XXX. Kerk en Staat 18

Ziet op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die vrede doet hooren.

Nahum 1 : 15a. a


Alzoo kan, op grond van de redenen, in ons vorig betoog blootgelegd, Israël’s volkstoestand ons den wille Gods, omtrent de verhouding van Kerk en Staat, niet openbaren. Wat in Israël bestond, hetzij vóór, hetzij na de ballingschap, kan hier geen wet of regel stellen, kan zelfs ons niet tot voorbeeld strekken. In een Theocratie verkeert de magistraat in geheel |213| andere positie, dan „onder de volkeren”, en zoo ook onder Israël miste de Kerk elke geïnstitueerde, zelfstandige organisatie, afgescheiden van het nationale leven. Zal dan het Nieuwe Testament een verwachting bevredigen, die het Oude Testament onvervuld laat? Het is ons te doen, om Gods wil, Gods ordinantie ten deze te leeren kennen, niet om het gevoelen van A en B hierover te hooren. Kan men dan zeggen, dat hetzij door Jezus, hetzij in zijn naam door zijn apostelen, bepalingen en regelen zijn gesteld voor de wederzijdsche verhoudingen van Kerk en Staat, en kunt gij de plaatsen aanwijzen in het Nieuwe Testament, waar deze regelen en bepalingen geboekt staan?

En dan lijdt het geen twijfel, dat ons in het Nieuwe Testament nog ernstiger teleurstelling wacht. In geheel het Nieuwe Testament toch is noch van Jezus, noch van een van zijn apostelen, óók maar ééneenkele uitspraak opgeteekend, die rechtstreeks en in bepaalden vorm denplicht der Overheid jegens de Kerken voorschrijft. Natuurlijk blijft de Joodsche Overheid hier buiten aanmerking, en hebben we alleen met de Overheden „der volkeren” te doen; en te haren opzichte dient eenvoudig erkend, dat het Nieuwe Testament haar geen enkele bepaalde gedraging jegens de Kerken oplegt. Wel vinden we zulke aanwijzingen voor de Christenen, hoe zij, als burgers van den Staat, zich jegens de Overheden hebben te gedragen; en ook kan gezegd worden, dat in de houding door de apostelen tegenover deze overheden aangenomen, een bindend voorbeeld ligt voor kerkelijke ambtsdragers, die op gelijke wijze met den magistraat in aanraking mochten komen. Maar zelfs wat dat voorbeeld betreft, wordt ons geen enkele gebeurtenis medegedeeld, waarbij van aanraking van de Overheid met de geïnstitueerde Kerk sprake viel. Veilig kan dan ook gezegd, dat er zelfs geen enkele vingerwijzing bestaat, die rechtstreeks aan een goedgezind magistraat openbaart: Zóó en zóó wil nu God, dat ge u jegens de Kerken gedragen zult. Van deze leemte zult ge u dus helder rekenschap geven. Vooreerst, omdat hieruit op overtuigende wijze blijkt, hoe het zwijgen van het Nieuwe Testament zoo vele broederen ter kwader ure verleid heeft, om aanvulling van wat ontbrak, te zoeken in het Oude Testament. En ten andere, omdat hieruit regelrecht de stelling volgt, dat wij, belijders van den Christus, de door God gewilde verhouding van Kerk en Staat niet anders dan uit de leidende beginselen kunnen te weten komen, die door de Heilige Schrift én voor de Overheid én voor de Kerk buiten twijfel zijn gesteld.

