XXXII. Kerk en staat 20

Allen ben ik alles geworden.

1 Corinthe 9 : 22. a


Gelijk het slot van ons vorig vertoog reeds opmerkte, ondergaat de verhouding van Kerk en Staat door niets zoo sterke verandering, als door het splijten van de ééne zichtbare kerk in meerdere kerken van |228| onderscheiden, deels zelfs tegenstrijdige Belijdenis. Wij, die van der jeugd aan met het bestaan van allerlei kerken en kerkjes op onze vaderlandsche erve vertrouwd zijn, kunnen ons zelfs moeilijk meer indenken in den ongelooflijk grooten overgang van toestand in toestand, die in de 16de eeuw door het optreden van Kerk naast Kerk tot stand kwam. Bijna duizend jaren lang had men niet anders dan van de Kerk geweten, van de Kerk onder de hiërarchie, die haar sluitsteen vond in het apostolisch gezag van den Bisschop van Rome. Wel had in de eerste eeuwen meer dan eens Kerk naast Kerk gestaan, en nog in Augustinus’ dagen waren hier sporen van over, maar die noemde men dan secten of schismatieken, en ten slotte verdwenen ze de ééne voor, de andere na, om niet anders dan de ééne Kerk over te laten. Althans in het Westen en Zuiden van Europa. In het Oosten liep het anders. Daar waren Kopten, Nestorianen e.a. iets aparts, en ten slotte scheidde zich geheel de Oostersch-Grieksche Kerk af om het Filioque. Toch plaatste ook dat niet in eenzelfde dorp Kerk naast Kerk. Wat in het Oosten zich afscheidde, waren geheele landstreken met alle Kerken die er in gevonden werden. En voorts was de gemeenschap tusschen het Oosten en het Westen in die dagen zóó onbeduidend, dat in het Westen van Europa het bestaan van die schismatieke Kerken ternauwernood aan de menigte bekend was. Waar dan nog bijkwam, dat ook de zware verdrukking die door den Islam over deze Oostersche Kerken kwam, al spoedig aan alle bitterheid het zwijgen oplegde. In onze Nederlanden daarentegen, en zoo ook in België, Frankrijk, Duitschland en Engeland, kende men, toen de Hervorming doorbrak, slechts één institutaire Kerk, want zelfs het schisma van Hendrik VIII van Engeland bedoelde niet, Kerk naast Kerk te plaatsen, maar alleen om het Engelsche deel der ééne Kerk te nationaliseeren. De vroegere tweeheid, die in Groot-Brittanje tusschen de oorspronkelijke geloovigen en hen die zich bij Rome aansloten, bestaan had, en die aanvankelijk dok in ons land gekend was, had toen geen spoor meer achtergelaten. De eenheid der Kerk als zoodanig was onbetwist.

*

Dit denkbeeld nu, dat de Kerk niet anders dan één en eenvormig kon zijn, sprak in de 17de eeuw voor al wie Roomsch bleef, zoo vanzelf, dat noch de Roomsche geestelijkheid noch de Roomsche Overheid ertoe kon komen, om zich het optreden van een tweede Kerk naast de bestaande ook maar als mogelijk te denken. Van Roomsche zijde was de ongedeeldheid der Kerk, ook in het zichtbare, een dogma. Dit dogma heeft de Roomsche Kerk nog nimmer prijs gegeven. Alleen zijn eigen Kerk acht een Roomsche de Kerk te zijn. Wat daar buiten ligt is secte, en mist recht van bestaan. Al zijn de Roomschen dan ook nog zoo verdraagzaam in |229| landen van gemengde bevolking, toch mag ons dit nooit verleiden tot de voorstelling, als zouden ze den regel van de ééne Kerk hebben losgelaten. Nog ten vorigen jare is te Burgos in Spanje, onder kardinaal Cascajares, aartsbisschop van Valladolid, een indrukwekkend congres van Spaansche Katholieken gehouden, dat op 3 September conclusiën aannam, en in een opzettelijk schrijven ter kennisse van Spanje’s eersten minister bracht, waarin o.a. de eisch voorkwam, dat aller Protestanten progaganda zou worden verboden; dat hun Kerken zouden worden gesloten, en hun scholen te niet gedaan; dat hun het vormen van vereenigingen zou worden belet; en het uitgeven van bladen of boeken zou worden ontzegd. (Zie l’Année de l’Église 1899 Paris, Lecoffre. p. 208 v.v.). Illusie behoeft men zich hieromtrent dus niet te maken. De orthodoxe Roomschen houden in volstrekten zin aan de eenheid der zichtbare Kerk vast, en stellen in landen waar zij de meerderheid vormen, nu nog aan de Overheid den eisch, dat het optreden van elke andere Kerk naast de hunne zal worden verboden.

