XXXIII. Kerk en staat 21

Want die in Petrus krachtiglijk wrocht tot het apostelschap der besnijdenis, die wrocht ook krachtiglijk in mij onder de heidenen.

Gal. 2 : 8. a


Alzoo is het doorzichtig als glas, waarin ten deze het eigenlijke geschilpunt niet, en waarin het wel schuilt. Dat de „burgermaatschappij” en de „gemeente der geloovigen” twee zeer onderscheidene levenskringen vormen, en dat wie Overheid is in burgermaatschappij, daarom nog geen zeggenschap in Christus’ Kerk heeft, staat tusschen onze bestrijders en ons vast. Allen zonder onderscheid, die ten onzent nog aan den Gereformeerden naam vasthouden, stemmen dit onvoorwaardelijk toe. En evenmin bestaat er verschil van gevoelen over, dat de Overheid als „dienaresse Gods,” gehouden en geroepen is, om hei Evangelie zijns Zoons vrijen toegang onder het haar toevertrouwde volk te verzekeren, en den voortgang en den bloei der Christelijke Kerk, ook buiten de grenzen van haar gebied, met alle haar ten dienste staande middelen te bevorderen, slechts onder dit ééne voorbehoud, dat deze middelen niet in strijd mogen komen met den geest van Christus, met den aard van het Evangelie of met het karakter der Kerk. Zoolang die Kerk in ééne gestalte, met ééne belijdenis, als innerlijke en uitwendige eenheid optreedt, rijst er onder ons alzoo geen verschil hoegenaamd over de taak, die de Overheid tegens deze ééne Kerk heeft te vervullen. Daarentegen komt er een zeer ernstig verschil van gevoelen op, zoodra de ééne Kerk van Christus zich aandient in velerlei vorm. Dan toch is het de overtuiging van hen, die onvoorwaardelijk aan Art. 36 van onze Confessie, in zijn historische en aldus eenig geldige beteekenis, vasthouden: 1º. dat slechts één vorm van Christus’ Kerk voor God bestaanbaar is, en dat alle andere formatiën die zich als zoodanig aandienen, valsche nabootsingen zijn; 2º. dat de Overheid even beslist zich voor de Kerk in haar eenig ware formatie partij moet stellen, als zij gehouden is, de valsche nabootsingen te weren en tegen te staan; en 3º. dat deze plicht der Overheid in absoluten en idealen zin doorgaat, geheel onafhankelijk van de vraag, of de overheidspersonen zelve en het volk als natie, al dan niet bij deze eenig ware Kerk zijn aangesloten. Is dit niet het geval, dan, ze geven dit toe, zal er wel geen sprake van zijn, dat zulk een Overheid zich van haar taak kwijt; maar dit belet niet, dat toch ook |236| in dit geval haar die taak als onafwijsbare eisch gesteld blijft. En hiertegenover nu stellen wij: 1º. dat het uiteengaan van de Christelijke Kerk in meerdere formatiën een noodzakelijk gevolg is van elke rijkere ontplooiing van het volksleven, en van het tot zijn recht komen van het subjectieve element in het geloofsleven; 2º. dat aan de Overheid als zoodanig het recht en de bevoegdheid niet toekomt, om in het godgeleerd, kerkrechtelijk en liturgisch verschil van overtuiging, dat hierbij aan het licht komt, vonnis te vellen, en dat niet haar macht, die altoos de macht van het zwaard is, maar alleen geestelijk overwicht aan de ééne richting boven de andere den triomf kan verzekeren; en 3º. dat op dien grond de Overheid zich niet tusschen Kerkformatie en Kerkformatie partij mag stellen, maar aan allen, op onbelemmerde wijze, vrije ontwikkeling heeft te verzekeren, en slechts dan tusschenbeide mag treden, als er, van welke zijde ook, aanranding plaats heeft van het gemeene recht, hetzij ten laste van den Staat, hetzij ten laste der persoonlijke consciëntie, hetzij van de Kerken onderling.