*

Het hooge gewicht van deze slotsom kan niet licht onderschat worden. Beroept men zich b.v., gelijk vaak geschied is, op Jezus’ zeggen: „Geef den keizer wat des keizers en Gode wat Godes is,” dan is het (afgezien van de |214| te herziene uitlegging van deze uitspraak 1) duidelijk, dat men niet het minste recht heeft, om voor „wat Godes is,” hier eenvoudig „wat der kerke is,” in de plaats te schuiven. Jezus handelt hier van den plicht der onderdanen, en niet van den plicht der Overheid, terwijl van de geïnstitueerde Kerk in heel deze uitspraak ganschelijk niet wordt gerept. Van elke poging om door dezen of genen tekst de beslissing te willen forceeren, moet dus volstrekt worden afgezien. Een veel moeilijker onderzoek moet worden ingesteld. We vinden in de Schrift niet de gereede conclusie, niet de onder woorden gebrachte formule voor de verhouding van Kerk en Staat. Al wat we ter beschikking hebben, is de openbaring omtrent het werk der Overheid eenerzijds en voor het werk der Kerk anderzijds, en het is uit deze twee dat de conclusie door ons zelven moet worden opgemaakt. Dit maakt nu de zaak wel niet onzeker. Immers steeds is door onze vaderen geleeraard, dat Gods wil niet alleen datgene is, wat in de Heilige Schrift als zoodanig met even zoo vele woorden staat uitgedrukt, maar even stellig datgene wat logisch uit hetgeen er staat, wordt afgeleid. Bij wat een mensch zegt, geldt dit niet, omdat ge van een mensch niet moogt aannemen, dat hij alles wat logisch uit zijn woorden volgt, vooraf doorzien heeft. Maar dat gaat wel door als de Openbaring spreekt, omdat niet kan worden aangenomen, dat Gode ook maar iets zou verborgen gebleven zijn van wat logisch uit het door Hem of namens Hem gesprokene voortvloeit. Alleen dient helder te worden ingezien, dat we bij zulke afgeleide beslissingen niet maar te luisteren, maar zelf te onderzoeken hebben. Alsmede, dat bij het maken van deze afleidingen zoo licht ons denken feil gaat, en dat we daarom het onderzoek van velen noodig hebben, opdat de één den ander controleere, en feiten die mochten begaan zijn, mogen ontdekt worden. Ook wij gevoelen diep die contróle van noode te hebben, en het zal ons daarom een voorrecht zijn, indien de conclusie waartoe we komen, zulk een contróle van de zijde der broederen vinden moge. Mits maar, en van dat beding kunnen we niet aflaten, mits maar vooraf eenstemmigheid verkregen zij over de methode die we bij het zoeken naar Gods wil in zake Kerk en Staat te volgen hebben.

*

Nu stellen we hierbij op den voorgrond, wat in den breede door ons in vroegere artikelen betoogd is, dat de Overheid valt onder de Gemeene Gratie, de Kerk onder de Particuliere Genade. Voorts, dat de macht der |215| Overheid berust op het recht om dwang uit te oefenen, terwijl het gezag der Kerk rust op de overtuiging die ze wekt. Evenzoo, dat de Overheid nationaal is, d.w.z. dat haar sfeer niet verder reikt dan de grenzen van het land strekken, terwijl de Kerk van Christus internationaal is, d.w.z. over alle grenzen heenschuift. En eindelijk, dat de Overheid den welstand bedoelt voor dit aardsche leven, de Kerk de eeuwige zaligheid. Deze vier stellingen vormen ons uitgangspunt. De eerste stelling blijkt uit het feit, dat er van Godswege een Overheid is ingesteld óókonderdeheidensche volken, en dat in het Nieuwe Testament zelfs bij voorkeur van een heidensche Overheid gehandeld wordt, als de apostelen de Overheid ter sprake brengen. De tweede stelling blijkt uit Jezus’ zeggen tot Pilatus: „Indien mijn koninkrijk van deze wereld was, zoo zouden mijn dienaren voor mij gestreden hebben. Maar nu is mijn koninkrijk niet van hier.” De derde stelling ligt vast in het bevel des Heeren: „Gaat dan heen en onderwijst alle volken.” En de vierde in het zeggen van Paulus: „Het Evangelie is een kracht van God tot zaligheid dengeen die gelooft.” Deze vier stellingen zijn elders uitvoerig door ons toegelicht, en zullen wel door geen der broederen weersproken worden. Hier volstaan we dus met ze kortelijk te herhalen, en voor elk van deze vier ons op één enkele uitspraak der Heilige Schrift te beroepen.

