XXXIX. Kerk en Staat 27

Doch Jezus zeide: Verbiedt hem niet; want er is niemand, die eene kracht doen zal in mijnen naam, en haastelijk van mij zal kunnen kwalijk spreken. Want wie tegen ons niet is, die is voor ons.

Markus 9 : 39, 40. a


Uit het voorafgaande zal het duidelijk zijn, hoe het absolute standpunt formeel alleen door de Roomsche kerk op in elkaar sluitende wijze is uitgewerkt, maar hoe het noch van Roomsche noch van Protestantsche zijde voor practische doorvoering bruikbaar is gebleken; en dat wel hierom, omdat de ontwikkeling van het leven in haar historisch verloop, nietbij de eenvormigheid kan blijven staan. Bij elke levensontwikkeling onder menschen is er wel eenheid door eenvormigheid in den aanvang, en blijft het einddoel eenheid door harmonie van het verscheidene; maar op heel den langen weg, die van het begin naar het einde van zulk een levensontwikkeling voert, vertoont ze gedeeldheid en veelvormigheid. En zulks niet alleen om der zonde wil (al is het ontegenzeggelijk dat de zonde de gedeeldheid op onnatuurlijke wijze verscherpt) maar krachtens de eigen scheppingsordinantie Gods. Alle proces beweegt zich uit de eenheid van de kiem, door de splitsing van de stengels, naar de harmonie van de voltooide plant.

Maar, zoo vraagt men ons met belangstellenden ernst: Indien dat dan zoo is, loopt ge dan toch niet zeer ernstig gevaar in de neutraliteit van de mannen der Revolutie te vervallen? Komt ge, zoodoende, niet ten slotte uit bij twijfelzucht en onverschilligheid? Verliest ge op die wijs niet het geloof in de zekerheid van uw eigen belijdenis en in de vastheid van uw levensovertuiging? En overmits deze vraag van het uiterste gewicht is, mogen we onze uiteenzetting van de verhouding tusschen Kerk en Staat niet als geëindigd beschouwen, zonder haar, met al den ernst die hier eisch is, onder de oogen te hebben gezien.

Ten einde nu ook ten deze ons niet in klanken en phrasen te verliezen, is het voor alle dingen noodig, dat we vaststellen, wie de mannen der Revolutie zijn, en wat deze mannen der Revolutie onder Neutraliteit verstaan. Hoe schel toch deze klanken van Neutraliteit en Revolutie ook klinken, die klanken op zichzelf wijzen het geding niet uit. Dit zullen onze tegenstanders onder de minnaars onzer belijdenis ons zelve toegeven. |279| Of is het niet zoo, dat geheel hetzelfde verwijt door de Roomsche pleitbezorgers tegen hen wordt aangevoerd? Kan niet een ieder het in de geschriften der Roomsche polemisten lezen, dat de Reformatie in den grond der zaak de Revolutie was, en dat de groote Revolutie van 1789 slechts het rechtstreeksch gevolg was van 1517? Luther de geestelijke vader van Voltaire, Calvijn de geestelijke bezieler van Rousseau! Is niet op alle manier ons van die zijde aangezegd, dat er geen gezag op aarde te handhaven is, tenzij de bisschop van Rome als de stedehouder van Christus worde erkend, en dat waar dit gezag wordt losgelaten, een ieder zijn eigen gezag opricht en alzoo Goddelijk gezag wordt verworpen? Mogen we nu aan hen, die onder de minnaars onzer belijdenis gelijk verwijt van revolutionaire woeling tegen óns richten, de vraag stellen, of zij voor dat verwijt der Roomsche polemisten uit den weg zijn getreden? En indien niet, gevoelen ze dan zelve niet, dat het tegen ons oproepen van het spooksel der Neutraliteit en der Revolutie op ons al even weinig indruk moet maken, zoolang elk nader bewijs voor hun beweren ontbreekt.

