De wetenschap

III.

Want wie van de menschen weet hetgene des menschen is, dan de geest des menschen, die in hem is? Alzoo weet ook niemand hetgene Gods is, dan de Geest Gods.

1 Cor. 2 : 11.


Veroorzaakt de zonde zekere verduistering van het verstand, dan moet de klaarheid van onze menschelijke wetenschap hieronder gevoelig lijden. Dit zou niet in die mate zoo zijn, indien onze kennis geheel en uitsluitend op waarneming berustte of door ervaring tot stand kwam. We zouden dan in ons bewustzijn niets dan een spiegel bezitten, waarin de wereld om ons heen zich af kaatste. En al is het nu waar, dat een spiegel zonder scheur verkieslijk is, toch kan men zich, als het moet, zeer wel met een spiegel waar een barst in kwam, behelpen. In dien zin nu laat het zich ook denken, dat wel de spiegel van ons bewustzijn door de zonde een spleet had gekregen, en dat toch de afkaatsing van de wereld, in dat gescheurde spiegelvlak, ons een niet zoo onjuiste wetenschap van de wereld gaf. Het zou iets schaden aan de eenheid van het beeld, maar de deelen van het wereldbeeld zoudt ge zeer goed kunnen waarnemen. Maar juist hierin schuilt dan ook de moeilijkheid. Er is in ons nog heel iets anders, dan een spiegel, die weerkaatst, en hetgene in den spiegel van ons bewustzijn zijn beeld werpt, is volstrekt niet het eenige dat bestaat om ons tot Wetenschap te doen komen. Ons bewustzijn, onze rede, ons verstand is heel iets anders dan een fotografietoestel. Er is in ons verstand ook wel een fotografeerend vermogen, maar dit verricht slechts hulpdienst voor de wezenlijke werking van ons wetenschappelijk denken. Het is er mee als met het zien van ons oog. Ook in de lens van ons oog zit, als men wil een fotografietoestel. Het beeld wordt er in opgevangen; zelfs kan een ander dat opgevangen beeld in ons oog waarnemen. Maar het zien in ons is een veel meer saamgestelde handeling; iets wat men het best ontdekt, zoo men den man die scherp ziet, vergelijkt met een ander die gedachteloos staart, en wier beider blikken toch hetzelfde schip, hetzelfde huis, of wat ook opvangen. Dan staat op de lens van beider oog hetzelfde afdruksel, en toch, de n ziet het, maar de ander ziet het niet. Een afdoend bewijs dat er in alle wezenlijk zien tweerlei is, 1º. het zich |19| afspiegelen van iets op de lens van ons oog, en 2º. een bezig zijn van onzen geest met wat werd afgespiegeld. En zoo nu is het ook met onze verstandelijke kennis. Hier is de alzijdige waarneming het opvangen van het beeld; maar met dat opvangen van het beeld is de actie van ons verstand volstrekt niet afgeloopen, en eigenlijk begint dan eerst de hoogere arbeid van onzen geest.

