XXIX. Kerk en Staat 17

En David nam de gouden schilden, die bij Hádad-Ézers knechten geweest waren, en bracht ze te Jeruzalem.

2 Samuël 8 : 7. a


Ter bepaling van de door God gewilde betrekking, die tusschen Kerk en Overheid zal bestaan, heeft men in den regel zijn toevlucht genomen tot het Oude Testament. Zoo deed men in de oud-Christelijke Kerk, zoo deed men in de middeleeuwen, zoo deden niet zelden ook onze Reformatoren, en zij die als kinderen huns geestes na hen gevolgd zijn. Men deed dit niet uit voorliefde voor het Oude Testament, maar omdat het Nieuwe Testament niet gaf, wat men noodig had. In geheel het Nieuwe Testament toch komt niet één enkele uitspraak voor, die omtrent de verhouding van Kerk en Staat rechtstreeksch uitsluitsel geeft. Er is wel sprake van de Kerk, en sprake zoo van de Overheid, als van der Christenen plicht jegens haar, maar de verhouding tusschen de geïnstitueerde Kerk en den Staat komt nergens in het Nieuwe Testament aan de orde; althans niet in dien zin, dat ons rechtstreeks wordt gezegd, hoe God wil dat die verhouding over en weer zijn zal. Het volgt wel uit de beginselen die het Nieuwe Testament ons predikt en toelicht, maar de afleiding uit die beginselen en hun toepassing op Kerk en Staat, zoo dikwijls ze met elkander in aanraking komen, ontbreekt; die wordt aan ons overgelaten.

Nu levert dit op zichzelf geen bedenking op. Zegt toch een woord van Jezus of zijn apostelen ons klaar en duidelijk, van welke beginselen we hier hebben uit te gaan, dan is hiermede tegelijk ook al datgene gewaarborgd wat in die beginselen besloten ligt, en er dus wettiglijk uit wordt afgeleid. Dweepzieke secten hebben dit wel betwist, maar de groote leiders en tolken der Christelijke Kerken, vooral onder de Gereformeerden, hebben dit steeds volmondig erkend. Is wie een vrouw ook maar aanziet om haar te begeeren, reeds daardoor een overspeler in zijn hart, dan volgt hieruit eveneens, al staat het er niet bij, dat wie eens anders geldzaken aanziet om die te begeeren, reeds daardoor in zijn hart een dief is. Dat staat dan wel niet uitgesproken, maar het zit toch in Jezus’ woord in. Immers het beginsel, dat Jezus stelt bij het zevende gebod, moet ook zijn toepassing vinden bij het achtste. Voor tegenspraak is dit niet wel vatbaar. In een woord der openbaring zit tevens alles in, wat er logisch uit is af te leiden. |206| Intusschen is het wel te verstaan, waarom zoovelen aan een uitgesproken woord voorkeur geven. Wie heeft niet liever een ontloken bloem, dan een knop, waar de bloem nog inzit? Staat iets met zooveel woorden in de Schrift zelve uitgesproken, dan heeft mijn nadenken er niets meer bij te doen. Geeft daarentegen de Schrift alleen het beginsel aan, dan is het mijn logisch denken, dat men uit dit beginsel de afleiding en de toepassing heeft te maken. En overmits nu bij een ingewikkeld vraagstuk die afleiding en die toepassing lang zoo eenvoudig niet is, ontstaat altoos de vrees dat ik mij daarbij vergis. Staat het er met zoovele woorden uitgesproken, dan maakt de Schrift zelve de afleiding en de toepassing, en ben ik tegen vergissing gewaarborgd. Heb ik ze zelve te maken, dan is vergissing denkbaar. En dit is de reden, waarom het gansch natuurlijk is, dat men ter vaststelling van Gods wil liefst zijn eigen afleiding en toepassing mijdt, en aan een rechtstreeksche verklaring de voorkeur geeft. En overmits nu zulk een rechtstreeksche verklaring omtrent Kerk en Staat in het Nieuwe Testament ontbreekt, en in het Oude Testament op velerlei wijze scheen voor te komen, lag het voor de hand, dat men ten deze zich bijna uitsluitend op het Oude Testament beriep.

*

Eer we een stap verder gaan, dient derhalve nauwkeurig onderzocht, of dit beroep op het Oude Testament hier doorgaat, ja of neen. Ten einde hieromtrent nu zekerheid te erlangen, behoort in de eerste plaats te worden uitgemaakt, of de Kerk onder Israël, en zoo ook de Staat of de Overheid onder Israël, van gelijke soort zijn als de Kerk en de Overheid onder ons. Gelijk het vraagstuk zich aan ons voordoet, is „Kerk” hier de geïnstitueerde kerk, in eigen organisatie optredende, en is Overheid de overheid, gelijk ze is ingesteld door de Gemeene Gratie. Kan men nu te goeder trouw zeggen, dat ook onder het Oude Verbond zulk een geïnstitueerde kerk aanwezig was; en ook, kan men zeggen, dat de Overheid in Israël hetzelfde karakter bezat als onze Overheid? Zoo ja, dan gaat de vergelijking door; zoo niet, dan hokt het, en mist men elk recht, om hetgeen onder het Oude Verbond gold, zonder meer, op ónze toestanden toe te passen en over te brengen. Mochten er nu zijn, die hierover een ander gevoelen zijn toegedaan, dan wij zullen uiteenzetten, laat daarover dan tusschen ons allereerst het geding loopen, en laat dan dat punt eerst worden uitgemaakt; maar laat men niet kortweg deze principiëele vraag ter zijde zetten, om met een groot woord of holle phrase zijn beweringen voor bewijzen uit te geven.

