XXXVIII. Kerk en Staat 26

En ik hoorde als eene stemme eener groote schare, en als eene stemme veler wateren, en als eene stemme van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja, want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerscht.

Openb. 19 : 6. a


Tegen het door ons verdedigde standpunt is herhaaldelijk beroep gedaan op de koninklijke heerschappij van den Christus, die als zoodanig zich niet tot de kerk beperkt, maar ook over veel wat buiten de kerk ligt> uitstrekt. Deze tegenwerping ligt dan ook te zeer voor de hand om haar onbesproken te laten. Zij het daartoe eerst duidelijk gemaakt, wát deze |271| tegenwerping bedoelt. Herhaaldelijk heeft Jezus zelf uitgesproken, dat hem van den Vader alle macht gegeven was, in hemel en op aarde. In dien letterlijken vorm verklaarde Jezus zulks, blijkens Matth. 28 : 18, eerst vlak voor zijn hemelvaart; maar zij het ook in eenigszins andere woorden, Jezus had gelijke verklaring reeds vroeger afgelegd na zijn wee u! over Chorazin, Bethsaida en Kapernaüm; (Matth. 11 : 27) en ze herhaald als betuiging in het dusgenaamd hoogepriesterlijk gebed, toen hij zeide: „Vader, verheerlijk uwen Zoon, gelijkerwijs Gij hem macht gegeven hebt over alle vleesch” (Joh. 17: 2). Eveneens had, volgens Joh. 3: 35, Johannes de Dooper reeds voor zijn gevangenneming betuigd: „de Vader heeft den Zoon lief en heeft alle dingen in zijn hand gegeven.” En als straks de apostelen de wereld ingaan, om het koninkrijk der hemelen onder alle volkeren uitte roepen, vormt die Heerschappij van hun Heiland en Zender hun vaste onderstelling bij elke prediking. „Heere” is de titel der eere, die hem steeds gegeven wordt. Zijn naam gaat boven allen naam, opdat alle knie zich voor hem buige. Hij zal als Rechter zitten om de levenden en de dooden te oordeelen. Hij is de Koning der koningen. Hij is als het Hoofd der gemeente bekleed met macht „over allen naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende.” (Epheze 1 : 21). Dát is zijn zitten ter rechterhand Gods, en in dien zin bezit hij een koninklijke heerschappij, waarvan het reeds in Psalm 2 tot de Vorsten heette: „Gij koningen, handelt verstandiglijk en kust den Zoon opdat hij niet toorne,” en die volgens de stellige apostolische verklaring van 1 Cor. 15 : 27 eerst in de voleinding der eeuwen aan den Vader zal worden teruggegeven, opdat alsdan de Vader zij alles en in allen.

Hieruit nu is een voorstelling afgeleid, die er, het zij met eerbied gezegd, op neerkomt, alsof na Jezus’ hemelvaart de Vader zelf op zou hebben gehouden zijn Goddelijke heerschappij uit te oefenen, — een nonactiviteit van de Majesteit Gods, als we ons zoo uitdrukken mogen — zoodat dan de creatuur in hemel en op aarde, en dus ook de Overheid op deze wereld, tot op den oordeelsdag niet meer met het Eeuwige Wezen, niet meer met den Drieëenigen God te rekenen had, maar uitsluitend met den Christus. Van het bestel en bestuur niet alleen over de Kerk, maar evenzoo over de wereld, wordt dan de Vader geacht, van de hemelvaart tot den oordeelsdag, afstand te hebben gedaan ten behoeve van den Zoon des Menschen. De volledige souvereiniteit over alle creatuur, zoo stelt men het zich dan voor, is door God Drieëenig op den Christus gelegd. Er kan alzoo op aarde ook door menschen geen andere afgeleide souvereiniteit worden uitgeoefend, dan die zij van Christus ontvangen. Zoo is ook de Overheid „Dienaresse van Christus” geworden. Christus is niet alleen het Hoofd der Gemeente, en als zoodanig de Koning der Kerk, maar tegelijk ook de Koning over het land, aan wien de aardsche koning rechtstreeks zijn gezag ontleent. En is |272| dit zoo, hoe zou dan de aardsche Overheid als Dienaresse van Christus zich van dienstvervulling ook op het terrein van het geestelijk leven en van de Kerk kunnen onthouden? Is in Christus de kerkelijke en de Overheidsmacht één, hoe zoudt ge dan op aarde de Overheid ontslaan kunnen van de taak om voor de zuiverheid, voor het welzijn, en, waar het noodig is, voor de reformatie der Kerk op te komen? Elke valsche heerschappij die zich in de kerk opwerpt, randt de Koninklijke eere van den Christus aan; en hoe zou dan de Overheid, als met machtbekleede Dienaresse van dien Christus, zich kunnen ontslagen achten van de taak om die valsche heerschappij te keer te gaan en te vernietigen, en de eere van den Christus ook in zijn Kerk hoog te houden en in vollen omgang te herstellen?