Deze tegenstelling tusschen het opvangen van het spiegelbeeld der dingen, en den hoogeren arbeid van onzen geest, vereischt eenige nadere toelichting. Een waarneming kan eenvoudig en ze kan saamgesteld, ze kan rechtstreeksch en ze kan zijdelingsch zijn. Als ik voor mijn oog runderen in de weide zie grazen, zijn die dieren in hun verschijning en in hun beweging rechtstreeks waar te nemen. Daar is geen hoogleeraar in de dierkunde voor noodig; dat kan een boerenjongen ook. Om daarentegen uit te maken, of er in de long van een kranke microben schuilen, welke microben, en wat schade die microben aanrichten, is een veel meer saamgestelde en berekenende waarneming noodig, die alleen een man van het vak kan verrichten. De long ligt niet bloot, en de microben zijn te klein. Doch al kost de waarneming hier veel meer inspanning, en al kan ze niet tot stand komen, of allerlei hulpmiddelen moeten den onderzoeker ten dienste staan, en moet er met allerlei afgeleide kennis daarbij gerekend worden, toch is en blijft het niets dan waarneming. Nu kan men zoo saamgestelde, omslachtige, inspannende en berekenende waarneming wel Wetenschap noemen, maar toch staat ze met de gewone, rechtstreeksche waarneming in den grond der zaak nog geheel op n lijn. Ze is veel fijner, ze vordert ongelijk hooger talent, ze vereischt veel ernstiger inspanning van ons vorschen, maar het resultaat blijft toch n en hetzelfde. De boerenjongen ziet met het bloote oog de runderen die in het veld grazen, hij telt ze, hij onderscheidt hun kleur, hij ziet ze stoeien en zich bewegen. En evenzoo komt ook de geleerde er ten slotte toe, om in die kranke long de microben te ontdekken, ze te tellen, ze in hun vorm te onderscheiden, en hun beweging vast te stellen. Begint nu wel alle hoogere Wetenschap met het waarnemen der dingen, maar bestaat toch haar eigenlijke taak daarin, dat ze het waargenomene verwerkt, er gevolgtrekkingen uit afleidt, en uit de vele waarnemingen een geheel samenstelt, dat in zijn oorzaken en levenswetten en samenhang doorzien is, dan kan er geen geschil over bestaan, of die op zich zelf staande waarnemingen leveren wel de stof voor de hoogere Wetenschap, maar zijn nog die Wetenschap zelve niet. In strijd hiermede echter, heeft men er zich in de vorige eeuw almeer aan gewend, het voor te stellen, alsof die kunstmatige waarneming reeds de eigenlijke Wetenschap was, en uit dien hoofde aan die vakken, die zich bezig houden met de waarneming van de natuur, het hoogste wetenschappelijk karakter toe te kennen. De Franschen gaven daaraan den eerenaam van scinces |20| exactes (natuurkundige Wetenschappen), en de Engelschen noemen ze zelfs kortweg scinces, alsof alleen deze studin op den eerenaam van „Wetenschap” aanspraak konden maken.




Nu moge hiertoe in zooverre aanleiding hebben bestaan, als men vroeger de waarneming te slordig behandelde, en zelfs veronachtzaamde, maar toch schuilt in deze voorstelling een onjuistheid en een gevaar, en mag een protest hiertegen niet uitblijven. Er zit namelijk achter een pogen, om de Wetenschap van onze subjectiviteit, of wil men, van onzen persoon los te maken. De Wetenschap moest neutraal zijn, en om dit te kunnen wezen, zoo veel mogelijk van ons persoonlijk wezen worden afgescheiden. Als Wetenschap zou alleen gelden, wat allen f aanstonds toestemden, f, zoo men het hun aantoonde, toestemmen moesten. Dat noemde men dan, dat de Wetenschap onpartijdig had te zijn, en dat het ons bij de Wetenschap alleen om „waarheid” te doen moest wezen. Doch zoo werd het vraagstuk vervalscht. Waarom het den onderzoeker ooit anders dan om waarheid te doen zou zijn, is op wetenschappelijk gebied niet denkbaar. Zeker, men kan ook een verder liggend doel op het oog hebben. De arts, die de kranke long onderzoekt, doet dit om haar te genezen. De onderzoeker van een mijn, kan dat doen met het doel, om het gouderts er uit te halen. Maar beide malen is het toch n die arts n die mijnonderzoeker in de eerste plaats om waarheid te doen. Of hoe zou anders de genezing van de kranke long tot stand komen, of uit de mijn goud gehaald worden, dat er niet in was. Daarover zijn dus allen het eens, dat waarheid ook bij het eerste deel der wetenschappelijke taak, dat in de juiste waarneming bestaat, hoofddoel blijft. Daar nu niet wij het waar te nemen voorwerp maken, maar het er is buiten ons, ligt het in den aard der zaak, dat bij de waarneming zoo veel mogelijk gestreefd moet worden naar geheel objectieve waarneming, en dat ons eigen ik daarbij zooveel mogelijk een lijdelijke rol heeft te vervullen. Deze op zich zelf juiste aanmerking heeft nu echter aanleiding gegeven, om het voor te stellen, alsof alleen datgene wetenschap was, wat op die manier door allen gelijkelijk werd waargenomen, en uit het waargenomene rechtstreeks geconstateerd kon worden. Het subject van den man van wetenschap, zijn eigen ik, mocht, welbezien, ganschelijk niet medespreken, en de oude voorstelling, alsof onze geest een tabula rasa, d.i. een onbeschreven stuk papier was, dook in nieuwen vorm op. In onzen geest was op zich zelf geen inhoud. We waren registreerende peilschalen, keurige fotografietoestellen, zonder meer. En daar dit nu doorging bij de waarneming van natuur- en scheikunde, maar spaak liep, zoodra men aan de historie, aan de wijsbegeerte, of aan wat geestelijke |21| wetenschap ook toekwam, ja eigenlijk zoodra er sprake was van de wetenschap van den mensch, was men wel zoo goed aan al deze hoogere wetenschappen het eigenlijke karakter van Wetenschap te ontzeggen, en dit uitsluitend op te eischen voor die wetenschappen, die enkel meten, wegen en rekenen. Dit heeft toen onder de mannen van de geestelijke Wetenschappen al meer een streven doen opkomen, om ook hun Wetenschappen zoo veel mogelijk uitsluitend op het uiterlijk waarneembare te grondvesten. Zelfs wat we zielkunde noemen, moest uitsluitend op uitwendige verschijnselen worden opgebouwd. Van daar het al meer materialiseeren van alle Wetenschap, en het voeden van de valsche voorstelling, alsof alle geestelijk leven opkwam uit stoffelijke oorzaken. En dit nu is het, wat, in het gemeen, als de beheerschende karaktertrek van alle moderne Wetenschap veld won.

