De wetenschap

II.

De vreeze des Heeren is het beginsel der wetenschap.

Spreuk. 1 : 7a.


We vonden dat het oorspronkelijke denken in God is; dat in het geschapen heelal van dit oorspronkelijke denken Gods een openbaring en belichaming voor ons treedt; dat ons menschen het vermogen is geschonken, om op onze wijs dit denken Gods in en na te denken; dat dit nadenken wel stuksgewijze toegaat, maar onder hooger leiding en bestel, toch uitloopt op n geheel van kennis; dat dat geheel van ons menschelijk nadenken de Wetenschap vormt; dat dienvolgens de Wetenschap een eigen schepsel Gods is, met roeping tot de zelfstandige vervulling van |10| een taak, die door God zelf voor haar rekening is gelegd; en dat God haar alzoo besteld heeft, tot grootmaking van zijn heiligen Naam. Z en niet anders is de grondslag, die zich ontdekt bij het lichten van Gods Woord. Zelfs wordt de waarheid, die hier in ligt, door de Heilige Schrift ng dieper verstaan, en tot in het eigen Wezen, leven en werken Gods terug geleid, door de wondere openbaring, dat de Wijsheid of het Woord in God van eeuwigheid persooonlijk bestaan heeft, en God zelf is. Maar die diepere achtergrond kan thans buiten bespreking blijven, nu we hier handelen niet van de oorspronkelijke, d.i. archetypische Wetenschap in God, maar van de afgespiegelde, of ectypische Wetenschap die onder Gods bestel opkomt in en uit het menschelijk bewustzijn.

Intusschen moet, ter voorkoming van misverstand, hierbij op n eigenaardigheid der Heilige Schrift uitdrukkelijk de aandacht worden gevestigd. Bij het lezen der Heilige Schrift ontvangen we namelijk herhaaldelijk den indruk, dat zij, in plaats van de Wetenschap of het Wijs-zijn aan te bevelen, veeleer de menschelijke wetenschap veroordeelt. Z, als het bij Jesaia heet: „Uwe wijsheid en uwe wetenschap heeft u afkeerig gemaakt.” Als de Prediker zegt: „Die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart.” Of ook als Paulus aan die van Korinthe schrijft: „De wijsheid der wereld is dwaasheid bij God.” Uitspraken die, nog met tal van anderen te vermeerderen, eer strekken, om tegen wat de wereld Wetenschap noemt, in te nemen, dan om ons met eerbied voor de menschelijke wetenschap te vervullen. Voegt men daar nu bij den hoonenden toon, waarop de mannen der Wetenschap zich bijna stelselmatig over de openbaring der Schrift en over wat ons heilig is, uitlaten; en let men niet minder op de verwoesting, die de dusgenaamde resultaten der Wetenschap in veler geloof hebben aangericht, — dan is het volkomen verklaarbaar, hoe zeker wantrouwen tegen de Wetenschap bij de geloovigen is ingeslopen; hoe niet weinigen in de Wetenschap een vijandige macht zien, die eer bestreden dan gekweekt moet worden; en hoe er ten slotte zelfs zijn, die alle Wetenschap verwenschen, en zich daarom liefst op veilig terrein in eigen tente terugtrekken. Voorshands merken we hiertegen alleen op, dat de Schrift tusschen ware en valsche Wetenschap onderscheidt en eenerzijds getuigt, dat het „de uitnemendheid der Wetenschap is, dat de Wijsheid haren bezitters het leven geeft.” (Pred. 7 : 12), maar ook anderzijds ons waarschuwt tegen „de valschelijk genaamde Wetenschap” (1 Tim. 6 : 20). Er wordt alzoo een Wetenschap die uitnemend is, gesteld tegenover een andere Wetenschap, die zich valschelijk aldus noemt; en wie dat onderscheid in het oog houdt, verstaat het, hoe de Schrift ons eenerzijds tegen die valsche Wetenschap waarschuwt, en anderzijds voor de ware Wetenschap liefde en eerbied poogt in te boezemen. |11|