*

Zoo nu de zaak voorgesteld, is het gewicht van deze tegenwerping allerminst te ontkennen. Er ligt dan metterdaad in de Koninklijke heerschappij van den Christus een vermenging van geestelijke en wereldsche, van onzichtbare en zichtbare, van inwendige en uitwendige heerschappij, die het u onmogelijk maakt, om het leven van Kerk en Staat door het trekken van een vaste grenslijn te onderscheiden. Het onderscheid tusschen de Gemeene Gratie en de Particuliere Genade heeft dan wel bestaan tot aan Jezus’ hemelvaart, maar is dan nu door zijn zitten ter rechterhand Gods opgeheven. Het aardsch en het hemelsch koninkrijk is dan sinds de hemelvaart ineengevloeid. Het Hoofd der gemeente is dan tevens de Souverein in het staatkundig leven. De burgerlijke en de kerkelijke sfeer zijn dan één geworden. Alle Overheid kan dan niet anders dan Christelijke Overheid zijn, en dan natuurlijk zuiver-Christelijke Overheid, d.i. Christelijk in Gereformeerden zin. En eindelijk, een Overheid van gereformeerd Christelijke belijdenis, hoe zou die aflaten kunnen van haar roeping, om de ware kerk, waarvan haar souverein het Hoofd is, met alle macht die haar ten dienste staat, te handhaven, en aan elke schijnkerk of valsche kerk, die zich als pretendente tegen den Christus opwierp, het bestaansrecht te betwisten?

Toch zij al aanstonds opgemerkt, dat zij, die bij hun pleidooi voor Art. 36 zich hierop beroepen, niet uit het oog mogen verliezen, wat geheel andere conclusies uit deze zelfde voorstelling zijn afgeleid. Men denke slechts aan de kerkrechtelijke stelsels der Arminianen, der Caesaropapisten en der Hiërarchie. Is, zoo leerden de Arminianen, de Overheid door het Hoofd der Gemeente aangesteld, dan is het ook de Overheid, die in die Gemeente de uitwendige orde te regelen heeft. Het recht tot leerbepaling moge men aan de kerkelijke ambtsdragers toekennen, maar alles wat betrekking heeft op het in de kerken geldend recht en op de verhouding van de kerk tot het |273| burgerlijk leven, moet dan door de Christelijke Overheid worden geregeld en in goede orde worden gehandhaafd. Iets wat ze niet alleen in algemeene termen beweerden, maar in een stelsel hebben uitgewerkt, en in een kerkorde, onzaliger gedachtenisse, hebben belichaamd. Het was voor dit stelsel, dat Oldenbarnevelt en Hugo de Groot den strijd aanbonden; en toen in 1816 koning Willem I de Gereformeerde kerken in het synodaal genootschap omzette, heeft hij, als souverein van deze landen, uit datzelfde Arminiaansche beginsel gehandeld. Wel waant het volk, dat de strijd in de 16de en 17de eeuw alleen over de leer van den vrijen wil liep, maar de kenner weet beter. De strijd liep toen minstens evenzeer over de macht die de Overheid in kerkelijke zaken zou hebben uit te oefenen; en het is niet het minst op dat stuk, dat onze vaderen de dusgenaamde Erastianen hebben weerstaan.

Weer op andere wijze trokken de Caesaropapisten in Engeland en Duitschland hun conclusiën. Met de dorre uitwendigheid der Arminianen namen ze geen vrede. Het geestelijk leven der kerk was niet op die manier van haar kerkelijk leven te scheiden. Neen, moest de Overheid, moest de magistraat, als dienaar van Christus, ook in de kerk het gezag van Christus handhaven, dan moest hij ook in die kerk zelve als geestelijke macht kunnen optreden. De magistraat moest dan tevens met priesterlijk gezag bekleed zijn. De koning van het land moest dan tevens opperste bisschop in de kerk zijn, en, dank zij die geestelijke qualiteit, zijn koninklijke heerschappij ook in de nationale kerk, de kerk van het land, kunnen uitoefenen. Meer dan ééne kerk was in eenzelfde land deswege ondenkbaar. De kerk van den vorst was tegelijk de kerk van het volk. Cuius regio eius religio, d.w.z., hij die als vorst van het land heerscht, heerscht ook als opperste bisschop in de kerk van Christus.

