De wetenschap

IV.

Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der verstandigen zal Ik te niete maken. Waar is de wijze? Waar is de Schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer eeuw? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt?

1 Cor. 1 : 19, 20.


Wie verzuimt, reeds bij zijn uitgangspunt, de zelfstandigheid van den geest tegenover de stof te handhaven, komt, als de eindpaal bereikt is, over de brug der menschaanbidding, ten slotte bij stofvergoding uit. De toepassing der natuurkundige methode op de hoogere wetenschap, maakt dat handhaven van de zelfstandigheid van den geest onmogelijk. Een wetenschap, die dezen weg verkiest, doolt steeds verder van God af, om Hem in ’t eind geheel te loochenen. En in verband hiermede, is de wetenschappelijke onderzoeker, die zijn steunpunt in de wereld buiten zich neemt, en in het grijpen naar neutrale objectiviteit zijn eere stelt, door zijn methode zelve gedoemd, om ten slotte het zelfstandig bestaan van zijn eigen ik te zien ondergaan. Vandaar dat wij er zoo ernstig op aandringen, om het subjectieve uitgangspunt in de Wetenschap weer tot zijn recht te doen komen. Wat in de moderne wetenschap heerscht, is wantrouwen ten opzichte van ons eigen diepste levensbesef, en dat wantrouwen is niets dan ongeloof. Wat men aldus verliest, poogt men dan eerst te vergoeden, door zijn steunpunt in het bewustzijn van de toongevende meerderheid te vinden. Wat in wetenschappelijke kringen algemeen voor waar wordt gehouden, durft men dan ook zelf aannemen. Wat in dien zin algemeen wordt toegestemd, heet dan de waarheid, en het is die waarheid die men verklaart te eeren. Pdogt men nu verder door te dringen, dan gevoelt men wel, dat zulk een algemeene toestemming toch geen bewijs is, en stelt dan, dat alleen datgene wetenschappelijk vaststaat, wat ik aan ieder man van gezonden zin en van de noodige ontwikkeling zóó |27| duidelijk kan maken, dat ook hij het ten slotte inziet en toegeeft. De Duitschers vooral hebben daarvan een stokpaardje gemaakt, door er het woord „allgemeingültig” voor uit te vinden, en onder dien term alleen datgene als waar aan te nemen, wat ten slotte bleek voor geen tegenspraak vatbaar te zijn, en waarvoor men de toestemming logisch van ieder logisch denkend mensch kan afdwingen. Doch hierin lag dan ook tevens opgesloten, dat de denker met het armste besef de wet stelde, wijl hij allen rijkeren inhoud van het menschelijk bewustzijn ontkende, en toch immers alleen datgene voor waarheid gold, wat ook hij toestemde. Het werd een leger dat optrok onder de bepaling, dat de cavalerie nooit harder mocht rijden dan de infanterie liep, en dat de infanterie nooit harder loopen mocht, dan de soldaat, die het slechtst ter been was. En al bleef ook op dit standpunt geloof het onmisbare om verder te komen, ook al was het niets dan het geloof aan één enkel axioma, de uitkomst was dan toch, dat al wie rijker geloof bezat, zich ten slotte schikken en voegen moest naar den onderzoeker met het allerminste geloof. Iets waaruit volgde, dat alle Christelijke onderzoekers, die zich op dien weg lieten meêslepen, genoodzaakt werden, den zooveel rijkeren geloofsinhoud van hun bewustzijn buiten het wetenschappelijk erf te plaatsen, of wel hun geloof prijs te geven meê af te drijven met den afval.