Rechtstreeks nu volgt hieruit, dat de Overheid haar gezag niet over de Kerk, als geheel andersoortig, mag uitstrekken, en dat de vrijheid der Kerken, om zich naar eigen beginsel en aard te ontwikkelen, met hand en tand moet worden vastgehouden. Alle Caesaropapie is daarom principiëel geoordeeld. Iets waaruit regelrecht is af te leiden, dat een daad als die van Koning Willem I, die zich als souverein het recht aanmatigde, om de toenmalige Gereformeerde Kerken om te zetten in één Genootschap, en aan haar hoofd een Synodaal Bestuur te plaatsen, aan hetwelk het dogmatisch-kerkelijk gezag opzettelijk onthouden werd, ten eenenmale tegen de vrijheid der Kerken, dienvolgens tegen den aard en het wezen der Kerken, en alzoo tegen Gods wil vierkant indruischt; en dat men dus niet mag rusten, eer de gevolgen hiervan geheel zijn te niet gedaan. Elke inbreuk op de vrijheid der Kerken, is van de zijde der Overheid misbruik van gezag, overmoed en aanmatiging, een rechtstreeks aanranden van wat God zelf als het wezen der Kerk heeft ingesteld. En indien de Kerken zelve, ten einde privilegiën of voordeelen te bedingen, zich zulk een inbreuk laten welgevallen, of ook maar er lijdelijk in berusten, toonen ze reeds daardoor in wezen vervalscht en van haar waren aard verbasterd te zijn. Elke inbreuk toch van dien aard belet de kerken op geestelijke wijze door te breken, en staat alzoo aan de vervulling van haar primordiale roeping in den weg. Dit gaat zóóver, dat, al is de Overheid meesteresse van het publieke terrein, en al kan ze, krachtens die autoriteit, het optreden van de |216| Kerken op het publieke terrein verbieden, de kerken hiervoor niet uit den weg mogen treden, en zich desnoods vervolging en gevangenschap moeten getroosten. Het voorbeeld der apostelen te jeruzalem is hier beslissend. Zij gingen altoos door, en stoorden zich aan geen Overheidsdwingelandij. „Ze konden niet nalaten te spreken”, en immers men moest „Gode meer gehoorzamen dan de menschen” in alle zaken van het Koninkrijk Gods.

*

Staat dit nu vast, dan rijst voorts de vraag, hoe de Overheid te handelen heeft, als op haar gebied de Kerk van Christus tot openbaring komt. Nemen we de eenvoudigste, minst verwikkelde verhouding. Denk u een Heidenschen staat, met een Heidensche Overheid, waar in een stad of dorp voor het eerst het Evangelie gepredikt wordt, onderdanen van die Overheid tot Christus bekeerd worden, de ambten worden ingesteld, en alzoo een kerk wordt geïnstitueerd. Welke is, in zulk een geval, de houding, die deze Overheid tegenover zulk een kerk heeft in te nemen? Bij het zoeken naar het antwoord op deze vraag, moet uiteraard onderscheid worden gemaakt tusschen de absolute en de betrekkelijke roeping van zulk een Overheid. Nemen we het nu eerst absoluut, dan is het buiten twijfel de roeping van zulk eene als Gods dienaresse heerschende Overheid, „om den Zoon te kussen”, (Psalm 12 : 12) d.w.z. om, met dank aan God, het optreden, van zulk een kerk welkom te heeten, haar den weg te effenen, en haar als een gave Gods aan land en volk te eeren. Dit kan niet anders. Is zij dienaresse Gods, en zendt diezelfde God die haar aanstelde, als een hoogeren zegen aan het volk het Evangelie zijns Zoons, en doet Hij, ter verspreiding van dat Evangelie, een geïnstitueerde kerk optreden, dan is de Overheid gehouden en geroepen, zich hierover te verblijden en het pogen dier kerk, zooveel aan haar is, aan te moedigen. Dit sluit dan in, dat zoo de aard en het wezen der kerk desnoods steun door dwang toeliet, de Overheid geroepen zou zijn, haar ook dien steun te verleenen. En dat ze dien steun niet mag en dien niet behoeft te verleenen, vloeit niet voort uit een grens van haar macht, maar uit de grens die aan de uitoefening van die macht door den aard en het wezen der kerk gesteld wordt. Het wezen zelf der kerk ontraadt het niet alleen, maar verbiedt het. Gelijk Paulus in Rom. 1 : 16 zegt: Het Evangelie staat lijnrecht over tegen hetgeen menschelijk overleg of menschelijk inzicht beraamt. Het is niet een menschelijke, maar een Goddelijke kracht. En daarom werkt het niet door dwang, maar door geloof. Uit geloof tot geloof. Wie hier dus toch menschelijk overleg voor dat geloof in de plaats stelt, of er ons toe poogt te dwingen, verkeert zijns ondanks weer in den waan, dat menschelijke hulp hier de Goddelijke kracht verrijken kan, en vervalscht het geheele optreden der kerk. Absoluut, in het afgetrokkene genomen, is |217| de zaak dus spoedig uitgewezen. Elke Overheid is verplicht, als dienaresse Gods aan de kerk van Christus in alle steden en dorpen, onder haar gezag, op de meest voorkomende wijze geheel vrij spel te laten voor de vervulling van haar geestelijke roeping.