Dit onderscheid nu ontstaat door de zonde. Zij toch is het, die den mensch verlokt en verleidt, om ook de Wetenschap buiten verband met God te plaatsen, hierdoor aan God te ontrooven, en ten slotte tegen God te keeren. De plante der ware Wetenschap bezit haar wortel in de vreeze des Heeren, komt uit de vreeze des Heeren op, en vindt in die vreeze des Heeren haar beginsel, motief en uitgangspunt. Maakt nu de mensch, door de zonde, zich van dien wortel, die in de vreeze des Heeren ligt, los, dan kan het niet anders, of wat hij voor Wetenschap uitgeeft, is een schijngestalte en mist het wezen. Slechts zij men hierbij tegen n misverstand op zijn hoede. Sommigen vatten deze tegenstelling z op, alsof de goede Wetenschap, de ware Wetenschap, de Wetenschap der heiligen, gelijk het elders heet, uitsluitend bestond in de Wetenschap van Gods genade in Christus, en alsof onder valsche Wetenschap te verstaan ware de onderzoekinzen van de dingen der wereld. Dit toch is niet zoo. Er is een valsche Wetenschap zoo wel der heilige als der wereldsche dingen. Er is, omgekeerd, evenzoo een ware Wetenschap even goed van de heilige openbaring der Schrift, als van wat betrekking heeft op het leven der wereld. Beide malen, zoo wel bij de valsche als bij de ware Wetenschap, is en blijft haar voorwerp het geheel der dingen, al wat door ons menschen kan gekend worden. Het onderscheid tusschen de ware en de valsche Wetenschap ligt niet in het terrein, waarop men zijn onderzoekingen instelt, maar in de wijze waarop men onderzoekt, en in het beginsel, waarvan men bij die onderzoekingen uitgaat. De zonde heeft niet alleen ons zedelijk leven bedorven, maar ook ons verstand verduisterd, en nu kan het wel niet anders, of wie met dat verduisterd verstand tot Wetenschap poogt te geraken, moet wel een onjuisten blik op de dingen krijgen, en hierdoor komen tot valsche slotsommen. Het is dan ook deze verduistering van het verstand door de zonde, die de Wetenschap op een dwaalspoor heeft geleid. En het kan niet anders, of aan dit gevaar blijven we bloot staan, zoo lang deze verduistering van het verstand door de zonde niet haar tegenwicht ontvangt in de verlichting van datzelfde verstand door den Heiligen Geest.

Zonder de gemeene Gratie nu, zou deze afdoling der Wetenschap, buiten die verlichting door den Heiligen Geest, een volstrekte zijn geworden. De zonde aan zich zelve overgelaten, schrijdt steeds van kwaad tot erger. Ze doet u afhellen langs een vlak, waarop niemand zich staande kan houden. Wie niet met de gemeene Gratie rekent, kan uit dien hoofde tot geen andere slotsom geraken, dan dat alle Wetenschap, buiten het heilig terrein leeft uit schijn en zelfbedrog, en dus moet uitloopen op misleiding van wie naar haar stem luistert. Toch toont de uitkomst, dat z de zaak niet staat. Ook bij de Grieken, die geheel van het licht der Schrift verstoken waren, is een Wetenschap opgekomen, die ons nog verbaast door het vele |12| schoone en ware, dat ze ons biedt. De namen van Socrates, Plato en Aristoteles, waren ook onder de Christelijke denkers steeds in eere. Zelfs is het niet te veel gezegd, zoo we beweren, dat het denken van Aristoteles een der krachtigste middelen is geweest, om ook de Christenen tot dieper denken op te leiden. En ook in den tegenwoordigen tijd kan door niemand ontkend worden, dat er op het gebied van de sterrenkunde, van de plantenkunde, van de dierkunde, van de scheikunde enz., een rijke Wetenschap is opgebloeid, die, hoezeer schier uitsluitend beoefend door mannen, die aan de vreeze des Heeren vreemd waren, toch tot een schat van kennis heeft geleid, dien ook wij, Christenen, bewonderen, en waarvan we een dankbaar gebruik maken. Zoo staan we derhalve voor het feit, dat er, buiten het Christelijk erf, een Wetenschap ontlook, die van de ne zijde ons wezenlijke, ware kennis aanbracht, en die toch van de andere zijde tot een levensopvatting en een wereldbeschouwing heeft geleid, die regelrecht tegen de waarheid van Gods Woord indruischen. Of, om het in andere woorden te zeggen, we staan feitelijk tegenover een uit de wereld opgekomen wetenschap, die eenerzijds zeer stellig nog onder de heerschappij der zonde staat, en die toch anderzijds op een resultaat mag bogen, waarbij van verduistering door de zonde geen sprake is. En dit nu is alleen zoo te verklaren, dat wel de zonde haar bederf voortzet, maar dat de gemeene Gratie tusschenbeide is getreden, om deze werking der zonde te temperen en in te binden. Ook voor wat de Wetenschap aangaat, wordt alzoo de toestand dien we voor ons vinden, alleen verklaard, zoo we beiden tot hun recht laten komen, eenerzijds de verduistering van ons verstand door de zonde, en anderzijds de gemeene Gratie Gods, die aan deze verduistering paal en perk heeft gesteld. Dat we hierbij nu zeer stellig van een doen Gods mogen en moeten spreken, blijkt op zich zelf reeds uit het niet te loochenen feit, dat in mannen als Plato en Aristoteles, in Kant en Darwin, starren van eerste grootte hebben geblonken, genien van den hoogsten graad, die hoezeer ook geen belijdende Christenen, toch zeer diepe gedachten hebben uitgesproken, en die dit geniale niet uit zich zelven bezaten, maar hun talent ontvingen van dien God, die hen schiep en tot hun denkarbeid bekwaamde.




