XXXI. Kerk en Staat 19

Maar de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.

1 Corinthe 2 : 14a. a


De eerste onderscheiding, waarop het hier aankomt, is die tusschen het Overheidsambt en de persoon die dit ambt bekleedt. Dit onderscheid treedt zeer scherp in het licht, bijaldien de Overheid een saamgestelde macht is. Zoo was in de dagen van onze Republiek, Oranje niet de Overheid, want de overhoogheid berustte bij de Hoogmogende Heeren der Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden. Zoo is ook nu in Frankrijk de President der Republiek niet de Overheid, maar slechts eerste Staatsdienaar. En al leven wij thans onder een monarchie, zoodat onze Koningin draagster der Souvereiniteit is, toch is ook de Souvereine macht grondwettiglijk in verband gezet met de Staten-Generaal, en kan zonder de medewerking van deze Staten geen wet tot stand komen. Slechts in zeer enkele gevallen kan men zeggen, dat één enkel persoon in absoluten zin vrijmachtig het ambt van Hooge Overheid onder God uitoefent. Doch al stapte men over de wel niet constitutioneele, maar dan toch zakelijke banden heen, en al nam men in dien zin den Czaar aller Russen als het type van den vrijmachtigen Alleenheerscher, vast staat dan toch, dat in verreweg de meeste beschaafde Staten zulk een Overheid niet bestaat, en dat, met name ook in ons land, voor elke daad der Hooge Overheid meer dan één persoon heeft mede te werken. Juist dit nu maakt, dat het onderscheid tusschen het Overheidsambt en den Overheidspersoon een beteekenis erlangt, die onder ieders bereik ligt. Bij den Alleenheerscher bestaat dat verschil, tusschen wat hij als mensch doet en hetgeen hij ter uitoefening van zijn gezag doet, wel evenzeer; maar het komt minder duidelijk uit. Ambt en persoon vallen alsdan, bij oppervlakkige beschouwing, te zeer samen. Maar er is sprake van een samengestelde uitoefening van het Overheidsgezag, zoodat de uitoefening van dit hoog gezag niet kan plaats hebben, dan onder de medewerking van velerlei personen, dan voelt en tast ieder, dat ambt en persoon twee zijn. Als menschelijke persoon is onze Koningin, b.v., op kerkelijk gebied geheel vrij, zich te voegen bij de Kerk harer belijdenis en harer overtuiging. Daar heeft geen Minister of geen Staten-Generaal mede van |221| doen. Als Koninklijke wetgeefster daarentegen is zij niet vrij, want daartoe is haar volgens de Grondwet, die zij bezwoer, onmisbaar de medewerking van minstens 51 leden (gerekend bij voltallige opkomst) der Tweede, van minstens 26 leden der Eerste Kamer, en van minstens één Minister; en ook al nemen we de Kamers bij slechtste opkomst, dan blijven deze cijfers toch altoos nog 26, 13 en 1, d.i. saam 40. Zoo staan we dus niet meer voor de uitwerking van één wil en van één inzicht en van één overtuiging, maar voor het effect van veler overtuiging en van veler zin en wil. Niet natuurlijk alsof het Souverein gezag gedeeld en gesplitst ware. Tot uiting kan dit gezag alleen door de Koningin komen. Maar zal een wet wet zijn, dan moeten toch minstens 41 inzichten en 41 wilsuitingen zich hebben doen gelden.