Juist daartegen nu moet ons verzet gaan. Aan het geestelijke in ons mag de zelfstandigheid van karakter niet worden ontnomen, of ge komt rechtstreeks uit bij de loochening van den geest, en dus ook bij de loochening van God. Vandaar dat we in onze bestrijding van de artikelen, door Dr. De Geer in de Nederlander geleverd, er zoo nadruk op legden, dat zijn „begrip van Wetenschap” onjuist was; iets wat hij toen beantwoord heeft met te zeggen, dat de Heraut weer met „de moderne peperbus” aan het strooien was geweest; een zeggen, dat opnieuw bewees, hoe hij zelfs de quaestie waarom het ging, niet vatte. Toch is de tegenstelling duidelijk. Zal de zelfstandigheid van het geestelijk leven, van den geest, en zoo ook van den Vader der geesten ongerept blijven, dan moet ook de Wetenschap met dien zelfstandigen factor van den geest rekenen, en dat zoowel in het onderzoekend subject, als in de geestelijker dingen die onderzocht worden. Iets waar dan tevens uit volgt, dat de stelling: „Wetenschappelijk is alleen wat ge, onder aller toestemming, bewijzen kunt,” ongerijmd is. Ja, indien alle subjecten eender waren, zou dat ongetwijfeld zoo zijn. Maar nu de subjecten niet eender zijn, maar in het bewustzijn van den n andere punten van uitgang aanwezig zijn dan bij den ander, en nu telkens opnieuw blijkt, hoe hierbij niet alleen zeker verschil, maar gedurig ook tegenstelling opduikt, is de illusie der ne wetenschap niet langer vol te houden.



Onze waarneming van de geestelijke wereld kan nooit anders beginnen dan met de raadpleging van onzen eigen geest. Alleen uit eigen geest komen we door vergelijking en associatie tot eenige kennis van anderer geestelijk bestaan. Zien en hooren, wegen en meten, kan hierbij hulpdienst verrichten, maar ook meer niet. Wat we ook van anderen zien of hooren, |22| het zou ons, hadden we niet zelf een menschelijken geest in ons, nooit op het spoor brengen van het geestelijk wezen dat in hen is. „Wie van de menschen,” zegt de Schrift, „weet hetgene des menschen is, dan de geest des menschen, die in hem is?” En zo is het metterdaad. Zelfbewustzijn is het middel om tot de kennis van den geest des menschen in het gemeen te geraken. En hierbij blijft het niet. Bestaat er een geestelijke wereld in onderscheiding van de stoffelijke wereld, dan is er voor ons met die geestelijke wereld alleen reele gemeenschap mogelijk door onzen eigen geest. Hetgeen we in de natuur van de werking van den geest van God, of in de historie en in onze omgeving en in de literatuur van den geest des menschen uitwendig waarnemen, helpt ongetwijfeld om onze kennis te verrijken, maar de ondervinding leert dagelijks, dat dit alles noch tot rechte kennis van God, noch tot rechte kennis van den mensch leidt, indien we niet in ons een eigen geest bezitten, die ons met geheel deze sfeer van het geestelijk leven in aanraking brengt. Er moet dus niet zijn een poging, om toch vooral zooveel mogelijk op het uitwendig waarneembare te steunen, en dan, ja, als we niet verder kunnen, onzen eigen geest te hulp te roepen. Dat is lafheid. Neen, we moeten cordaat-weg de tweeheid van het terrein van onderzoek maintineeren. Eenerzijds een terrein der uitwendige dingen, waarop het alles aan zien, hooren, meten en wegen hangt. Maar ook anderzijds een terrein der onzienlijke, geestelijke dingen, waarop aan onzen eigen geest die in ons is, het recht van eerste actie toekomt, en waarbij het uitwendig waarneembare nooit anders dan hulpdienst kan en mag verrichten.