Om dat nu wel in te zien, moet men niet bij de algemeene formule: Verduistering door de zonde, blijven staan, maar zich rekenschap geven van wat deze verduistering werkte. Heeft de zonde gemaakt, dat we niet meer logisch denken kunnen? Heeft ze teweeggebracht, dat we tot de waarneming van wat om ons heen bestaat en voorvalt, onbekwaam zijn? Legt de zonde een blinddoek op onze oogen, zoodat we niets meer zien of bemerken? Stellig niet. Telkens als ge met anderen redeneert over wat |13| ook, onderstelt ge bij u zelven en bij die anderen de bekwaamheid om logisch te denken. Ge aarzelt geen oogenblik of wat ge ziet en hoort, wel z bestaat als ge het waarneemt. En in den regel beweegt ge u door het leven met een volkomen gevoel van zekerheid. We hebben door de zonde niet opgehouden redelijke wezens te zijn; en als we ons eigen bestaan met dat der dieren vergelijken, zijn we ons volkomen bewust van de superioriteit, waarover we als menschen, dank zij ons menschelijk verstand, beschikken. De macht, die we gaandeweg over de dieren en en over heel de aarde hebben verkregen, is dan ook zoo sprekend en reel, dat reeds die macht alleen ons klaarlijk overtuigt van de realiteit van ons onderzoeken en denken. Het kan daarom niet ontkend dat ook hierin de verduistering door de zonde merkbaar is. Wat is niet bij velen de macht van het logisch denken bitter zwak. Op wat tal van vergissingen en fouten in onze redeneering hebben we ons niet telkens te betrappen? Wat heeft bij de waarneming de schijn ons niet herhaaldelijk bedrogen? Wat sloop niet telkens traagheid in, om het onderzoek tot op gin volle diepte te laten doordringen? Wat werd er niet veel gestudeerd, omdat het moest voor een examen of voor een broodwinning, zonder dat de heilige aandrift van het onderzoek ons bezielde? Maar, ook al geven we dit alles toe, toch is in dit alles slechts een gedeeltelijk gebrek, en niet een verduistering die het zien belet.