Breng dit nu in verband met het optreden der Kerken en met de Autoriteit van het Woord, en ge vat terstond tot welke conclusie u dit leiden moet. „Begrijpt de natuurlijke mensch niet de dingen die des Geestes Gods zijn, en zijn ze hem dwaasheid, ja, kan hij ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden”, en ook, „kan wie niet wedergeboren is uit water en geest, het Koninkrijk Gods zelfs niet zien”, dan kan het ambt der Overheid nooit tot waardschatting van de Kerk en tot een buigen voor het Woord komen, tenzij de personen die tot de uitoefening van het Overheidsgezag moeten saamwerken, ophielden natuurlijke menschen te zijn, en wedergeboren werden. Niet het ambt wordt van natuurlijk geestelijk, en niet het ambt wordt wedergeboren; die geestelijk wedergeboren wordt is de persoon. Wel zijn er ook ambtelijke gaven des Geestes, maar deze verschillen naar het ambt is. Verleent Jezus, door op zijn apostelen te blazen, hun den Heiligen Geest, zoo is deze gave geestelijk-ambtelijk, omdat het apostolaat een ambt in de Kerk, en dus op het terrein der Particuliere genade is; maar ontvangen Bezalëel en Aholiab ambtelijke gaven des Geestes, dan zijn deze gaven van maatschappelijken aard, want het bewerken van goud en zilver hoort thuis op het terrein van de Gemeene Gratie. En zoo dus ook, als een Jephta, of een ander der Richters, door den Geest wordt gedreven, zoo is deze Geestesgave van politieken of militairen aard, en hoort dus evenzeer thuis op het terrein der Gemeene Gratie. Verleent alzoo God de Heere ook nu nog aan een Vorst of aan een Vorstin, aan een Minister der kroon, of aan een lid der Staten-Generaal, eenig talent of eenige gave, dan ligt deze gave, voorzoover ze strekt om hen voor dezen diensttebekwarnen, evenzoo niet op het geestelijk terrein der particuliere genade, maar op dat der Gemeene Gratie. Voor het Overheidsambt als zoodanig komen dus alleen zoodanige gaven in aanmerking, als geheel vallen buiten de dingen waarvan Paulus zegt dat ze geestelijk onderscheiden worden; en het geestelijke dat er bijkomt, kan nooit anders komen dan van den |222| bekeerden, van den wedergeboren persoon, die uiteraard niet ambtelijk, maar als zondaar tot geloof en bekeering kwam. Hoezeer dus ook in het afgetrokkene moet worden volgehouden, dat alle Overheid, als Dienaresse Gods, de Kerk van Christus met open armen op haar erf behoort te ontvangen, zoo hangt de vraag of dit geschieden kan en zal, geheel af van de verhouding waarin de Overheidspersonen tot die Kerk staan. Elk Overheidspersoon, die de Kerk op haar rechten prijs schat, en in haar ziet, wat ze metterdaad is, sluit zich als persoon zelf bij haar aan, en weet haar dienvolgens ook in zijn ambtelijke positie te schatten. Daarentegen toont een Overheidspersoon, die zich niet bij haar aansluit, reeds daardoor, dat hij haar waarde en eigenlijke beteekenis niet doorziet; dat zijn oog hiervoor niet geopend is; en dientengevolge zal hij in zijn ambtelijke positie ook het inzicht missen, dat voor de volle waardeering van de Kerk van Christus onmisbaar is. We spreken hier nu natuurlijk in de onderstelling, dat er nog slechts ééne soort geïnstitueerde kerk bestaat. Zoodra de openbaring der Kerk zich in meerdere deelen splitst, komt een geheel andere overweging in aanmerking.