Het is om die reden, dat de Christelijke denkers steeds meer overtuigd werden van de noodzakelijkheid, om het subject der wetenschap in zijn recht te herstellen. Alleen zoo ontstond de mogelijkheid, om de zelfstandigheid van den geest tegenover de stof, en zoo ook het bestaan van God in de wetenschap, te handhaven. Dat bleek hun steeds meer ook het standpunt der Heilige Schrift te zijn. De Schrift toch weet niets van deze hooggeloofde „Allgemeingültigkeit”, alsof alleen datgene waarheid was, wat ten slotte een ieder moest toestemmen. Integendeel, de Heilige Schrift sprak duidelijk uit, dat de wijsheid en wetenschap, die de wereld uit haar eigen beginselen afleidt, rechtstreeks tegen de ware, wezenlijke wetenschap overstaat; en zoo scherp mogelijk wordt vastgesteld, dat het verschil tusschen die wetenschap der wereld, die voor God dwaasheid is, en de ware wetenschap die voor Hem geldt, opkomt uit het verschil van geestestoestand in het onderzoekend subject. Er zijn tweeërlei soort menschen. De Schrift noemt ze de „natuurlijke” en de „geestelijke” menschen, en zegt daaromtrent in 1 Cor. 2:11-15 dit: „Want wie van de menschen weet hetgene des menschen is, dan de geest des menschen, die in hem is? Alzoo weet ook niemand hetgene Gods is, dan de Geest Gods. Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn. Dewelke wij ook spreken, niet met woorden die de menschelijke wijsheid leert, maar met woorden die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen |28| met geestelijke samenvoegende. Maar de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. Doch de geestelijke mensch onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt door niemand onderscheiden.” — Dit beteekent natuurlijk niet, dat er niet een lager terrein van wetenschap is, dat buiten deze tegenstelling omgaat. Voor zoover het resultaat beheerscht wordt door zakelijke waarneming, en door wegen en meten en rekenen verkregen wordt, staan alle onderzoekers gelijk. Zoodra men echter van dit lagere terrein opklimt tot de hoogere wetenschap, spreekt het subject mede, en doet zich dientengevolge het verschil gelden, dat tusschen den „natuurlijken” en den „geestelijken” mensch bestaat; en zulks volstrekt niet alleen in de godgeleerdheid, maar in alle geestelijke wetenschap, en zoo ook in de wijsgeerige opvatting van de natuurkundige wetenschappen.




Uit dien hoofde kan het niet anders, of op het terrein der hoogere wetenschap gaan de onderzoekers in twee kampen uiteen. Wat voor den één hier als wijsheid geldt, noemt de Schrift, en dus ook elk Christen, dwaasheid, en omgekeerd lacht de wetenschap der wereld, om wat voor ons wetenschap is, en acht dwaasheid nog een te zwak woord, om haar verachting over onze wetenschap uit te drukken. Hoe kan men dan, indien men althans de door de Schrift gestelde tegenstelling niet loslaat, op Christelijk standpunt [be]weren dat onze wetenschap en die der wereld één moeten zijn? Hoe is dan te ontkomen aan de deeling der wetenschappelijke studie in twee wel onderscheiden groepen? En hoe kan men dan ontkomen aan den stelregel, dat het hier geldend onderscheid opkomt uit de verschillende gesteldheid van het subject, al naar gelang dit nog enkel leeft uit het besef en het bewustzijn der onwedergeboren wereld, of wel uit die vernieuwing van onzen geest, die alleen de radicale wedergeboorte ons aanbrengt? Het is toch duidelijk, dat de Schrift, met haar tegenstelling tusschen een „natuurlijk” en een „geestelijk” mensch, niet enkel bedoelt, een mensch die niet, en een mensch die wel met de Heilige Schrift rekent, maar dat haar uitspraak veel dieper gaat, en het onderscheid stelt in het al of niet ontvangen hebben van den Geest Gods. Het staat er zoo nadrukkelijk: „Wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest die uit God is.” Dit stemt dan ook geheel overeen met hetgeeh Jezus zelf zeide, dat wie „niet wedergeboren is uit water en geest, het Koninkrijk Gods zelfs niet kan zien.” Stemt men nu toe, dat het Koninkrijk Gods volstrekt niet alleen de institutaire kerk is, maar geheel onze wereld- en levensopvatting beheerscht, zoo is hiermede uitgesproken, dat alleen hij, die de innerlijke verlichting van den Heiligen Geest ontving, in staat is, |29| zulk een blik op hetgeheel der dingen te verkrijgen, als met de waarheid en wezenlijkheid der dingen overeenkomt.

