XL. Kerk en Staat 28 (Slot)

Durft iemand van ulieden, die eene zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen?

1 Cor. 6 : 1. a


Aan het einde van onze uiteenzetting toegekomen, vatten we duidelijkheidshalve het gevondene, althans wat de hoofdpunten aangaat, in korte trekken saam.


1 . Artikel 36 van onze Belijdenis moet historisch, en mag niet opportunistisch worden uitgelegd. Dit artikel onderstelt, in overeenstemming met de theorie die in de middeleeuwen gold, en nóg door Rome wordt gehandhaafd, |285| dat er slechts ééne Kerk bestaat en bestaan kan; dat wat daarnaast opkomt, zich valschelijk alzoo noemt; en dat de Overheid geroepen is, desnoods met het zwaard, die ééne Kerk te beschermen, en niet alleen de afgoderij, maar ook allen valschen godsdienst uit te roeien.


2. Bij de verhouding tusschen Kerk en Staat, komt de Kerk voor als instituut en niet als organisme.


3. Beide, het instituut van de Kerk en het instituut van de Overheid, bestaan om der zonde wil. Had de eerste mensch volhard in den staat der rechtheid, er zou nooit een zelfstandig instituut der Kerk, en nooit een Overheid geweest zijn. Het vaderlijk gezag alleen komt uit de schepping op, het Overheidsgezag is van latere instelling. Men kan dit ook zóó uitdrukken, dat het vaderlijk gezag, en daarmede samenhangend het patriarchale familiegezag, met insluiting van het maritale gezag, organisch van natuur zijn; het Overheidsgezag daarentegen en het Kerkelijk gezag mechanisch. Organisch duidt hierbij datgene aan, wat uit het leven zelf, gelijk dit naar de scheppingsordinantie bestaat, opkomt; mechanisch daarentegen datgene, wat op kunstmatige wijze in dit leven is ingeschoven. Zoo is organisch de tand die vanzelf aan het gebit van het kind uitgroeit; mechanisch de kunsttand, die later in het verstoorde gebit word tingezet. Organisch zich bewegen, is het loopen op onze twee natuurlijke beenen; mechanisch het gaan op twee krukken, als de beenen hun dienst weigeren.


4. Hoezeer beide instituten, zoowel dat van de Kerk als van de Overheid, om der zonde wil ingesteld, en dus mechanisch van natuur zijn, zoo verschillen toch beide principiëel hierin, dat de Overheid een instituut is van de Gemeene Gratie, de Kerk daarentegen een instituut van de Particuliere Genade. Hieruit volgt, dat de Overheid onder alle volken bestaat zoolang er volken optraden, de Kerk daarentegen als zelfstandig instituut eerst sedert den Pinksterdag. Wel is de Kerk als organisme er van het Paradijs af geweest, maar niet als zelfstandige instelling. Dat werd ze eerst door de uitstorting van den Heiligen Geest, na in den kring van Jezus en zijn discipelen te zijn gepraeformeerd.

Dit nu brengt met zich, dat in de Gemeene Gratie al datgene gegeven moet zijn, wat voor het instituut der Overheid als onmisbaar vereischte gevorderd wordt; alsmede, dat de Christelijke religie wel ook voor de Overheid den wil Gods in de Gemeene Gratie verheldert, maar nooit aan de Overheid een soteriologisch karakter leent; iets wat met den aard van haar instelling in strijd zou zijn. De Overheid is en blijft een instelling voor onze aardsche huishouding en vindt haar einddoel in deze bedeeling; de Kerk is en blijft een instelling voor het Koninkrijk der hemelen, en vindt haar einddoel in hetgeen aan de overzijde van het graf ligt. |286|


5. In Christus vinden Overheid en Kerk haar hoogere eenheid, in zooverre de Zone Gods tegelijk Middelaar is én voor het natuurlijk én voor het kerkelijk leven. Hij is Scheppingsmiddelaar en Verlossingsmiddelaar, maar elk dezer twee op een andere wijze, in andere orde en uit anderen hoofde; en wie beide verwart, gaat tegen de Heilige Schrift in.


6. De twee instellingen van de Overheid en van de Kerk dienen beide de eere Gods en der menschen heil, maar elk op eigen wijze. De Overheid door dwang, geweld en den sterken arm; de Kerk door het wekken van overtuiging, door belijdenis en door geestelijken invloed. Beide zijn gebonden aan den geopenbaarden wil van God, gelijk die kenbaar is uit de natuur, uit de historie, uit de Heilige Schrift, en uit de verlichting des Heiligen Geestes; doch elk aan den wil Gods, gelijk die geopenbaard is voor haar eigen levensterrein.


