De Gemeene Gratie in wetenschap en kunst

door Dr. A. Kuyper


Amsterdam (Höveker & Wormser) 1905



Eerste gedeelte


I. De wetenschap

I.

De uitnemendheid der wetenschap is, dat de wijsheid haren bezitters het leven geeft.

Pred. 7 : 12b.


Bepaalt men zich tot de tegenstelling tusschen het leven van Staat en Maatschappij, dan behoort ook de Wetenschap zeer zeker tot den kring van het maatschappelijk leven. Toch neemt dit niet weg, dat de bespreking van de Wetenschap, voor wat de gemeene Gratie aanbelangt, niet in onze vertoogen over de Maatschappij mocht worden opgenomen. Alles toch wat het maatschappelijke in beweging zet, komt uit op het gezellig saamleven der gezinnen in eenzelfde dorp of vlek, in hetzelfde gewest of in hetzelfde land. De Wetenschap daarentegen moet wel, even als de Kunst, in dat saamleven van menschen in een Maatschappij, de sfeer voor haar bloei vinden, maar toch ontleenen beide haar aandrift aan iets dat buiten de Maatschappij ligt, aan een eigen motief. Beide, de Wetenschap zoowel als de Kunst, eischen daarom een afzonderlijke behandeling, en het is met de bespreking van deze beide, dat onze toelichting van de gemeene Gratie haar einde zal bereiken.

En dan zij hier allereerst nadruk gelegd op het zelfstandig karakter van de Wetenschap. Het dient vóór alle dingen wel verstaan te worden, dat de Wetenschap iets op zich zelf staands is, en dat haar geen boei mag worden aangelegd. Ze kan daarom wel tijdelijk in anderer leiband loopen, indien ze, bij haar opkomen, nog de kracht mist om op eigen beenen te staan. De vrije burger in en vrijen Staat, hoe tuk ook later |2| op zijn zelfstandigheid, wordt toch, als jong wicht, evenzoo eerst door zijn voedster gedragen, en leert in den leiband het loopen. Al toont men derhalve aan, dat, blijkens de historie, ook de Wetenschap aanvankelijk niet zonder hulp van de Overheid of van de Kerk haar plaats kon innemen, dit bewijst tegen het zelfstandig karakter dat haar toekomt, niet het allerminste. Er is in al wat leeft tweeërlei periode te onderscheiden. Eerst is er een periode van opkomen en van langzamen groei, die voortduurt totdat de volwassen staat bereikt is. En daarna eerst komt de tweede periode, waarin het volgroeide leven zichzelf genoegzaam is. Zoo plaatst de hovenier bij de pas opschietende plant een stok en bindt haar aan dien stok op. Is daarentegen de plant, dank zij dien steun, tot ontwikkeling gekomen, en nu vast genoeg geworteld, om alleen op haar wortel te staan, dan gaat de stok weg, en rust de plant in zich zelve. En zoo nu ook ging het met de Wetenschap. Hier in noord-Europa althans is de Wetenschap door de Christelijke kerk geplant, en aanvankelijk gesteund. Voorts heeft ze ook den steun der Overheid niet kunnen ontberen. Thans daarentegen is ze zelfs in die mate zelfstandig geworden, dat ze veeleer Kerk en Overheid poogt te beheerschen, dan dat ze de heerschappij van Kerk en Overheid nog ondergaan zou. Deze zelfstandigheid nu komt haar toe, en is in geen enkel opzicht aangematigd. Ze heeft die zelfstandigheid niet in overmoed opgeëischt, maar ze bezit die van Godswege. Zoozeer zelfs, dat ze haar goddelijke roeping verwaarloost, zoo ze zich wederom door Overheid of Kerk knechten laat. De Wetenschap is geen tak, uitschietende aan den stam van den staatsdienst, en ze is evenmin een tak, opschietende uit den wortel der Kerk. Ze bezit een eigen wortel, op dien wortel stoelt ze, en uit den stam, die op dien eigen wortel staat, moet ze haar takken uitdrijven en haar vrucht doen opkonien. Ze is, gelijk het in een bekend Synodaal rapport zoo volkomen juist is uitgedrukt, „een eigen schepsel Gods”, met eigen levenswet, en tot ontwikkeling, conform die levenswet, dus tot ontwikkeling in vrijheid, geschapen.