*

Bij soortgelijk geding is het daarom plicht, aanstonds van de woorden tot de zaken te komen, en zoo ook hier, om zich nauwkeurig rekenschap te geven van wat de mannen der Revolutie voorwenden, en van wat ze met hun Neutraliteit bedoelen. Eerst als dat ons helder voor oogen staat, valt uit te maken, of wat wij voorstaan, hieraan gelijk is, of wel er principiëel van verschilt. Nu staat het èn historisch èn onder ons vast, dat de mannen der Revolutie in beginsel alle bijzondere openbaring van Gods wil loochenen; uit de wilsuiting van den mensch heel het gebouw van het menschelijk leven optrekken; deswege heel het kerkelijk leven als een overblijfsel van bijgeloof en vooroordeel beschouwen; en zich aldusniet slechts tegen de Kerk zelve, maar tegen geheel de Christelijke usantie en levensbeschouwing keeren, ten einde er de humanistische levensbeschouwing, die uit het Heidendom opkwam, gedragen door de school, als antikerk, voor in de plaats te stellen. In dat stelsel, en bij dat streven nu, beteekent Neutraliteit, dat alle geloof en alle kerkelijke openbaring voor onverschillig wordt verklaard, ten einde het ongeloof te doen zegevieren en een wetenschap, die uit den wortel van het ongeloof wordt opgetrokken, als rechter te doen zitten over alle levensvragen. Dat zóó en niet anders deze Neutraliteit bedoeld is, lijdt geen tegenspraak. Nooit en nergens hebben de mannen der Revolutie gelijk recht gewild of beoogd. Hun dusgenaamde neutraliteit diende zich altoos als anti-Clericalisme aan. Iets wat ten onzent althans nauwlijks behoeft herinnerd te worden, waar een strijd om de School gestreden is, die, onder neutrale vlag, niet anders dan het terugdringen van het Christelijk element op de volksschool bedoelde. |280|

Zal nu iemand beweren, dat het dit is, wat ook wij bedoelen en voorstaan? Natuurlijk niet. Het is toch openbaar, dat heel ons streven er juist vierkant tegen in gaat, en er op gericht is, om dat streven in zijn vaart te stuiten. Dat bedoelt men dan ook niet. Wat men vreest is alleen, dat wij ongemerkt en zonder er ons zelve van bewust te zijn, voeden wat we keeren willen, en sterken wat we bestrijden. Niet tegen onze intentie, alleen tegen de, helderheid van ons doorzicht rijst het bezwaar. Gij, zoo zegt men, wilt toch ook de neutraliteit, want gelijk uw standpunt door u zelve is toegelicht, moet voor de Overheid alles even goed zijn. Gij ook belet de Overheid partij te kiezen. Gij wilt, evenzoo als de mannen der Revolutie, dat de Overheid niet zal uitmaken, welke de ware en welke de valsche kerk is.