Doch hiermede is de zaak niet afgedaan. De levensverhoudingen zijn nu eenmaal niet absoluut. Het is uw absolute plicht, den hongerige te spijzigen. Doch volgt hier nu uit, dat gij op dit oogenblik spijzigen moet alle bewoners van Engelsch-Indië, die door hongersnood overvallen zijn? En reeds bij die enkele vraag voelt ge aanstonds, dat een absolute plicht nader bepaald wordt door de omstandigheden. Voor dien hongersnood door de beperktheid van uw middelen, door den verren afstand, door het behooren van deze kolonie aan een ander land, welks gebrekkig beheer den hongersnood veroorzaakt. En zoo nu ook is het hier. Absoluut moet elke Overheid het Evangelie, en dus ook de kerk, als een gave Gods aan haar land begroeten, en in het afgetrokkene gaat dit voor elke Overheid, dus ook voor den keizer van China en voor den Emir van Afghanistan door. Maar hieruit volgt nog geenszins, dat daarom elke Overheid van Godswege reeds ontving wat onmisbaar is, om die roeping te kunnen vervullen. Het Evangelie van Christus, juist omdat het een Goddelijke kracht is, is niet te waardeeren door menschelijk inzicht. De gemeene Gratie, hoe hoog ook opgevoerd, is ten eenenmale ontoereikend om de heerlijkheid van het Evangelie in te zien. „Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt ze den kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want alzoo is geweest uw welbehagen.”

*

Staat het uit dien hoofde vast, dat de Overheid als zoodanig bij geen ander licht dan bij dat der Gemeene Gratie wandelt, dan volgt hieruit, dat al de menschelijke wijsheid die haar ten dienste staat, op zichzelf onmachtig is om haar tot de waardeering van het Evangelie te brengen. Veeleer zal het haar een dwaasheid, zoo niet een ergernis zijn. En het welbehagen van God zelf is, dat ook een Overheidspersoon niet anders tot de waardeering van het Evangelie komen zal, dan door het geloof. Dat is niet een regel dien wij stellen, maar, naar Jezus eigen uitspraak, Gods welbehagen. Een Overheid kan, zonder geloof, wel zekere goede dingen aan het Evangelie toeschrijven, gelijk ook thans vele ongeloovigen niettemin het Christendom waardeeren; maar dan geschiedt dit altoos uit anderen hoofde, om bijzaken, ter wille van de goede zeden en de stille onderworpenheid, die bij de Christenen uitkomen. Dan is het dus een waardeering niet om het eigenlijke wezen van het Evangelie, maar om bijkomstige gevolgen. Doch komt het aan op waardeering en waardschatting |218| van het Evangelie naar zijn wezen, naar zijn hoofdstrekking, en dus als gave Gods ter zaligheid, dan moet men zelf gelooven, om het op zijn rechten prijs te kunnen schatten. Wie niet gelooft, staat in zijn hart vijandig tegen het Evangelie over. Vijanden Gods zijnde, zijn we door Goddelijke kracht tot het Evangelie getrokken. Blindgeborenen, zijn ons de oogen door God geopend. En zoolang die genade ons niet geschied is, kunnen we geen stap vorderen. Een Overheidspersoon, „die niet zelf wedergeboren is uit water en geest, kan het Koninkrijk Gods zelfs niet zien.” Ziet zulk een nu de Kerk van Christus in zijn land optreden, dan ziet hij daarin niet een gave Gods, dan ziet hij daarin niet het Koninkrijk des Heeren komen; en omdat hij dit niet ziet, en niet zien kan, maakt hij zich omtrent die kerk een geheel valsche voorstelling. Of men dus al klem en nadruk legt op zijn absolute verplichting, waarop nooit iets valt af te dingen, toegepast op zijn geval; is het de stellige openbaring van den Heiligen Geest, dat hij, zoolang hij zelf niet tot geloof kwam, de kerk niet begrijpt, niet in haar aard en strekking kan waardeeren, en dus niet onder den indruk kan komen, dat hij die kerk als een kerke zijns Gods te eeren en zooveel hij kan te steunen heeft.