7. Hetgeen in de Heilige Schrift geopenbaard is over de verhouding van het burgerlijk en godsdienstig leven in den patriarchalen tijd en onder Israël, is niet dan bij derde van vergelijking toepasselijk op de verhouding tusschen de Overheid en de Kerk als zelfstandig instituut. De patriarchale verhouding vóór Mozes, en de nationale verhouding onder Israël, droeg een buitengewoon karakter, dat zonder meer niet van toepassing is op de toestanden, die ontstonden nadat de bijzondere Openbaring voltooid was. Dies kunnen ze noch mogen ze regel stellen voor de verhouding van de Overheid tot de Kerk als zelfstandig instituut, overmits zulk een zelfstandig kerkelijk instituut destijds nog niet bestond.


8. In de Evangeliën en in de Apostolische brieven, in de Handelingen en in de Openbaring van johannes, wordt niet met één enkel woord op plicht tot inmenging van de Overheid in de kerkelijke aangelegenheden gedoeld of gezinspeeld. Veeleer worden in geheel het Nieuwe Testament de sfeer der Overheid en de sfeer der zelfstandige Kerk, als twee in aard, karakter, bestaanswijs en doel geheel onderscheiden sferen, voorgesteld. Het woord van Jezus tot Pilatus is hier beslissend: „Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Indien mijn koninkrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijne jongeren voor mij gestreden hebben, maar nu is mijn koninkrijk niet van hier.” Wel worden plichten aan de belijders van Jezus jegens de Overheid opgelegd, maar met niet één woord eene verplichting aan de Overheid tot het zich partij stellen, wat voor het kerkelijk terrein aangaat. Wel wordt in sterke bewoordingen ons aangezegd, dat de Overheid de ware belijders van Jezus vervolgen zal; nergens dat ze deze met haar gezag heeft te dekken. Voor alle beroep op de Heilige Schrift ten deze, verwijsl men dan ook uitsluitend naar het Oude Testament; en juist wat deswege |287| in het Oude Testament voorkomt, kan onder de bedeeling des Nieuwen Verbonds op de Kerk als zelfstandig instituut niet van toepassing zijn.


9. Evenals elke menschelijke levensopenbaring is ook de Kerk begonnen met op te treden in volstrekte eenheid ; maar evenals elke andere menschelijke levensopenbaring, is ook zij onderworpen aan de wet der ontwikkeling. Deze wet der ontwikkeling nu stelt op alle terrein van leven den regel, dat deze ontwikkeling ga door splitsing en door daaruit geboren strijd. Wat begint en moet beginnen met eenvormig te zijn, gaat bij hooger ontwikkeling altoos en naar Gods ordinantie in veelvormigheid of pluriformiteit over. Zoo is het in het leven van de plant, van het dier, en, op menschelijk terrein, in het gezin, in het geslacht, in het bedrijf, in de kunst, in de wetenschap, in het staatkundig leven, en zoo ook in het leven der Kerk. Menschelijke zonde, dwaling en verkeerdheid, moge deze splitsing en strijd noodeloos verscherpen, maar in beginsel is deze splitsing een noodzakelijke werking van de door God gestelde levensordinantie. Eerst heeft de massa der menschen, hetzij als stam, als volk of als Kerk, slechts één leven, één besef, één denkwijze, één levensbestaan, één wijze van uiting, één ideaal. Bij voortgaande ontwikkeling daarentegen begint zich de persoonlijkheid te doen gelden en treedt het massale meer op den achtergrond. Verschil van ras, stam, nationaliteit, hemelstreek, usantie en verleden, brengt teweeg, dat zich verschillende vormen in het eerst eenvormige leven beginnen te vertoonen, en ten slotte worden hieruit verschillende rassen, verschillende scholen en richtingen, verschillende menschelijke bestaanswijzen geboren, die ook voor het kerkelijk leven onderscheiden en uiteenloopende eischen stellen. Dientengevolge nu moet ook de Kerk, die organisch één blijft, zich institutair in onderscheidene en uiteenloopende formatiën openbaren.