*

Staat nu deze onderscheiding eenmaal duidelijk op den voorgrond, dan komen in de tweede plaats in aanmerking die geheel andere onderscheidingen, die afhangen van den regeeringsvorm en van de geestelijke gesteldheid van het volk. Is de regeeringsvorm streng monarchaal en autocratisch, zoo zal de persoonlijke overtuiging van den Heerscher een schier alles beslissenden invloed uitoefenen. Is hij zelf onbekeerd en der Kerk vijandig, allicht zelfs een andere religie toebehoorende, zoo zal zijn gezag en zijn macht zich tegen de Kerk keeren, haar voortgang pogen te verhinderen, en zoo mogelijk haar terugdringen, waar ze reeds veld won. Is hij een onverschillig man, zoo zal hij in zake de religie „Gods water”, gelijk men zegt, „over Gods akker laten loopen”. Maar ook, is hij een bekeerd kind van God en zelf met ijver voor het Evangelie bezield, zoo zal hij de kerk zoeken, zich bij haar voegen, in staatszaken met de Christelijke beginselen rekening houden, en haar rechten en voordeelen beschikken. Zelfs heeft de historie geleerd, dat zulke Heerschers, als ze der Kerk een warm hart toedroegen, nog verder gingen, en door hun Overheidsmacht dwang op hun onderdanen uitoefenden, om ze tot den heiligen Doop te bewegen, en tegelijk alle andere religie hun te verbieden. Of dat al dan niet het geval was, hing meestal af van de geestelijke gesteldheid van het volk. Was eenmaal het grooter deel des volks tot de Christelijke religie overgegaan, zoo kon de overgang van het kleiner deel veelal worden doorgezet; maar niet alzoo bij omgekeerde verhouding. — Bij minder autocratischen regeeringsvorm daarentegen reikte de persoonlijke invloed van den monarch |223| zoo ver niet. Hoezeer ook persoonlijk der Kerk genegen, had zulk een vorst dan de staatsinrichting niet alleen in eigen hand. Anderen hadden daarin medezeggenschap. En dit juist belette den monarch dan bij ondervonden tegenstand de Kerk zóó tot haar recht te doen komen, als hij zelf wel zou hebben verlangd. En waar geen heerscher gebood, maar het volk zelf, hetzij in volksvergaderingen, hetzij door vertegenwoordigers, de wet gaf, werd de positie der Kerk uit den aard der zaak beheerscht door de meerderheid, ging meest op en neer, en was ook plaatselijk zeer verschillend.

*

De derde onderscheiding, die hier in aanmerking komt, is het onderscheid tusschen de eerst gebodene en de later voortdurende positie, die aan de Kerk wordt ingeruimd. Als pas de Kerk in het land komt, moet haar geheele positie nieuw geregeld, hetzij feitelijk, hetzij door de wet, en daarom hangt bij dat eerste optreden zoo schier alles af van de persoonlijke overtuiging van wie op dat oogenblik de macht in handen hebben. Toen keizer Constantijn overging, ging feitelijk met hem het Rijk over, en verkreeg de Kerk juist daardoor de schitterendste positie. Maar heel anders komt dit te staan, als diezelfde Kerk twee, drie eeuwen in een land bestaan heeft. Dan toch heeft ze burgerrecht erlangd, heeft ze zich op vaste wijze gevestigd, en is onder usueel of geschreven recht gekomen. Is dit nu eenmaal het geval, dan zal dit alles niet plotseling onderstboven worden gehaald, omdat er een Heerscher optreedt, die persoonlijk onbekeerd is. In den regel zal hij, ook onbekeerd, toch lid der Kerk zijn. De eenmaal ingerichte orde van zaken zal hij laten voortbestaan, en ook onder zijn bewind zal de Kerk het profijt hebben van haar vroeger verworven positie. Wel zijn er b.v. te Rome keizers geweest die zich hier niet aan stoorden, en, uit vijandschap tegen den naam van Christus, de oude vervolgingen weer opnamen, en tegen de Kerk van Christus woedden. Maar later hield dit op. Zoo goed als ieder behoorde toen zelf tot de Kerk, en al waren er ook toen onder de vorsten goddelooze deugnieten, aan vervolging van de Kerk deden ze toch niet; immers ze lieten haar in het bezit van de eens verkregen rechten, en hun persoonlijke overtuiging had hoogstens invloed op de wijze van bejegening der kerkelijke ambtsdragers. Men heeft dan te doen met een volkstoestand, die van lieverlede geheel onder de heerschappij der Christelijke beginselen gekomen is. De Kerk is geen nieuw aangekomene meer, maar kan haar adelbrieven toonen; en het Overheidsgezag blijft haar eeren en beschermen, geheel afgescheiden van de vraag, of de drager van het hooge Overheidsgezag persoonlijk al dan niet een in geestelijken zin geloovige is.