Het eerste, of absolute, standpunt staat alzoo regelrecht tegen het door ons beleden of relatieve standpunt over, en het is deze tegenstelling die kortweg is saam te vatten als de tegenstelling van het Roomsche en het Protestantsche beginsel. De Roomschgezinden zijn in de doorvoering van het absolute beginsel consequent. Zij alleen. De geopenbaarde waarheid heeft, naar zij belijden, slechts éénen vormen laat geen afwijkende nevenvormen toe. Dienovereenkomstig houdt Rome dan ook staande, dat God niet alleen één bepaalde waarheid geopenbaard heeft, maar ook voor heel de wereld en voor alle eeuwen één bepaald leergezag heeft ingesteld, dat beslist en uitmaakt, in welken vorm alle geloovigen, alle eeuwen door, en aan alle oorden der wereld, deze ééne waarheid hebben te belijden. Die aldus aangegeven vorm van belijdenis heeft even Goddelijk gezag als de geopenbaarde waarheid zelve. Wat daarvan afwijkt, of daartegen ingaat, is niet een min zuivere, min volledige belijdenis, maar leugen en valschheid. Vrijheid van eigen inzicht wordt alleen in zooverre toegestaan, als het hoogste leergezag zich over eenig punt nog niet heeft uitgesproken. Maar zóó niet heeft het hoogste leergezag ook over zulk een punt uitsluitsel gegeven, of die vrijheid valt weg. Die vrijheid krimpt dus steeds meer in, ze wordt steeds kleiner. En het ideaal, waarnaar men streeft, is om steeds meer over heel de wereld alle geloovigen in alle dingen tot eenvormige overtuiging en belijdenis te brengen. Hieruit vloeit voort, dat de Roomschgezinden nooit anders dan ééne Kerk erkennen kunnen. In de practijk mogen ze, door de macht der feiten gedwongen, van dezen vasten regel afwijken, maar dit heeft voor hen nooit andere beteekenis, dan die van een tolerari posse, d.i. van een toestand die tijdelijk geduld wordt; en zoodra deze omstandigheden zich wijzigen, herneemt de absolute eisch der ongewraakte |237| en onwraakbare theorie zijn nooit verouderd recht. En uit deze absolute theorie vloeit het dan vanzelf voort, dat ook de Overheid zich altijd voor de ware en tegen de valsche kerk partij heeft te stellen. Niet, als had zij theologische vraagstukken te beoordeelen. Dit ligt volgens Rome ten eenenmale buiten haar bevoegdheid. Maar God heeft in het hoogste leergezag, d.i. in den apostolischen stoel van Rome, ook aan de Overheid de rechtstreeksche aanwijzing gegeven, wat ze als waar te eeren en als valsch te bestrijden heeft. Een Overheid, die voor dit hoogste leergezag bij de beoordeeling van het ware of valsche in religie en kerk, niet onvoorwaardelijk zwicht, komt alzoo in verzet tegen de door God gestelde macht. Dit nu is haar als Dienaresse Gods tot zonde. Wil ze dus die zonde niet begaan, maar zich Gode gehoorzaam betoonen, dan heeft ze dit hoogste leergezag in alle geestelijke dingen te erkennen; alleen die kerk te eeren, die dit hoogste leergezag draagt; en al wat zich daarnevens onder den naam van kerk opwerpt, als ketterij en secte te veroordeelen, tegen te staan en te bestrijden. Alle welke gevolgtrekkingen zeer ten onrechte geweten worden aan mindere menschenliefde of aan persoonlijke heerschzucht. Ze zijn niet anders dan de rechtstreeksche gevolgtrekking uit de hoofdstelling, de noodzakelijke belichaming van het eens aanvaarde beginsel; en dat beginsel is niet anders, en zal nooit anders zijn, dan het beweren, dat de absolute waarheid Gods ook in haar subjectieve belijdenis gebonden is aan één absoluten vorm.