Op datzelfde standpunt nu van de absolute eenheid der zichtbare Kerk plaatsen zich aanvankelijk ook alle Reformatoren, zoowel Luther als Zwingli, zoowel Calvijn als Builinger, zoowel Wycliffe als Knox, en ook hier te lande zoowel Guydo de Brès als Datheen. Geen ander denkbeeld kwam aanvankelijk op. Kerk naast Kerk leek een onding. Een Kerk was valsch of waar. Waar nu was alleen de Kerk waartoe men zelf behoorde, en dus waren alle overige Kerken valsche Kerken. Deze overtuiging steunde op de gewoonte. Men was van meet af in die overtuiging opgevoed. Ze steunde op al wat in het Nieuwe Testament over het één zijn der Kerk op zoo roerende wijze voortkomt. En ze steunde niet minder op het absoluut karakter van het toenmalig geloof. Tusschen zijn geloof en de absolute waarheid vermocht men geen verschil te ontdekken. Men sprak dan ook niet van de Roomsche, van de Luthersche of van de Gereformeerde Kerk, maar uitsluitend van de Christelijke Kerk, zonder meer. Immers wat men bedoelde tot institutaire openbaring te brengen was niet anders dan de Kerk van Christus. Daartoe hoorde al wat de waarheid beleed; daartegen stond over al wat de waarheid verdonkerde. En zonder twijfel mag gezegd, dat deze absolute overtuiging onveranderlijk zou hebben stand gehouden, indien de Kerken die met Rome braken, allen één gebleven waren. Doch juist dit was niet het geval. Al spoedig teekende het onderscheid tusschen de Kerk die Luther, en de Kerk die Calvijn volgde, zich scherper af. In Duitschland beschouwde meer dan één Luthersch theoloog de Gereformeerden als wel zoo gevaarlijk als de Roomschen. En in Engeland nam de strijd tusschen de Episcopale en de Presbyteriaansche Kerken al spoedig zoo breede afmetingen aan, dat het bestaan van twee Kerkengroepen naast elkander, niet langer kon ontkend worden. Op die feiten brak de golfslag van de politieke opinie. Al hielden toch niet weinigen ook toen nog hun |230| absolute overtuiging vast, zoodat Lutherschen de Gereformeerden en Gereformeerden de Lutherschen, en zoo ook Episcopalen de Presbyterianen en Presbyterianen de Episcopalen kortweg als valsche Kerk betitelden, op den duur kon men daarbij niet volharden. Kerkelijk en theologisch zou men dit misschien nog beproefd hebben, maar de nood der tijden belette het. Het ging in die dagen op oorlog. Alle Roomsche mogendheden verbonden zich om het Protestantisme uit te roeien, en dit dwong alle Protestantsche vorsten saam, om zich, zonder op kerkverschil te letten, tot verweer en verdediging van het Protestantisme op te maken; en het is dank zij dit ralliement, dat, onder de leiding van Oranje, het Protestantisme zich gehandhaafd heeft. Vandaar de vele irenische pogingen die toen beproefd zijn, om tot onderlinge verstandhouding te geraken. Niet lang meer of de Gereformeerden erkenden in de Lutherschen zij het dan afwijkende broeders, en verklaarden het deelnemen aan elkanders avondmaal voor geoorloofd; en overal werd in landen waarin twee of drie confessies naast elkander bestonden, ten slotte een modus vivendi gevonden, die nog wel in schijn de hoogheid van ééne enkele Kerk handhaafde, maar dan toch feitelijk de pluriformiteit der Kerken als nieuwe bestaanswijs van het kerkelijk leven toegaf. Ten opzichte van Rome werd dit nog wel niet grif aanvaard, maar toch bleef men ook den Doop van Rome erkennen en gaf Calvijn toe, dat er onder de Roomsche Kerken wel terdege nog Christelijke Kerken waren, ja, dat in den strijd tegen het Libertinisme de vrome Roomschen zijn natuurlijke bondgenooten waren.

