XLI. Het Huisgezin 1

En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avondgeweest, en het was morgen geweest; de zesde dag.

Genesis 1 : 31. a


Na de Overheid komt in dit practische deel van het leerstuk der Gemeene Gratie het Huisgezin aan de orde. Niet om volledig de schriftuurlijke openbaring omtrent het Huisgezin, met al wat tot het Gezinsleven behoort en er uit voortvloeit, tot één geheel ineen te zetten. Ook het Huisgezin toch, is slechts één der voorwerpen, waarop het licht der Gemeene Gratie valt, en komt hier dienvolgens alleen voor zooverre in behandeling, als het door dat bijzondere licht beschenen wordt. Het hoofdstuk van het Huisgezin zal ons daarom van verre na niet zoo lang ophouden, als dat van de Overheid. Niet als ware het minder belangrijk, maar omdat een geschil als over Artikel 36, dat ons bij het vorig hoofdstuk tot zoo alzijdige uiteenzetting noodzaakte, ten opzichte van het Huisgezin onder ons niet opkwam.

Bij de bespreking van het Huisgezin nu sta op den voorgrond, dat het niet, zooals de Overheid, eene instelling is, die eerst uit de Gemeene Gratie opkwam, maar dat het wortelt in de oorspronkelijke scheppingsordinantie. Dit alles beheerschende verschil moet hier met nadruk in herinnering worden gebracht, én omdat het zoo telkens uit het oog wordt verloren, én omdat alle burgervrijheden ter laatste instantie uit dit principiëele verschil tusschen den oorsprong van het Huisgezin en den lateren oorsprong van de Overheid opkomen. Stelt ge u toch een oogenblik voor, dat na den val eerst de Overheid ware ingesteld, en daarna pas door die Overheid het Huisgezin, zoo zou ook het Gezinsleven in volstrekten zin aan de Overheid onderworpen zijn geweest; de Overheid zou er de inrichting van hebben vastgesteld; en naar de wisselende inzichten van de Overheid zou ook het Huisgezin in vorm en samenstelling gewisseld hebben. Zelfs zou het door de Overheid die het instelde, wettelijk kunnen zijn opgeheven. Het Huisgezin zou geen zelfstandig karakter hebben bezeten, het zou met geen zelfstandige rechten zijn toegerust geweest. Het huisrecht, om zelfs een politieagent uit mijn huis te zetten, als ik hem er niet in dulden wil, zou ondenkbaar zijn geweest Er zou geen vaderlijk gezag hebben bestaan. Er zou geen vaste verhouding tusschen man en vrouw hebben gegolden; |292| gelijk men thans dan ook in kringen, waarin men van geen Scheppingsordinantie meer afweet, de verhouding geheel wijzigen wil. Kortom, bezat het Huisgezin geen eigen oorsprong in de Schepping, en ware het evenals de Overheid eerst later en van terzijde in ons menschelijk leven ingeschoven, dan ware elk volk in volstrekten zin aan het absolute goedvinden van den magistraat overgeleverd geweest, en despotisme de levensregel voor elke natie.

*

Het is daarom lange jaren een leemte in de prediking, en zelfs een leemte in het catechisatieonderwijs geweest, dat op dit allesbeheerschend verschil niet opzettelijk gewezen werd. Het geldt hier één van die grondstellingen van het leven, die aan elk burger en aan elke burgeresse steeds klaar en helder voor oogen moeten staan. Alleen wie van die grondstelling diep doordrongen is, is bestand en gewapend tegen de velerlei vervalschingen, die thans in de denkbeelden over het gezinsleven insluipen. De ons ingeschapen dorst naar vrijheid ontaardt als vanzelf in een revolutionair woelen tegen alle gezag, zoo hij niet in de rechten van het Huisgezin zijn uitgangspunt vindt. Slapheid in de opvatting van het gezinsleven onderdrukt de fierheid van karakter, dempt den burgermoed, en voert tot die slaafsche onderwerping aan het dusgenaamd „algemeen belang,” die thans zelfs bij de zich noemende „vrijzinnigen” zoo diep te betreuren valt. Noch de man tegenover zijn vrouw, noch de ouders tegenover hun kinderen staan, zoo deze scheppingsordinantie uit het oog wordt verloren, meer op een vast en onwrikbaar standpunt; en omgekeerd kan het niet anders, of de vrouw zoowel als de kinderen moeten, indien ze ontwaren meer tegenover willekeur dan tegenover een heilige ordinantie te staan, telkens tornen aan de banden, die alleen in staat zijn, hun een juiste levenspositie te waarborgen.