Staat het alzoo vast, dat er tweeërlei soort menschen zijn, die principieel in hun eigen ik en in hun innerlijk bewustzijn verschillen, dan kan het wetenschappelijk onderzoek van beide niet hand in hand gaan. Ze kunnen niet aan den bouw van eenzelfden muur arbeiden. Ze moeten elk voor zich bouwen. En het kan niet anders, of er moet tweeërlei wetenschap naast elkander komen te staan, eenerzijds van hen die hun uitgangspunt nemen in den geest der wereld, en anderzijds van hen die hun uitgangspunt nemen in den Geest die uit God is. Daar nu dit verschil tusschen mensch en mensch tot stand komt door de wedergeboorte, en wedergeboorte in het Grieksche nieuw Testament Palingenesie heet, heeft men deze tweeërlei soort wetenschap zóó onderscheiden, dat men tegenover elkander gesteld heeft de wetenschap der Palingenesie, en de wetenschap die buiten de Palingenesie omgaat.




Ligt alzoo het grondverschil in het subject, al naar gelang dit wedergeboren of niet-wedergeboren is, toch is het even waar, dat hier een tweede grondverschil aan beantwoordt, al naar gelang men bij zijn onderzoek rekent of niet rekent met de Bijzondere Openbaring Gods, gelijk die in de Heilige Schrift voor ons bewaard en bezegeld is. Slechts stelden we de werking van den Geest Gods in het subject op den voorgrond, omdat tal en tal van onderzoekers zich met de Heilige Schrift bezig houden, die overmits ze de innerlijke verlichting van den Geest missen, den inhoud van de Heilige Schrift eerst verwateren, dan conform den geest der wereld verklaren, en, als ze ten slotte toch inzien dat dit niet gaat, alle gezag aan den inhoud der Heilige Schrift betwisten, haar uiteenrafelen en te niet doen. De Schrift zonder meer kan ons uit dien hoofde niet verder brengen. Juist omdat de Heilige Schrift niet uit de wereld is, maar haar inhoud door Gods genade in de wereld is ingedragen, kan ze noch begrepen noch verstaan worden, tenzij wie haar leert, oók persoonlijk door den Geest Gods zij aangegrepen en verlicht. Het bloote zeggen: „Ik reken met de Schrift,” leidt dus nooit tot een afdoend resultaat, tenzij ook gerekend worde met hetgeen voor het recht verstand van de Schrift noodig is. De actie van Gods Geest in het onderzoekend subject, moet hier met de objectieve actie van den Geest in de Bijzondere Openbaring samengaan; en het is juist op dit punt, dat de Bijzondere Openbaring haar licht in de gemeene Gratie, te harer versterking, schijnen laat.

Al is het toch onloochenbaar, dat de gemeene Gratie, eeuw in eeuw uit, onder tal van meer ontwikkelde volken werkende is geweest, om door het scheppen van denkende genieën en het schenken van schitterende talenten, |30| in hooge mate de geestelijke ontwikkeling in ons menschelijk geslacht te bevorderen,toch is het eerst de Bijzondere Openbaring geweest, die over de gewichtigste vraagstukken het zoo onmisbare licht heeft gespreid, met name wat den oorsprong, het bestuur en de eindbestemming aller dingen betreft. Omtrent de cardinale vraagstukken, die geheel onze levensopvatting beheerschen, is eerst door de Openbaring der Heilige Schrift zekerheid verkregen, en toch gaat het niet aan, om te zeggen, dat deze vraagstukken behooren tot het terrein der particuliere Genade. De particuliere Genade is die genade, die een zondaar zalig maakt, en die daarom alleen over de uitverkorenen gaat. Als daarentegen de Heilige Schrift ons de mystiek van de schepping ontsluit, ons in het Noachietisch verbond het bestel van Gods voorzienigheid openbaart, en ons aanzegt dat deze wereld een eindcatastrophe tegemoet gaat, dan raakt dit alles volstrekt niet enkel de uitverkorenen, maar alle menschen en al wat leeft, zelfs de dieren niet uitgezonderd, gelijk dan ook in het Noachietisch verbond de dieren opzettelijk zijn opgenomen. Er staat met nadruk: „Ik richt mijn verbond op met u, en met alle levende ziel, van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde niet u.” Hoe zou dit nu onder de particuliere Genade behooren? En zoo ook als de Psalmist ons in Psalm 104 het leven der dieren, en als de profeet Jesaja ons het leven van den landbouwer teekent, hoe zou dit alles, omdat het in den Bijbel staat, onder de particuliere genade zijn te rangschikken? Men gevoelt, dit gaat niet. Al is het dus volkomen waar, dat deze openbaring omtrent de diepste vraagstukken des levens, en deze juister beschouwing omtrent de natuur, in den weg der bijzondere openbaring tot ons zijn gekomen, en ons niet zouden geschonken zijn, indien er geen particuliere genade geweest ware, toch is het volkomen duidelijk, dat ze zelve geen deel noch stuk van de particuliere genade uitmaken, maar een versterking van het licht der gemeene Gratie zijn, dat ons uit de Bijzondere Openbaring toekomt.