Hoe diep dit in het wezen der Wetenschap indringt, zal men gevoelen, door voorts op te merken, dat geen Wetenschap zonder nadenken denkbaar is, en voorts dat het denken zelf een geestelijke bezigheid is. Het instrument zelf, dat als troffel bij den bouw der Wetenschap dienst doet, behoort niet tot het uitwendige, maar tot het onzienlijke, en de wet waardoor dit denken beheerscht wordt, kan nooit door hooren, zien, meten of wegen ontdekt worden, maar spreekt zich uit in ’s menschen geest. Hierbij doet zich nu aanstonds de tegenstelling op, dat ons denken in ons niet kan aflaten van te vragen naar den oorsprong, den samenhang en de bestemming der dingen, terwijl toch de waarneming ons hieromtrent niets leert, noch kan leeren. De waarneming kan niet beginnen eer er iets is. Al stelt ge voor een oogenblik, dat ge bij de schepping tegenwoordig waart geweest, dan zoudt ge toch met uw oog niets gezien, en met uw oor niets gehoord hebben, eer het er was, en omtrent de oorzaak waardoor het er kwam, nog niets kunnen zeggen. Even onmogelijk is het ons, omtrent den samenhang der dingen door waarneming, of door berekening, tot een vaste, alomvattende conclusie te komen. Wel is hier door aandachtige waarneming een en ander te constateeren. Tusschen velerlei dingen |23| ontdekken we verband. We zien ook hoe het n op het ander werkt. Maar ook te dezen opzichte is onze kennis z beperkt, dat we zelfs in ons eigen persoonlijk leven gedurig voor raadselen staan, die we niet kunnen oplossen. Immers het bevredigt ons niet, of we al op stellige wijze zeker verband kunnen vaststellen; maar ons hooger besef eischt ook, dat dit verband zich verklare in een redelijken samenhang, zoodat we inzien, waardoor het aldus met elkander in verband staat, en wat die samenhang beoogt. We zien, dat er verband bestaat tusschen Gladstone’s sterven, het inzinken der liberale partij in Engeland, de ontdekking van de goudmijnen aan den Rand, de Rhodes-kliek, en den oorlog in Transvaal. Dit baart geen moeite. Maar dat bevredigt ons nog niet, en heel Europa en Amerika voelt zich onaangenaam aangegrepen door dezen wreeden loop der zaken, en voelt wrevel opkomen, dat er geen macht is die er een einde aan maakt. Niet alleen het oorzakelijk verband willen we kennen, maar de geest in ons rust niet, eer we ook de idee verstaan, die zich in dezen samenhang der dingen ontwikkelt. Het rechtsbesef laat zich niet in slaap wiegen, en we blijven onrustig, zoolang we in dit verband der dingen het verband met het recht niet tot klaarheid kunnen brengen.