Sta het daarom bij geheel deze bespreking van het Huisgezin helder op den voorgrond, dat het Huisgezin van geheel anderen oorsprong is dan de Overheid. Dat er buiten zonde, zoo de mensch niet gevallen ware, wel een Huisgezin, maar nooit een Overheid zou zijn geweest. Dat dienvolgens het Huisgezin noch zijn oorsprong, noch zijn inrichting, noch zijn levenswet van de Overheid ontvangt, en dat de Overheid ten deze niet anders doen kan en mag, dan de zelfstandige rechten van het Huisgezin boeken, erkennen, en er mede rekenen. En dat, om niet meer te noemen, elk gezin, en in naam van dat gezin het gezinshoofd, het recht en den plicht heeft, om de Overheid te weerstaan, zoo dikwijls ze zich verleiden laat, om dit zelfstandig karakter van het Huisgezin te miskennen of te bedreigen. Als het Huisgezin in plichtsbetrachting te kort schiet, b.v. in zake de opvoeding, moge de Overheid geroepen worden om in te springen; maar zoodra het |293| plichtsbesef in het gezinsleven ontwaakt, en de ouders zelve hun taak vervullen, heeft de Overheid zich terug te trekken. Het ligt nog versch in aller geheugen, wat strijd daarvoor bij de invoering van den Leerplicht gestreden is. Het welbegrepen volksbelang eischt dan ook, dat dit zelfstandig gezinsrecht met de hand en tand verdedigd worde. Wat in Engeland als spreekwoord geldt: „my house is my castle”, d.w.z. mijn huis is mijn kasteel, dat ik desnoods ook tegenover den magistraat in staat van verdediging breng, is een volksspreuk, waarin helder volksbesef en krachtige volksenergie zich uitspreekt.

*

Over de zaak zelve kan voor wie op het standpunt der Heilige Schrift staat, geen twijfel rijzen. Duidelijk toch wordt ons in de eerste hoofdstukken van Genesis geleerd, dat God de Heere, nog eer van zonde sprake was, de splitsing in de twee geslachten van man en vrouw tot stand bracht; ter heiliging van die splitsing het huwelijk, en wel zeer bepaaldelijk de monogamie, instelde; en in verband hiermede de telkens nieuwe vestiging van het zelfstandig gezin verordende, toen Hij sprak: „Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven, en deze twee zullen tot één vleesch zijn.” Dat „verlaten” toch van vader en moeder, wijst op het telkens weer optreden van een nieuw zelfstandig gezin. Ware dit „verlaten” niet verordend, zoo zou alles bijeen gebleven zijn, evenals een kudde dieren, zich al voortplantend, één geheel blijft vormen, en alleen de koninklijke dieren zich paarsgewijze afscheiden. Maar nu verordend is, dat de volwassen man zich heeft af te scheiden, en het gezin van zijn ouders te verlaten heeft, om met zijn vrouw zich afzonderlijk te vestigen, nu is hiermede het zelfstandig karakter van het gezin ook tegenover de andere gezinnen vastgesteld, terwijl het in een unio mystica, d.i. in een mystieke unie, den band van zijn eenheid vindt. Wat er toch staat, dat „deze twee één vleesch” zullen zijn, kan noch mag verstaan worden van het toelaten van het geslachtelijk saamleven. Dit wees zich zelf uit. Neen, het is de Goddelijke wijding die aan het gezin gegeven wordt. Man en vrouw komen elk uit een eigen familie en uit een eigen ouderlijk huis. Ze zijn dus twee, niet één. Zoo zou derhalve het gezin geen eenheid vormen, maar een combinatie blijven. En het is dit denkbeeld, dat wordt afgesneden door de bepaling, dat deze twee één vleesch zullen zijn, d.w.z. dat ze krachtens Goddelijke ordinantie de mystieke eenheid zullen vormen, waarin elk nieuw opkomend gezin zijn eenheidsformatie vindt. Dit is de betrekkelijke waarheid, die er ligt in de voorstelling van de Roomsche Kerk, alsof het Huwelijk een Sacrament ware. Dat dit zoo zijn zou, kunnen we niet toegeven, omdat zoodoende het Huwelijk onder de Particuliere Genade wordt getrokken. Maar al verwerpen we deze |294| voorstelling, toch leert het verhaal van Genesis ook ons met volkomen duidelijkheid, dat het huwelijk heel iets anders dan een contract is, en dat het gezinsleven tot stand komt door wat Paulus in Epheze 5 : 22 noemt „een verborgenheid.”

