XXXV. Kerk en Staat 23

Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer, en dankofferen, en hij offerde brandoffer. En het geschiedde, toen hij geëindigd had het brandoffer te offeren, zie, zoo kwam Samuël; en Saul ging uit hem te gemoet, om hem te zegenen. Toen zeide Samuël tot Saul: Gij hebt zottelijk gedaan; gij hebt het gebod van den Heere uwen God niet gehouden, dat Hij u geboden heeft.

1 Sam. 13 : 9, 10 en 13. a


Vertrouwende, dat zij, die ons gravamen tegen Art. 36 niet deelen, den hoogen moed zullen bezitten, om hun denkbeelden in concreten vorm, voor ons land in dezen tijd, en dan liefst als Concept-Grondwetsvoorstel, ter beoordeeling voor te leggen, vestigen we thans nader de aandacht op het zeer ernstig bezwaar, dat zij dan op afdoende wijze zullen moeten ondervangen. In een autocratisch geregeerd land als Rusland, is de Overheid met haar oordeel over de ware kerk nooit verlegen geweest. Het is de oppermachtige Czaar, die in dit reusachtig rijk, zonder aan iets of aan iemand gebonden te zijn, de wet stelt. Hier is het alzoo de overtuiging van één enkel man, die de vraag over de ware kerk beslist. Hij nu oordeelde, dat niet de Protestantsche, zoomin de Gereformeerde als de Luthersche, en ook niet de Roomsche kerk als „ware kerk” is te eeren, maar dat dit karakter van Goddelijken oorsprong alleen te vinden is in de Grieksche kerk. Zelfs in het eens vrije Finland ondervindt de Luthersche kerk hiervan de gevolgen. Doch ziet men van die gevolgen voor een oogenblik af, dan dient erkend, dat de zaak in Rusland vrij eenvoudig loopt. Het resultaat is wel vlak verkeerd, maar formeel rijst er geen bedenking. Bij ons daarentegen zou het zoo niet kunnen. Zulk een aan niets gebonden beschikkingsrecht bezit de Kroon in onzen vrijen burgerstaat niet. Zonder medewerking van de Staten-Generaal zou zulk een herziening van het desbetreffend Grondwetsartikel niet kunnen tot stand komen. En dat nu juist geeft aanleiding tot een zeer ernstige bedenking. Immers tengevolge hiervan ware het niet te vermijden, dat bij de algemeene verkiezingen voor de Staten-Generaal, die hiervoor geëischt werden, het vraagstuk der ware kerk aan de kiezers werd voorgelegd. We laten nu in het midden, welke kerk men in het concept-voorstel als de ware kerk zou noemen; maar in elk geval zou er dit duidelijk in moeten staan; |250| en het volk zou afgevaardigden moeten kiezen, om over zulk een beslissing hun stern uit te brengen. Zou dat dan niet moeten leiden tot het ontketenen van een kerkelijken hartstocht, die heel ons land in vuur en vlam zette? In elk land waar men zoo iets bestond, zou het dit gevolg hebben, maar sterker nog in Nederland, waar het zelfs nu reeds zoo veel moeite kost, wat „des keizers” en wat „Godes” is, bij de stembus van elkaar af te scheiden. Maar dan zou eerst recht heel Nederland door een aan furie grenzenden kerkelijken hartstocht worden verteerd. Mag dit? Durven de voorstanders van Art. 36 dit aan? Zouden ze de verantwoordelijkheid van het doen ontbranden van zulk een kerkelijken burgeroorlog op zich durven nemen?

En nu zijn we er nog niet. Stel toch al, de toeleg slaagde, en onder sterke pressie gelukte het ten slotte, in onze Grondwet eene bepaling op te nemen, waarbij de Overheid haar bescherming aan alle overige kerken onttrok, en alleen aan „de ware kerk” toezeide, — zou men dan wanen dat het hier mede uit was? Gelooft men ook maar één oogenblik, dat de onderliggende partij in zulk een beslissing zou berusten? Zou men derwijs vreemdeling in onze vaderlandsche toestanden zijn, om zich dit ook maar een oogenblik in te beelden? Immers neen. Maar dan staat het ook vast, dat de oppositie onverwijld en met volle kracht zou beginnen, en dat de kans bestond, dat over een paar jaren de meerderheid omsloeg. Kwam het daartoe, dan zou natuurlijk terstond ook de beslissing over de ware kerk omgaan. Wat eerst als de „ware” kerk gehuldigd was, zou dan plotseling weer de „valsche” kerk heeten, en wat eerst als secte op zij was gedrongen, zou als de ware kerk worden geëerd. Is dat nu een toestand, waarvan men de verantwoordelijkheid op zich zou durven nemen? Heel ons staatsbeleid aldoor opgaande in een worsteling bij de stembus over de ware en de valsche kerk? Want natuurlijk, de nu bij tweede keuze geslagen partij zou op haar beurt even hardnekkige oppositie beginnen, en aan het voeren van den bittersten kerkelijken partijstrijd kwam geen eind.

