XLIII. Het Huisgezin 3

Daarom zal de man zijnen vader en zijne moeder verlaten, en zijne vrouw aankleven; en zij zullen tot één vleesch zijn.

Genesis 2 : 24. a


In welken zin valt hier nu te spreken van het „Christelijk” Huisgezin? Stelligniet, alsof alleen onder Christenen een Huisgezin denkbaar ware. Er bestaat een huislijk leven ook onder Joden, Heidenen en Mahomedanen; en al misten de meesten onzer de gelegenheid om met het huislijk leven |305| onder Heidenen en Mahomedanen kennis te maken, het Joodsche Huisgezin kennen we zeer wel uit het leven onzer eigen steden. Voorzoover we nu dit huislijk leven der Joden van naderbij kennen, zal wel niemand de dwaze bewering durven uiten, dat dat eigenlijk geen Huisgezin is. Natuurlijk, het is geen Christelijk Gezinsleven dat onder de joden plaats grijpt. Ook wordt over de kuischheid van den echtgenoot in joodsche kringen vaak anders geoordeeld, dan onder ons. Maar wat aangaat de verknochtheid tusschen man en vrouw, den hechten familieband tusschen ouders en kinderen, de onderlinge verkleefdheid van broeders en zusters, de zorge voor hun ouden van dagen, en de beteekenis van de familiebanden voor de verdere vertakkingen van het geslacht, staan ze maar zelden bij ons Christenen achter, en dient veeleer erkend, dat ze menige Christelijke familie een les in familiedeugd konden geven. Niet alleen dus, dat in deze Joodsche kringen wel terdege een huislijk leven, dien naam ten volle waard, bestaat, maar dat huislijk leven treedt onder de Joden zelfs vaak op zoo ideale wijze op, dat het ons beschamen kan. En al merkt men nu op, dat hierin de gezegende invloed van de openbaring des Ouden Testaments te waardeeren valt, en al haasten we ons er bij te voegen, dat bovendien het gemis van eigen nationaal bestaan, de Joden als vanzelf genoodzaakt heeft, den onderlingen band van hun familieleven sterker aan te trekken, het feit blijft dan toch een feit, èn dat het Joodsche Huisgezin niet-Christelijk is, en dat het anderzijds op den eerenaam van Huisgezin ten volle recht heeft.

Kenners der historie zullen wel niet even gunstige getuigenis afleggen omtrent het Gezinsleven onder hooger staande heidensche volken, maar toch zal men evenmin betwisten kunnen, dat ook onder ben niet zelden het huislijk leven een tamelijk hoog standpunt innam en nog inneemt. Althans wie vreemde landen hebben bereisd, en uit eigen aanschouwing met het Gezinsleven in Azië mochten kennis maken, verzekeren ons als om strijd, dat de tastbare waarheid der feiten zou weerspreken, wie tot ontstentenis van alle eigenlijk Gezinsleven onder de volken van Azië besluiten wilde. En moge onder den Islâm de veelwijverij het Gezinsleven in den wortel hebben aangetast, men vergete niet, dat de veelwijverij een weelde der rijkeren is, en dat ook onder de Mohamedanen verreweg het grooter deel der bevolking, zonder het te willen, wel genoodzaakt is, bij de monogamie te volharden. Reeds het feit dat er ongeveer even veel meisjes als jongens geboren worden, noodzaakt hiertoe. Alleen onder de negerstammen, die geregeld elk jaar een moord op groote schaal onder de manlijke bevolking van hun naburen aanrichten, of bij massa’s de gevangen tegenstanders als slaven uit het land bannen, blijven voor het volk in zijn veelheid genoeg vrouwen ter beschikking, om de veelwijverij algemeen te maken. Daar dit nu in de meer beschaafde Mahomedaansche landen niet |306| alzoo toegaat, is het resultaat vanzelf, dat verreweg de meesten dezer zich levenslang wel met ééne vrouw moeten tevreden stellen. Iets waar nog bij komt, dat de meesten over geen genoegzame middelen beschikken, om een Gezin met meer dan één vrouw, en dus ook met de kinderen van meer dan één vrouw, te onderhouden. Dientengevolge houdt het Gezinsleven ook onder hen veelal stand, en dient erkend, dat niet alleen onder de joden, maar ook onder de Heidenen en de Mohamedanen, een wezenlijk Gezinsleven, zij het dan al van lager rang, gevonden wordt.