Reeds hieruit blijkt, dat de Wetenschap tot de Schepping behoort. Denkt ge u ons menschelijk leven in zijn paradijs-toestand, buiten zonde, ontwikkeld, dan zou de Wetenschap er even goed geweest zijn als thans, ook al zou haar ontwikkeling, gelijk vanzelf spreekt, dan een geheel andere zijn geweest. Doch ook al onderging, tengevolge van de zonde, haar karakter aanmerkelijke wijziging, toch mag nimmer gezegd, dat ze even als de Overheid en de Kerk, alleen ter oorzake van de zonde, en dus uit ingetreden genade ontstaan is. Zonder zonde zou er geen Overheid, en buiten zonde zou er geen Christelijke kerk geweest zijn, maar wel Wetenschap. Ze staat in zooverre dus op één lijn met het Huwelijk en het Huisgezin, die eveneens wel, tengevolge van de zonde, zeer sterke wijzigingen ondergingen, maar die toch beide, ook al ware er geen zonde opgekomen, nochtans hun |3| zelfstandig aanwezen zouden gehad hebben, omdat ze reeds bestonden in het paradijs. Evenmin dus als het Huwelijk en het Huisgezin ooit gezegd mogen worden, aan de Overheid of aan de Kerk hun aanzijn te danken, evenmin mag de Wetenschap in de afhankelijkheid van één dier beide gesteld worden. Ook zij komt uit de Schepping op, en heeft als zoodanig een van Overheid en Kerk onafhankelijke roeping van den Schepper ontvangen.




Deze zelfstandige positie van de Wetenschap rust in de schepping van den mensch naar den beelde Gods. Er is in den Heere onzen God een zelfstandig Goddelijk denken, dat niet in Hem opkwam uit de geschapen dingen, maar aan de schepping aller dingen voorafging. Hij denkt niet omdat Hij schiep, maar Hij schiep na gedacht te hebben. Dit is het wat we belijden in het stuk van het Besluit. Al ligt toch in het Besluit ook de uitdrukking van den wil Gods, toch staat het evenzoo vast, dat deze wil Gods zich richtte op wat zijn wijsheid had uitgedacht. Een besluit, waaraan geen nadenken vooraf ging, is onbestaanbaar. En dat denken Gods, dat aan zijn besluit vooraf ging, was niet het opdoemen van toevallige denkbeelden, uit een mystieken, onbewusten ondergrond van zijn Wezen, gelijk het wel is voorgesteld, maar een geheel zelfstandig denken, in volle Goddelijke klaarheid van bewustzijn. God is door niemand buiten zichzelven geïnspireerd. Iets wat de Heilige Schrift uitdrukt, door te zeggen, dat niemand Hem heeft onderwezen, en dat niemand Hem als raadsman ter zijde heeft gestaan. De zin des Heeren is in Hem oorspronkelijk. Vandaar dat Paulus vraagt: Wie heeft den zin des Heeren gekend, of wie is zijn raadsman geweest? (Rom. 11 : 34). Of elders: Wie heeft den zin des Heeren gekend, die Hem zoude onderrichten? (1 Cor. 2 : 16). Een gedachte reeds door Jesaia in deze woorden uitgedrukt: Wie heeft den geest des Heeren bestuurd, en wie heeft Hem als zijn raadsman onderwezen? (hfdst. 40 : 13). Vastelijk moet dienvolgens beleden worden, dat het denken in God geheel zelfstandig en oorspronkelijk was, en dat eerst uit dit zelfstandige en oorspronkelijke denken Gods het Besluit, en uit dit Besluit de wereld, is voortgekomen, gelijk nu nog er desgelijks alle historie der wereld uit voortkomt.

In majestueuse teekening schetst Salomo in het Boek der Spreuken, ons deze zelfde waarheid, als hij ons voorteekent hoe de Wijsheid bij God was, eer nog iets van het geschapene uit zijn hand was voortgekomen. In de verheven taal van Spreuken 8 : 22-31 is ons dit in dezer voege geopenbaard: „De Heere bezat mij”, t.w. de Wijsheid, „in het beginsel zijns wegs, vóór zijne werken, van toen aan. Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van den aanvang, van de oudheden der aarde aan. Ik was |4| geboren, als de afgronden nog niet waren; als nog geene fonteinen waren, zwaar van water. Aleer de bergen ingevest waren, vóór de heuvelen was ik geboren. Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch den aanvang van de stofkens der wereld. Toen Hij de hemelen bereidde, was ik daar; toen Hij eenen cirkel over het vlakke des afgronds beschreef; toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte; toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde; toen was ik een voedsterling bij Hem, en ik was dagelijks zijne vermakingeu, ten allen tijde voor zijn aangezichte spelende; spelende in de wereld zijns aardrijks, en mijne vermakingen zijn met der menschen kinderen.”