En weer een heel ander stelsel heeft de Hiërarchie uit deze zelfde voorstelling afgeleid. Is Christus tegelijk het Hoofd der gemeente en de met souvereine macht bekleede drager van de majesteit Gods, dan is ook zijn Stedehouder op aarde bekleed met een macht, die over kerken en volken gaat. Dan neemt de Stedehouder van Christus een plaats der eere in, niet alleen in de kerk, maar ook in het leven der volkeren en over alle aardsche Overheden. Aan die Overheid moge dan in eigen sfeer zekere autonomie worden toegekend, maar de pauselijke souvereiniteit gaat toch ook over alle keizers en koningen. In alle vraagstukken van beginsel hebben zij zijn aanwijzing te volgen, en de kerk waarvan de Bisschop van Rome het zichtbare hoofd is, moet met alle aan de Overheid ten dienste staande middelen tegenover alle pretendente secten of valsche kerken gemaintineerd worden.

Zoo ziet men dus, hoe deze voorstelling van de Christusregeering, wel verre van noodzakelijk tot den regel, dien men met Art. 36 bedoelt, te |274| leiden, zich veeleer leent, om er de meest strijdige stelsels uit af te leiden. En dit spreekt vanzelf. Verwart en vermengt men toch in Christus, koninklijke heerschappij het zichtbare en onzichtbare, het uitwendige en inwendige, het burgerlijke en het kerkelijke leven, de Gemeene Gratie en de Particuliere Genade, dan kan drieërlei hieruit volgen: of dat de kerkelijke macht de Overheid aan zich onderwerpt, of dat de Overheid ook in de Kerk de macht aan zich trekt, of eindelijk dat men in de Kerk het geestelijke van het kerkrechtelijke afscheidt, en de regeering der kerken aan de Overheid trekt, om aan de Opzieners alleen de geestelijke macht van leerbepaling te laten. Het eerste koos de Hiërarchie, het tweede diende de Caesaropapisten, op deeling wierpen het de Arminianen.

*

Doch hiermede is de zaak niet afgedaan. Er moet onderzocht of de grondvoorstelling van de Christusregeering, die bij dit alles het uitgangspunt vormt, de juiste is. En dan zij al aanstonds opgemerkt, dat onze Formulieren van Eenigheid haar allerminst begunstigen. Als in onze Belijdenis en in onzen Catechismus gehandeld wordt van het Voorzienig bestel en bestuur aller dingen, spreekt noch de Belijdenis in Art. 13, noch de Catechismus in vraag 27 ook maar niet één woord van de Christusregeering, doch uitsluitend van het doen Gods. In het schoone antwoord op vraag 27 wordt ons de Voorzienigheid gepredikt als „de almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde nog onderhoudt en regeert.” Zelfs is de indeeling in den Catechismus een zoodanige, dat eerst in de 11de Zondagsafdeeling van God den Zone wordt gehandeld, nadat de leer der Voorzienigheid vooraf geheel is afgedaan. In de Belijdenis is het niet anders. En komen we nu toe aan de Ambten van den Middelaar, dan legt ook de Catechismus zeer zeker nadruk op zijn Koninklijk ambt, maar zegt er alleen dit van, dat de Middelaar gezalfd is tot onzen eenigen Koning, die ons met zijn Woord en Geest regeert en bij de verworven verlossing beschut en behoedt.” En dit regeeren wordt in antwoord 32 nader zoo toegelicht, „dat ook wij hiernamaals met Jezus over alle schepselen regeeren zullen.” Ook in Art. 26 van onze Belijdenis wordt van „de macht en het aanzien” van Jezus alleen gesproken als middel om ons te beschutten tegen onze vijanden, en wordt de hoofdgrond van onzen troost daarin gezocht, dat hij den Vader voor ons bidt, en dat zijn bede altoos verhoord wordt. In Art. 36, waarin gehandeld wordt over de sfeer van het burgerlijk leven, wordt de naam van Christus eerst in verband met de Kerk genoemd, en de macht der Overheid rechtstreeks van God afgeleid. En wel wordt in de 19de Zondagsafdeeling van den Catechismus gezegd, dat het Christus is „door wien de Vader alle dingen regeert”, maar dit wordt in het antwoord |275| op vraag 51 toch weer teruggebracht tot het doel, om de verlosten „met zijn macht tegen vijanden te beschutten en te bewaren”.