Glijdt men nu ook hier overheen, en zegt men, dat de waarheid bovenal gaat, en dat dan desnoods het vaderland maar moet worden opgeofferd, dan stellen we een derde vraag, Denkt u dat ge zoo kondt overwinnen, zoudt ge op die wijs mogen overwinnen? Kunt gij aan de kiezers voor de Staten-Generaal, nu niet uit jok, maar in ernst, het recht en de bevoegdheid toekennen, om uit te maken wat de ware kerk van Christus is? Zelfs binnen de wanden der kerk komt ge terecht tegen de democratie op. Over Christus’ kerk wordt niet bij meerderheid van stemmen geoordeeld. Maar hier zou het nog veel erger zijn. Niet alleen toch dat de meerderheid van stemmen zou moeten aanwijzen aan wiens zijde de geestelijke waarheid was, maar het oordeel hierover zoudt ge in handen spelen aan een bonte menigte, die elk belijdend, elk geestelijk, elk hooger karakter miste. |251| Jan Rap en zijn maat zouden in het Concilie zitting hebben. Dit nu kunt ge immers niet willen. Zoo tastbare ongerijmdheid verwerpt ge zelf.

*

Zij, die, voor dertig en meer jaren reeds, op herstel van de Gereformeerde Staatskerk aandrongen, zagen dit dan ook zeer wel in, en aarzelden niet, door de meest krasse beweringen aan deze voor de hand liggende bedenkingen te ontkomen. Wat, zoo vroegen ze, legt ge de Grondwet als struikelblok op onzen weg? Heel die Grondwet is uit den Booze; het is een onding, een valsch stuk, waar Oranje geen oogenblik aan gebonden is. Of de Koning deze Grondwet al bezwoer, doet niets ter zake. Een eed op een valsch stuk kan nooit bindend zijn, en als de Koning morgen den dag heel de Grondwet verscheurt, zal hij niet zondigen, maar zijn plicht doen. De koninklijke macht is uit God. Over de grenzen van die macht kan nooit een verdrag met het volk worden aangegaan. Deed de Kroon dat toch, dan deed ze het onder overmacht, en overmacht bindt niet in rechten. De Koning als Overheid, d.i. als Dienaresse Gods, moet de Gereformeerde kerk als de eenige ware kerk van Christus eeren, en als de Koning een Koninklijk Besluit in het Staatsblad zet, waarbij de Gereformeerde Staatskerk hersteld wordt, dan breekt hij slechts een eed, die toch nooit gold, en zal God hem, en in Oranje het vaderland weer zegenen. Het zal het begin van het weer opleven van onze oude glorie zijn. — Dat zulke denkbeelden geuit zijn, verwondere niemand. Men weet toch, dat zelfs Da Costa over den eed van den Koning op de Grondwet afgelegd, een tijdlang zeer zonderlinge denkbeelden koesterde. Ook Bilderdijk gaat in dit opzicht niet vrij uit. Maar nu willen we toch gevraagd hebben: Zouden zij die nu voor. Art. 36 pleiten, zulke stellingen aandurven? We gelooven het niet, en zijn des althans zeker, dat wie thans nog zulke stellingen aandorst, het eerlijke zedelijkheidsbesef van heel de natie tegen zich zou krijgen. Die uitweg, om de ingebrachte bedenkingen te ondervangen, staat alzoo voor hen niet open. Hoe wederleggen ze deze bedenkingen dan? We zeggen niet in afgetrokken bespiegeling, maar in de concrete werkelijkheid?