Ook zoo echter is het van het hoogste belang, om het feit, dat deze versterking uit de Bijzondere Openbaring kwam, helder op den voorgrond te stellen. Ware het toch, dat de Bijzondere Openbaring zich bepaalde tot datgene wat streng genomen tot de redding van den zondaar behoort, en al het andere voorbijging, zoo zouden ons de gegevens ontbreken, om ons een tempel der wetenschap te bouwen, die op Christelijken grondslag rustte. Men zou dan tot niets geraken kunnen dan tot de Heilsleer, tot wat Egeling noemde: „De weg der zaligheid”. Zelfs geen volledige godgeleerdheid zou bereikbaar zijn. Doch zoo is de Heilige Schrift niet. Zij geeft ons niet alleen de aanwijzing van den weg ter zaligheid, maar spreidt licht om ons heen omtrent de groote wereldproblemen. Meer nog, ze plaatst die beide: den weg der zaligheid en het natuurlijk leven, niet als in twee loketten naast elkander, maar vlecht beide steeds dooréén, en geeft ons |31| een blik op de wereld, op haar oorsprong, op haar verloop in de historie en op haar eindbestemming, waarin als in een onzichtbaar kader heel het werk der verlossing saamvalt. En hierdoor nu is ons de mogelijkheid ge geven, om, met deze vaste punten voor ons, een geheel van Christelijke wetenschap op te bouwen, dat ons bevrijdt van ijdele beschouwingen, en ons wetenschap geeft omtrent den werkelijken stand der dingen, d.i. om trent de realiteit gelijk ze was, is en zijn zal.




Kwam hierbij nu het subject niet in aanmerking, zoo zou over het wetenschappelijk resultaat van het op grond van de Schrift ingestelde wetenschappelijk onderzoek, geen verschil van inzicht denkbaar zijn. Al wie Christen was zou dan, mits hij logisch dacht, tot geheel hetzelfde resultaat moeten komen, en onder Christenen zou op wetenschappelijk gebied, geen verschil van overtuiging bestaan kunnen. Dit is echter, gelijk de uitkomst nog dagelijks leert, niet het geval. Wel tot op zekere hoogte, maar niet zoodra men uit den wortel opklimt tot de toppen der stengels van deze plant. Bevreemden nu kan dit niemand, die rekent met de beteekenis van het subject, gelijk we deze zoo straks als noodzakelijk hebben aangetoond. Dit verschil van inzicht zou alleen daardoor tot een minimum herleid kunnen worden, dat hetzelfde Goddelijk gezag, waaraan we de openbaring danken, voortging op een onfeilbare wijze ook de uitlegging van de Heilige Schrift te beheerschen. De Roomsche kerk gelooft aan het bestaan van zulk een doorloopend gezag, en is er daardoor in geslaagd, in niet geringe mate eenheid van overtuiging aan te kweeken. Toch worde ook dit niet overschat. Ook op het terrein der Roomsche kerk toch, wordt volstrekt niet elk resultaat van onderzoek vooruit door de uitspraak van het kerkelijk gezag beheerscht, en op tal van afgeleide punten komen ook de Roomsche onderzoekers tot zeer uiteenloopend resultaat. Maar natuurlijk is dit verschil veel grooter onder ons, Protestanten, die het bestaan van zulk een doorloopend Goddelijk, in de kerk gegeven gezag, niet erkennen, en die wel aan de leiding van den Heiligen Geest gelooven, maar die leiding van den Heiligen Geest niet anders kennen dan ingevlochten in de worstelingen van de subjecten. Voor ons is die leiding niet eenvormig, d.i. bij allen aanstonds tot dezelfde uitkomst voerend, maar door den strijd der meeningen heengaande, en aldus de ééne rijke waarheid vertoonend in veelheid van opvattingen en overtuigingen. In dat veelvormige ligt dan ook op zich zelf niets schadelijks; veeleer is niet anders in te zien, of ook buiten zonde zou de rijkdom der waarheid slechts in die schakeering van overtuigingen ten volle hebben kunnen uitblinken.