Neen, de eigenlijke verduistering van de zonde ligt in heel iets anders. Daarin, dat we de gave verloren om het ware verband, den juisten samenhang, het samenstel van het geheel der dingen te grijpen, en nu al wat zich aan ons voordoet, slechts uitwendig bezien, niet in zijn kern en wezen, en zoo ook elk ding op zich zelf, maar niet de dingen saam in hun verband en in hun oorsprong uit God. Dat verband, die samenhang der dingen in hun oorspronkelijk verband met God, kan alleen in onzen geest gevoeld worden; die lag niet in de dingen buiten ons; en daarom kon die alleen gekend en nagedacht worden, zoo lang onze geest in levensverband met God stond, en van God uit dien samenhang zijner gedachten kon naspeuren. Welnu, die eigenschap bezat onze menschelijk geest in haar zuivere schepping, maar juist die eigenschap ging te loor, toen de zonde den levensband afsneed, die ons met God vereenigde. Gelijk een hond of een vogel aan een paleis wel steenen ziet, en hout en kalk, en misschien kleur, maar niets vat noch verstaat van de bouwkunst noch van den stijl van het geheel, noch van de bestemming van zalen en vensters, zoo ook staan wij met ons verduisterd verstand tegenover den tempel der schepping. We zien wel de deelen, de stukken, de enkele elementen, maar we hebben geen oog meer voor den stijl van dezen tempel; we gissen zijn bouwmeester niet meer, en daarom kunnen we dien tempel der schepping niet meer verstaan in zijn eenheid, oorsprong en bestemming. We |14| zijn als een architect, die van zijn zinnen beroofd is, en die, toen hij nog bij zijn verstand was, heel den bouw in zijn samenstel begreep en doorzag, maar nu, uit het venster van zijn cel glurend, zich star staart op muren en spitsen, maar van het motief van den bouw niets meer begrijpt. Blind voor God en Goddelijke dingen, wil dus niet alleen zeggen, dat we in onze verduistering door de zonde, niet meer tot God kunnen opklimmen; maar het beduidt ook dat we niet meer in staat zijn, om in de schepping zelve den samenhang der gedachten Gods waar te nemen, het geheel van de schepping te doorzien, en ons van het plan van die schepping een heldere voorstelling te vormen, en dat we daarom niet tot ware Wetenschap van die schepping geraken kunnen.

Wel tot juiste kennis van steen en hout en verf en metaal, maar niet meer tot een juiste opvatting van wat in dezen geheelen bouw de stijl, de grondgedachte, het motief en de bestemming is. En overmits nu de Wetenschap volstrekt niet alleen bestaat in de keuring van hout en steen en metaal, maar juist dan eerst wezenlijk Wetenschap wordt, als ze het geheel als in een spiegelbeeld weet op te vangen, juist daarom staat de verduistering der zonde niet aan detailkennis, maar wel aan de Wetenschap in haar hoogere en edelere opvatting in den weg. Zoo lang ge het geschapene, met uitsluiting van den mensch, en buiten God gerekend, beziet, dan toovert de Wetenschap ook nu nog haar wonderen, door haar nauwkeurige ontleding der dingen en haar opsporen van de wetten, die hun beweging regelen. Maar zoo niet rekent ge ook met den mensch, en komt ge toe aan de geestelijke vraagstukken, die u van zelf met het centrum van alle geestelijke leven, d.i. met God, in aanraking brengen, of alle zekerheid is weg, school staat naast school, richting treedt tegenover richting op, en volslagen wanhoop maakt zich ten leste van de onderzoekers meester. Er is nog zeker voortschrijden van hun kennis, zoo lang zij het menschelijk lichaam bestudeeren, en waarnemen kunnen wat zich van den geest op lichamelijke wijze uit, maar zoodra niet wordt het eigenlijke geestelijke gebied betreden, of het loopt al uit op een gissen en vermoeden, op een verdringen van stelsel door stelsel, en ten slotte op twijfelzucht en scepticisme.




Hoe dit gekomen is, zou ons nog veel duidelijker worden, zoo we meer afwisten van den toestand, waarin de mensch oorspronkelijk verkeerde, toen hij, uit de hand zijns Scheppers voortgekomen, nog niet door de zonde was aangetast. Veel weten we hier niet van. Toch is uit enkele gegevens die ons ten dienste staan, genoegzame kennis desaangaande af te leiden, om ons het verschil, dat door de zonde intrad, te doen vatten. Wij, in onzen tegenwoordigen toestand, kunnen tot de kennis der dingen |15| alleen door waarneming en ontleding komen. Maar zoo was het in het paradijs niet. Of lezen we niet, dat God de dieren tot Adam bracht, en dat Adam terstond, op het eerste gezicht, het wezen van deze dieren z doorgrondde, dat hij hun op staanden voet namen gaf. Dit kan natuurlijk niet beteekenen, dat hij, toen dier voor dier aldus bij hem voorbijging, geheel gedachteloos en zonder zin een klank noemde. Stel u voor, dat men achtereenvolgens twee, driehonderd gesloten koffers bij u voorbij droeg, en dat ge achter elkander, bij het zien van elk dier koffers, zonder slot of zin, een klank verzont, dan zoudt ge immers, eer ge aan de honderdste toe waart, reeds lang vergeten zijn, wat naam ge aan de eerste gegeven hadt. En waartoe zou dan dat namen geven bij Adam gediend hebben? Eva was er nog niet. Er was niemand die hem hoorde. Zin heeft dit verhaal dan alleen, zoo ge het aldus opvat, dat Adam, het wezen van elk dier terstond doorziende, dit zijn inzicht van het wezen van het dier uitdrukte in een naam, die aan dat wezen beantwoordde.