Hierdoor nu is eene klove gaan gapen tusschen de in de Belijdenis uitgedrukte overtuiging, en de overtuiging die zich later onder den drang van het leven gevormd heeft. De Confessie was nog meest uit de eerste periode, en de feitelijke wijziging van overtuiging had eerst in de tweede periode plaats, terwijl de theojogen in hun dogmatische uiteenzettingen gemeenlijk ganschelijk niet met de werkelijkheid van den toestand rekenden, maar de aanvankelijk aanvaarde tegenstelling gedurig opnieuw met de oude bewijsredenen poogden waar te maken. En hierdoor nu is het gekomen, dat in onze Formulieren van Eenigheid, en zoo ook bij onze oude dogmatische schrijvers, het denkbeeld van de eenheid der zichtbare Kerk nog stand hield, terwijl toch in het werkelijke leven steeds openhartiger met de pluriformiteit der zichtbare Kerk gerekend werd.

*

Dit vraagstuk van de pluriformiteit der Kerk, in hare zichtbare verschijning, valt als feit dan ook niet langer te ontkennen. Reeds ons land levert een gansche staalkaart op. Toch blijft er iets in die pluriformiteit dat onbevredigd laat, en vandaar dat én in de dagen van den Réveil en ook nù weer bij niet weinigen het zielsverlangen opkomt, of de eenheid |231| niet zou kunnen hersteld worden. In de dagen van den Réveil zocht men de eenheid langs niet-kerkelijken weg, was voor alle kerkformatie onverschillig, en zocht buiten de Kerken om, de eenheid in genootschappen, vereenigingen en allianties. Denk slechts aan de General Alliance. In onze dagen rekent die zucht meer met het kerkelijk leven. Vandaar de herhaalde pogingen om afgevaardigden van de Grieksche, Luthersche en Episcopale Kerken tot een compromis te doen komen; vandaar het optreden der Irvingianen; en vandaar ook de gewichtige klacht, dat zoolang de eenheid der Kerk niet hersteld is, de kracht van het Christelijk leven niet kan opwaken.

Kracht schuilt in al zulk pogen voor het minst niet. Wie weet wat voeten het in de aarde heeft, om zelfs waar geen verschil in de confessie bestaat, kerken die een tijdlang een eigen leven voerden, te hereenigen, — kan niet anders dan met het medelijden van den weemoed neerzien op al zulke pogingen en strevingen, waarvan men vooraf weet dat ze met volstrekte onvruchtbaarheid geslagen zijn, en slechts strekken, om hen die er zich aan overgeven, machteloos in den actueelen strijd voor de handhaving der Christelijke beginselen te maken. Alleen in zooverre kennen we dan ook aan zulk pogen beteekenis toe, als er een volkomen gerechtvaardigd protest in uitgaat tegen de vijandige wijze, waarop de onderscheidene Kerken tegenover elkander staan. Pluriformiteit is naar onze vaste overtuiging een phase van ontwikkeling waartoe ook de Kerk van Christus in het zichtbare moest komen; maar de pluriformiteit is historisch op een wijze tot stand gekomen, die het eenheidsbesef beleedigt. Hadde ook hier de zonde niet alles bedorven, dan had de pluriformiteit zich moeten ontwikkelen zonder de eenheid prijs te geven, ook al kon die eenheid niet dan federatief gevonden worden.