Schadelijk ten deze zijn alleen de tegenstellingen, die hierbij ontstaan zijn, |32| en die haar oorsprong in niets anders kunnen hebben dan in de nawerking der zonde. De tinten, die ontstaan als de lichtstraal door het prisma valt, zijn veelvormig, maar ze vormen te zamen een harmonie. Er is onderscheiding, maar van tegenstelling is geen sprake. Ook al kan daarom niet anders vermoed, of ook buiten zonde zou rijke schakeering van opvatting en overtuiging bestaan hebben, toch is het alleen door de zonde, die nawerkt, dat onze schakeeringen zich zoo scherp tegenover elkander hebben gesteld, dat er, ten deele althans, absolute tegenstellingen uit geboren zijn. Aller streven moet daarom steeds zijn, om de schakeeringen te handhaven, maar ook om ze te zuiveren van wat in tegenstelling verloopt, en op kweeking van harmonie bedacht te zijn. Eenerzijds controvers, om het onderscheid niet te laten vervloeien, maar ook anderzijds ireniek om de eenheid vast te houden. Die eenheid komt dan ook telkens vanzelf aan het licht, zoodra de vijandschap van de wetenschap der wereld den strijd overbrengt op de diepste beginselen, en op den grondslag zelf van ons gemeenschappelijk leven. Dan toch ziet men telkens, hoe zij, die scherp tegenover elkander stonden bij de beoordeeling van afgeleide stellingen, op eens de handen ineen slaan, waar het de verdediging van den gemeenschappelijken grondslag geldt. Over de opvatting van het beeld Gods en de oorspronkelijke gerechtigheid staan we tegenover elkander, maar zóó niet laat de evolutietheorie haar beweren hooren, dat de mensch, naar het beeld van het dier, uit het dier zelf zou zijn opgekomen, of Roomschen, Griekschen, Lutherschen, Dooperschen en Gereformeerden slaan de handen ineen, om saam met nieuwe veerkracht voor de schepping van den mensch naar Gods beeld op te komen.

Zoo blijft te midden der veelvormigheid vanzelf zekere eenheid zich handhaven, en de historie leert ons, hoe beurtelings tweeërlei proces hierbij voorkomt. Ging de drang naar eenheid te ver, zoodat ze de noodzakelijke schakeeringen dreigde te vernietigen in eenvormigheid, dan volgt er een periode, waarin de eenheid bijna vergeten wordt, en door hevigen strijd de schakeering van het veelvormige weer tot haar recht komt. Maar ook, had men die eenheid vergeten, en de schakeering. zoo, scherp toegeslepen, dat ten slotte enkel tegenstellingen overbleven, dan komt er een geheel andere periode op, waarin de aanval op de grondslagen, die allen gemeen zijn, zoo heftig wordt, dat de behoefte om den gemeenschappelijken ondergrond van aller leven weer tot zijn recht te doen komen, zich vanzelf in alle kringen vertoont. In de middeneeuwen waren de schakeeringen aan de eenheid opgeofferd. In de Reformatie staken de schakeeringen het hoofd zoo hoog op, dat aan eenheid vaak niet meer gedacht werd. In de 18de eeuw, en de eerste helft der 19de, ging de waardeering van de schakeeringen in de onverschilligheid der oppervlakkigheid onder. Sinds zijn de schakeeringen weer sterk gaan trekken, maar juist opdat die schakeeringen |33| de catholiciteit der kerk niet zouden doen te loor gaan, komt nu de Evolutie-leer ons weer noodzaken, op de eenheid meer nadruk te leggen.