Stond nu Adam alzoo tegenover de dierenwereld, dan is er geen enkele reden, om aan te nemen, dat hij niet evenzoo tegenover de plantenwereld, ja, tegenover de geheele natuur stond. Die eigenschap nu, dat vermogen, om het wezen van planten en dieren terstond te doorzien en te verstaan, bezitten wij thans niet meer. Willen wij een plant of een dier leeren begrijpen, dan moeten we dat dier en die plant nauwkeurig en voor langen tijd waarnemen, en zoo van lieverlede uit wat we waarnemen, besluiten tot hun aard; doch zonder dat we ook zoo hun wezen nog ooit verstaan leeren. Zelfs hun instinct is ons nog een volkomen onopgelost raadsel. Maar Adam had dit vermogen, en, zoo ge hiermede rekent, dan zult ge nu ook begrijpen, hoe Adam, ware de zonde niet tusschenbeide getreden, schier onmiddellijk tot een Wetenschap van heel de Schepping zou gekomen zijn, die leidde tot een rechtstreeksch verstaan van heel de Schepping in het verband met haar oorsprong en haar bestemming.

Hier komt nog iets bij. Adam doorzag niet alleen het wezen der dingen, maar ook noemde hij ze. Dit noemen nu is iets wat ook bij ons niet meer bestaat. We kunnen een vreemd ding wel een naam geven, maar zulk een naam nemen we f over van een ander volk en spreken van rails, en tram, en locomotief, f wel we maken zulk een naam met behulp van Grieksche woorden, zoo als telegraaf, telephoon, electriciteit enz. Maar nieuwe namen in onze eigen taal, die het wezen der dingen uitdrukken kunnen we alleen maken door samenstelling of door reeds gebruikte woorden over te nemen. Taal scheppen kunnen wij niet meer. Adam daarentegen kon dit wel. In hem stond het begrip nog met het wezen, en het woord nog met dit begrip in organischen samenhang. Hij heeft dan ook nooit spreken geleerd van zijn moeder, maar hij sprak vanzelf, en reeds in wat God tot hem sprak, — wat hij dan verstaan moet hebben — |16| blijkt, tot hoe hooge bevatting zijn begripsvermogen en taalvermogen in staat was. We gaan dus niet te ver, zoo we zeggen, dat Adam in zijn eigen denkwereld, in zijn eigen bewustzijn een klaarheid, een doorzicht, een eenheid bezat, die voor ons te loor is gegaan. Zonder zonde zou de Wetenschap alzoo een geheel ander verloop hebben gehad; en ze zou zijn opgebouwd geworden met een onmiddellijkheid, waarvan wij ons nauwelijk een voorstelling kunnen vormen. En wat onder de verduistering van het verstand door de zonde te verstaan zij, wordt ons eerst recht duidelijk als we hieruit afleiden, wat Adam kon, en wij niet meer kunnen. Voor Adam was toch de wetenschap een onmiddellijk bezit, voor ons is ze een brood, dat we niet smaken kunnen, dan in het zweet onzes geestes, door moeitevollen, ingespannen arbeid.