In terugslag hierop leert dan voorts de evangelist Johannes ons, dat deze wijsheid in God het Woord was, en dat door dat Woord alle dingen geschapen zijn: „In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. In hetzelve was het leven, en het leven was het licht der menschen.” Nu is de Grieksche uitdrukking die hier voor „het Woord” gebezigd wordt, „de Logos”, en Logos beteekent de Rede. Omdat echter de Rede bij óns sluimeren kan, en eerst in het gesproken woord tot volle klaarheid komt, is hier niet vertaald: „In den beginne was de Rede”, maar: „In den beginne was het Woord”, ten einde daardoor uit te drukken, dat de Rede in God te denken is, niet als in slapenden toestand verkeerend, en eerst allengs tot klaarheid komend, maar heel anders, als van eeuwigheid tot eeuwigheid in volle klaarheid met zijn Wezen zelf één zijnde. Metterdaad hebben dan ook die kerken, die steeds met jaloerschheid voor de leer van het Besluit zijn opgekomen, hierin geijverd voor de eere Gods en voor de zuivere opvatting van zijn Goddelijk wezen. En omgekeerd moet geklaagd, dat andere kerken, die zonder het Besluit te loochenen, het toch feitelijk glippen lieten, en er voorts geen aandacht aan schonken, op die wijs dáárom de Religie in gevaar brachten, omdat ze, onbedoeld en ongewild, een onzuivere voorstelling van het Wezen Gods ingang deden vinden. Het is uit dien hoofde zoo ten eenenmale onjuist, zoo men het doet voorkomen, alsof de strijd van Gereformeerde zijde tegen het Methodisme en andere richtingen gevoerd, slechts op uitwendigheden zou doelen. Die strijd raakt veeleer het diepste in de Religie zelve, onze belijdenis omtrent het Wezen en de eigenschappen Gods.




Is nu alzoo het denken in God eerst, en is al het geschapene slechts als uitvloeisel van dat denken Gods te beschouwen, en wel zoo, dat alle |5| dingen door den Logos, d.i. door de Goddelijke Rede, of nader gezegd, door het Woord tot stand zijn gekomen, en nog bestaan, dan kan het niet anders of in alle geschapen dingen moet denken Gods besloten zijn. Zoo kan er dus niets in het geschapen heelal zijn, dat niet de uitdrukking, de belichaming, de openbaring van een gedachte Gods is. Er is niet een onmetelijke massa stof, en een denken Gods dat deze massa stofs poogt te verwerken, maar in al het geschapene zelf zit denken in, vormt een gedachte Gods de kern van het wezen der dingen, en is het eerst deze gedachte Gods die aan de geschapen dingen hun bestaanswijze, hun vorm, hun levenswet, hun bestemming en hun verloop voorschrijft. Geheel de schepping is niets dan het zichtbare gordijn, waarachter de verheven werking van het Goddelijk denken schittert. Gelijk nu het spelend kind van uw zakuurwerk niets ziet, noch er iets anders bij vermoedt dan de gouden kast, de wijzerplaat en de op die wijzerplaat zich bewegende stalen stift, zoo ook neemt de onnadenkende mensch in de natuur en in heel de schepping niets anders waar dan de uitwendige verschijning der dingen. Gij daarentegen weet beter. Gij weet, dat achter die wijzerplaat het verborgen werk van veren en raderen plaats grijpt, en dat het verschuiven van den wijzer op de plaat door die verborgen werking veroorzaakt wordt. En zoo weet ook bij de schepping Gods, al wie door het Woord Gods onderwezen is, dat achter die natuur, achter die schepping een verborgen, een geheimzinnige werking van Gods macht en wijsheid plaats heeft, en dat alleen daardoor de dingen gaan gelijk ze gaan. En zoo ook, dat deze werking niet is een onbewuste werking van willoos voortgedreven kracht, maar de werking van een kracht, die door denken geleid wordt.