De gedaantewisseling die het Christelijk leven in die verschillende perioden doorliep, veranderde intusschen niets aan het bestaan van zekere natuurlijke onderscheidingen, die zich niet laten wegcijferen, omdat ze principieel samenhangen met het verschil van vatbaarheid bij personen, volken en tijden, om de ééne geopenbaarde waarheid beter van deze of gene zijde te grijpen. Ons bevattingsvermogen is kleiner dan de waarheid die we bevatten moeten. Vandaar, dat we niet in staat zijn, haar alzijdig tegelijk te grijpen. En al naar gelang nu ons bevattingsvermogen is, en naar gelang dat bevattingsvermogen onder bepaalde omstandigheden, en onder allerlei invloeden van buiten, zich ontwikkelt, zal de éénzelfde waarheid door het ééne volk anders gezien, gegrepen en uitgesproken worden, dan bij het andere. Zelfs in het ééne kleine Europa is de gesteldheid der geesten een andere in het oosten, dan in het westen, en weer anders in het zuiden dan in het noorden. Dat het zuiden Roomsch bleef, het oosten Grieksch, en dat in het noorden zich het Luthersche, en omgekeerd in het westen het Gereformeerde leven vastzette, is geen toevalligheid, maar hangt saam met verschil van herkomst, verschil van historie, verschil in aanleg, verschil in besef en geestesdrang. Allen hebben het ééne zelfde Christendom aangenomen, maar het heeft op allen een onderscheiden indruk gemaakt, en elke groep heeft het op een eigen wijze zich geassimileerd; en na het geassimileerd te hebben, het op een onderscheiden wijze pogen te openbaren in zijn eeredienst, en het pogen te realiseeren in het leven. Het onderscheid tusschen de bovengenoemde vier kerkelijke hoofdgroepen, moet dan ook niet verklaard worden uit toeval of willekeur, maar vindt zijn oorsprong in een verschil van geestelijke en maatschappelijke gesteldheid, die, psychologisch doorwerkend, met noodzakelijkheid tot deze vier verschillende grondslagen leiden moesten.

Nu is het met deze vier hoofdschakeeringen als met de planten. De ééne plant zal beter gedijen in het ééne land, de andere in een ander. Men kan ze daarom wel ook in anderen bodem overbrengen, maar toch de uitkomst toont steeds, dat de bodem dan het beste resultaat oplevert, zoo men er de plant in laat groeien die er bij hoort. En zoo nu ook is het hier. Er zijn ook in Rusland wel Roomschen en Lutherschen, er zijn ook in Denemarken wel Gereformeerden, er zijn ook in Italië wel Lutherschen, er zijn ook in Nederland en Engeland wel Lutherschen en Roomschen; maar toch de hoofdstrooming in alle deze landen blijft zich eeuw in eeuw uit in eenzelfde richting bewegen, en het Christendom openbaart zich in elk van deze landen het krachtigst in dien vorm, die met den aard en den aanleg van het volk het best overeenkomt. Er bestaat hier een natuurlijke samenhang tusschen hetgeen de Christelijke Religie in den volksbodem vindt, en |34| tusschen den vorm dien de Christelijke Religie er aanneemt. Hoe hooger de aanleg van het volk is, hoe zuiverder die vorm zal wezen; hoe lager het volk staat, hoe meer die vorm te wenschen zal overlaten. Nu is ontegenzeggelijk ten onzent de nationale veerkracht tot haar schitterendste uiting gekomen, toen ons volk de dusgenaamde Gereformeerde of Calvinistische levensuiting van de Christelijke religie gevonden had. Hieruit mag dus afgeleid, dat er tusschen den aard van ons volk en het Calvinisme een noodzakelijk verband bestaat; dat het ééne op het andere past. Het is daarom een bepaalde fout geweest, dat men in de 18de en 19de eeuw den Calvinistischen vorm van het Christelijk leven heeft aangezien voor iets voorbijgegaans, goed voor het verleden, maar voor ons onbruikbaar geworden, en dat men deswege in een meer algemeen Protestantisme heil ging zoeken. Immers gevolg hiervan is geweest, dat uit Duitschland hier een theologie geïmporteerd werd, die Luthersch in haar grondgedachte, hier geen adaequaten bodem vond, en hier dus toch nooit kon tieren. De uitkomst heeft dan ook getoond, hoe deze exotische plant, hoe snel ook opgeschoten, toch niet aansloeg, en dat daarentegen de Gereformeerde geloofs- en levenstype ternauwernood weer zich vertoonen kon, of ze vond van vele zijden toejuiching, en hergaf ons nu reeds een oorspronkelijke, een van huis uit Nederlandsche theologie. Het Calvinisme is de plant die hier, krachtens aanleg en historie, thuis hoort. En men zal steeds zien, dat zoodra deze plant hier weer haar wortels uitslaat, haar stengels sterk opschieten, haar blad frisch en haar vrucht gaaf en overvloedig is.