Heeft op die wijs, tengevolge der zonde, de Wetenschap een geheel ander karakter aangenomen, zoodat nu onze Wetenschap de vrucht is van noeste vlijt, nauwkeurige waarneming, zorgvuldige ontleding en conscientieuse synthese, toch is wat vroeger bestond, niet geheel te loor gegaan. Reeds het instinct der dieren toont aan, hoe er volkomen nauwkeurige kennis en stipte handeling zijn kan, zonder dat studie of oefening voorafgaat. De spin weeft haar webbe, en de bij bouwt haar raat, met een preciesheid en zekerheid, die voor alle menschelijke constructie onovertrefbaar is. Neem maar een jong spinnetje, dat nog nooit een webbe zag, en toch zult ge zien, dat het straks even kunstig en even nauwkeurig een webbe uitspant en weeft. En in verband hiermede zij hier opgemerkt, dat de apostel Paulus van onze menschelijke kennis zegt, dat ze nu slechts ten deele is, en nu als met spiegelbeelden werkt, maar eens heel anders zal worden, en dan het karakter van het volmaakte zal dragen. Thans echter bezitten we zulk een kennis niet meer, noch ook het vermogen, om dit verwerven. Thans gaat alles door waarnemen, door leeren, door oefening, door studie. Maar toch is er ook nu nog iets in het menschelijk leven dat tusschen het instinct en de verworven kennis, als een tusschensoort in staat, en dat de Heilige Schrift overal op den voorgrond plaatst onder den naam van Wijsheid. Dat dit iets anders is dan Wetenschap, weten we allen uit het practische leven. Keer op keer ontmoeten ook wij onder de eenvoudigste lieden enkele personen, die begaafd zijn met een buitengewoon practische levenswijsheid. Ze hebben niet veel geleerd. Soms zijn er die niet eens lezen of schrijven kunnen, en die toch, als het op het geven van raad, op keuze of op handelen aankomt, zoo wijs weten te spreken, en zoo wijs weten te handelen, dat ze altoos goed uitkomen en kundiger lieden beschamen. De vrouw is in den regel minder ontwikkeld dan de man; maar hoe dikwijls ziet men niet, dat de vrouw van een |17| geleerd man veel wijzer inzicht in het leven heeft dan hij, en den man met al zijn kennis beschaamt. Die wijsheid nu vindt men in het Oosten, maar ook in het Westen. Salomo had niet aan wat wij een hoogeschool noemen gestudeerd, en hoogstwaarschijnlijk geen enkel examen gedaan, en toch kwam men uit alle streken in het Oosten om Salomo’s Wijsheid te hooren. En al is het nu zoo, dat hierbij een bijzondere inspiratie in het spel was, toch weet het Oosten ook bij andere volken van zulke wijzen te verhalen, die metterdaad begaafd waren met een zeer klaar en helder inzicht in de dingen.

Die Wijsheid nu is een der kostelijkste elementen in het maatschappelijk saamleven; en zelfs bij negervolken heeft men soms verbaasd gestaan over de hooge mate van deze practische levenswijsheid, die zich bij enkele personen in hun midden openbaarde. Ze is niet in den vollen zin een instinct als bij de dieren. Ze is ook niet meer de onmiddellijke Wetenschap die Adam had. Maar toch herinnert ze aan beide, en heeft ze met beide iets gemeen. Gemeen dit, dat ze, althans schijnbaar zonder inspanning, zich in het verband der dingen thuis gevoelt, en met zekeren, vasten greep het juiste weet te kiezen. Het is, alsof zulke wijze personen onder een hooger leiding staan, die hen bekwaamt om altoos het juiste te treffen. Hun schot is altoos raak. En hierin nu openbaart zich niets anders, dan de werking der gemeene Gratie, die nog iets van het Paradijs heeft doen overblijven, en er ons leven, ook onder de zonde, door verrijkt heeft.

Dat deze zelfde trek zich ook zondig ontwikkeld heeft in de sluwheid van het bedrog en in de geslepenheid van den misleider, is kennelijk. Maar zoo is het met alle gaven der gemeene Gratie. Ze strekken om ons rijker te maken, maar ze leveren tevens het gevaar op, dat ze misbruikt worden. Husai en Achitofel leveren van beiden het voorbeeld op. Toch is uit deze Wijsheid niet de Wetenschap in onzen zondigen toestand opgekomen. De Wijsheid dient voor het oogenblik of voor het practisch leven, maar ze bouwt niet de kennis van het geheel op. En daarom biedt de gemeene Gratie ook nog een tweede iets. Dit namelijk, dat de mensch, ook nadat hij beroofd was geworden van het onmiddellijk inzicht in het wezen der dingen, zich den weg ontsloten zag, om door den rusteloozen arbeid van nader onderzoek, waarnemen, ontleden, indenken en nadenken, althans tot zekere kennis van de uitwendige zijde der dingen te geraken, en de verschijning der dingen saâm, niet de wet harer beweging, te leeren verstaan. Welnu, het is deze tweede gave der gemeene Gratie, die in den loop der eeuwen het aanzijn geschonken heeft aan wat wij thans de Wetenschap noemen, en het is door dit middel alleen, dat de mensch, voor wat aan hem staat, tot Wetenschap geraken kan. Wat de bijzondere genade hieraan toebracht, bezien we nader.