We gaan nog verder. Gesteld, de Overheid ondernam het, haar grondwettige bescherming aan alle overige kerken te onttrekken, en alleen aan wat zij de ware kerk acht, die toe te zeggen, — zou ze dan nog langer leden van andere kerken in den Staatsdienst met gezag kunnen bekleeden? Want wel is men gewoon, tegenwoordig te lachen om het denkbeeld van den confessioneelen eisch voor het bekleeden van Staatsbetrekkingen, maar op het standpunt van het onveranderde Art. 36 is dat volstrekt niet dwaas, maar veeleer eisch van beginsel. In de tweede helft der 16de en de eerste helft der 17de eeuw, toen het in heel Europa een bange worsteling tusschen Roomschen en Protestanten gold, schikte zich heel het |252| wereldbeleid naar die tegenstelling. In een Roomsch land politiek gezag aan een Protestant toe te vertrouwen, ware toen verraad aan eigen vaderland geweest; en omgekeerd was het even ondenkbaar, dat men in een Protestantsch land een Roomschgezinde met politieke macht zou bekleed hebben. Is eenmaal van Overheidswege uitgemaakt wat de ware kerk is, en zijn de overige in haar belijdenis en grondstellingen als secten geoordeeld, dan kan diezelfde Overheid haar gezag niet uitoefenen dan door mannen, die met haar eensdenkend zijn. Anderen zouden haar gezag niet bouwen en sterken, maar ondermijnen en afbreken. Bij de aanstelling van ondergeschikte ambtenaren moge dit minder ter zake doen, in hoogere betrekkingen daarentegen ging dit niet langer. Evenzoo zou op de openbare volksschool alleen een lid der ware kerk als onderwijzer kunnen optreden, en natuurlijk zou er geen sprake van kunnen zijn, om aan een Rijksuniversiteit andere hoogleeraren dan die als leden der ware kerk bekend stonden, aan te stellen. Beginselen zijn nu eenmaal onverbiddelijk. Van het één moet men tot het ander komen. Onze vaderen hebben de consequentie van hun standpunt dan ook met moed aangedurfd. Ze handelden als mannen uit één stuk. Wie op herstel van Art. 36 als macht in het beden aandringt, heeft zich dus wel rekenschap te geven van de gevolgtrekkingen waartoe dit leiden moet. Eenmaal in zee, drijft stroom en wind u voort.

*

En of men nu al zegt, dat de zaak toch zoo eenvoudig is, want dat, naar luid van onze Confessie, de kenteekenen der ware kerk zoo openbaar zijn, dat ze „lichtelijk te herkennen zijn”, ook hiermede vordert men niets. Als notae eeclesiae, d.i. als kenteeken van de ware kerk, geeft onze confessie in Art. 29 aan: „Zoo de kerk de zuivere predicatie des Evangelies oefent, indien zij gebruikt de reine bediening der Sacramenten, gelijk ze Christus heeft ingesteld, en zoo de kerkelijke tucht gebruikt wordt om de zonde te straffen. Kortelijk, zoo men zich aanstelt naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen die daartegen zijn, houdende Jezus Christus voor het eenige Hoofd. Hierdoor kan men de ware kerk zekerlijk kennen”. Dit is uitnemend gezegd, en wij zelven belijden het niet anders. Maar, eilieve, zijn dit nu merkteekenen, die de Overheid in staat stellen om tot een juist oordeel te geraken? Ondersteld wordt hier kennisse van en geloof aan het Woord van God. Ondersteld wordt, dat men uit dit Woord zich een oordeel heeft gevormd over wat de zuivere prediking van het Evangelie is. Ondersteld wordt, dat men uit dit Woord een juist inzicht heeft bekomen in de door Christus gewilde bediening van de Sacramenten. Ondersteld wordt, dat men de eischen eener goede kerkelijke tucht verstaat. En ondersteld eindelijk, dat men van het koningschap van Christus |253| over zijn kerk zich zuivere en heldere denkbeelden hebbe eigen gemaakt. Zijn dit nu onderstellingen, die bij de Overheid als zoodanig doorgaan ? De merkteekenen die Art. 29 aangeeft, worden aan de geloovigen voorgelegd, en hun wordt aangezegd, dat zij aan de hand van deze merkteekens kunnen uitmaken, bij welke kerk ze zich te voegen, van welke secte ze zich te scheiden hebben. En dat is logisch. Maar dan ligt het uitgangspunt in de wedergeboorte en in de verlichting. Dan wordt aangenomen, dat men spreekt tot personen, die, omdat ze wedergeboren zijn uit water en geest, het koninkrijk van God zien kunnen; aangenomen, dat men te doen heeft met geestelijke personen die alles geestelijk onderscheiden kunnen. En daar nu bij de Overheid als zoodanig niets van dit alles in theorie kan ondersteld worden, en niet dan hoogst zelden in de practijk wordt gevonden, zoo is het klaar als de dag, dat deze merkteekenen van Art. 29 hier geer! stap verder helpen. En dat veel minder nog, zoo ge erbij denkt aan de 6 à 700,000 kiezers voor de Staten-Generaal.