*

|224| Een vierde onderscheiding is hierin gelegen, of men rekent met de hooge of met de lagere Overheid, en met de ambtelijke personen, die als de armen zijn, waarmede het Hoog Gezag zich handhaaft en zijn wil ten uitvoer legt. Er zijn overheden in de steden, er zijn overheden in de gewesten, en die beide zijn onderscheiden van de hooge Overheid die heel het land regeert. Voorzoover nu de positie der Kerk bepaald wordt door wetten en vorstelijke besluiten, spreekt het vanzelf, dat alleen de Hooge Overheid ten deze de beslissing in handen heeft. Wordt dientengevolge door de wet aan de Kerk recht van bestaan en van vrije werkzaamheid gegund, dan doet het er weinig toe, of een lager magistraat haar vijandig is. Het hooger Gezag houdt hem in toom. Hij moet de wet eerbiedigen en helpen uitvoeren. Maar dan ook omgekeerd; is de lagere magistraatspersoon persoonlijk een minnaar van Gods Woord en een vriend der Kerk, dit stelt hem nog niet in staat, om, tegen de wet in, voor de Kerk op te komen. De persoonlijke overtuiging van de lagere overheden, kan daarom slechts in zooverre invloed uitoefenen op de positie der Kerk, als de wet speelruimte voor vrije handeling openlaat. Die speelruimte zal de vijand der Kerk gebruiken, om haar te plagen, waar hij haar niet vervolgen kan, en diezelfde speelruimte zal de geloovige magistraatspersoon zich ten nutte maken om de Kerk te steunen en te helpen. Maar in geen geval kan de lagere magistraat doen, alsof de wet niet bestond. Wie als geloovig belijder van den Christus zich bezwaard gevoelt, om wetten, die voor de Kerk ongunstig zijn, uit te voeren, moet uit zijn ambt treden. Iets waar in den regel voor de Kerk niets mee gewonnen, eer veel verloren is. Indien toch de plaats die hij openmaakt, wordt ingenomen door een vijand van Christus’ Kerk, weet hij vooraf, dat de positie der Kerk er door verslechtert.

*

Een vijfde onderscheiding, waarop hier te letten valt, raakt de vraag, of de Overheid de positie, die zij tegenover de Kerk inneemt, laat bepalen door geestelijke motieven oftewel door eigenbelang. De Kerk, eenmaal opgetreden en tot uitbreiding gekomen, wordt een macht. De band, die de leden der Kerken aan hun geestelijke leidslieden bindt, is inniger dan de band van Overheid en onderdaan. Door te kras tegen de Kerk in te gaan, brengt de Overheid alzoo de gehechtheid van haar onderdanen in gevaar; en zonder vrees voor tegenspraak mag gezegd, dat minstens de helft van de privilegiën, die oudtijds aan de Kerk geschonken zijn, haar werden gegund niet door den vromen zin der machthebbers, maar uit hun zucht om den invloed der kerkelijke aanhangers voor zich te winnen.