En dit nu hangt saam met het derde punt waarop we wezen, met de bestemming der dingen. In het denkbeeld van een eindeloos voortgaan van het leven hier op aarde, vindt onze geest geen rust. Voor onszelven persoonlijk kunnen we er ons niet indenken, dat we al de eeuwen, die de wereld reeds bestaan heeft, hadden meêgemaakt, en evenmin dat de timmerman, eeuw in eeuw uit, niets zou doen dan zijn hout zagen en schaven, of dat de schipper eindeloos door, eeuw in eeuw uit, van haven naar haven zou schuiven. Het moet alles een eind nemen. En zoo kunnen we het ons niet anders voorstellen, of ook deze geheele wereld gaat ten einde. Doch wat dan? Kan al wat was of bestaat, dan geen ander doel hebben gehad, dan om weer te vergaan? En zoo komt vanzelf de idee op, dat er voor alle ding een einddoel, een bestemming moet zijn vastgesteld, en dat al wat was of is, er op moet zijn aangelegd om dat doel, die bestemming te bereiken. Doch ook daaromtrent kan de Wetenschap, die enkel hoort, ziet, meet en weegt, ons niets zeggen, omdat ze over het einde niet kan heen zien. Voor zoover dus de Wetenschap kleeft aan het zichtbare en waarneembare, kan ze de vraag naar den oorsprong, den samenhang en de bestemming der dingen, zelfs niet onder de oogen zien. Ze kan er niet bij. Wat beeldt de Evolutie-theorie zich in, dat thans te kunnen, wat den oorsprong der dingen betreft, maar ook dit is niets dan zelfbedrog, want zij komt dan toch uit bij de eerste atomen, en bij de in die atomen schuilende krachten, en over den oorsprong van die atomen en krachten weet ze ons niets te zeggen. Ze verplaatst dus de quaestie wel, maar lost haar niet op. Desniettemin blijft het denken van onzen geest onveranderlijk |24| weer die drie groote, machtige problemen stellen, z zelfs dat het er zich niet van kan losmaken, en altoos mijmert de geest in ons weer over die drie principieele vragen: Van waar? hoe? en waarheen? Zelfs is de grooie opgang dien het Darwinisme maakte, niet het minst daaruit te verklaren, dat de onnadenkenden zich inbeeldden, dat althans op de eerste van die drie vragen nu dan toch een afdoend antwoord gegeven was.




Voor wie hetgeen we dusver over de Wetenschap schreven volgde, zal het dan ook niet moeilijk vallen, zich een heldere voorstelling van den stand der quaestie te vormen. Omdat de natuurlijke wetenschappen precies meten en wegen kunnen, konden zij een soort zekerheid bieden, die aan een ieder te bewijzen viel. Dit verleidde tot de voorstelling, alsof datgene alleen Wetenschap was, wat ten slotte ieder moest toestemmen. Vandaar het streven om de Wetenschap los te maken van den persoon, van het subject, en haar zooveel doenlijk over te buigen naar den kant van het zinlijk-waarneembare. Daarin meegesleept, hebben toen de geestelijke Wetenschappen zich zooveel doenlijk teruggetrokken naar dien kant, waar het geestelijke zich in het zichtbare uit. Ze noemde dit de methode der natuurkundige wetenschappen toepassen op de geestelijke wetenschappen. Aldus werd aan het geestelijke de zelfstandigheid van eigen bestaan betwist. Er was geen ziel meer, er was geen God meer. Er was niets dan stof en uiting van stof. De volkomen materialiseering van alle wetenschap. En dit is de hoofdtrek, die geheel de moderne wetenschap karakteriseert. Het baat u dus niets, of ge al zegt: „Zoover trek ik het niet. Ik voor mij heb mijn geloof, en ik heb voor dat geloof de Heilige Schrift”, want zoolang ge daarmee toch de valsche opvatting van de moderne wetenschap blijft verbinden, blijft ge f in een tweestrijd hangen, f uw wetenschappelijke arbeid zuigt u toch steeds weer naar de ontwrichting van het geestelijke. Wat hier geschieden moet is, dat ge principieel met deze geheele opvatting der wetenschap breekt. Vr alle dingen moet de zelfstandigheid van den geest, van het geestelijk leven, en van de wet die dat geestelijk leven beheerscht, voor u vaststaan. Ge moet inzien en erkennen, dat ook uw denken tot dat geestelijke leven behoort. Ge moet klaar voor u zien, dat deswege de onderzoekende geest niet bij het waarnemen, meten en wegen kan blijven staan, maar dat de geest in u onweerstaanbaar u heel andere problemen stelt, die geen weegschaal of paslood kan oplossen, omdat ze betrekking hebben op een terrein waar geen waarneming mogelijk is. En zoo moet ge tot de slotsom komen, dat niet de waarneming uwen geest tot hulpdienst mag verlagen, maar dat de geest die in u is, de waarneming der zichtbare dingen als hulpdienst heeft te bezigen, om voorts |25| zelf bij het onderzoek der wetenschap te heerschen. Zeker, uit de schepselen worden van den beginne der schepping aan de onzienlijke dingen Gods verstaan, beide zijn eeuwige kracht en zijn Goddelijkheid; maar terwijl de leeuw ook een oog heeft, en de adelaar nog een beter oog dan gij, en beide evenals gij die schepselen aanzien, ze kunnen ze niet verstaan, en ze gissen er niets uit van de eeuwige kracht en de goddelijkheid des Heeren Heeren, eenvoudig wijl de geest in hen ontbreekt, en ze dus de ide zelve van een God niet kennen. Dat gij daarentegen, diezelfde schepselen aanziende, daaruit wel de eeuwige kracht en de Goddelijkheid des Heeren verstaat, komt u niet toe uit die schepselen, maar is, omdat gij geschapen zijt met den geest des menschen in u, en omdat in den geest des menschen oorspronkelijk de idee, het besef, het bewustzijn van het bestaan ook van God was ingeschapen.