*

Dat dit nu niet de Protestantsche lijn is, veel min de Gereformeerde, behoeft ternauwernood betoog. De kerk, die dusver in het met gezag bekleed instituut werd gezocht, is voor onze vaderen geworden: de vergadering der geloovigen. Hierin lag de groote overgang van het objectieve naar het subjectieve standpunt. De subjecten waren „de geloovigen”, de personen, de belijders, en in hen, niet in een objectief leergezag, nam heel de Reformatie, en nam met name de Calvinistische Reformatie, haar uitgangspunt. Ze deed dit niet, om de waarheid Gods aan de willekeur der persoonlijke opvatting, of om de kerk aan de woeling der demagogie prijs te geven. Wel kwam dat streven op bij de Dooperschen in geestelijken en bij de Indepedentisten in kerkelijken zin, maar de Gereformeerden als lichaam hebben zich steeds tegen dit loswoelen van allen vasten grondslag met hand en tand verzet. Hun standpunt was een gansch ander. Ongetwijfeld erkenden zij de noodzakelijkheid van een objectieve leiding, maar ze oordeelen, dat deze van Christus zelf uitging. Er was het Woord, en er was de verlichting en werking van den Heiligen Geest, en het was de Christus, die als Koning zijner kerk door dit zijn Woord en door den Heiligen Geest zijn geloovigen leidde en stuurde. En deze werking van den levenden Christus |238| stelden ze niet voor als een werking, die zich bond aan kerkelijke ambtsdragers, om middellijk, d.i. door hen, de geloovigen te leiden, maar als een werking die naar de geloovigen rechtstreeks uitging en de onmiddellijke gemeenschap van elk kind van God met het Heiligdom daarboven tot stand bracht. Niet alsof dit alle middellijke leiding door de Opzieners der Gemeente uitsloot. Integendeel, voor alle gezamenlijke actie was die middellijke leiding op aarde onmisbaar. Maar toch, ook zoo werkte die leiding door menschen nooit autoritair, maar ontving haar zegel eerst door de overtuiging die de Heilige Geest in het hart der geloovigen wekte.

Daarbij nu koesterden onze vaderen zeer stellig de illusie, dat op die wijs, evengoed als onder Rome, ja beter nog, de eenheid der geloovigen ook in hun subjectieve belijdenis stand zou houden. Wat Paulus aan die van Filippi schreef: „Zoovelen als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen ; en indien gij iets anderszins gevoelt, ook dat zal God u openbaren; doch daartoe wij gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen”; ja, zelfs wat hij aan die van Corinthe voorhield: „Ik bid u, broeders, door den naam van onzen Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt”, — wenkte hun niet als een ideaal, maar als een zekere uitkomst, waartoe ze waanden aanstonds te zullen geraken. Het was éénzelfde waarheid, die ze allen beleden; het was éénzelfde Woord, waaruit ze allen putten; het was éénzelfde Christus, die hen allen regeerde; het was éénzelfde Heilige Geest, die hen verlichtte en leidde; hoe kon het dan anders, of ze moesten allen tot éénzelfde belijdenis komen, en die belijdenis eenparig verdedigen. Aanvankelijk kwam het dan ook niet in hen op, dat de breuke met Rome de bestaande onderlinge eenheid in belijdenis en eeredienst zou doen teloor gaan. Veeleer zou de eenheid der ware kerk, die dusver vrucht van mechanische manipulatie was geweest, nu eerst recht krachtig uitkomen en helder uitschitteren, als niet langer het gezag van een kerkvorst op aarde, maar Christus zelf van uit den hemel die eenheid in stand hield en bevestigde. Dat het tot deeling, tot splitsing zou moeten komen, kwam nog niet in hen op. Even beslist als eertijds Rome, bleven ze spreken van de ware kerk, en verwierpen alles wat daarbuiten stond als ketterij en secte, waarop ze dan niet aarzelden den naam van valsche kerk toe te passen. Ze waanden, evenals de kerk dusver, niets dan het objectieve te grijpen, en doorzagen in het minst niet, hoe hun overbrengen van het zwaartepunt van de „kerkelijke ambtsdragers” op de „geloovigen”, noodzakelijkerwijze een geheel nieuwe ontwikkeling moest doen geboren worden, en het subjectieve element in de belijdenis tot een beteekenis moest doen komen, gelijk het die dusver nimmer had bezeten.