Een andere overtuiging kwam hier bij. In tijden dat een revolutionaire geest door de gemoederen toog, was het voor de Overheid van het hoogste belang, den invloed te sterken van de Kerk, die de gehoorzaamheid aan |225| de Overheid en de eerbiediging van haar gezag tot Christenplicht stelde. Zoo steunde het altaar den troon. De religie vervulde de taak van onbezoldigd rijksveldwachter. En de vorsten, die deze hulp van de zijde der Kerk, ten behoeve van hun eigen positie, niet missen konden, zagen zich, ook zonder in het minst door vromen zin gedrongen te worden, genoodzaakt de positie der Kerk op hun erf steeds weer te sterken. Zoo was er naast de geestelijke waardschatting, die in het opkomen der Kerk een gave Gods zag om het volk van het verderf te redden, allengs een geheel andere waardschatting aan de orde gekomen. Niet om haar aard en wezen, maar om de zijdelingsche vrucht die ze voor Overheid en volk afwierp, werd ze geëerd. En het is deze waardeering van haar zijdelings afgeworpen vrucht die thans nog bij de ongeloovige staatslieden voortduurt. Voor de Kerk als openbaring van het Lichaam van Christus gevoelen ze niets. Ze achten de Kerk een instelling waar zij en huns gelijken zich ver boven verheven gevoelen. Maar wat ze erkennen is, dat de Kerk, met name in „den nacht der Middeleeuwen”, gelijk men het bij voorkeur uitdrukt, uitnemenden dienst heeft gedaan, om de nog wilde volken onder hooger invloed te brengen; dat die Kerk ook in den strijd tegen Spanje hielp voor onze vrijmaking; dat ze nu nog voor de lagere volksklasse en voor het platteland onmisbaar is; en dat ze ook bovendien historische rechten bezit, die men niet willekeurig mag krenken. Doch deze soort egoïstische of tijdelijke waardschatting heeft natuurlijk met de ideale roeping der Overheid als Gods Dienaresse niets gemeen. Als Dienaresse Gods moet ze de Kerk van haar God welkom heeten voor de eere zijns Naams en voor het heil van het volk; en alle waardschatting der Kerk, niet om wat ze is en beoogt, maar om wat ze anderzijds aan vrucht afwerpt, rekent op het stuk van beginselen niet meê.

*

Juist deze averechtsche waardschatting wijst ons op een zesde onderscheiding, beheerscht door de vraag, of Kerk en Staat zuiverlijk als twee instellingen van eigen natuur naast en ten deele tegenover elkander blijven staan, dan wel of de Kerk en Staat hun zelfstandige positie tegenover elkander prijsgeven, en zich, onder wat vorm ook, dooreenmengen. De macht waarover de Kerk beschikte, haar invloed op het volk, haar heilig karakter in het oog der menigte, en de zijdelingsche vrucht die ze afwierp voor orde en wet, heeft reeds zeer vroeg de machthebbers bevreesd gemaakt, dat deze macht haar boven het hoofd zou groeien, en dat zij zelve, als oefenende een gezag van minder geestelijke natuur, in de schatting van het volk verlaagd zouden worden tot een lagere trap. Het is om dat gevaar te keeren, dat ze zich in de Kerk zelve met hun Overheidsgezag hebben ingedrongen, gelijk reeds Constantijn zich Bisschop noemde; dat de |226| Czaar geestelijk hoofd van Ruslands kerk is; dat de Duitsche Luthersche vorsten aanspraak maakten op het hooge Episcopaat in de kerk, een pretentie die de koning van Pruisen nog steeds staande houdt; en dat ook in Engeland en hier te lande de Overheid zoo dikwijls op een positie in de kerk heeft gevlast. Dit is, gelijk licht valt in te zien, een verwarring van twee onderscheidene begrippen. In de kerk is ook de koning onderdaan, onderdaan van Christus, en heeft alzoo in de kerk niet te bevelen maar te gehoorzamen. Doch dit juist wilde men niet. Men wilde dan in de kerk niet diep knielen, maar in eere zijn, en om dit doel te bereiken vlocht men dan ook de kerk in het staatswezen, maakte ereen staatsfunctie van, en ijkte haar tot staatskerk. De kerk, ter kwader ure door eerzucht gedreven, gaf hierin toe. En zoo is allengs die gewrongen en verwarde toestand geboren geworden, waardoor in tal van landen de kerk schijnbaar hoog in eere staat, en toch feitelijk geheel onder de macht van de Overheid is gekomen.

