XXXIV. Kerk en Staat 22

En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is. En zij verwonderden zich over hem.

Markus 12 : 17. a


Nu houde men scherp in het oog, dat de denkbeelden, door onze vaderen in Art. 36 beleden, in 1559 reeds in den belijdenisvorm zijn gegoten, en bijna letterlijk in dien bepaalden vorm door Guido de Brès zijn overgenomen; alzoo op een tijdstip dat de scheuring tusschen Gereformeerden en Lutherschen nog niet tot stand was gekomen; dat men aan de Wederdoopers nog het bestaansrecht betwistte; en zich nog niet anders inbeeldde, of de Reformatie zou welhaast ook in Frankrijk, Italië, jazelfs in Spanje en Portugal zoo zegevierend doordringen, dat er ten slotte niet anders dan de ééne kerk der Hervorming in heel Europa overbleef. Het alles opsmeltende religieuse proces dier dagen was nog in volle gisting. De evenaar zwikte nog elk oogenblik met geweldige schokken door, en maakte nog van verre niet den indruk van tot rust te zullen komen. Met de feiten |242| en toestanden, die eerst later uit deze gisting en worsteling stonden geboren te worden, kon toen niemand nog rekenen. En zoo is het volkomen begrijpelijk, dat toentertijd opgestelde Confessies nog geen oog hadden voor de toekomst die te komen stond, zich nog geheel plaatsten op het toenmalig algemeen geldend standpunt, en deswege, in aansluiting aan de middeleeuwen, nog van de Kerk bleven spreken, alsof er van twee of meer kerken nooit sprake zou zijn. Geestelijk had men de zielen der geloovigen van de overheersching der kerkelijke machthebbers losgemaakt, en daartoe op het onderscheid gewezen tusschen het zichtbare kerkelijk instituut, en de onzichtbare binnenzijde der Kerk, als het organische Lichaam van Christus. Doch dat was tot op dien tijd uitsluitend geschied om „de vrijheid van den Christenmensch” te handhaven tegenover de kerkbesturen, het heilig ideaal tegenover de altoos gebrekkige werkelijkheid der uitwendig waarneembare kerken. Maar tot het denkbeeld, dat de Hervorming tot splitsing van de ééne kerk in de meerdere kerken zou leiden, en dat welhaast in eenzelfde land meerdere kerken naast en tegenover elkander zouden optreden, was men nog niet doorgedrongen. In het publieke recht is dit denkbeeld eerst met den vrede van Munster in 1648 vastgelegd, en de groote strijd tusschen de Episcopalen, Presbyterianen en Independenten in Engeland, die het denkbeeld van de pluriformiteit der kerken nog breeder heeft uitgewerkt, kwam eerst in de 17de eeuw tot beslissing. Nog heden ten dage houden de Episcopalen staande, dat alleen zij „de kerk” zijn; al wat naast hen opkwam noemen ze secten; en eer nog zijn ze geneigd, om de Roomsche geestelijken, dan de Gereformeerde predikanten der Presbyteriaansche vrije kerken als Opzieners in den geest der Heilige Schrift te erkennen. Het is dan ook opmerkelijk, dat de Synode van Dordrecht in 1619 de artikelen der Confessie over de kerk niet met de buitenlandsche theologen heeft behandeld, en ze niet onderwierp aan herziening. Door hen die nog steeds voor een onveranderd Art. 36 opkomen, is hierop dusver veel te weinig gelet. Het spreekwoord zegt, qu’il faut juger les écrits d’après leur date, wat zeggen wil, dat men bij de uitlegging van een schriftstuk allereerst vragen moet naar den tijd waarin het opgesteld werd. Een stelregel, die dus hier toegepast, tot geen andere conclusie kan leiden, dan dat onze Confessie, met haar Art. 36, geschreven werd, toen nog niemand aan de mogelijkheid van meer dan ééne zichtbare kerk dacht.