*

Werpt men ons nu tegen, dat die veelvormigheid van Kerk naast Kerk toch in het Nieuwe Testament geen steun vindt, eer daarin weersproken wordt, zoo zijn we bereid ook die bedenking onder de oogen te zien. En dan zij al aanstonds opgemerkt, dat elke plant die zich later in vele stengels splitst, toch in den aanvang één is, en dat er op dien grond niets onnatuurlijks in ligt, dat ook de Kerk in haar eerste opkomen nog niet in haar onderscheidene stengels kon uiteengaan. In de tweede plaats, dat elke brief van Paulus slechts aan één enkele Kerk van ééne stad of aan ééne landskerk gericht is, en alzoo aan menschen die in gelijke conditie verkeerden, terwijl de eenige splitsing die destijds dreigde, en die aan de Joodsche traditie hing, uit den aard der zaak op het verleden zag, en zich in de Kerk niet kon bestendigen noch mocht voortzetten. De geloovigen |232| aan wie Paulus schrijft, zijn van één periode, deelgenooten eener zelfde ontwikkeling, levende onder één Rijksbewind. En in de derde plaats omvat het Nieuwe Testament weinig meer dan één halve eeuw levens der Kerk na Christus’ hemelvaart. De aanmaning om hetzelfde te gevoelen en hetzelfde te spreken, wordt gericht niet tot alle Kerken saam, maar tot één enkele Kerk (die van Filippi), voor wie dit ook nu nog als regel geldt. De verschillen, die in de Kerk van Corinthe uitbraken, waren persoonlijke differentiën zonder hooger beteekenis, en werden evenzoo in één en dezelfde gemeente bestraft. Daarentegen blijkt uit niets, dat de apostelen eenigen maatregel genomen hebben, om, na hun heengaan, de zichtbare eenheid van alle Kerken te waarborgen. Ze hebben geen plaatsvervangers ingesteld, noch ook is een spoor te ontdekken, dat zij een college in het leven hebben geroepen, om de eenheid van alle Kerken in het zichtbare voor de toekomst te verzekeren. Ze hebben blijkbaar de eenheid in het geestelijke niet in de ééne uitwendige organisatie gezocht. Eénig teeken van aller saamhoorigheid bleef het Sacrament van den Heiligen Doop, gelijk het dit nu nog is. En hier staat tegenover, dat zelfs Paulus de uiteenzetting der waarheid heel anders inkleedt, als hij schrijft aan die van Rome, dan waar hij schrijft aan die van Epheze of Corinthe. Voor die van Rome, voor wie de iustitia, het rechtbewustzijn, het één en alles was, wordt het geheele Evangelie in het kader der „gerechtigheid” gezet. Voor die van Epheze, meer aan wijsgeerige beschouwing gewoon, treedt Paulus in dieper uiteenzetting van wat uit Gods raad voortvloeit. Zelfs geeft Paulus van dit zich aanpassen aan het leven deze pertinente verklaring: „Want waar ik van allen vrij was, heb ik mijzelven allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zoude winnen. En ik ben den Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zoude; dengenen, die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet zijnde, opdat ik degenen, die zonder de wet zijn, winnen zoude. Ik ben den zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zoude; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers eenig en behouden zoude.”

Een hoogst opmerkelijke uitspraak, waarin het denkbeeld der pluriformiteit gefundeerd ligt. Bovendien weet men, hoe hij de ééne maal zijn helper niet wil laten besnijden, de ander maal de besnijdenis zelf wil. En last not least, hoe zijn houding te Jeruzalem metterdaad aanmerkelijk verschilde van wat hij staande hield tegenover de Kerk van Galate. Geven we dus volmondig toe, dat er van Kerk naast Kerk in het Nieuwe Testament nog geen spoor te ontdekken valt, alsmede dat de eenheid van Christus’ Kerk dogmatisch gedurig op den voorgrond treedt, uit niets blijkt dat eenvormige organisatie van alle Kerken voor alle eeuwen bedoeld is. Veeleer zijn de sporen duidelijk aanwezig, die toonen, dat de uiting van het leven der Kerk verschillen moet naar gelang van den kring waarin ze optreedt. |233|

Dit zou niet zoo zijn, indien een Kerk, volgens het Nieuwe Testament, een clericaal instituut was, waar de geloovigen slechts als aanhangsel bijkomen. Dan toch zou het best mogelijk zijn, aan dit clericale instituut voor alle landen en alle eeuwen een vasten, gelijkmatigen vorm te geven, en met den verschillenden landaard, ontwikkelingsgraad en geestelijke bestaanswijs der geloovigen niet te rekenen. Rome’s hierarchie is dan ook consequent uit die overleggingen opgesproten. Wil men de eenheid der wereldkerk voor alle landen en tijden, dan moet ge haar inrichten gelijk Rome dit deed. Staat daarentegen vast, dat volgens het Nieuwe Testament niet het clericale instituut, maar de geloovigen zelven de Kerk vormen, dan komt de zaak heel anders te staan. Dan toch is eenheid van optreden en gelijkvormigheid van verschijning alleen mogelijk, zoolang de geloovigen van een zelfde soort zijn, op een zelfde trap van confessioneele ontwikkeling staan, en een gelijksoortige geestelijke dispositie hebben. Onze missie voelt dat terstond. De Javanen zijn van een ander ras dan het onze, ze leven in andere landstreek, ze staan op geheel andere trap van ontwikkeling, ze zijn in hun gemoedsleven geheel anders aangelegd, ze hebben een gehee ander verleden achter zich, ze zijn opgegroeid in gansch andere denkbeelden. Van hen te verwachten, dat ze in ónze Confessie en in ónzen Catechismus de passende uitdrukking van hun geloof zullen vinden, is daarom ongerijmd, en steeds luider wordt de vraag naar een uiting van kerkelijk leven die voor de Javanen geeft, wat onze Kerk ons biedt.