Dat denken Gods nu, dat in den loop aller dingen de werking teweeg brengt, is geen werking zonder plan of doel of regel, maar een werking die op een doel gericht is, die naar dat doel zich volgens vasten regel voortbeweegt, en in het geschapene bij zijn oorsprong al datgene gelegd heeft, wat voor het bereiken van dat doel onmisbaar is. Zoo is dus uit het denken Gods, uit het bewustzijn Gods, uit het Woord Gods alle ding voortgekomen, wordt alle ding er door gedragen, dankt alle ding er zijn beloop aan, is aan alle ding daardoor het bereiken van zijn doel verzekerd, en kan en moet alzoo onvoorwaardelijk erkend en beleden worden, dat geheel de schepping in haar oorsprong, bestaan en verloop, ééne rijke, saamhangende openbaring is van hetgeen God in eeuwigheid gedacht en in zijn Besluit vastgelegd heeft.

De vraag is nu maar, of wij menschen, begaafd zijn met een vermogen, om dat denken Gods, na te denken. Volstrekt niet alle schepsel bezit dat vermogen. De lelie, hoezeer bekleed met een heerlijkheid grooter dan die van Salomo in al zijn pracht, weet van haar eigen schoonheid niets, en verstaat niet het allergeringste van de gedachte Gods die ze in haar |6| bestaan uitdrukt. Hoe wonderbaar ook de visch in het water leeft, de visch weet niets van de samenstelling van het water, van het vermogen, dat het water bezit om het lichaam te dragen, noch van de voedende krachten die in het water besloten zijn. Zelfs blijkt uit niets, dat de met hoog instinct begaafde dieren, gelijk de mier, de bij, de spin enz., iets verstaan van wat ze zelf doen, en veel minder nog, dat ze iets vatten van wat God in hen openbaart. Wel moeten we over de dieren ons steeds met hooge voorzichtigheid uitlaten, daar we in hun innerlijk bestaan niet kunnen indringen; maar toch mag en moet zooveel gezegd, dat we bij de dieren niets van voortgaande ontwikkeling merken, en dat ons niets geopenbaard is over een hooger aanleg of een hooger bewustzijn, dat aan de dieren geschonken zou zijn. Van de engelen (nu met inbegrip van de duivelen als gevallen engelen) weten we iets meer; maar toch ook van de engelen staat geschreven, dat ze begeerig zijn in te zien, in dingen die ze niet verstaan. Hoe veel kennis ook aan de engelen eigen moge zijn, in zeker opzicht blijven ze beneden óns staan. Van den mensch daarentegen wordt ons deze groote waarheid geopenbaard, dat hij naar den beelde Gods geschapen is, en op dien grond belijden de Gereformeerde kerken, dat de oorspronkelijke mensch, in zijn natuur, d.i. krachtens zijn schepping, niet door bovennatuurlijke genade, maar naar scheppingsorde, ontvangen had heiligheid, gerechtigheid én wijsheid. Hier is dus sprake van een vermogen, den mensch toebedeeld, om de gedachte Gods, die in de schepping ligt uitgedrukt en belichaamd, uit haar omhulsel los te wikkelen, en zoo te grijpen, dat hij kunne nadenken uit de schepping, wat God scheppende als gedachte in die schepping belichaamd had. En dat wel zoo, dat dit vermogen niet als iets extra’s bij zijn natuur bijkwam, maar in zijn natuur zelve was gefundeerd. Aldus krijgen we dan deze drie op elkander passende gegevens: Ten eerste, in God is van eeuwigheid zijn volle, rijke klaarheid van gedachten. Ten tweede, God heeft in de schepping een rijke volheid zijner gedachten geopenbaard, uitgedrukt en belichaamd. En ten derde, God schiep in den mensch, als zijn beelddrager, het vermogen, om deze in de schepping uitgesproken gedachte te verstaan, te grijpen, na te denken, en tot een geheel samen te stellen. En op deze drie nu rust het wezen van de menschelijke Wetenschap. Zulk wonderbaar vermogen toch is den mensch niet gegeven, om het ongebruikt te bezitten. Dit hem geschonken vermogen moet de mensch aanwenden tot het doel waartoe het hem gegeven is. En zoodra na de mensch dit vermogen, om de gedachten Gods uit de schepping na te denken, in werking zet, komt de Wetenschap van zelve op, en naarmate hij dit juister en ijveriger doet, zal zijn wetenschap vaster staan en rijker inhoud ontvangen. |7|