Staat het alzoo vast, dat het Huisgezin niet aan de Gemeene Gratie zijn ontstaan dankt, dan rijst de vraag, welk ander verband er alsdan tusschen het Huisgezin en de Gemeene Gratie bestaat. Eerst als dit helder wordt ingezien, kan daarna de vraag aan de orde komen, wat het Huisgezin dankt aan de „Bijzondere openbaring”, en in wat zin we spreken kunnen van een „Christelijk Huisgezin.” Wat nu het eerste punt betreft, zoo behoeft het wel geen betoog, in wat sterke mate de ingekomen zonde met name de rust, de inrichting en ten slotte zelfs de instelling van het Huisgezin bedreigde. Nu nog leveren de dagbladen desaangaande, jaar in jaar uit, voor alle land en alle volk het afdoend en volledig bewijs, gevuld als ze rusteloos zijn met eindeloos variëerende verhalen Van allerlei zonden en misdaden, waartoe de verhouding tusschen man en vrouw verleidt. Hoererij, echtbreuk, verkrachting, liefdetwist, moord, zelfmoord, echtscheiding, en zoo veel meer, zetten rusteloos het vernielingswerk voort. Er is geen terrein van menschelijk leven, waarop de zonde van den hartstocht zoo algemeen voortwoelt, zoo ver om zich grijpt, zoo vindingrijk in haar booze vormen is, en zoo tot in het eindelooze, eeuw in eeuw uit, zich herhaalt, en tot de gruwelijkste uitspattingen voortschrijdt, als juist het terrein der geslachtsliefde. Onze schouwburgen leven letterlijk van het azen op dezen hartstocht. Teekenaars en schilders verspillen er hun talent aan. Schrijvers van mysteriën en heel een klasse van schadelijke lectuur zoeken er roem door, slaan er geld uit. Tot in de kleinste dorpen gewagen de geruchten er van. Schier geen familie of geslacht, die door de bacil van dezen hartstocht niet in een zijner leden vergiftigd werd. En ook de naam van „geheime ziekte” behoeft slechts genoemd te worden, om den gruwel te doorzien, die juist op dat terrein van menschelijk leven door de zonde is aangericht. De Heilige Apostel heeft het ons in Rom. 1 : 18-32 dan ook op zoo aangrijpende wijze geteekend, hoe juist deze hartstocht het heidensche leven in het bloeiende en machtige Romeinsche rijk ten slotte geheel ondermijnd had.