*

Dit kan dáárom niet anders, omdat het Gezinsleven vanzelf, en op geheel natuurlijke wijze, uit de eigen grondtrekken van ons menschelijk leven voortkomt. Niet de mensch verzon het of vond het uit, maar God-zelf fundeerde het in de schepping. Ten eerste, door de splitsing van de menschheid in de twee geslachten. Ten tweede, doordat Hij menschen uit menschen deed geboren worden. Ten derde, door de volkomen hulpeloosheid van het kind, in zijn eerste levensjaren. Ten vierde, door de noodzakelijkheid van het hebben van een woning. Ten vijfde, door de moeite om aan het dagelijksch brood te komen. Ten zesde, door de noodzakelijkheid, om zich voor eigen veiligheid en rechtszekerheid aaneen te sluiten. En ten zevende, door de natuurlijke liefde, die Hij aan man en vrouw, aan ouders en kinderen, aan broeders en zusters voor elkander inschiep. Dit zijn dan ook de zeven pilaren, waarop geheel de bouw van het Huisgezin rust. En hoe ook zonde en bederf deze schepping Gods poogde, en nog poogt te verwoesten, altoos zal ze, dank zij de Gemeene Gratie, de veerkracht in zich bezitten, om zich opnieuw op te richten. Al wat van Goddelijke vinding en Goddelijke schepping is, draagt in zich zoo onuitroeibare levenskrachten, dat het al wat menschen vonden of in elkaar zetten, steeds verre overtrof. En al is niet te zeggen, hoe ver de verwoesting der zonde ook op dit terrein zou zijn doorgegaan, zoo de Gemeene Gratie de natuurlijke kracht van het Huisgezin niet voor verdere verkwijning bewaard had, gesteund door die werking der Gemeene Gratie was het Huisgezin eenvoudig onuitroeibaar.

Doch hieruit volgt dan ook, dat we in ons Christelijk Huisgezin het ons nooit mogen voorstellen, alsof het Huisgezin zelf een vrucht van het Christendom ware. Zoo te spreken, is ijdele phraseologie. Dat het Christelijk Huisgezin het Huisgezin in zijn hoogste volkomenheid vertoont, is niet aan twijfel onderhevig, maar hieruit. volgt nog in het minst niet, dat het Huisgezin in zijn grondtrekken uit het verlossingswerk van Christus zou zijn opgekomen. Dat is het niet. Dat is het zoo min onder ons als onder Joden en Heidenen. En ook in onze Christelijke kringen moet, zonder poging zelfs tot voorbehoud, volmondig erkend worden, dat onder onze eigen |307| voorvaderen, die nog nimmer zelfs den naam van Christus gehoord hadden, diezelfde prijsstelling op het huislijk leven bestond, in wier glans wij ons verheugen. Wie bij Tacitus de beschrijving leest, die hij van het huislijk leven der oude Batavieren of van de oude Germanen in het algemeen geeft, heeft zich allerminst over zijn voorgeslacht te schamen. Menige donkere schaduw moge ook op hun huislijk leven gerust hebben, maar niets kan het feit teniet doen, dat zij geleefd hebben in diezelfde gezonde opvatting van het gezin en het huislijk leven, die nog altoos de kracht van ons nationale existentie uitmaakt. Stellen we ons dus een oogenblik voor, dat het Evangelie niet in deze landen ware gepredikt geworden, dan volgt hieruit nog geenszins, dat het Huisgezin in zijn levensvatbaren vorm hier onbekend zou geweest zijn. Integendeel, ook dan zou er dat natuurlijk samenleven van man, vrouw en kroost in ééne woning geweest zijn, dat nog altoos ook voor ons den grondtrek van het Gezinsleven uitmaakt. We behoorden eenmaal tot een volksstam, die rijkelijk met Gemeene Gratie bedeeld was, en het is dank zij de Gemeene Gratie, dat, ook zonder het Evangelie, het Huisgezin onder ons zou zijn blijven bloeien.

