâm. De Theologische faculteit moest de dwaling, de Rechtgeleerde het geweld en de oneerlijkheid, de Geneeskundige de ziekte en kwalen, en de Natuurkundige de verwoestende kracht der natuur bestrijden; een beschouwing die natuurlijk de Letterkundige faculteit nog niet tot haar recht kon doen komen, daar zij destijds nog geen zelfstandige plaats veroverd had, maar slechts als vormschool voor de overige faculteiten dienst deed.




Toch is het ook, zoo men de wetenschap uit dat oogpunt beziet, duidelijk, wat gevaar er in schuilt, zoo de studie bij deze onderscheidene faculteiten van haar vasten grond in de waarheid Gods wordt losgemaakt. Voor de Godgeleerde faculteit behoeft dit geen afzonderlijke aanwijzing, daar de historie ook van ons vaderland op maar al te droeve wijze getoond heeft, hoe de theologische wetenschap, los van de autoriteit van Gods Woord, ophoudt een middel te zijn, om de dwaling te bestrijden, en integendeel een middel wordt, om de dwaling opnieuw te verspreiden, en in steeds nieuwen vorm te doen uitgaan. Maar hetzelfde blijkt toch evenzoo voor de Rechtsgeleerde faculteit, die van de vastigheid, die ook het recht alleen |40| in God en zijn Woord bezit, eenmaal afgegaan, het recht niet anders dan uit de traditie en het rechtsbewustzijn weet af te leiden, en, wijl dit rechtsbewustzijn ongestadig is als de wateren van den vloeienden stroom, steeds meer de vastheid van het rechtsbesef ondermijnt. Niet alleen heel ons staatsrechtelijk leven is hierdoor geschokt en op losse schroeven gezet, maar ook het burgerlijk recht heeft het vaste spoor verloren, en zelfs het strafrecht staat op het punt, als strafrecht afstand van zijn hooge roeping te doen, en onder de leus van ontoerekenbaarheid alle schuldbesef te vernietigen. Wat gevaar de Medische faculteit oplevert, indien ze voortgaat in de richting, die almeer de ziel, het geestelijke in den mensch voorbijziet, en hem niet anders beschouwt dan als een lichaam, met uit het stof opkomende levensuitingen, behoeft nu geen nader betoog. Zoo toch wordt aan het lijden alle heiligend karakter ontnomen, alle voorbereiding op het sterven ondenkbaar, de zelfmoord in beginsel als onschuldig gepredikt, de zinnelijkheid, als door gezondheids-eisch daartoe gerechtigd, van allen teugel ontslagen, en alle gebed bij en voor den kranke tot kinderspel ontwijd. Al is het kwaad bij de natuurkundige faculteit minder, wijl zij zich meest met waarneming en experiment vergenoegt, toch mag niet vergeten worden, dat de natuurkundige faculteit zich almeer ook met de grondproblemen van het leven gaat bezig houden, en door haar theorie der Evolutie, alsof alle menschelijk leven vanzelf, en buiten hooger bestel, uit cellen en atomen ware opgekomen, rechtstreeks tot Atheïsme leidt, de schepping door Gods Almachtigheid te niet doet, en ons gevormd zijn naar den beelde Gods, en hiermede het hoogste in onze menschenwaarde, loochent. Het is door deze grondtheorie, dat de Natuurkundige wetenschap thans zelfs alle overige faculteiten beheerscht, en zich principieel vijandig tegen alle Christelijke belijdenis overstelt. En wat de Letterkundige faculteit aangaat, zoo behoeven we slechts drie elementen: de taal, historie en wijsbegeerte, te noemen, om aanstonds te doen inzien, welk gevaar ook zij begint op te leveren, zoodra ze uit het spoor der waarheid afwijkt. De leer omtrent den oorsprong der menschelijke taal, gelijk ze door de mannen dier faculteit in allerlei vorm gegeven is, sluit zich toch vanzelf aan de Evolutie-theorie van de natuurkundige faculteit aan, en stelt den mensch voor, als