Men kan dus niet zeggen, dat de voorstelling, alsof na Jezus’ hemelvaart het Voorzienig bestuur van God Drieëenig tijdelijk geschorst en op den Middelaar overgedragen ware, in onze Formulieren van Eenigheid ook maar eenigen steun vindt. Eer het tegendeel. Waar sprake is van het bestuur der gansche schepping wordt, zoo vóór als na de hemelvaart, altoos op de majesteit van het Goddelijk wezen teruggegaan, en nooit de majesteit van den Middelaar daarvoor in de plaats geschoven. Het zitten van den Middelaar aan Gods rechterhand wordt nooit voorgesteld als een zaakwaarneming, waardoor Christus van nu af doen zou wat God vroeger deed, en nu tijdelijk ophield te doen. Van den Christus daarentegen wordt alleen in verband met de Particuliere Genade in het groote Verlossingswerk gesproken; en zoo Hij bekleed is met macht over alle dingen, en de Vader alle dingen door Hem regeert, wordt dat altoos in verband gebracht met de beschutting en bescherming der verlosten bij de verworven en geschonken verlossing. Overdracht van majesteit zou elk gebed van Jezus tot den Vader uitsluiten. Wie het zelf doet, bidt niet tot Hem die het ophield te doen. En toch wordt die voorbede van Jezus steeds als het groote instrument van onze behoudenis op den voorgrond gesteld.

*

Het loont de moeite, dit in bijzonderheden aldus uit onze Formulieren van Eenigheid aan te toonen, omdat er over een artikel (36) uit die Formulieren gehandeld wordt, en het niet aangaat art. 36 op een wijze te verklaren, die in botsing zou komen met de doorgaande voorstelling van de macht van den Middelaar, die ons in de Formulieren gegeven wordt. Toch klemt het nog sterker, dat de Schrift zelve evenmin van zulk een tijdelijke non-activiteit van den Vader, als we nogmaals met eerbied zoo spreken mogen, ook maar iets weet. Jezus heeft niet eerst bij zijn hemelvaart gezegd: Nu zal mij alle macht in hemel en op aarde gegeven worden, maar reeds lang vóór zijn sterven, toen hij Chorazin, Bethsaida en Kapernaüm hun vreeslijk lot profeteerde, sprak Hij het stellig uit, niet dat Hij alle macht straks ontvangen zou, maar Hij zei toen reeds: „Alle dingen zijn mij overgegeven van mijn Vader”: En niettegenstaande Jezus derhalve toen reeds uit die machtsvolkomenheid sprak, wijst Hij toch bij alle vraagstukken van de Voorzienigheid steeds op den Vader en nooit op zichzelven. „Weest niet bezorgd, want uw Vader weet dat gij al deze dingen behoeft”. „Geen haar kan van uw hoofd vallen zonder den wil mijns Vaders”. Pilatus heeft wel macht, maar geen andere macht dan die aan hem van God gegeven is; want er staat van boven, en Jezus zelf was toen nog op aarde. En als we de geschriften der apostelen openslaan, vinden we daar evenzoo, in Rom. 13 |276| dat er geen macht is dan van God, en dat daarom alle macht die er is, moet gehoorzaamd worden. Die God, die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, wordt genoemd de Koning der Koningen en de Heere der heeren. We hebben ook nu nog Gode in alles te danken. Het is de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus die zelf ons heiligt. Uit God, door God en tot God zijn en blijven ook nu nog alle dingen. En het is Gode, aan Wien deswege moet worden toegebracht de lof, de eere en de aanbidding. En wel wordt in 1 Cor. 15 : 27gesproken van een Koninkrijk, dat Christus weer aan God en den Vader zal overgeven, maar dit sluit zoo weinig in den daaraan voorafgaanden tijd de regeering van God zelf uit, dat er veeleer bijstaat, hoe het de Vader is Die zelf „alle vijanden aan zijn voeten onderwerpt.” Iets waarbij tevens zij opgemerkt, dat de Middelaar in heel de apostolische Schrift, ook terwijl Hij aan Gods rechterhand zit, onze Voorspraak blijft, die „leeft om voor ons te bidden”, en door wiens gebed ons alle zegen toekomt. Ook hier dus de uitwerking van hetgeen Christus, ons ten goede, doet, altoos afhankelijk gesteld van de almachtigheid Gods.