*

Gevoelen we ons desniettemin gerechtigd, om met zekere voorliefde van het Christelijk Huisgezin te spreken, dan moet dit derhalve een andere oorzaak hebben; en hierbij nu moet tweeërlei scherp onderscheiden worden. Een Huisgezin heet Christelijk in zoover de Christelijke zede de grondtrekken van het Huisgezin fijner en edeler uitwerkt; maar ook heet een Huisgezin Christelijk, in zooverre het een familiekerk in het klein is geworden. Beide eigenaardigheden loopen echter geheel uiteen. Beide rusten op een geheel verschillende beschouwing. En deswege eischt helderheid, dat we deze beide beteekenissen van het „Christelijk” voor Huisgezin behoorlijk uiteenhouden. Naar de eerste beteekenis beduidt Christelijk voor Huisgezin alleen, dat het qualitatief in graad van volkomenheid hooger staat. Naar de tweede beteekenis komt er een geheel nieuw element in, dat een verschil in beginsel teweegbrengt. In eerstgemelden zin geeft Christelijk voor Huisgezin te kennen, dat het zedelijk hooger staat; in den tweeden zin verkrijgt het Huisgezin door de bijvoeging van het woord Christelijk niet een hooger zedelijk, maar een geheel nieuw religieus karakter.

Het eerst door ons- genoemde vereischt slechts korte toelichting. De onderscheiden familiebanden roepen elk op zichzelf een zedelijke verhouding in het leven. Het samenleven van man en vrouw verschilt, in uitsluitend vleeschelijken zin genomen, weinig of niet van het plegen van ontuchtigheid. Als zoodanig is hierin niets anders aanwezig, dan wat ook |308| in de dierenwereld bestaat. Het menschelijk stempel wordt op dit saamleven daarom eerst dan gedrukt, als het gebonden wordt aan een zedelijke betrekking van wederzijdsche verplichting. Ontwaakt er tusschen man en vrouw persoonlijke liefde, slaat deze liefde een band om beider hart, gevoelen ze neiging en roeping om hun existentie, lot en roeping aan elkander te verbinden, en lost zoo almeer hun existentie, die eerst tweeërlei en gescheiden was, zich in hoogere eenheid op, dan vloeit hieruit ten slotte ook dit voort, dat deze oplossing in hoogere eenheid hen ook één vleesch doet zijn. Men zoekt dan elkander niet om dat één vleesch zijn, maar om die hoogere eenheid, en het andere is van die hoogere eenheid slechts gevolg en uitvloeisel, overeenkomstig de scheppingsordinantie Gods. Zoo rust dan het Gezinsleven in de eerste plaats op deze duurzaam zedelijke betrekking, die man en vrouw over en weer aan elkander bindt; en niet dan met den dood kan deze band ontbonden worden. Het is een zedelijke betrekking, die wil dat men elkander toebehoore, zooals men niemand anders toebehoort. Een zedelijke betrekking, die de hoogste uiting van liefde, toewijding en zorge voor elkander vraagt. Een zedelijke band die den man voor de vrouw en de vrouw voor den man tot zijn naaste maakt, en daarom de hoogste vervulling vraagt van het: Gij zult uw naaste liefhebben als u zelven. De vrouw is de naaste aan haar man, de man de naaste aan zijn vrouw.

De aldus ontstane zedelijke betrekking gaat dan in de tweede plaats vanzelf op het kroost over, waarmee God de vrouw en den man zegent. En ook hier weer moet op dat zedelijke volle nadruk vallen. Op zichzelf toch is de aantrekkelijkheid van het jonggeboren kind voor zijn moeder, en van de moeder voor haar zuigeling, nog niets dan de werking van een natuurlijk instinct, dat gij bij de hoogere dieren evenzoo, soms nog sterker vindt. Menige moeder deed nooit voor haar kindeke, wat de klokhen voor haar kieken deed, en het is dan ook opmerkelijk, hoede Heere Jezus niet op de moeder, maar op de klokhen wees, toen hij de volheid en de innigheid van zijn liefde voor Jeruzalem in beeld wilde brengen. Dit instinct heeft daarom zeer zeker zijn waarde, maar het bezit, zonder meer, nog geen zedelijke waardij. Het bezit alleen goddelijke beteekenis, omdat het God is, Die dit instinct alzoo in dier en mensch werken doet. Zedelijk en daardoor menschelijk daarentegen wordt deze ouderliefde eerst, zoo ze ook dan stand houdt, als het instinct ophoudt te werken. Bij het dier eindigt deze betrekking als het instinct gaat zwijgen. Dieren van drie, vier jaar oud, herkennen zelfs hun vader en moeder niet meer. Bij den mensch, daarentegen, begint juist bij het toenemen der jaren deze betrekking veelzijdige kracht te ontwikkelen. Ze heeft bij den mensch duurzaamheid, en ze ziet, zoover ze een zedelijk karakter aanneemt, zoo weinig op zinlijke affectie, dat een moeder of vader vaak nog teederder gevoel voor een misvormd of ziekelijk kind heeft dan voor een kind van melk en bloed. |309| Ook hier treedt dus het gevoel van zedelijke verantwoordelijkheid op. Er spreken verplichtingen, waaraan men gevoelt zich niet te mogen onttrekken. En meer nog in de zorgvolle opvoeding, dan in de lichamelijke voeding, zoekt de ouderliefde haar doelwit na te jagen.