*

|239| Dit verbaze niet. De Reformatie brak uit op een keerpunt in de historische ontwikkeling van Europa’s volkeren. Niemand verheelt thans of spreekt tegen, dat het de 16de eeuw was, waarin de individueele, de persoonlijke, de subjectieve ontwikkeling bij deze volken haar aanvang nam. Het was steeds de natuurlijke loop der dingen, dat alle volk en natie begint met niets anders dan een gemeenschappelijk leven te leiden, zonder dat in dit gemeenschappelijk leven het persoonlijk element nog tot zijn recht kan komen. Zoo was het in Israël onder Mozes, zoo is het in Rusland nog. In dat tijdperk van ontwikkeling heeft de massa slechts één geest, één stem, één toon, één lied. Alle gevoelen hetzelfde en spreken hetzelfde. De stempel van het volksleven blijft nog één, en heeft zich nog niet in zijn vertakkingen gesplitst. Maar dit houdt niet aan. Weldra treedt zulk een volk in een ander stadium van ontwikkeling over, en dan begint zich de veelheid in de eenheid te vertoonen en begint het persoonlijk streven, de persoonlijke overtuiging haar eisch te doen gelden. De overgang nu uit dit eerste in het tweede stadium viel voor de volken van West-Europa in de 16de eeuw, maar begon pas, toen de Reformatie opkwam, en het was daarom volkomen natuurlijk, dat onze vaderen bij hun kerkelijk streven nog van verre niet vermoedden, waartoe die nieuwe actie noodzakelijkerwijs ook op kerkelijk gebied leiden zou. Eerst de feiten hebben hen ontnuchterd.

Deze uitdrukking is niet sterk. Bitter gaat door alle correspondentie onzer mannen uit die dagen de droeve, aan hun hart ontscheurde klacht over de gedeeldheid van inzichten die zich openbaarde. Geen poging wordt gespaard, om, kon het, deze gedeeldheid in eenheid op te lossen. Godsdienstgesprek na godsdienstgesprek is er voor gehouden. Dagen en nachten zaten allerlei gecommitteerden saam om de eenheid in formule te vinden. Met bangheid en vreeze in het hart, werd de ééne concessie voor, de andere na gedaan. Tot men eindelijk inzag, hoe het verschil van opvatting te diep ging, en men niet meer mocht toegeven, en met wreede teleurstelling in het hart uiteenging. Ten slotte teekenden zich in die verschillen zekere hoofdstroomingen af; en de mannen van eenzelfde hoofdstrooming sloten zich eerst in eigen kring nauwer aaneen, toen het er op aan kwam, hun gemeenschappelijke bedding tegenover de andere hoofdstrooming te verdedigen. Wat men saam nog aan eenheid overhield, dankte men aan het doodelijk gevaar dat heel de Reformatie van Rome dreigde, en wat in West-Europa nogmaals de Gereformeerden aaneensloot, was het dubbele gevaar van Spanje en het Interim. De Lutherschen behandelden de Gereformeerden zeer hard, en dat juist heeft de eenheid der Gereformeerden bevorderd. Wel gaven toen de Gereformeerden ook allerlei afzonderlijke belijdenisschriften uit, maar de hoofdstellingen van al deze confessies toonden toch éénheid van zin, en, saam in één bundel als Harmoniâ Confessionum uitgegeven, gaven ze aan onze vaderen recht, om, zonder |240| dwang, op een verworven eenheid te roemen. Het Concilie van Dordrecht in 1619 zette er de kroon op. Maar hoe rijk die winste in enger kring ook was, te loochenen viel niet meer het feit, het groote feit, waarin de eens zoo schoone illusie was ondergegaan, dat de Lutherschen naast de Gereformeerden als kerkelijke groep waren opgetreden, en dat tal van kleinere groepen, hier, in Engeland en Schotland, nog weer in onderscheiding van de Gereformeerden optraden; daargelaten nu nog, dat onder de Gereformeerden zelven even duidelijk uit elkaar gaande richtingen optraden. Denk slechts aan Saumur in het leerstukderverkiezing, en kerkrechtelijk aan de Independenten.