*

Geen instelling is dan ook feitelijk door de zonde op zoo ontzettende wijze geschokt, als de instelling van het Huisgezin; en ware hier met name geen reddende macht van Gemeene Gratie bederfwerend ingetreden, dan mag betwijfeld, of er ten slotte van deze Goddelijke instelling, nog eenig herkenbaar spoor zou zijn overgebleven. Ook aan de thans weer opkomende woeling der goddeloosheid, is het klaarlijk te ontdekken, dat de |295| zonde in haar voleinding, met niets minder dan met de volkomen oplossing van het Huisgezin, van het Gezinsleven en van het Huwelijk vrede neemt. Wat men ook nu weer beoogt, en met klimmende onbeschaamdheid predikt, is de vrije liefde en een opvoeding der kinderen door de Overheid. Vrije liefde nu beteekent, dat de rnensch op dit terrein des levens, al wat rnenschenadel leent, zal te niet doen, om, op de wijze der lagere dieren, de bevrediging van zijn dierlijken hartstocht te zoeken waar en wanneer hem dit ook gelust. Een vrouwlijk en een manlijk persoon, die het met elkaar eens zijn, moeten door geen enkele usantie of zedelijke levensorde in het botvieren aan hun zinlijken hartstocht belemmerd worden; en ze moeten aan dezen hartstocht voldoening kunnen schenken, zonder dat hieruit eenige verplichting of eenig gevolg voor hen voortvloeit. Staat men elkander heden aan, en morgen niet meer, dan ziet men van elkaar af, en knoopt elders gelijke betrekking aan. De verwekking van het kind moet door heimelijke middelen worden tegengegaan, en wordt het kind toch geboren, dan levert de vrouw het af aan de Overheid, en deze neemt de voeding en opvoeding van het kind op zich. Eerst zoo is de tot zinlijken hartstocht verlaagde liefde geheel vrij, omdat er zoodoende geen Huisgezin en geen Gezinsleven meer is. Het kind kent zijn vader niet meer. Bastaardij is levensregel geworden. De man leeft op zichzelf, en de vrouw leeft op zichzelve. Men spijst in publieke gelagzalen, en kiest zijn slaapstede naar de hartstocht wenkt. Zoo vervalt alle reden om een Huisgezin op te zetten. Het Huisgezin zou altoos een band blijven, en juist een band wil men niet. En waar, naar Goddelijke ordinantie, de teedere band van de moeder aan het kind, nog altoos een samenleven noodzakelijk zou maken, daar moest juist die zorg voor het kind aan de moeder ontnomen worden. Staatskostscholen vervangen het Gezin.

Zoo willen de ontuchtige denkers en romanschrijvers het thans, en ze prijzen dit stelsel aan met de belofte, dat aldus alle zonde, vergrijp en misdaad wegvalt. Bij vrije liefde is er noch hoererij noch echtbreuk meer, geen verwaarloozing van het kind, geen huislijke twist, geen broedernijd noch echtscheiding. Natuurlijk, als men leven gaat gelijk de lagere dieren leven, dan vallen vanzelf al die zonden weg, die ook onder de dieren niet kunnen bestaan, omdat alle enkele zonden zich dan oplossen in die ééne principiëele zonde, dat de mensch zijn menschelijke waardij uitschudt en wordt als het dier. In gelijken geest hebben dan ook de heidensche denkers vóór de komst van Christus zich uitgelaten. Zelfs een zoo uitnemend denker als Plato beval zulk een Staatsopvoeding van het kind, buiten het Huisgezin, aan, en in Sparta heeft heidensche dwaasheid dat booze ideaal zelfs verwezenlijkt. Zoo deinsde men voor niets terug. Het Huisgezin moest niet alleen verzwakt en ondermijnd, maar tot in zijn grondslagen vernietigd worden. Het moest niet meer gevonden worden. Het moest niet meer |296| bestaan. En waar nu, én vroeger én thans weer, de doolgeraakte wijsbegeerte, zelfs bij anders uitnemende denkers, met logische consequentie tot zulke ongerijmdheden geleid heeft en nog leidt, daar is de uitspraak niet te sterk, dat zonder de Gemeene Gratie de vernietiging van het Gezinsleven reeds voor vele eeuwen zou gelukt zijn, en er toen Christus op aarde kwam, geen spoor meer van deze instelling des huisgezins zou zijn te ontdekken geweest. De zonde ongetemperd en ongebreideld zich voleindende, zou binnen korten tijd heel het Huisgezin en het Gezinsleven spoorloos hebben doen verdwijnen. Wie dan ook in de historie nagaat, tot hoe onkenbaar wordens toe het Gezinsleven bij vele stammen, in onderscheiden streken, ontaard is, ontaard door veelwijverij, ontaard door het matriarchaat, ontaard door concubinaat, ontaard door het losse contract des huwelijks, ontaard door de slavernij, ontaard door echtscheiding bij de maand, zoo niet bij de week, en nagaat op hoe veelszins lage trap het huwelijk zelfs nog bij de patriarchen stond, en tot in Davids en Salomo’s dagen nog verkwijnde, — die tast en gevoelt, hoe alleen hooger macht hier tusschen beide kon treden, om, onder al deze verbasteringen, toch nog de idee van het Huisgezin, den rijkdom van het Gezinsleven, en de hooge beteekenis van het Huwelijk te redden.