oorspronkelijk slechts half dierlijke klanken uitstootend, en eerst door eeuwenlange ontwikkeling bij iets wat naar menschelijke taal leek, uitgekomen. Bij de behandeling der historie is alle besef, dat we in de historie der menschheid, gelijk ze zich om het Kruis van Golgotha als haar middenpunt schikt, een bestel Gods hebben te aanbidden, al meer te niet gedaan, en hiervoor een beschouwing der geschiedenis in de plaats getreden, die heel den loop der dingen uit louter stoffelijke en psychologische oorzaken verklaart. En komt men aan de wijsbegeerte toe, dan behoeft het nauwelijks herinnering, hoe deze, almeer alle openbaring op zij zettende, uit eigen |41| denkbeginsel, keer op keer, voorstellingen omtrent het geheel der dingen heeft uitgesponnen, die, hoeveel nut ze ook zijdelings afwierpen, toch in haar grondopvatting en strekking, zich rechtstreeks tegen onze Christelijke belijdenis overstelden. Van den schadelijken invloed, dien het eenzijdig ophemelen van de elassieke afgodische wereld in Gnekenland op onze jongelingschap heeft uitgeoefend, spreken we in dit verband niet eens. Hier toch ligt het kwaad niet in deze classieke studie zelve, maar in het verkeerde gebruik, dat on-Christelijke zin er van gemaakt heeft.




Toch is dit alles slechts de nadere uitwerking van wat we boven als algemeenen regel stelden, dat de ongeloovige wetenschap, en de wetenschap, gelijk ze door geloovige Christenen beoefend wordt, twee zijn, en niet saam door één bedding vloeien kunnen. Ook het opgeworpen denkbeeld, alsof dit kwaad te keeren ware, door aan de scholen der ongeloovige wetenschap enkele Christelijke denkers als correctief te laten optreden, rust op zelfbedrog. Natuurlijk wordt gulweg toegegeven, dat zoo iets altoos beter is dan niets. Als tijdelijk hulpmiddel kan het dienst doen, en ook door dat hulpmiddel kan kwaad gekeerd worden, althans wat de opleiding der studenten betreft. Jonge mannen van Christelijken huize, die, aan zichzelven overgelaten, al spoedig in den stroom van het ongeloovige academieleven verdrinken zouden, konden in zulke hulphoogleeraren steun vinden voor hun verzet, en door hen gewapend worden tegen de verleiding waaraan ze zijn blootgesteld. Maar de Wetenschap zelve wordt er niet door geleid, en blijft aldus op valsch standpunt staan. Dan toch ontvangt een ieder den indruk, alsof de eigenlijke wetenschap van di ongeloovige wereld uitgaat; alsof van haar de kracht en de drang tot wetenschap komt; alsof zij het is, die den tempel der Wetenschap bouwt; en alsof de Christelijke religie daarbij geen andere en hoogere roeping had, dan om hier en daar een weinig critiek te oefenen, en, kon het, zekere correctie aan te brengen. De boom blijft dan kwaad, en blijft tieren op haar verkeerden wortel, en al wat onzerzijds gedaan wordt is dan, dat we enkele waterloten af houwen, enkele netels wegsnoeien, en hier en daar van elders geplukte bloemen aan de fakken hechten, die natuurlijk bestemd zijn, om, eer men er aan denkt, weer te verdorren. Neen, wat we noodig hebben, is een bouw der geheele wetenschap op Christelijken grondslag. Wat we behoeven is een plant der wetenschap, tierend op Christelijken wortel. En ons te vergenoegen met de rol, om met het snoeimes in de hand, in anderer tuin om te drentelen, is de eere en de waardigheid van onze Christelijke religie wegwerpen. Als men, ja, tegenover elke katheder, waarop een ongeloovig geleerde doceerde, zijnerzijds een katheder met een geloovig |42| geleerde kon overstellen, dan kwame de zaak heel anders te staan. Immers dan had men zelf vol bezette