*

Dit nu is niet iets bijzonders voor de Javanen, maar vloeit voort uit een algemeenen regel. De menschen zijn niet eender onder wie de Kerk optreedt. Ze verschillen naar herkomst, ras, land, streek, verleden, aanleg, gemoedsstemming en zielsbestaan, en ook blijven ze niet altoos dezelfde, maar doorloopen verschillende trappen van ontwikkeling. Zal nu het Evangelie niet voorwerpelijk buiten hen blijven liggen, maar onderwerpelijk door hen worden toegeëigend en als vrucht hiervan tot belijdenis en uiting komen, dan kan het resultaat niet voor alle volken en tijden gelijk zijn. De voorwerpelijke waarheid blijft wel één, maar de onderwerpelijke toeëigening, toepassing en belijdenis moet verschillen, evenals de kleur van het licht verschilt naar gelang van het glas waarin het wordt opgevangen. Wie gereisd heeft en in meerdere werelddeelen met Christenen van onderscheiden rassen, landen en traditiën in aanraking kwam, kan dan ook voor het nuchtere feit, dat het zoo is, het oog niet sluiten. Hij ziet het voor oogen. Hij neemt het altoos en overal waar. En bij eenig nadenken wordt het hem duidelijk, dat hierin niets anders werkt dan diezelfde wet, die alle menschelijke leven beheerscht, en die men den laatsten tijd, zij het ook vaak in vervalschten zin, genoemd heeft aanpassing aan het leven. |234|

Doch ook hiermede is nog niet genoeg gezegd. Uit het gezegde toch zou niet anders volgen, dan dat in bepaalde tijden in hetzelfde land en bij hetzelfde volk de Kerk altoos één moet zijn. Aanvankelijk is dit dan ook zoo. In het epische tijdperk leeft elk volk één saamhangend nationaal bestaan, en komt het persoonlijk onderscheid der geesten nog niet tot uiting, veel min tot zijn recht. De nationaliseering der Kerken heeft dan ook tijdelijk haar natuurlijke beteekenis gehad. Maar op den duur blijft het verschil tusschen mensch en mensch niet bij het nationale verschil staan. Er duiken verschillen ook in den boezem der natie op. Verschillende stroomingen worden in de wereld der geesten openbaar, en hieruit komt verschil van neiging, van opvatting, van zielsbehoefte op; en ook deze verschillen dringen er toe, om invloed te oefenen op het kerkelijk leven. Er komen dan nieuwe onderscheidingen op, die over de nationale grenzen heenstrijken, en u verbinden met velen in den vreemde, gelijk ze u van velen in uw eigen land afscheiden. En al deze verschillen nu verarmen de Kerk niet, maar verrijken haar, gelijk in het gemeen in gansch de natuur, en heel de historie aldoor in deze pluriformiteit de volle openbaring van de veelvuldige wijsheid Gods uitkomt. Het oneindige kan niet in één eindigen vorm tot adaequate uitdrukking geraken. Het doet dit in veelheid van vormen. Die velen vullen elkander aan. En alleen in die totaliteit is de volheid.

De strijd tegen die pluriformiteit gaat dan ook uit van een valsch dualisme, alsof het Evangelie een zuurdeesem was, dat op het meel werd gelegd, en niet bestemd was om in het meel in te dringen. Daar nu het meel verschillend is, moet ook de uitkomst veelvormig zijn. Maar gelijk in één gezin elk kind anders is, anders denkt, anders gevoelt, anders spreekt, en toch de band van het gezin straks in het ééne familieleven wordt voortgezet, zoo ook had het in de Kerk van Christus moeten zijn. Wel vrije, en dus veelvormige ontwikkeling naar plaatsen, tijden en gelegenheden, maar zonder dat de liefde ophield alle Kerken met het snoer der volmaaktheid saam te binden. De eenheid van den Doop zou de eenheid ook in de wederzijdsche gemoedsstemming hebben teweeggebracht. En dat dit, helaas, niet geschied is, is vooral daaraan te wijten, dat men al te lang een gedwongen, onnatuurlijke eenheid heeft gemaintineerd. Want wel is de band dier valsche eenheid ten leste toch gesprongen, maar om nu tot een pluriformiteit te leiden, die op jammerlijke wijze door al te bitteren haat het vuur der liefde gebluscht heeft. En dat is aller zonde.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXXII, De Heraut No. 1185 (16 september 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001