10. Deze openbaring van de Kerk in veelheid van formatiën, poogde reeds lang vóór de Reformatie door te dringen, en drong reeds door in de zelfstandige formatie van de oude Engelsche of Culdeïsche, van de Grieksche, de Armenische, de Koptische Kerk enz. In het zuiden en westen van Europa daarentegen, slaagde de Roomsche hiërarchie er in, om dit proces tijdelijk te stuiten, tot de Reformatie aan dat proces zijn vrijen loop hergaf. Toch kon eerst nadat de kruitdamp van dezen strijd was opgetrokken, de doorbreking van het proces tot het bewustzijn doordringen. Vandaar dat ook de Reformatoren, nog in de Roomsche eenheidsidee bevangen, zich aanvankelijk niet anders voorstelden, of de Roomsche hiërarchie zou worden vernietigd, en de vrijgemaakte Kerken zouden als nieuwe eenheid zich openbaren. Dogmatisch hebben zij daarom de Roomsche eenheidsidee nog bepleit, en in hun ijver het ondenkbare beproefd, om de gebroken eenheid te herstellen. |288|


11. Dit pogen is mislukt en moest mislukken. Die eenheidsidee toch was niet opnieuw te verwezenlijken, tenzij men ze opnieuw omzette in een clericale hiërarchie. De Roomsche eenheidsidee was zonder het instrument eener clericale hiërarchie niet te verwezenlijken, gelijk ze dat nu nog niet is. Wie zich ten deze op het Roomsche standpunt plaatst, moet dan ook tot de Roornsche organisatie terugkeeren, maar zou juist daardoor tegen de wet van het ontwikkelingsproces, die ook voor het kerkelijk leven geldt, ingaan. De feiten spreken dan ook zoo sterk, dat eer de Reformatie één eeuw had doorgewerkt, meerdere kerkgroepen met een eigen belijdenis en een eigen kerkorganisatie naast elkander kwamen te staan; een proces van splitsing, dat zich sinds dien tijd nog steeds heeft voortgezet.


12. Zoolang de Kerk, als zelfstandig instituut, in eenheid van formatie optrad, kende de Overheid sedert Constantijn slechts één Kerk, ontzegde aan alles wat niet tot die Kerk behoorde, bestaansrecht, en begiftigde die Kerk op milde wijze. Toen daarentegen de pluriformiteit der Kerken doorbrak, kwam de Overheid voor een geheel nieuwen toestand te staan, dien zij, zoo min als de Kerken zelve, van stonde aan met helderheid doorzag. Ook de Overheid was dusver aan de eenheidsidee der Kerk gewend; het bestaan van slechts één Kerk vereenvoudigde haar bemoeiing; en zoo koos ze aanvankelijk op onderscheidene wijzen voor de éénheid van het kerkelijk instituut tegen de pluriformiteit partij. Ze deed dat, voorzoover ze met de Roomsche hiërarchie één lijn trok, door te vuur en te zwaard de Kerken der Hervorming te vervolgen; maar ze deed dit ook in landen, waar de Reformatie ingevoerd werd, door zich voor één der Kerken te verklaren, en de anderen hoogstens te dulden. Iets waaruit een Caesaropapisme in velerlei vorm ontstaan is, evenwel zoo, dat de Overheid overal een nationale Kerk, een landskerk, een staatskerk, een volkskerk, als de eenige waarmede zij te rekenen had, erkende.


13. Hierdoor is de vrijheid der Kerken te loor gegaan. Ze werden een tak van Staatsdienst, met privilegiën b egunstigd, maar aan de macht van den Souverein onderworpen. Haar vrije, zelfstandige ontwikkeling werd belemmerd. Hier te lande mochten geen Generale Synoden meer saamkomen, en na den schijntriomf van 1619 is de vrijheid, en daarmee de ontwikkeling en de rijke levensopenbaring onzer Kerken ten slotte geheel te loor gegaan, tot ten leste koning Willem I op geheel onwettige wijze de Kerken in de boeien sloeg, waaruit al onze latere ellende, onze deeling, en onze machteloosheid geboren is.


14. De oorzaak van deze door de Overheid over ons gebrachte verwoesting, ligt niet in toevalligheden of in iets bijkomstigs, maar in het verkeerde stelsel als zoodanig. Het zuiverder of onzuiverder karakter van |289| een kerkelijk instituut kan alleen geestelijk onderscheiden worden, en voor die geestelijke onderscheiding mist de Overheid het orgaan. De personen der Overheid moge geestelijk licht hebben ontvangen, de Overheid als instituut bezit dit licht niet. Dienvolgens is zij, waar nieuwe kerkelijke instituten naast elkander optreden, onbekwaam en buiten staat, om de waardij van dezen te beoordeelen. Ze is ten deze tot oordeelen onbevoegd, en mag het niet doen. Dit zelve gevoelende, is zij toen uitwendige eischen van Statuten enz. gaan stellen, die, aan het burgerlijke vereenigingsleven ontleend, op de Kerk waartoe verreweg de meesten krachtens geboorte behooren, niet van toepassing waren; en zoo is het verderfelijke collegiale stelsel tot wet verheven; een wet, waaronder alle Protestantsche Kerken in alle landen nog altoos zuchten.