faculteiten, en wat zou dan beletten die faculteiten ook tot een eigen Universiteit te vereenigen? Zelfs zoudt ge dit dan moeten doen ook uit heel andere oorzaak. Zoolang ge toch de ongeloovige Universiteit de Universiteit laat, en daarbij slechts mannen uwerzijds als correctief plaatst, blijven de colleges der ongeloovige geleerden de verplichte lessen, en die van uw mannen colleges van liefhebberij. Zij bezitten het stempel van het eigenlijke en wezenlijke, zoodat zij de hoofdzaak leveren, waar het uwe als bijzaak bijkomt. Levert gij nu slechts een enkel college, dan gaat dit nog, maar dan baat het niet, gelijk we aantoonden; maar bezet gij alle tegen-katheders, dan natuurlijk zou het uitloopen op een dubbel stel lessen, die eenvoudig niet te volgen waren, en waarvoor zelfs de uren niet zouden te vinden zijn. Vergeet bovenal niet, dat ge, enkel losse mannen uwerzijds tegenover de colleges der anderen plaatsende, den stand van het examen niet verandert. Niet uw mannen, maar de officieel aangestelden blijven dan het examen afnemen. En wie, die in het leven der Staatsuniversiteiten geen vreemdeling is, weet niet, hoe de examens schier alle studie beheerschen, en hoe de studie voor het examen schier op allen tijd beslag legt. En hoe wilt ge dan op die wijs ooit de mogelijkheid scheppen, om anders dan zeer oppervlakkig, en bij wijze van liefhebberij, de colleges van uw mannen als correctief hun werking te laten doen?




Een betere toekomst en een sterkere positie kan daarom door de ge. loovige Christenheid dan eerst verkregen worden, als ze doordrongen wordt van haar roeping, om ook op het gebied der wetenschap de kracht van haar geloof tot zelfstandige uiting te brengen. Nog altoos te wanen, dat wij ten slotte, door louter critisch op te treden, de ongeloovige geleerden wel van dwaling overtuigen zullen, is niets dan pure illusie. Zij kunnen de waarheid opzichtens den grond der dingen niet inzien, en ze kunnen daarom door ons niet overtuigd worden. Ze staan tegen onze heilige dingen daltonistisch over, en ze zijn volkomen oprecht, als ze betuigen niet te zien, wat gij ziet, en daarom oordeelen dat gij met wat ge meent te zien, u vergist. Verzoening, die tot overeenstemming zou leiden, is hier ten eenenmale ondenkbaar. Er gaapt hier een klove, waarover geen brug te leggen valt. En zoo lang de Christenheid deze tweeheid niet met volle overtuiging en in al haar consequentiën aanvaardt, zal ze keer op keer gestraft worden met het indringen van de ongeloovige wetenschap op haar eigen erf, met vervalsching van haar theologie, met ondermijning van haar belijdenis, met verzwakking van haar geloof. Het is dan ook als een gelukkig verloop onder de werking der gemeene Gratie te beschouwen, |43| dat de ongeloovige wetenschap almeer alle overblijfselen van Christelijke traditie afschudt, steeds openlijker breekt met de overgeleverde denkbeelden, met klimmende beslistheid een volkomen atheïstische wereldbeschouwing tegen de onze overplaatst, en ons het blijven verkeeren in haar tente steeds onmogelijker maakt. Zoo toch zal zij de Christenen steeds meer dringen, om op eigen erf positie te nemen. En wat de Christenheid uit eigen impuls allicht nimmer zou gedaan hebben, zal ze ten slotte gaan doen onder de pressie van het steeds brutaler, al het heilige loochenend ongeloof, t.w., ze zal de onverbiddelijke noodzakelijkheid gaan inzien, om de Wetenschap zelfstandig op den grondslag van haar eigen beginselen te gaan beoefenen, en grijpen naar een universitair leven, dat in Christus de verborgenheid van alle wijsheid en alle wetenschap eert.