Toch versta men dit niet in dien zin, alsof deze taak der wetenschap aan elk menschenkind op zichzelf, in vollen omvang, ware opgedragen. Dit kan niet. Daartoe is de omvang van deze taak veel te groot, en het vermogen van den enkelen mensch te beperkt. De principieele belijdenis van de schepping des menschen naar Gods beeld, reikt dan ook veel verder dan tot de erkentenis, dat wij persoonlijk en individueel, elk op ons zelf, van Gods geslacht zijn. Veeleer komt ze dan eerst tot haar recht, zoo we haar uitbreiden tot heel ons geslacht in den samenhang der eeuwen, en in de samenvatting der aan alle onderscheiden personen geschonken talenten. Niet toch één enkel brein, niet één enkel genie, niet één enkel talent is er op aangelegd, om de volheid van het Woord in de schepping te verstaan, maar allen saam hebben het doel, om deze bevatting onder menschen mogelijk te maken. Ware het anders bedoeld, dan zou elk persoon, man of vrouw, in het volstrekt bezit van alle genie en alle talent moeten zijn. Doch dit is niet zoo. Genie en talent komen niet anders dan verstrooid en bij enkelen voor. En al neemt men nu ook aan, dat tengevolge der zonde ook in dit opzicht veel nu anders is, dan het buiten zonde zijn zou, toch zal niemand beweren, dat er naar de oorspronkelijke scheppingsordinantie geen verschil, geen onderscheid tusschen mensch en mensch zou hebben bestaan. Waar reeds de starrenhemel ons geen eindeloos tal van onderling gelijke starren ontdekt, maar sterren in eindelooze groepen, die allen de één van de ander verschillen, en juist in dit veelvormige onderscheid de pracht van het firmament doen schitteren, daar is het niet aan te nemen, dat God in zijn menschen-wereld niets dan eentonige gelijkvormigheid bedoeld zou hebben, en dat de veelvormigheid en verscheidenheid eerst door de zonde zou zijn opgekomen. Zoo toch zou de zonde het leven verrijkt in plaats van verarmd hebben. Bovendien, reeds het ééne feit, dat God schiep man en vrouw, bewijst met zekerheid, dat identieke gelijkvormiglieid niet in het plan der schepping lag. We mogen dan ook tot geen andere conclusie komen, dan dat het rijk verschil tusschen mensch en mensch, naar aanleg en talent, uit de schepping zelve is voortgekomen, en tot het wezen van de menschelijke natuur hoort. En is dit zoo, dan volgt hieruit van zelf, dat niet één enkel mensch, wat dit punt betreft, in volheid dezen trek van Gods Beeld draagt, maar dat eerst alle talent en alle genie saamgenomen, het vermogen vormt, om deze volheid der gedachte Gods in zich op te nemen.