Zóó echter kan thans niemand meer oordeelen, tenzij hij aan alle kerken, buiten de zijne, den naam van Kerk betwist. Dat doen dan ook de Roomschen; dat doen nog de hoog-kerkelijke Episcopalen in Engeland; maar dat doen de pleitbezorgers van een onveranderd Art. 36 ten onzent niet. Zij hebben met ons het oog wijd geopend voor het onloochenbare en tastbare feit, dat er thans meerdere kerken naast elkander zijn opgetreden, en ze |243| weten even goed en zeker als wij, dat dit geen voorbijgaande toestand is, maar dat veeleer de splitsing der kerken zich nog steeds voortzet. Zelfs stellen ze er met ons hun Protestantsche eere in, dat we ieders vrijheid van consciëntie en van publieken eeredienst eerbiedigen. Toestanden als nu nog in Ecuador, Peru en Bolivia bestaan, waar Protestanten zelfs geen godsdienstige samenkomst kunnen houden zonder entréekaarten, veroordeelen ze even beslist als wij dit doen. Ook ten onzent wenscht het stelsel der plakkaten, dat toch nooit iets heeft uitgewerkt, geen hunner terug. En feitelijk berusten alzoo ook zij in de pluriformiteit der zichtbare kerk als in een fait accompli, d.i. als een voldongen feit, waaraan niets te veranderen, en waar wel terdege meê te rekenen valt. In hun eigen handboeken en overzichten sommen ook zij, als het terrein der Christelijke kerk tegenover het Heidendom en Mohamedanisme moet worden afgebakend, ook wel terdege de Grieksche, de Nestoriaansche, de Koptische, de Roomsche, de Luthersche, de Episcopale en andere kerken mede. Vaststaat althans dat het nooit nog één hunner in den zin is gekomen, op de vraag, waar de Christelijke kerk zich vertoont, kortweg te antwoorden: „In de Gereformeerde kerken alleen.” Iets wat ze te minder kunnen, nu het feit openbaar is, dat de in engeren zin dusgenaamde Gereformeerde en Presbyteriaansche kerken, hier, in Engeland en in Amerika, inwendig zoo bitter verdeeld en aan haar Confessie ontzonken zijn, dat, kleinere groepen uitgezonderd, modernen en Christus-loochenaars van allerlei aard en graad, met hen in hun kerken saâmleven. Geestelijk gevoelen b.v. de voorstanders van Art. 36 ten onzent veel sterker verwantschap met Lutherschen of Doopsgezinden, die orthodox zijn in het Christologisch dogma, dan met de modernen onder hun eigen collega’s.

*

Uit het bovenstaande volgt, dat zij den plicht der Overheid tegenover de zichtbare kerk zóó moeten omschrijven, als onze feitelijk bestaande toestand dit eischt. Ook hierop is dusver veel te weinig gelet. Op zichzelf is het volkomen juist, dat men in zijn Confessie zich op het ideale standpunt kan plaatsen, ook al weet men dat de werkelijkheid hier verre beneden blijft. Maar dit gaat niet aan, als men aan de Overheid een verplichting voorhoudt. Reeds op zichzelf is zulk een voorschrift in een Confess;e niet te zeer op zijn plaats. Een Confessie is een rekenschap geven van eigen optreden aan de Overheid. Over de Tien Geboden wordt dan ook niet in de Confessie, maar in den Catechismus gehandeld. Historisch blijkt evenzeer, dat Art. 36 oorspronkelijk heel iets anders bedoelde dan aan de Overheid plichten voor te schrijven; het strekte, gelijk het slot van het artikel klaarlijk aantoont, ten einde, juist omgekeerd, de plichten der geloovigen jegens de Overheid af te bakenen, en elk vermoeden te |244| weerspreken, alsof de geloovigen dier dagen heulden met het anarchisme der wederdoopers. Eerst in verband hiermede werd het een retorsie-artikel. Men diende zijn Confessie in bij een Overheid, die de Gereformeerden vervolgde, en daartegenover stelden nu de stellers van de Belijdenis de verklaring, dat de Overheid, juist omgekeerd, hun, als de ware kerk, de hand boven het hoofd moest houden, en hun tegenstanders, die hun het daglicht niet gunden, moest weerstaan. Daarentegen is in onze vele koloniën nooit op uitroeiing van ’t Heidendom en het Mohamedanisme, van Overheidswege, aangedrongen. Wat men in Art. 36 neêrschreef, doelde alleen op den toestand van omstreeks 1560/70 en bepaaldelijk hier te lande.