*

Dit is dan ook hier de wondere werking van de Gemeene Gratie geweest, dat God zelf, die het Huisgezin had ingesteld, het voor deze vernieling door de zonde gevrijwaard heeft. Het Gezin zou door de zonde, ware deze aan zichzelve overgelaten, volkomen te niet zijn gedaan; maar nu heeft God het door de wondere werking der Gemeene Gratie, althans bij deedeler volken, nog in betrekkelijke zuiverheid, de eeuwen door, in stand gehouden. Hij heeft dit gedaan, door het getal mannelijke en vrouwelijke geboorten zoo goed als gelijk te doen blijven, en alzoo de veelwijverij slechts voor enkelen mogelijk te maken. Hij heeft dit gedaan, door de weelde des levens van de groote menigte af te weren, en alzoo den steun der weelde aan dezen boozen hartstocht bij de massa te ontnemen. Hij heeft dit gedaan door een duurzame liefde, aan wie gepaard waren, voor elkander in het hart te ontvonken. Hij heeft dit gedaan door de sterke moederliefde, die Hij aan de vrouw die moeder werd, voor haar kind heeft ingestort. Hij heeft dit gedaan door de kinderen zich aan hun ouders te doen hechten, en eerbied voor het ouderlijk gezag door de hulpbehoevendheid zelve aan het kind in zijn eerste levensjaren in te prenten. Hij heeft dit gedaan door wetgevers te verwekken, die ook onder de heidensche volken voor de eere van hethuwelijk zijn opgekomen. Hij heeft dit gedaan door de zondige gevolgen van de vrije liefde zoo luide tot de vo!ksconsciëntie te doen spreken, dat de eenvoudige er voor terugschrikte. Hij heeft dit gedaan |297| ook daardoor, dat Hij het stille huwelijksleven kroonde met een zegen van levensgeluk en levensgenieting, die ten slotte toch weer het hart toesprak en bekoorde. En dit alles te zamen nu vormt die Gemeene Gratie, waardoor het God beliefd heeft, het Huisgezin, onder wat vaak verschillende vormen ook, toch als instelling in stand te houden, en het vooral onder Israël zelfs tot hooge trap van heiligheid te doen opklimmen.

Het is die Gemeene Gratie die nog doorwerkt, en ook bij ons volk in kringen, waaruit alle geloof verdween, de traditiën van het Gezinsleven soms op zoo schoone en edele wijze in standhoudt. Vandaar, dat ge nog in grooten getale ook onder ons geheel moderne en soms erger dan moderne, gezinnen vindt, die in het huwelijksleven rijk en gelukkig, door zuiverheid uitmunten, de liefde heiligen, en de zorg voor de kinderen tot heilige levenstaak kozen. Het is aan die Gemeene Gratie en aan haar alleen te danken dat, b.v. onder een volk, zoo ingeslapen als het Chineesche, de eerbied voor het ouderlijk gezag nog zoo krachtig voortleeft, dat het onze gedoopte kinderen vaak beschamen kan. En het is vrucht van diezelfde Gerneene Gratie, dat, terwijl in de kringen der rijksten en der armsten met name in de steden de zonde van den wellust zoo vernielend voortkankert, — op het platteland, en bij onzen gewonen handwerksstand, en zoo ook bij onze eenvoudige burgerij, nog een zin voor huwelijksgeluk voortbestaat, die de kracht uitmaakt van ons volksbestaan. Dat ook bij deze klasse der bevolking, zonde zich in het goede mengt, ontkennen we, daarom niet; maar het feit mag dan toch dankbaar geconstateerd, dat de overtuiging in deze kringen onverzwakt stand houdt, dat het Huisgezin de normale levensorde is; dat het Huwelijk om Godswil in eere is te houden, en dat alleen het Gezinsleven bevrediging schenkt aan onzen menschelijken dorst naar levensgeluk.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XLI, De Heraut No. 1194 (18 november 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001