*

Hiertegen nu zij al aanstonds opgemerkt, dat tusschen de Overheid en de personen die het Overheidsgezag uitoefenen, scherp moet onderscheiden worden. Die personen staan onder de gemeene wet, die geldt voor al wat mensch heet, en die wet is, dat een ieder zondaar zich bekeeren zal, en dat hij, geestelijk licht ontvangen hebbende, zich voegen zal bij de ware kerk van God. Voor een iegelijk die met overheidsgezag bekleed is, hij zij keizer of koning, burgemeester of rechter, minister of politieagent, geldt dit alzoo even onverzwakt als voor ieder koopman of daglooner. Maar moet er dan geen onderscheid gemaakt tusschen hetgeen geldt voor u als mensch of als persoon, en hetgeen u als eisch gesteld wordt in uw qualiteit? Een timmerman, wie hij ook zij, moet zich bekeeren en bij de ware kerk voegen; maar volgt hier nu uit, dat hij als timmerman in de kerk komt? Natuurlijk niet. Wel geldt voor hem ook als timmerman de eisch, dat hij zijn taak ernstig opvatte, eerlijk en getrouw met zijn patroons en werklieden omga, en zijn talent bezige om in zijn ambacht het beste te leveren, wat daarin geleverd kan worden; maar dit alles zegt alleen, dat zijn Christelijke belijdenis ook op zijn burgerlijk leven verheffend inwerkt, om de gaven der Gemeene Gratie te beter tot haar recht te doen komen. In gelijken zin nu zeggen ook wij, dat wel elk overheidspersoon als mensch geroepen is zich te bekeeren en zich bij de ware kerk te voegen, maar dat het Overheidsgezag als zoodanig óók bij de bekeerden tot den kring van het burgerlijke leven en dus tot de sfeer van de Gemeene Gratie blijft behooren, zoodat de Christelijke belijdenis in den Overheidspersoon geen ander effect heeft, dan om hem op dit terrein zijn plichten te getrouwer, te ernstiger en te gelukkiger te doen gevoelen. Een regimentscommandant zal als persoon tot den Heere bekeerd kunnen zijn, en ook als persoon de ware kerk moeten verkiezen en de valsche kerk moeten tegenstaan; maar hij kan en mag dit niet doen als commandant van de |281| troepen die onder hem staan. Spreekt hij een soldaat In het particulier, dan zal hij hem mogen wijzen op de dwaling van andere kerken; maar als de Zondag aanbreekt, mag hij de Roomsche, Luthersche of Doopsgezinde soldaten niet commandeeren om naar de Gereformeerde kerk te gaan. Zoo is het met een commandant aan boord van een oorlogsschip. Zoo is het met den Directeur van een hospitaal. Het zou eenvoudig misbruik van gezag zijn, indien wie macht over menschen heeft, die macht aanwendde om hen met geweld te dwingen naar zijn kant. Zal men nu zeggen, dat daarom zulk een kolonel, zulk een kapitein ter zee, of zulk een directeur zich neutraal houdt, geen voorkeur heeft, en het beginsel der Revolutie huldigt? In het minst niet. En dat wel om de eenvoudige reden, dat men slechts dan in slechten zin neutraal is, als men partij kiezen moet, en dit uit onverschilligheid nalaat.

Neutraliteit kan een ondeugd zijn, maar is even dikwijls een deugd. Er kan in neutraliteit plichtsverzuim schuilen, maar even dikwijls plichtsbetrachting. Als er een oorlog uitbreekt tusschen Rumenië en Bulgarije, of tusschen Servië en Montenegro, dan zou het een misdaad zijn, zoo onze Regeering zich niet neutraal hield. Het volkenrecht heeft in zulk geval de plichten der neutralen dan ook steeds scherper zoeken te belijnen; en niemand denkt er aan, in zulk een constellatie de neutraliteit van derden als iets verkeerds te veroordeelen. En een schuldig karakter neemt zulk een neutraliteit dan eerst aan, als er een hooger beginsel in het spel was, dat tot partijkiezen noodzaakte, en zoo men dan toch den moed en de offervaardigheid miste, om voor het bedreigde volk in de bres te springen. Wanneer, toen Transvaal werd bedreigd, de Oranje-Vrijstaat zich neutraal had gehouden, zou de neutraliteit, en zeer terecht, aan deze republiek als schuld zijn aangerekend. Juist zooals de volksconsciëntie het als schuld aan de groote mogendheden aanrekent, dat ze, laf en beginselloos, geen protest lieten hooren, toen Engeland zich opmaakte om de twee Zuid-Afrikaansche republieken te verpletteren.

Evenzoo staat het met de binnenlandsche aangelegenheden van andere Staten. Als er een partijstrijd op onze grenzen in een naburig land woedt, past het ons niet ons daarin te mengen. Daartegenover hebben wij ons strikt neutraal te houden. Niet neutraal te zijn, ware hier plichtsverzaking. Als daarentegen in China de barbaarschheid van het heidendom zich tegen al wat Christen heet keert, om de Kerk van Christus uit te moorden, dan houdt deze regel op te gelden, en is interventie plicht geworden. De neutraliteit, in het eerste geval geboden, wordt in het tweede geval schuldig verzuim. Even schuldig verzuim als Europa zich ten laste liet komen, toen ze duldde dat de Sultan van Turkije de schrikkelijke Armenische moorden geworden liet. Uit deze feiten en de daarop toepasselijke regels blijkt alzoo, dat het enkele roepen van: „Gij zijt voor de neutraliteit!” zonder |282| nadere bepaling niets beteekent; dat er tweeërlei neutraliteit is, de ééne als zonde, de andere als plicht te kenteekenen; en dat eerst nader onderzoek beslissen kan, of de neutraliteit, die gij voorstaat en die ge in toepassing brengt, lof of blaam verdient.