Dit concreet karakter van zulk een artikel volgt dan ook uit den aard der zaak. Wie aan een Overheid die door wet en strafrecht moet handelen, een verplichting oplegt, kan dit niet in het afgetrokkene doen, maar moet dit doen in verband met den feitelijk bestaanden toestand. De Hervorming, optredende in het besef, dat de pauselijke kerk een valsche kerk was, en dat zij de ware kerk herstelde, legde dan ook op de Overheid de verplichting om met haar magistraal gezag tot dit herstel van de ware kerk mede te werken. De Overheid, zoo oordeelde men, was geroepen en gehouden, om aan de pauselijke kerk het karakter van kerk te ontnemen, haar misbruiken af te schaffen, haar kerkgebouwen te zuiveren, en allerwegen de zuivere Christelijke religie te helpen invoeren. We herinneren slechts aan het optreden van Datheen en Hembyze te Gent, om het duidelijk te maken, hoe dit bedoeld was. De dragonders, die destijds naar de Drentsche dorpen werden uitgezonden, om de kerken te hervormen, en van de pastoors, die wilden, dominees te maken, voerden metterdaad niet anders dan dit program uit. Of men aan de Overheid al zegt: „Als alles was zooals het wezen moest, zoudt ge in zoo idealen toestand zus en zóó moeten handelen”, geeft niets. Zal de Overheid zich van een op haar rustende verplichting kwijten, dan moet dit slaan op den bestaanden toestand, en haar in zulk een vorm worden voorgehouden, dat ze haar roeping vervullen kan. Men kan nu niet tot de Overheid zeggen: „Als we nog in de 16de eeuw waren, zou uw plicht dit en dat zijn”. Wie tot de thans regeerende Overheid zich richt, en haar aanzegt, hoe ze zich tegenover de zichtbare kerk te gedragen heeft, moet daarbij uitgaan van den thans geworden toestand, en aanwijzen hoe de Overheid zich tegenover dien bestaanden toestand van haar hooge roeping te kwijten heeft. De lastbrief, dien ge haar uitreikt, al hoort hij meer in den Catechismus dan in de Confessie thuis, moet in elk geval concreet zijn. Het moet zijn, wat de vaderen noemden: Hîc et nunc, d.w.z. passend op den toestand gelijk die zich hier en nu voordoet.