En zoo komt dan vanzelf de derde grondtrek van het familieleven op, de band die broeders en zusters aan elkander verbindt. Een band, zeer zeker minder sterk, dan die tusschen man en vrouw of tusschen ouders en kinderen, maar die ook zoo toch een hooge beteekenis bezit. We zijn als menschen op samenleven met menschen aangelegd. We zijn niet maar losse individuën die naast elkander staan, maar we hooren bijeen. Op samenleving is heel het menschelijk geslacht aangelegd. En voor die samenleving nu legt het samenleven van broeders en zusters den grondslag. Er ontstaat op kleine schaal in het Gezin zelf een samenleven tusschen meerdere personen, tusschen ouderen en jongeren, tusschen kundigen en min knappen, tusschen jongens en meisjes; en in dezen kring voelt men als vanzelf niet in de eerste plaats zijn zelfstandigheid als individu, maar meer zijn saamhooren bij elkander. Er heerscht in dien kleinen kring een onderling vertrouwen, een gulle vrijheid tegenover elkander, een warm gevoel van aaneensluiting, zooals men dit aanvankelijk met geen andere personen hebben kan. En op die wijs vormt dit samenleven van broeders en zusters een voorschool voor het leven, zooals dat leven die op geen ander terrein voor ons opent.

*

Juist echter omdat het Gezinsleven altoos op die zedelijke grondbetrekking tusschen man en vrouw, ouders en kinderen en broeders en zusters rust, kan die volkomenheid van het Gezinsleven in graad zoo ontzaglijk verschillen. Dat het verschil tusschen Gezin en Gezin ook andere oorzaken heeft, geven we voetstoots toe. Er zijn hoog staande en lager staande geslachten; en nu spreekt het wel vanzelf, dat ook het Gezinsleven hooger karakter zal dragen, zoo man, vrouw en kinderen, personen van vijf talenten zijn, dan zoo ze slechts op één talent roemen kunnen. Ook maakt aard en karakter der samenlevende personen verschil. Driftige, humeurige, hoogmoedige, nijdige, netelige personen zijn onbekwaam, om aan het Gezinsleven die rust, dien vrede, die hoogere vreugde, die rijker genieting te waarborgen, die gesmaakt worden waar zachte, nobele, tot evenwicht gekomen karakters in één Gezin samenwonen. Verschil maakt ook gezondheid of ziekelijkheid, en niet minder de maatschappelijke positie. Zelfs kan er een armoede zijn zóó beneden het menschelijke, dat de dagelijksche ellende alle Gezinseere te niet doet. Er ligt in den eisch, dat elk daglooner een „menschelijk bestaan” hebbe, dan ook een niet te miskennen waarheid. De zorge om den mond open te houden, de zorge voor een stuk goed dat |310| men om de schouders zal hebben, en die voor een woning, waarin het Gezin onder dak zal komen, kan zóó nijpend worden, datallewezenlijk Gezinsleven schade lijdt. Reeds het denkbeeld zelf van het Huisgezin stelt onafwijsbaar den eisch van een bewoonbaar huis, waarin het Gezin saam zal leven. Toch is het niet op deze verschillen, waarop we, bij het onderzoek naar het Christelijk karakter van het Gezin, de aandacht hebben te vestigen. Al deze verschillen toch vinden hun oorzaak buiten het Gezin, in de personen alvorens ze het Gezin vormden en in levensomstandigheden, die ze niet altoos in hun macht mochten hebben. Principiëel komen hier alleen in aanmerking die verschillen in graad van volkomenheid, die hun oorsprong vinden in de lagere of hoogere opvatting van de drie zedelijke grondbetrekkingen in het Gezin zelve: 1º. de verhouding tusschen man en vrouw: 2º. de verhouding tusschen ouders en kinderen, en 3º. de verhouding tusschen broeders en zusters.