*

Voor het onderwerp nu dat ons bezighoudt, hangt dit, wat uw streven betreft, geheel af van de vraag, of uw neutraliteit haar oorsprong vindt in vijandschap tegen en onverschilligheid voor de kerk, of wel in liefde en overtuiging. De mannen der Revolutie hebben de neutraliteit bepleit, omdat ze vijandig tegen de Kerk van Christus overstonden en haar onder den voet wilden halen, en dit vond zijn oorzaak in hun volkomen onverschilligheid jegens de Waarheid Gods. Wij daarentegen staan onthouding van partijkeuze voor, omdat onze warme liefde voor de Kerk van Christus ons noopt alle Overheidsbemoeiing als schadelijk en tegen haar aard ingaande af te weren, en zulks niet uit onverschilligheid jegens de waarheid Gods, maar juist omdat de waarheid Gods dit naar onze vaste overtuiging alzoo eischt. Wil men ons uit dien hoofde pleitbezorgers der neutraliteit noemen, we zullen het ons laten aanleunen, omdat neutraliteit zeer dikwijls plichtsbetrachting en neutraal een eerenaam kan zijn. Zelven daarentegen zullen we dien naam nooit kiezen, overmits het pas noch zin geeft van „neutraal” te spreken, als ge tot partijkeuze onbekwaam en onbevoegd zijt. En overmits ons nu gebleken is, dat de Overheid als zoodanig niet in staat en niet bevoegd is, om over de verschillen tusschen de onderscheiden kerken te oordeelen, kan van neutraal hier nooit in eenigen gezonden zin sprake zijn.

Te minder is de qualificatie van neutraal op het stelsel dat wij voorstaan toepasselijk, omdat, gelijk men weet, steeds het publiekrechtelijk karakter der kerk door ons verdedigd en ook in deze artikelenreeks toegelicht is. En toch, dát juist is het punt, waarop de mannen der Revolutie zich principiëel tegen de kerk hebben overgeplaatst. Op hun standpunt is de religie iets dat ieder voor zichzelf moet weten, een soort private liefhebberij, waaraan de beschaafde en ontwikkelde lieden niet meer meedoen, maar die men aan de onontwikkelde klasse voorshands moet laten. Doch in geen geval heeft, wat met kerk of religie samenhangt, voor den Staat eenige realiteit. De Overheid rekent er niet mede. Op het terrein van het publieke recht rekent de kerk voor niets. Het moge een vereeniging zijn als allerlei andere vereenigingen, maar een eigen positie bezit de kerk voor de Overheid niet. De neutraliteit, die hier wordt geloofden aanbevolen, komt alzoo neer op een terugdringen en wegdringen van de kerk van het publieke terrein. Dat is alzoo vlak het tegenovergestelde van wat door ons beleden wordt. Naar onze overtuiging heeft de Overheid de |283| Kerk van Christus als een eigen verschijning in het nationale leven te eeren, en met haar te rekenen, zoo dikwijls aangelegenheden van godsdienstigen of zedelijken aard in de wetgeving tot beslissing moeten komen.