*

|245| En nu stellen we aan hen die Art. 36 onveranderd willen handhaven — en ze missen elk recht van verder meêspreken, zoolang ze hierop niet pertinent en concludent geantwoord hebben — deze, heel het geschil beheerschende, vraag: Hoe moet de Overheid, als ze op haar erf meer dan ééne zichtbare kerk vindt, uitmaken welke onder die velen de eenig ware zij? Zij moet dit, op haar standpunt, weten. Zal ze de ware kerk beschermen en voorthelpen, en daarentegen „alle afgoderij en valschen godsdienst” uitroeien, dan moet ze beginnen zelfs met uit te maken, wat dan nu de ware kerkvorm is en wat die andere groepen zijn, die zich wel kerk noemen, maar zonder het te wezen. Wat willen onze bestrijders nu, dat de Overheid dit zelve zal beoordeelen en uitmaken? Oftewel weten ze een macht aan te wijzen, die dit voor haar beslist, en naar wier beslissing zij zich gedraagt? En laat men hierop nu niet met holle phrasen of in afgetrokken begrippen, maar hîc et nunc antwoorden, zóó dat de vraag aldus komt te staan: Hoe komt, op uw standpunt, de Regeering van Hare Majesteit onze geëerbiedigde Koningin tot de zekerheid, welke onder de vele kerken, die hier te lande bestaan, de ware is? Want let er wel op, wie zich op het standpunt van onze bestrijders plaatst, moet onverwijld op Grondwetsherziening ten deze aandringen. Thans zegt de Grondwet bescherming aan alle kerken zonder onderscheid toe, en waarborgt Staatsinkomsten aan kerken, waarvan onze vaderen oordeelden, dat ze veeleer gesloten moesten worden, en daardoor o.a. ééne kerk, waarvan deze broederen belijden, dat ze zich nog dag aan dag, en in tal van plaatsen, schuldig maakten aan „vervloekte afgoderij.” Dit nu is met handhaving van Art. 36, in onveranderden vorm natuurlijk onbestaanbaar. Staatsinkomsten waarborgen aan een priester, die uws inziens in publieken dienst „vervloekte afgoderij” pleegt, mag en kan op geen standpunt, en het is een bittere ironie voor den partijstrijd, dat nochtans juist deze broederen met hand en tand voor het behoud van het desbetreffend Grondwetsartikel opkomen. Iets waarop ze, als mannen van eer en mannen van beginsel, natuurlijk niet kunnen antwoorden: „Dat doen we, omdat anders ons eigen traktement gevaar loopt”; zoodat ze zich ten slotte wel moeten terugtrekken in bot zwijgen. Doch stel nu, dat het onveranderde artikel 36 weer opleeft en weer werken gaat, dan volgt hieruit rechtstreeks dat, op het standpunt, onze Grondwetsparagraaf over den godsdienst onverwijlde en principiëele herziening eischt, en moet omgewerkt worden in zulk een zin, dat aan de ware kerk, d.i. de Gereformeerde, en aan haar alleen, bescherming met de noodige privilegiën worde toegekend, en dat bepaald worde, op welke wijze „alle afgoderij en valsche godsdienst”, hier en in de koloniën, zal worden uitgeroeid.

De Koningin zou dus een Ministerie moeten samenstellen, dat bereid was en zich in staat achtte, om voorstellen tot Grondwetsherziening in |246| dien zin te ontwerpen. In breede Memorie van Toelichting zou dit Kabinet deze voorstellen moeten toelichten, en de gronden aangeven, waarop zoodanige voorstellen rustten. Bij Kamerontbinding zouden de kiesvereenigingen candidaten voor of tegen moeten stellen. En de stembus zou tot resultaat moeten hebben, dat ten slotte met twee derden stemmen meerderheid deze voorstellen tot wet konden verheven worden. Nu spreken we nog niet over de volstrekte onmogelijkheid, om tot zulk een uitkomst te geraken. Natuurlijk zou zich op staanden voet een combinatie vormen van alle Roomschen, alle Lutherschen, alle Doopsgezinden, alle Joden en alle modernen, om zulk een opzet te stuiten, zoodat we niet gelooven dat er in de Tweede Kamer tien en in de Eerste Kamer vijf leden voor zouden te winnen zijn. De risée van Europa en Amerika, en de belaching van al wat de vrijheid liefheeft, zou zulk een Kabinet zich geen oogenblik kunnen staande houden, en ook in ons land zou het zijne besliste tegenstanders vinden. Maar dat nu ter zijde latende, bepalen we ons voorshands tot de te doene voorstellen. In die voorstellen zou moeten zijn aangegeven, welke kerk de ware is, waaraan de Regeering haar bescherming en privilegiën toezei. Onze vaderen hebben dat dan ook gedaan, en beslist, dat de Staat der Nederlanden alleen de Gereformeerde kerken als kerk erkende. Wat daarbuiten stond of bestond, kon in die dagen van Overheidswege niet op den naam van kerk aanspraak maken. De Overheid kende Roomschgezinden, Luthersgezinden, Doopsgezinden en Joden, maar geen Roomsche, Luthersche kerk enz. Zoo zou het formeel dus ook nu weer moeten worden. Wie dat betwist, speelt met woorden. Zoo en niet anders is de strekking van onze Confessie, zoo men ze onveranderd staan laat. En zoo herhalen we dus de vraag: Hoe zal de Kroon, langs constitutioneelen weg, tot beantwoording komen van de vraag, welke onder de bestaande kerken de ware is? En natuurlijk kan ze hierbij niet volstaan met een summiere en willekeurige beantwoording dier vraag. Haar antwoord moet gemotiveerd zijn. Laat nu onze bestrijders eens kloekheid betoonen, en eens in druk doen uitgaan zulk een Concept-voorstel van Grondwetsherziening, met zulk een Concept-Memorie van Toelichting. Dan zullen ze toonen, den moed van hun overtuiging te bezitten, en aan te dringen op iets dat kan.