Nu bespreken we ook hierbij niet de bijzondere gevallen, maar alleen den algemeenen regel. Er zijn gezinnen van Chrlstenen die beneden het normale peil staan, en er zijn gezinnen van niet-Christenen, die dit peil bereiken of er boven uitgaan. Doch dit is dan te verklaren uit persoonlijke verhoudingen, die bij den algemeenen regel niet in aanmerking komen. Voor den algemeenen regel is het alleen de vraag, of de Christelijke religie er al dan niet toe leidt, om de verhouding tusschen man en vrouw, tusschen ouders en kinderen, en zoo ook tusschen broeders en zusters hooger op te vatten, dan buiten het Christendom het geval is. En dit nu zal niemand loochenen. De historie toont op overtuigende wijze, dat de opvatting van het Huwelijk, van de positie der vrouw, van den plicht der opvoeding, en van den broederband, door het Evangelie geadeld is, en nergens in zoo edelen zin werd genomen, als dit allengs in Christenlanden, ook in de wetgeving, plaats greep. Reeds de strenge opvatting der monogamie gaf hier den doorslag, de gelijkstelling van man en vrouw in Christus hielp, en de broederband van alle geloovigen werkte vanzelf heiligend en verteederend óók op den band tusschen broeders en zusters in het Huisgezin. Met volkomen recht mag, kan en moet men daarom spreken van een Christelijk Huisgezin, voor zoover men daarmede bedoelt, dat de drie zedelijke grondbetrekkingen in het Gezinsleven tot dien graad van volkomenheid zijn geraakt, die ze dan eerst erlangen kunnen, als de opvatting van den band tusschen man en vrouw, ouders en kinderen, broeders en zusters eenigszins beantwoordt aan het ideaal, dat het Evangelie ons voorhoudt.

*

Ook hierbij echter blijven we nog geheel op het terrein der scheppingsordinantie, en komt de verlossing door het bloed des kruises nog ganschelijk niet in rekening. Aan zichzelve overgelaten, vrij doorwerkende, en door |311| geen invloed van zonde verlamd of verdorven, zou het leven, gelijk Adam en Eva dit in de schepping ontvingen, geheel tot hetzelfde resultaat hebben geleid. Het is de zonde, en de zonde alleen, die deze drie zedelijke grondbetrekkingen van het Gezinsleven bedierf en dreigde te verwoesten. Tegen dat bederf in worstelde de Gemeene Gratie, en het is aan haar te danken, dat, in weerwil van de zonde, het Huisgezin stand hield, en een menschelijk stempel bleef dragen. Doch gelijk we in ons historisch-leerstellig deel der Gemeene Gratie hebben toegelicht, is deze Gemeene Gratie op ongemeene wijze gesterkt door de bijzondere openbaring aan Israël, en is deze sterking van de Gemeene Gratie bij Israël, nog weder tot hooger kracht gekomen in de voleinding, die Israël’s openbaring in het Evangelie vond. Hieruit is het te verklaren, dat nu nog onder de Joden het Huisgezin zoo hoog staat. Doch zoo min het Oude- als het Nieuwe Testament doen te dezen opzichte iets anders dan de Gemeene Gratie versterken, en de oorspronkelijke scheppingsordinantie in helderder licht stellen. Wel geven we toe, dat de bekeering en de heiligmaking, zoowel als de verlichting een middel kan zijn, niet alleen om dit hooger en klaarder licht te beter op te vangen, en zoo ook om er te ernstiger naar te leven; maar toch wijst dat de zaak niet uit. Er zijn bekeerde en geestelijk verlichte personen, die de opvoeding hunner kinderen zeer weinig ernstig opvatten; en omgekeerd zijn er onbekeerde en onverlichte personen, die ons in het werk der opvoeding ten voorbeeld kunnen strekken. Men kan volstrekt niet zeggen, dat de Christelijke opvatting van het Gezinsleven alleen onder de bekeerden tot heerschappij is gekomen. Om de zaak zuiver te houden, moeten we dus, bij het bespreken van den algemeenen regel, vaststellen, dat het licht des Evangelies ook hier de Gemeene Gratie versterkt, en alzoo in de algemeene opinie een opvatting van de verhouding tusschen man en vrouw, tusschen ouders en kinderen, tusschen broeders en zusters, doet veld winnen, die, ook afgezien van het persoonlijk geloof, de drie zedelijke grondbetrekkingen van het Gezinsleven qualitatief tot hooger graad van volkomenheid opvoert. En in dien algemeenen zin nu moet beleden, dat, dank zij het Evangelie, het Huisgezin in Christenlanden hooger staat, dan bij de Heidenen of onder den Islâm.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XLIII, De Heraut No. 1196 (2 december 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001