*

Een laatste onderscheiding, waarop in dit verband de aandacht moet worden gevestigd, betreft de verschillende wijzen, waarop de Overheid met de kerk in aanraking komt. Die aanraking is deels geestelijk van aard, deels formeel en uitwendig. Geestelijk komt zij aan de orde, voorzoover de Overheid aan de kerk geestelijken invloed toekent in zake de school, het huwelijk, de armverzorging, de zalving van den Vorst, de publieke gebeden, en zooveel meer; ook in zooverre ze ter wille van de kerk, met geweld, andere religiën belet op te komen, of te niet doet voorzooveel ze in het land bestonden. Dit noemde men dat de Overheid zelve als zoodanig professie deed van de Christelijke religie; iets wat veelal insloot dat alleen belijders van de Christelijke religie met gezag bekleed werden. Wat natuurlijk niet zeggen wilde dat alle Overheidspersonen, hoofd voor hoofd, tot den Christus bekeerd waren, maar alleen dat het hooge gezag als zoodanig publiekelijk 'verklaarde de Christelijke religie als de ware te erkennen en te zullen handhaven. Dit kwam er dan op neer, dat de kerk tweeërlei invloed kreeg. Vooreerst den invloed dien ze zelve opde consciëntiën uitoefende, en ten andere den invloed dien de Overheid haar toebeschikte.

Doch geheel hiervan onderscheiden is de aanraking, waarin de Overheid met de kerk komt door de uitwendige behoeften der kerk. De kerk moet een bestaanswijze in den Staat hebben; ze moet optreden als instituut, als corporatie, als vereeniging, of in wat vorm ook, eenvoudig omdat ze zich in de geslachten voortplant, en alzoo een voortgezet bestaan moet hebben. Ze heeft bovendien noodig gebouwen voor haar eeredienst en samenkomsten, en moet deze op een of andere wijze verwerven én kunnen |227| bezitten. Ze moet kunnen kòopen, verkoopen, huren en verhuren. Ze moet middelen hebben om te bestaan, uit eigen hoofde of uit vreemde bron. Ze heeft de bescherming der politie noodig tegen ruw geweld. Kortom, de Kerk, hoe geestelijk ook van aard, heeft toch een uitwendig bestaan te voeren in den Burgerstaat, en het is alleen van de Overheid, dat ze de rechten verkrijgen kan, om dit te doen. Hier is alzoo rechtmatige gezagsuitoefening van de zijde der Overheid. Doch ook hiervan heeft de Overheid misbruik gemaakt, om de Kerk te wringen in een vorm die vreemd aan haar wezen was, en de Kerk heeft maar al te vaak zich dat onnatuurlijke getroost en laten welgevallen, indien de Overheid genegen bleek, om in de middelen van haar bestaan te voorzien. Zelfs in de dagen onzer vaderen leunde men te dezen opzichte schier uitsluitend op de goede gunste der Overheid. Het denkbeeld, dat de Kerk haar eigen middelen kon opbrengen, vond geen ingang. En het is met name hierdoor, dat de Kerk ook ten onzent, in de beste periode van onzen bloei, zoo jammerlijk in de macht der Overheid bekneld geraakte. Wel deden onze beste theologen steeds wat zij konden, om voor de vrijheid der Kerk in de bres te springen; maar feitelijk gingen onze Kerken reeds destijds onder het juk door. Dit nu heeft haar zelfstandige levenskracht zoodanig doen verminderen, dat ze, toen op het laatst der 18de eeuw de Staatsprivilegiën wegvielen, als een vaatdoek inzonken, en Willem I zoo goed als op geen verzet stuitte,toen hij eigenmachtig om alle Gereformeerde Kerken den genootschapsband sloeg.

Toch is met deze acht onderscheidingen nog niet genoeg gezegd: Er komt nu nog de veel interessanter onderscheiding bij tusschen een land, waar slechts één Christelijke Kerk bekend is, en een land waarin meerdere Christelijke Kerken institutair met uiteenloopende confessie en kerkinrichting optreden. Doch hierover in een volgend betoog.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXXI, De Heraut No. 1175 (8 juli 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001