*

Maar hoe zullen ze dat aanleggen? Zeker, indiende Nederlandsch Hervormde kerk nog muurvast in haar Belijdenis stond; indien ze nog als vanouds de confessioneele tucht handhaafde; en indien het nog aanging te zeggen, dat de leden en ambtsdragers dezer kerk belijders der aloude Gereformeerde Religie waren; dán liet zich nog het historisch betoog denken, dat men zei: De Staat der Nederlanden wortelt in de Unie van |247| Utrecht. De periode van 1793-1848 is slechts een abnormaal tusschenbedrijf geweest. Niets dus natuurlijker, dan dat de Overheid thans haar oorspronkelijk karakter herneme, en weer als Overheid professiegadoen van de Gereformeerde religie. Er zou dan nooit een afscheiding in 1834, nooit een doleantie in 1886 zijn geweest. Geen vrije kerk zou er zijn opgekomen. En de Ned. Herv. Kerk zou als de kerkelijke belichaming van de Gereformeerde religie kunnen erkend worden. — We zeggen niet, dat we dit beamen zouden. Op ons standpunt kan dit niet. Maar ons op het standpunt van onze bestrijders plaatsend, geven we toe, dat zulk een historisch betoog in dit geval te voeren ware.

In het Geusje wordt zoodanig betoog dan ook feitelijk nog verdedigd. Maar onze bestrijders gevoelen zelve wel, dat ze hier niet mede uitkomen. Wat onze vaderen aan de Overheid oplegden, was niet de verdediging van de nominale kerk, maar van de Gereformeerde Religie. Zóó staat het in alle officieele actestukken, en zoo is het ook door de Commissarissen-politiek op de Synode van Dordrecht verstaan en uitgesproken. De Overheid deed professie, niet van tot deze of die kerk te behooren, onverschillig wat ze beleed, maar ze deed professie van de Gereformeerde Religie, conform de Formulieren van Eenigheid. Historisch zou dus alleen dan dat betoog ten bate van de Ned. Herv. Kerk te voeren zijn, zoo kon aangetoond, dat deze alsnog de belichaming der Gereformeerde Religie was. Nu is het echter notoir, hoe de voorstanders van de onveranderde handhaving van Art. 36 in deze kerk slechts een zeer kleine minderheid vormen, en steen en been klagen, dat de geheele organisatie dezer kerk uit het eenig rechte spoor ging, om een leervrijheid toe te laten, die Arminianen, Libertinisten en Socinianen van allerlei aard en gading zelf in het ambt duldt. Ze geven dus zelf toe, dat deze kerk geen waarborg oplevert voor een uitsluitend Gereformeerde professie, en hiermede vervalt natuurlijk beroep op de historische positie van het verleden.