15. Zal derhalve het kerkelijk leven tot nieuwe, krachtige en vrije ontwikkeling komen, dan moeten de Kerken zelve beginnen, met te breken met het valsche stelsel; welbewust in de van God gestelde wetderontwikkeling, die de wet der pluriformiteit is, inleven; en zoo een communis opinio doen geboren worden die aan de Kerken haar vrijheid hergeeft. En hiertoe nu zullen de Kerken nooit bekwaam zijn,zoolangzeweigeren in hoofdzaak uit eigen middelen te leven, en niet den moed hebben om, door het brengen van het offer van alle persoonlijkengeldelijkvoordeel, haar volle onafhankelijkheid te herwinnen.


16. Moet op die wijze gebroken worden met het valsche, tevens practisch onhoudbare, en tegen Gods ordinantie ingaande eenheidsstelsel, en dientengevolge alle voordeel worden prijsgegeven, dat de gunst der Overheid in haar dwangstelsel verborg, hier staat tegenover, dat de Kerken, dank zij het veldwinnend constitutioneele Staatsrecht, zich een koninklijken weg geopend zien, om ook op het Staatsleven in te werken, door het systeem van Volksvertegenwoordiging. De beginselen toch, waarvan zij de draagsters zijn, zullen zij door catechisatie en prediking onder de burgers veld doen winnen, en zoo door haar leden als burgers haar invloed ook op het terrein van het volksleven doen gelden.


17. Met het beginsel der Fransche Revolutie heeft dit standpunt niets gemeen. Krachtens het beginsel van 1789 wordt alle Kerk beschouwd als een vijandige macht, die ten onder moet worden gebracht; krachtens ons beginsel is ze een goddelijke instelling, die in de door God haar verleende geestelijke vrijheid kracht moet zoeken, en volgens de door God aan alle menschelijke levensuiting gestelde ordinantiën zich te ontwikkelen heeft. De Fransche Revolutie beoogde den ondergang der Kerken, het door ons beleden beginsel strekt, om ze uit de broeikas naar het open veld uit te dragen, en in die sterkende, frissche atmosfeer tot hooger bloei te brengen. |290|


18. Dit stelsel is niet dat der neutraliteit. Neutraal kan men zich alleen houden, ten opzichte van een belang of een beginsel, waarvoor men onder andere omstandigheden de verantwoordelijkheid draagt; niet ten opzichte van een belang of een beginsel, dat geheel buiten onze levenssfeer ligt. Een Kerk kan niet neutraal zijn ten opzichte van den handel, de scheepvaart of den landbouw; eenvoudig omdat ze als Kerk met deze uitingen van het volksleven niets te maken heeft.


19. Evenmin wordt door dit stelsel der pluriformiteit de waarheid aan sceptisch indifferentisme prijs gegeven. Absoluut is de waarheid alleen in voorwerpelijken zin; bij toeëigening en persoonlijke overtuiging kan de onderwerpelijke belijdenis nooit geheel haar subjectief karakter verloochenen; en het subjectieve is nooit absoluut en kan het niet zijn, overmits niet één eenig mensch alle tinten die in het witte licht schuilen, in zich vereenigt. Daarentegen brengt juist dit persoonlijk-subjectieve karakter der overtuiging teweeg, dat men hetgeen men belijdt, te vastiger, te inniger, te vuriger belijdt, zoodat alle twijfelzucht hier is uitgesloten. En evenzoo heeft de pluriformiteit tengevolge, niet, dat men tegenover zijn Kerk onverschillig komt te staan, maar omgekeerd, dat men te inniger en te vaster overtuigd is, dat de Kerk waarvan men zelf lid is, de zuiverste institutaire openbaring der Kerk is, die zich laat vinden.


20. Vergelijk met wie zich aan de Roomsche eenheidsidee blijven vastklemmen, is uit dien hoofde voor ons ondenkbaar. Wie het stelsel der eenheidsidee, zonder de daarbij behoorende Roomsche organisatie, blijven verdedigen, houden de vrijheid der Kerken tegen, staan aan haar natuurlijke levensontwikkeling in den weg, miskennen de van God voor alle menschelijke levensontwikkeling gegeven wet, doemen zichzelve tot smadelijke machteloosheid, gunnen aan het ongeloof in de Kerk vrij spel, en bouwen hun hoop op een Overheid, die in het verleden door haar inmenging de Kerken altoos geschaad heeft, en in de toekomst haar te dieper vernederen zal, naarmate ze meer te kort schieten in den geloofsmoed, om fier en welbewust haar vrijheid in Christus te heroveren.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XL, De Heraut No. 1193 (11 november 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001