Het is er mede, als met den eisch des geloofs, die tot elk mensch komt. Absoluut genomen, is elk van de 1400 millioen menschen die op aarde leven, gehouden en geroepen Christus te eeren; maar zij die van Christus niet hoorden aan wie Christus niet gepredikt werd, of die niet wedergeboren werden uit water en geest, verkeeren in de onmogelijkheid, om hieraan te voldoen. Wie nog niet vrijgemaakt is door Christus, is nog een dienstknecht der zonde. Hij kan dus niet anders dan de zonde dienen. Maar dit heft nooit zijn plicht en roeping op, om den Christus te dienen. Het is de zonde des menschen, die zijn onmacht in het leven riep. God had ons alzoo geschapen dat we dit doen konden. En zoo nu ook verontschuldigt de onmacht den Overheidspersoon geenszins, zoo hij de kerk niet eert. Maar even stellig moet het feit erkend, dat hij, zoolang hij niet wedergeboren is, en dus het Koninkrijk Gods zelf niet ziet, de kerk niet kan waardschatten naar haar aard en wezen. Een Overheidspersoon, die tot God bekeerd wordt, en van te voren de kerk tegenstond, zal dus van achteren voelen dat hij gezondigd en zijn absoluten plicht verzaakt heeft; maar zoolang hij onbekeerd is, en alzoo vijandig tegen God en zijn dienst overstaat, kan hij feitelijk de kerk niet eeren, omdat hij haar verstaat noch begrijpt.

De uitkomst heeft dan ook getoond, dat elke Overheid, die onbekeerd bleef, de Kerk van Christus in haar land, toen ze optrad, eerstalsonbeduidend geïgnoreerd heeft, en, zoodra ze beteekenis erlangde, verdrukt, zoo niet vervolgd heeft. Dat in China, en andere landen, dekerkgeduld is, voorzoover het dulden heeten mag, bewijst hiertegen niets. Die stille |219| toelating is het gevolg geweest niet van eigen overtuiging, maar van de pressie der mogendheden, en in verband hiermede van eigenbelang. Elke andere verklaring is door de principiën van het Evangelie afgesneden. Ook maar te onderstellen, dat een onbekeerd mensch de Kerk van Christus in haar wezen waardeeren zou, is geheel den grondslag van het Evangelie onderstboven keeren. Het „uit geloof tot geloof” is de vaste grondslag waaraan niemand wrikken mag. Het baat u dus niets, of ge al den nadruk legt op den absoluten plicht der Overheid dien ook wij op den voorgrond stellen. Feitelijk, stuit ge in elk gegeven geval op de onmogelijkheid voor ieder mensch, en dus ook voor eik Overheidspersoon, om zonder persoonlijke geboorte uit water en geest het koninkrijk Gods ook maar te zien.

*

Hier komt nog tweeërlei bij.

Ten eerste het feit, dat de valsche religiën, geheel anders dan het Evangelie, juist altoos op de Overheid geleund hebben, en zich niet door overtuiging, maar door dwang van Overheidswege poogden staande te houden. Elke Overheid bevond zich dus, toen de Kerk op haar terrein optrad, ingewikkeld in een valsche religie. En daar nu de Kerk geen vergelijk met eenige valsche religie duldt, kon het niet anders, of de Overheid, die naar Staatsinstelling gehouden was deze valsche religie hoog te houden, zag in de Christelijke religie een vijandin van haar valsche religie, en achtte het dienvolgens haar roeping, die nieuwe religie tegen te staan.

En in de tweede plaats rees hier de zeer ernstige moeilijkheid, dat de Overheid in elk georganiseerd land bestaat uit duizenden en nogmaals duizenden magistraten en ambtenaren. Die magistraten en ambtenaren nu zijn in hun bewind hiërarchisch gebonden, d.w.z. elke lagere magistraat heeft de bevelen van den hoogeren magistraat uit te voeren. Stel dus al, dat tien, twaalf van de lagere magistraten persoonlijk bekeerd werden, dat maakte hen nog niet vrij, om alsnu naar eigen goedvinden te handelen. Als Dienaar van den Staat had zulk een de wetten en bevelen te gehoorzamen. En sprak er een stem in hem, die hem dat volkomen onmogelijk maakte, dan bleef hem niet anders over, dan zijn ontslag te nemen, en ook dit deel van de Staatsmacht weer in heidensche handen over te geven.

Zoo ziet men dus wel, dat men in deze ingewikkelde stoffe met een algemeene uitspraak geen stap verder komt. Het afgetrokkene is waar en heilig in zich zelf, maar komt in het leven nooit voor. In het leven hebt ge met allerlei bestaande verhoudingen en toestanden te rekenen, en we zullen een poging wagen, om deze nader te onderscheiden.




1. „Wat des Keizers is” doelt op het gemunte geld. Daarom laat Jezus zich de munt met den beeldenaar van den Keizer wijzen. Ze hadden dat door den Keizer gemunte geld aangenomen. Hoe kon er dan twijfel rijzen, of ze dat geld, met den beeldenaar van den Keizer er op, wel aan ’s Keizers beambten mochten uitbetalen?




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXX, De Heraut No. 1174 (1 juli 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001