*

Viel hiermee hun theorie? Ja, in zooverre zij zich hadden ingebeeld, dat uitwendige eenheid van de ééne ware kerk, zonder en buiten de Roomsche instelling van een hoogste leergezag, denkbaar was. Hun belijdenis van de kerk als „vergadering der ware Christgeloovigen”, rustende op de belijdenis der uitverkiezing, had nu eenmaal aan het subjectieve element, door de vrijheid der consciëntie, recht tot meespreken gegeven, en dit grondstuk van hun belijdenis moest met logische noodwendigheid tot splitsing van de kerk in meerdere formatiën, oftewel tot vernietiging van alle zichtbare kerkformatie als zoodanig, leiden. Het hoog-ideale standpunt door onze vaderen ingenomen, was met de koude realiteit in onverzoenlijken strijd. Zeker, de waarheid is één, en het Woord één, en één de verlichting van den Heiligen Geest, maar als het er nu aan toekomt, om in het subjectief bewustzijn deze waarheid op te nemen, en ze in een eigen menschelijk woord uit te spreken, dan breekt de ééne lichtstraal in haar veelheid van tinten, en bloeit het uitgestrooide zaad op, niet in een bed van één enkele bloemsoort, maar in een rijke variatie van bloemgewas, wier eenheid in de harmonie, en niet langer in de gelijksoortigheid noch in de gelijkvormigheid ligt. En deze harmonie is dan iets heerlijks, iets haast te schoon voor deze aarde; en het is alleen onder bijzonder gunstige omstandigheden, dat het schoon dier harmonie in Christus’ kerk te genieten valt. Druk en vervolging zijn daartoe ’s Heeren zendboden. Toen onze vaderen te vuur en te zwaard vervolgd werden, en voor zich en hunne kinderen op lijfsbehoud bedacht hadden te zijn, toen heeft de angst en de vertwijfeling de broederen doen aaneensluiten met een innigheid, die den sectegeest tijdelijk bezwoer. En ook, toen de beker des lijdens hun zoo ten boorde toe vol aan de lippen werd gezet, toen is hun vroomheid zoo innig, hun geloofsmoed veerkrachtig, hrin leven nabij God zoo nauw en teeder geweest, dat de werking van den Heiligen Geest de booze werking van zelfzucht en eigen zin ten onder hield. Geschillen en verschillen kwamen ook toen wel op, maar de vervolging oefende nog sterker haar saambindende kracht, |241| en door federatieve saambinding, is toen voor een oogenblik een harmonie bereikt, gelijk men die nauwlijks zelve had durven hopen.

Maar dit hield geen stand. Toen de vervolging ten einde liep, verslapte de broederband, het leven met God verloor aan innigheid, en van die ure af hernam de ontbindende en splijtende en splitsende kracht haar volle werking. En dat is nog zoo. Ook onder ons. Tusschen natiën en natiën. Tusschen werelddeelen en werelddeelen. In den boezem van eenzelfde natie tusschen groepen en groepen. En zelfs in een groep, zoo hecht vereenigd als die der Gereformeerden ten onzent thans is, komen gedurig toch weer wrijvingen en botsingen op, die, zoo er geen macht des gebeds en der liefde voor God opging, straks opnieuw tot scheuring leiden zou. In zulk een toestand nu, gelijk die deels naar Gods scheppingsordinantie, deels als vrucht der historie, deels door onze zonde werd en is, buiten de ware kerk, over heel deze aarde.en onder alle volk, een iegelijk te willen sluiten, die niet met ons hetzelfde gevoelt, denkt en belijdt, is kortweg de volstrekte ongerijmdheid. De kerk staat nu eenmaal in haar deelen voor ons, en met die gedeelde kerk heeft de Overheid van doen.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXXIII, De Heraut No. 1186 (23 september 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001