Met deze verwijzing naar onze Formulieren, en haar gegrondheid in de Heilige Schrift, konden we volstaan, om elke gevolgtrekking, die men uit een hiermede strijdige voorstelling van de Christusregeering tegen ons wil maken, af te weren. Toch verhelen we ons niet, dat hiermede het klare inzicht in de hier geldende verhoudingen nog niet verkregen is. Het koningschap van den Verlosser behoort tot die ingewikkelde leerstukken die nog nimmer scherp genoeg ontleed zijn; en het is opmerkelijk, hoe onze Geloofsbelijdenis wel breed het priesterlijk ambt van den Middelaar uiteenzet; maar over zijn koninklijk ambt nagenoeg zwijgt. Men kan alzoo niet zeggen, dat onze kerken reeds tot genoegzaam helder bewustzijn zijn gekomen omtrent de beteekenis der woorden, dat alle macht in hemel en op aarde aan Jezus is gegeven, omtrent zijn zitten ter rechterhand Gods, en omtrent het overgeven van het koninkrijk aan God en den Vader in de voleinding der eeuwen. Bij het indenken van hetgeen ons hieromtrent geopenbaard is, loopen we telkens gevaar, om in den Middelaar den tweeden Persoon der heilige Drieëenheid uit het oog te verliezen, en tusschen God en zijn Christus een scheiding te maken die niet mag. En toch, juist uit het maken van die ongeoorloofde scheiding kwam zoowel de voorstelling op, dat het regiment Gods thans rustte, en we dus alleen met het regiment van den Christus zouden te doen hebben, als de even verkeerde denkwijze, die de macht van den Middelaar beperkt tot geestelijke invloeden op de harten der geloovigen. Toejuiching zal daarom elke poging verdienen, die er naar streeft om dit ingewikkelde leerstuk door náuwkeurig Schriftonderzoek en dogmatische synthese tot meerder helderheid te brengen. Aan zulk onderzoek bestaat behoefte, al zou het misplaatst zijn, zoo wij |277| hier zoodanig breed onderzoek wilden inlasschen. Voor het hier beoogde doel was het voldoende, de voorstelling van een Christusregeering, die de Godsregeering tijdelijk stil liet staan, als in strijd met de Schrift, en op grond hiervan ook met onze Formulieren van Eenigheid, buiten het geding te plaatsen.

*

Voor de zaak zelve bepalen we ons daarom tot het trekken van enkele groote lijnen. De Schrift leert ons de ontwikkeling van al wat bestaat in zijn historisch verloop opvatten, als beheerscht door de organische betrekking waarin het tot ons menschelijk geslacht staat. Ze stelt ons de ontwikkeling van dat menschelijk geslacht voor, als beheerscht door de herboren menschheid. En ze leert ons steeds, dat die herboren menschheid op haar beurt beheerscht wordt door den Christus. Zoo culmineert het alles in den persoon des Verlossers, en tegelijk in dien Verlosser als het Woord dat bij God en God was, den Middelaar van het Scheppingswerk. Nu staat de voortgang van deze uitwendige voleinding in nauw verband met den loop der historie in het gemeene leven. Dit geldt zoowel van elk geloovige, als van een Kerk, en van de Kerk in het gemeen. Gelijk er samenhang is tusschen ziel en lichaam, zoo ook is er samenhang tusschen uw uitwendig en uw geestelijk leven, en zoo ook tusschen de ontwikkeling van het Koninkrijk der hemelen en den voortgang van de historie in de burgerlijke sfeer. Zal nu de geestelijke ontwikkeling, gelijk ze in Christus als het Hoofd der Gemeente gewaarborgd is, ongestoord doorgaan, dan moet ook het gemeene leven der wereld zich daarmede in zulk een harmonie ontwikkelen, dat het alles aan den voortgang van het Koninkrijk der hemelen dienstbaar wordt. Niets in het providentieel bestel kan dan aan het genadewerk van den Heiligen Geest in den weg staan. En het providentieel bestel, én het geestelijk regiment moeten dan uit één gedachte vloeien, moeten één lijn volgen, moeten steeds hand in hand gaan. Die eenheid moet in Christus gegeven zijn, en, daar hij zelf God is, ook in zijn God-menschelijke energie tot uiting komen. En dát nu is het, wat in het zitten van den Christus aan de Rechterhand Gods beleden wordt. Niets, niets wat voor de voleinding van het Koninkrijk der hemelen onmisbaar is, den Middelaar onthouden. Hem is dit alles gegeven, in hemel en op aarde, geheel onverSchillig of het enkele personen dan wel geheele volken, natuurkrachten of engelen betreft; maar zulks altoos in dien zin, dat dit alles instrumenteel dienst doe, om het Koninkrijk der hemelen te doen komen; en wel zoo, dat de Zoon des menschen de uitwerking altoos afbidt van die Almachtigheid Gods, waarin Hij zelf als de Zone Gods deelt.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXXVIII, De Heraut No. 1191 (28 oktober 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001