*

Tusschen de mannen der Revolutie en ons bestaat derhalve, gelijk men ziet, zoo weinig overeenstemming en overeenkomst, dat we veeleer in uitgangspunt, motief en einddoel op alle punt lijnrecht tegen hen overstaan. Met hen ons te vermengen of te verwarren, is uit dien hoofde een baarblijkelijke ongerijmdheid. En wat, ook afgezien van hun bedoelen, het brandmerk van neutraliteit betreft, dat zou dan alleen aan ons stelsel kunnen worden opgedrukt, indien te bewijzen viel, dat partij kiezen van de Overheid hier plicht was; iets wat daarom nooit bewezen kan worden, omdat de Overheid als zoodanig niet geestelijk is, en alzoo onbevoegd is, om te beslissen en uit te maken, welke verschijning van de kerk de ware en welke de valsche is. Geen beroep op de tijden toen de bijzondere Openbaring werkte, en geen beroep op Israël in engeren zin kan dit onloochenbare feit ongedaan maken. Redeneert men van de kerk uit, dan bewijst de natuur der kerk, dat de Overheid haar niet mag dwingen, of haar vrijheid, en daarmee haar levenskracht, gaat te loor. En redeneert men van uit de roeping der Overheid, dan kan die roeping nooit verder gaan, dan de gaven strekken, die haar als zoodanig van God beschikt zijn, en daaronder behoort het geestelijk licht niet. Dat licht kan schijnen in den persoon, maar het ambt als zoodanig kan het niet in zich opnemen. Het staat heterogeen naast de sfeer der Particuliere Genade. Evenmin dus als men zeggen kan, dat de Waterstaat neutraal is tusschen de Homoeopathie en de Allopathie, omdat medische kennis niet in den ingenieur als zoodanig valt, evenmin kan men beweren, dat de Overheid neutraal is tusschen de onderscheiden kerkformatiën, eenvoudig omdat in de gaven voor haar gezag als zoodanig, de geestelijke onderscheiding, die de Heilige Geest aan de kinderen Gods verleent, niet in is.

Toen de discipelen het zwijgen wilden opleggen aan een man, die tot het volk over Jezus sprak, zonder bij hun kring te zijn aangesloten, gold het in den grond der zaak geheel hetzelfde vraagstuk. Er was een formatie der kerk in den kring van Jezus en zijn discipelen, en die man behoorde tot die formatie niet, stond er buiten, en volgde den drang zijner roeping op eigen manier. Natuurlijk had de man het mis. Goed en recht en zuiver voor God had bij alleen dan gestaan, zoo hij zich bij de formatie van Jezus’ kring had aangesloten. Daarover kan geen geschil bestaan. Hierover bestond tusschen Jezus en zijn discipelen dan ook geen geschil. Maar wel hierover, of dien man dat eigen optreden naast de ware Kerk al dan niet moest worden belet, en of hem al dan niet het zwijgen moest worden |284| opgelegd. Dat meenden metterdaad de discipelen. Zoo oordeelden ze allen zonder onderscheid; en het was Johannes, die zoo roerend over de Christelijke liefde schreef, die tot Jezus kwam en zeide: „Meester, wij hebben een man gezien die de duivelen uitwierp in uwen naam, en u niet volgt; en wij hebben het hem verboden, omdat hij ons niet volgt.” En wat zegt Jezus nu? Antwoordt Jezus, dat ze wet hebben gedaan, want dat naast de ware formatie der Kerk geen afwijkend optreden mag worden geduld? Integendeel, Jezus zegt tot zijn discipelen: Verbiedt hem niet. Jezus keurt dus hun absolutisme af, en stelt daartegenover den stelregel, dat wie niet tegen hem is, voor hem is. In de Kerk geldt de regel: Wie niet voor mij is, is tegen mij. Maar op het publieke terrein stelt Jezus dezen anderen regel, dat ieder die niet tegen hem is, voor hem arbeidt.

Zal men nu daarom zeggen, dat ook Jezus neutraal was, en dat Jezus het standpunt der mannen van de Revolutie innam? Men gevoelt, dit ware heiligschennis. En toch, in den grond der zaak gold het hier dezelfde tegenstelling. De discipelen waanden, dat ook op het publieke terrein alleen hij meételde, die tot den heiligen kring, of wil men, tot de ware kerk behoorde, en dat er een macht moest zijn, om aan dengene die hiertoe niet hoorde, het zwijgen op te leggen. Onze Heiland daarentegen bestrijdt en verwerpt zulk een denkbeeld, als in strijd met de wet van zijn koninkrijk. Niet dien man verbiedt Jezus te spreken, maar hij verbiedt zijn jongeren hem het spreken te verbieden.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXXIX, De Heraut No. 1192 (4 november 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001