En wijst ge er nu op, dat er toch zoo tal en tal van menschen zijn, die deze zelfde schepselen aanzien, zonder dat deze aanschouwing hen opleidt tot de aanbidding van Gods eeuwige kracht en Goddelijkheid, ziehier dan ons antwoord. Wat door een microscoop te zien is, wordt uitgemaakt, niet wanneer hij in de war, maar wanneer hij in orde is, en goed is gesteld. Zelfs weet ieder, die ooit met een fijner microscoop heeft gewerkt, wat moeite het kost, om te zien te krijgen, wat men zien moet. Ge kunt en moogt hier dus niet rekenen met den mensch, gelijk hij nu is, en in zijn valsche positie staat. Ge moet ook hierbij uitgaan van den mensch, gelijk God hem schiep. De eerste mensch heeft in de natuur God zien doorschemeren met zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid gelijk ons oog dit nooit aanschouwen zal of kan. Alle recht ontbreekt ons dan ook om te klagen, dat we thans zoo weinig zien. Als ik voor een leerling den microscoop laat stellen, en hij verschuift de lenzen of het gezichtsveld, zoodat hij nu niets ziet, dan ligt niet aan mij, maar bij hem de schuld. En toch, dit en niet anders hebben wij gedaan toen we in zonde vielen. Wel verre van recht tot klagen te hebben, voegt ons dan ook veeleer dankbaarheid, dat het Gode beliefde, ons in dien hulpeloozen toestand te hulp te komen, en door zijn Gemeene Gratie den microcoop weer z te plaatsen, dat we althans weer iets zien kunnen, al is het niet meer met dezelfde klaarheid. Maar ook die Gemeene Gratie kunnen we verzondigen; en als er nu zijn, die zoo geheel in het zinlijke opgaan, dat de Godsidee in hun ziel almeer verbleekt, of ook die zoo in de zelfgenoegzaamheid van den denkenden mensch zich opsluiten, dat ze God buiten den gezichtskring van het denken plaatsen, dan spreekt het toch vanzelf, dat ze worden als de adelaar, die wel scherp ziet, zoodat ze zelfs scherper zien dan de gewone lieden, maar dat ze toch met dit hun adelaarsoog den levenden God niet meer in zijn schepping ontdekken. Toch zij dit u geen oorzaak van zelfverheffing. Zoo gij nog wel de schemering van het Goddelijk leven in de schepselen |26| ontwaart, dan is dit niets dan genade die u te beurt viel. Een genade die in niets u hooger plaatst, maar omgekeerd u er toe brengen moet, om te nederiger Hem te danken, die zich verwaardigd heeft, zijn Goddelijk aanzijn aan uw geest te ontdekken, en uw leven daardoor zoo nameloos te verrijken.