Zoo wordt dan de Wetenschap opgebouwd, niet uit wat één mensch op zich zelf waarneemt, ontdekt, indenkt en in zijn denken tot één geheel samenstelt; maar uit de vrucht van het denken, indenken en nadenken der opvolgende geslachten, in den loop der eeuwen, en door aller samenwerking. Wel heeft ieder mensch zijn eigen weten, d.i. het stukske kennis dat hij zelf zich eigen maakte; maar Gods schepping is zoo nameloos groot, |8| de rijkdom van gedachten die in zijn schepping ligt uitgedrukt, is zoo zonder peil diep, dat het stukske kennis van ieder mensch op zich zelf, hierbij in het niet verzinkt. Ook dat kleine stukske is wel wetenschap in den meest algemeenen zin van het woord, maar het is niet de Wetenschap, die als een eigen schepsel Gods, met eigen levenswet optreedt, om een eigen taak te vervullen. De Wetenschap in dien hoogen zin ontstaat eerst door veler samenwerking, schrijdt eerst langzaam voort in de opkomende geslachten, neemt alzoo eerst van lieverlede die vastheid en dien rijken inhoud aan, die haar een zelfstandig bestaan verzekert, en begint eerst in dien meer algemeenen vorm als een macht in het leven op te treden. Iets waaruit tevens volgt, dat de Wetenschap eerst in den loop der eeuwen tot beteekenis kon geraken, en eerst in het eind der dagen zich in haar rijkste volheid zal kunnen ontplooien. Ze is als een machtige tempel, waarvoor eerst de diepte moest worden uitgegraven, waarvoor daarna de grondslag moet worden gelegd; waarvan eerst op dat fundament de muren omhoog kunnen rijzen; welker tinne eerst kan worden aangebracht, als de muren voltooid zullen zijn; en die de volle pracht van zijn lijnen, tinten en vormen eerst zal kunnen vertoonen, als ten slotte heel de bouw voltooid is. Vandaar dat er eeuwen achter ons liggen, waarin onder tal van volken van geen Wetenschap in hoogeren zin sprake was. Ook hier te lande zou men bij de Batavieren vruchteloos naar Wetenschap in dien zin gezocht hebben. Vandaar ook, dat eerst de historie der laatste eeuwen, en vooral der 16de en der 19de eeuw, ons van een zoo machtig opbloeien van de Wetenschap weten te verhalen. En vandaar ook dat we allen voelen, hoe ook nu zelfs de Wetenschap nog slechts aan den aanvang van haar groote veroveringen staat; en dat wie op wetenschappelijk gebied geen vreemdeling is, blijde den vooruitgang inwacht, die ook in deze 20ste eeuw op het terrein der Wetenschap te hopen is.




Juist uit dit feit nu, dat de Wetenschap niet het eigen verworven bezit van elk mensch op zich zelf is, maar dat ze eerst als de vrucht van veler arbeid, onder vele volken, in den loop der eeuwen, van lieverlede tot meerder beteekenis kwam, en zich gaandeweg eerst tot meerdere vastheid ontwikkelt, volgt haar zelfstandig karakter. Immers de Wetenschap komt niet zoo tot stand, dat een der beste bouwmeesters voor den bouw van dezen tempel een uitgewerkt bouwplan vervaardigd had, en dat nu de volgende geslachten, bij onderlinge afspraak, rustig aan dat oorspronkelijke bouwplan hebben voortgearbeid, om zoo allengs den tempel omhoog te doen rijzen; maar heel deze tempel wordt gebouwd zonder menschelijk bouwplan en zonder menschelijke afspraak. Hij komt er als vanzelf, ieder |9| houwt zijn eigen steentje, en loopt toe, om het in te metselen. Dan komt weer een ander en hakt dat steentje los, en verbouwt het en legt het anders. En zoo, door elkaar werkend, zonder eenige afspraak en zonder de minste directie van menschen, krioelt het onder elkaar en gaat ieder zijn eigen weg, en bouwt elk man van wetenschap zoo als het hem goed dunkt. En als nu door die eindelooze verwarring heen, toch blijkt, dat in den loop der eeuwen, uit dien schijnbaar verwarden arbeid een tempel verrijst, die vastheid van lijnen vertoont, stijl openbaart, en nu reeds gissen doet, hoe heel het gebouw eens voltooid zal worden, dan moet toch erkend en beleden, dat ongemerkt al deze arbeid door een Bouwmeester en Kunstenaar, dien niemand ziet, geleid en bestuurd wordt. Dan gaat het toch niet aan te zeggen, dat hier uit het toeval, zonder plan, als vanzelf, het schoonste resultaat opkomt, maar moet wel beleden, dat het God zelf is, die voor dezen bouw der Wetenschap zijn eigen Goddelijk plan had ontworpen; die voor de uitvoering van dat plan, de genieën en de talenten schept; en die aller arbeid zóó stuurt en zóó zijn vruchten doet dragen, dat hetgeen Hij gewild heeft, en nog wil, ook metterdaad tot stand komt. Doch zóó bezien, is de Wetenschap dan ook een vinding Gods, die Hij in het leven riep, en die Hij het pad harer ontwikkeling doet afloopen, op de wijze die Hij zelf daarvoor verordend heeft. En dat nu, wat is het anders, dan te zeggen en dankbaar te belijden, dat God zelf de Wetenschap als zijn schepsel in het leven riep en dat ze dienvolgens in ons menschelijk leven een eigen, zelfstandige plaats inneemt.