Onze Regeering zou alzoo geheel zelfstandig te beoordeelen hebben, aan welke kerk ze het karakter van de ware kerk zou hebben toe te kennen. En zoo herhalen we de vraag: Bezit ze nu de gegevens om dat te beslissen in zichzelve, oftewel is er een macht boven haar, die dat voor haar zóó beslist, dat zij gerechtigd zou zijn, deze beslissing te volgen? De Roomschen zijn hierop met hun antwoord gereed. Volgens hen heeft niet de Overheid dit uit te maken, maar het apostolisch gezag van Rome. Daarom staat dat gezag centraal buiten alle nationale gebondenheid, en geeft voor de Overheid in alle natiën de beslissing. Maar natuurlijk, deze uitweg staat voor onze bestrijders niet open. Dit gezag erkennen ze niet, en ze denken er niet aan, een ander centraal gezag voor alle kerken der wereld op te richten. En ook kunnen ze niet zeggen: „Dat maakt de kerk uit”, want natuurlijk, laat men het aan de kerken over, dan beweert elke kerk zelve |248| de ware kerk te zijn, en is de Overheid even ver. Als eenig denkbare macht zou dan nog de Universiteit kunnen te hulp worden geroepen, maar vooreerst zou geen enkele kerk, die zich zelve eert, ooit het gezag der wetenschap als rechter erkennen, en ten andere kennen we de gezindheid onzer bestrijders te goed, om niet te weten, dat de uitspraak van geen der theologische faculteiten hier te lande door hen zou aanvaard worden.

Hoe men het wende of keere, er bleef alzoo niets anders over, dan dat de Overheid zelve de beslissing in handen nam, en zelve de zaak uitmaakte. Doch hoe zal dit, als het op een gemotiveerde beslissing aankomt, toegaan? Weet, wie ons tegenspreekt, uit heel deze eeuw één Kabinet te noemen, aan welks leden hij ten deze recht van beslissing zou hebben toegekend? Stellig niet één. Want al wees men op het Kabinet van 1889, ook dit zou door zijn Roomsche leden op zoo kritiek punt hopeloos verdeeld hebben gestaan. En de mogelijkheid, dat later ooit zulk een Kabinet zou kunnen optreden, zal door niemand worden beweerd. De ontwikkeling op elk terrein werkt veeleer in de richting van meerdere splitsing en stellig niet in de richting van een aaneengesloten eenheid wat betreft religieuse inzichten. Het eenige betoog, dat de Regeering zou kunnen voeren, ware de aanwijzing, dat deze of die kerk haar als Overheid den besten waarborg bood voor orde, rust en veiligheid. Doch afgezien van het feit, dat ten deze de kerken weinig uiteenloopen, zou er dan niet uit volgen dat de kerk verlaagd werd tot een instrumentum regni en aan het bewaren van orde en rust ondergeschikt werd gemaakt? Een oordeel, dat als het doorging, het hardst op de kerken der Hervorming zou zijn neergekomen, die alle destijds bestaande rust in alle Staten verstoord hebben, en in Nero’s dagen zelfs alle Christelijke kerken zou getroffen hebben, ja, in Jeruzalem op Jezus zelf zou zijn neergekomen, van wie de conservatieven van Juda riepen, dat hij het volk beroerde. Er zou dus niets anders overblijven, dan dat de Overheid zelve, op godsdienstige gronden, de kenteekenen der ware kerk ging vaststellen, en aan deze kenteekenen de bestaande kerken toetste. Bezit nu daartoe de Overheid, bezit daartoe onze Regeering de bevoegdheid en de geestelijke bekwaamheid? En ook, als ge dit recht en deze bevoegdheid aan de Regeering toestaat, wat blijft er dan over van de Libertas Ecclesiae, d.i. van de vrijheid der kerken, om zelve te oordeelen over het recht van eigen bestaan?




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXXIV, De Heraut No. 1187 (30 september 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001