Hierbij komt de les der ervaring. In het gemeen mag gezegd, dat de Overheden met het standpunt van Art. 36 meestal accoord gingen. In vroeger eeuwen was er geen land zonder een Staatskerk, en zelfs nu nog bezit het stelsel der Staatskerken veel meer kracht, dan de meesten denken. Zelfs kan men zeggen, dat een Staatskerk nog regel is, zelfs in Frankrijk, en in onderscheidene Amerikaansche republieken. Er is een Staatskerk in Rusland, in Oostenrijk, in Italië, in Spanje, in Portugal, in Frankrijk, in Zweden, in Noorwegen, in Denemarken, in Engeland, in Duitschland, in Ecuador, in Brazilië, in Peru, en waar niet al. Pruisen heeft zelfs twee Staatskerken tegelijk in de Evangelische en de Roomsche. Ons land maakt met eenige andere kleine landen exceptie, en de groote exceptie is alleen de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. En wat is nu de uitkomst voor wat de juiste keuze der ware kerk aangaat? Kan men nu zeggen, dat deze Overheden, althans in den regel, datgene als ware kerk hebben geëerd wat volgens Art. 29 onzer Confessie de ware kerk is, en alzoo aan de beteekenis van Art. 36 voldaan hebben? Kan men ook maar even beweren, dat hetgeen de voorstanders van Art. 36 ten onzent als de ware kerk eeren, ook als zoodanig door deze Overheden aanvaard is? Vlak het tegendeel. Als Staatskerk wordt in alle oostelijke Staten van Europa de Grieksche kerk gehuldigd, in alle zuidelijke Staten de Roomsche, en in alle noordelijke Staten de Luthersche; maar van een erkenning van de Gereformeerde kerk als de ware kerk is nergens sprake. Hoogstens, en dan nog maar voor zeker deel, in Schotland. Want wel zijn er enkele kantons in Zwitserland, die hier te noemen waren, maar onze tegenstanders ten deze zullen ons voetstoots toegeven, dat geen dier kantons daarmee ook van verre bedoelt, zich jegens God van haar Overheidsplicht te kwijten.

*

|254| De uitoefening van het hier bedoelde Overheidsrecht, mag alzoo gezegd worden geheel falikant te zijn uitgekomen. We laten nu de beteekenis van het betrekkelijk verschil tusschen Confessie en Confessie in het midden, maar in elk geval blijkt, dat op het standpunt zelf van hen, die Art. 36 ten onzent herstellen willen, de Overheden bij haar keuze zoo goed als altoos hebben misgetast, en kwaad in stede van goed hebben gedaan. De les der ervaring schuilt dus volstrekt niet alleen in wat een Nero of Philips of Lodewijk XIV misdeed, maar in de doorgaande houding der Christelijke Overheden, of wil men, van de Overheden in Christelijke landen. De Overheidsbemoeiing in zake Art. 36, strekte zoo goed als nooit tot het doeleinde, in Art. 36 aangegeven, maar zoo goed als altoos had ze vlak het omgekeerde gevolg. En zelfs als bij hooge uitzondering, en voor een tijdlang, de Overheid, gelijk ten onzent in de 16de eeuw, goed koos, is de kerk er meest door geschaad., en niet dan zeer zelden door gehaat. Reeds wezen we op den tegenstand tegen het houden van onze Generale Synoden; maar we moeten verder gaan. Bijna overal heeft de officieele erkenning van een bepaalde kerk door de Overheid, tot meerdere of mindere Caesaropapie geleid, en de vrijheid der kerk vernietigd. Zelfs Brakel wist er in zijn dagen nog van te spreken. De Overheden hebben de kerken nationaal gemaakt, d.w.z. als een deel van het Staatsgeheel beschouwd, en niet zichzelve ten dienste van de kerk gesteld, maar op de kerken, als instrument van Staatshoogheid beslag gelegd. Zoo is het nog in Rusland. Zoo was het eeuwenlang in Luthersche landen. In Italië en Frankrijk ziet men voor oogen, wat de Overheid zich al niet tegenover de Staatskerk veroorlooft. En in ons eigen land zijn de troebelen, die ons vóór 1619 verdeelden, voor een goed deel aan deze zelfde heerschzucht der Overheden toe te schrijven; en het gebeurde in 1816, wat door de voorstanders van Art. 36 niet minder diep dan door ons betreurd wordt, vloeide uit niets anders voort, dan uit dezelfde neigingen, om de heerschappij over de kerke Gods als een attribuut van de Staatssouvereinitelt te beschouwen. De vervolgingen van 1834, de zoo donkere bladzijde in onze landshistorie, hadden gelijken oorsprong, en zelfs in 1886 is er de nawerking van ondervonden. Als de Overheid keurt, of de kerken waar of valsch zijn, is het juist voor de als waar gekeurde kerk met alle Christelijke vrijheid gedaan, Ze leunt op den Staat, en houdt juist daardoor op, op eigen beenen te staan. En zij het al, dat onze vaderen hiertegen met kracht en volharding geprotesteerd hebben, toch is het ook hun niet gelukt, aan zoo noodlottigen invloed te ontkomen. Na 1619 is alle vrije ontwikkeling in onze kerken gesmoord, en alle kerkelijke verdeeldheid waaronder we nog steeds zoo bitter lijden, is schier uitsluitend te wijten aan wat Koning Willem I, tegen recht en reden in, ten laste onzer kerken dorst bestaan.

En nog fataler misschien was de inwendige verslapping die hierdoor |255| steeds over de kerken gekomen is. Heeft eenmaal de Overheid haar ijk op de ééne kerk in onderscheiding van de overigen gezet, dan ligt in het bedienaarschap van die kerk belofte van staatsinvloed en politieke toekomst, en sluiten zich bij die kerk aan, wie, in beginsel vreemd aan haar streven en bedoelen, haar zoeken met wereldsche bijoogmerken. Zoo is het ten onzent na den dood van prins Maurits gegaan, en juist daardoor zijn onze kerken achterop geraakt, ontzonken aan hare oorspronkelijke frischheid, en bijna twee eeuwen gedoemd geweest tot machteloosheid. Zelfs het ambt bedierf er door. Ambtsdragers in de Staatskerk, vooral in groote steden, te zijn, gaf aanzien en macht, en daarom werd de dienst van het Woord gezocht door tal van jonge mannen van hoogen stand, die het Evangelie als middel gebruikten, om hun positie en familieinvloed te sterken. Kortom, al beweren we in het minst niet, dat niet ook andere oorzaken tot het inzinken en tot het verval onzer kerken hebben medegewerkt, onverbiddelijk vast staat toch, dat de idee der Staatskerk dit verval ongemeen in de hand heeft gewerkt, nooit heeft gestuit, en dat het doel van Art. 36 er nooit door bereikt is. De kerken hebben haar vrijheid in Christus, ze hebben haar onafhankelijkheid, ze hebben haar zelfstandige positie ingeboet, en alleen de Roomsche kerk, die in het centraal gezag te Rome een tegenwicht bezat, is sinds de tweede helft der 17de eeuw in kracht van eenheid vooruitgegaan, doordien ze met taaie volharding haar vrijheid wist te handhaven.

En waaraan is dit nu anders te wijten dan daaraan, dat het juiste onderscheid tusschen wat des keizers en wat Godes is, teloor ging, en dat altoos weer de Saulsgeest in paleis en raadzaal sloop, om te doen wat Samuel als „zottelijke daad” zoo scherp brandmerkte? Het Overheidsterrein en het terrein der Kerk heeft men verward. De tegenstelling tusschen de Gemeene Gratie, waaronder de Overheid ressorteert, en de Particuliere Genade die der kerke is, heeft men dooreengemengd, en de schade van die verwarring van denkbeelden is het hardst, niet op den Staat, maar juist op de kerken neergekomen. Houdt men daarbij nu in het oog, dat noch Jezus noch zijn apostelen ook maar met één woord een recht als het hier bedoelde aan de Overheid hebben toegekend, en dat wel telkens in het Nieuwe Verbond van de verplichtingen óók der geloovigen jegens de Overheid, maar nooit, nergens, en met niet één woord van een verplichting van de Overheid tegenover de kerk gesproken wordt, — dan verstaan we niet, waaraan we recht zouden kunnen of moeten ontleenen, om een band tusschen de Overheid en de ware kerk van Christus te leggen, die blijkens de les der historie zoo bitter noodlottig voor de kerk, voor het koninkrijk van God en voor het geestelijk leven gewerkt heeft. Stonden we tegenover een pertinente uitspraak van Jezus en van zijn apostelen, natuurlijk zouden we zwichten en het hoofd buigen. Daartegen |256| zou de les der historie niets vermogen. Maar nu integendeel zelfs elke schijn of schaduw van zulk een ordinantie ontbreekt, en noch de Overheid uit haar aard voor deze taak bekwaam, noch de natuur der Kerk er op berekend is, nu aarzelen we geen oogenblik, om met zoo schadelijk en noodlottig stelsel te breken, tot tijd en wijle zij, die een tegenovergesteld gevoelen aankleven, in klare taal, in bondig betoog en met concrete toepassing op de werkelijkheid, onze bedenkingen zullen hebben weerlegd.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXXV, De Heraut No. 1188 (7 oktober 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001