Dat de Kerk, gelijk ze een stuk is van onze geloofsbelijdenis, er geweest is van den aanbeginne der wereld, belijdt met ons een iegelijk die het antwoord van den Heidelberger beaamt op de vraag: Wat gelooft gij van |207| de heilige, algemeene Christelijke Kerk? Doch in de Kerk, gelijk ze dáár beleden wordt, zijn niet dan uitverkorenen, niet dan levende lidmaten Christi en die het eeuwiglijk zullen blijven. Er staat toch: Dat de Zone Gods uit het gansche menschelijk geslacht zich eene gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door zijn Geest en Woord, in eenigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven. Gaat het nu aan, deze beschrijving toe te passen op de uitwendige Kerk onder Israël? We lezen gedurig, ook in de Schriften van Mozes, van de gemeente, die in het Hebreeuwsch Kahaal heette. Doch wie behoorden daartoe? Door wie werd deze Kahaal, deze Gemeente, gevormd? Behoorden daartop enkel zij, die des eeuwigen levens verzekerd zijn, of het althans belijden? Men weet beter. Tot deze Gemeente behoorden alleen de mannen, niet de vrouwen. En onder de mannen alleen zij, maar ook zij allen, die uit Jakob’s zonen gesproken, of door Jakob’s afstammelingen opgenomen, het sacrament der Besnijdenis hadden ondergaan. Zoo ziet men dus, dat het begrip der Kahaal, d.i. der gemeente onder Israël, heel iets anders is dan de Kerk, gelijk de Heidelberger ze ons zoo schoon belijdt. Wat de Heidelberger belijdt is de voor het geloof bestaande onzichtbare Kerk, het „lichaam van Christus”; — wat in de boeken van Mozes onder Kahaal of Gemeente verstaan wordt, is een nationaal volksgeheel, waartoe ieder behoort die van deze natie is, edoch gerepresenteerd in de mannelijke leden. Wel school de mystieke Kerk van Christus ook in deze oud-Testamentische Gemeente, maar slechts voor een klein deel, en tegelijk bestond ze óók daar buiten. Ook onder de vrouwen in Israël had God zijn uitverkorenen, en wat de geloovige Kerk onder de mannen betreft, zoo toont ons én het gebeurde met het gouden kalf én het onophoudelijk murmureeren tegen God en Mozes, én de bestendige klacht der profeten over de allerwegen ingeslopen en aangehouden afgoderijen, dat de groote massa trouweloos handelde. Als dan ook tot Jesaja gezegd wordt, dat hij het getuigenis zal toebinden onder de kleine groep die getrouw was gebleven, is de duidelijke indruk dien we ontvangen, dat de getrouwen en de godvreezenden weinigen in den lande waren. Indien men derhalve belijdt dat de Kerk er ook onder Israël was, dan slaat dit niet op de Kahaal, maar uitsluitend op die kleine kern, die steeds onder Israël overbleef.

*

Evenmin kan men zeggen, dat de Kerk, waarvan wij lid zijn, één van begrip is met de Kerk, die de Heidelberger belijdt. In de beleden Kerk zijn geen hypocrieten, in de Kerk waartoe wij behooren, wel. De Kerk waarvan wij lid zijn, ontstond pas sinds enkele eeuwen, de Kerk van den |208| Heidelberger is er geweest van het Parad ijs af. De Kerk waarvan wij lid zijn, is begrensd tot het dorp of de stad, waarin we wonen, de Kerk van den Heidelberger strekt zoo ver als de wereld strekt, en sluit de gezaligden in den hemel in. En daar nu de Overheid ten onzent niet in aanraking komt met deze onzichtbare Kerk, maar alleen met de tot openbaringgekomen en geïnstitueerde Kerk, is het duidelijk, dat we voor het doel dat ons bezig houdt, noch met de onzichtbare geestelijke Kerk van den Heidelberger, noch met de Kahaal onder Israël ook maar een stap verder komen.

De gelijkstelling van de Gemeente of Kahaal onder het Oude Verbond niet de Gemeente onder het Nieuwe Verbond, gaat ook daarom niet op, omdat beider optreden zoo geheel verschillend was. Bij ons komt de vergadering der geloovigen of de gemeente saam onder den dienst des Woords en der Sacramenten, bij Israël de Kahaal niet. Er was bij Israël geen dienst des Woords, de Besnijdenis werd niet als de Doop in de Gemeente bediend, maar in het verborgene, het Sacrament van het Pascha niet als het Sacrament des Avondmaals in de vergadering der geloovigen, maar in elk huisgezin apart. Voorts, bij ons is Doop en Avondmaal ambtelijk gebonden, bij Israël waren noch voor de Besnijdenis noch voor het Pascha ambten ingesteld. Wel waren er in Israël priesterlijke ambten, doch deze stonden niet in betrekking met de Kahaal, maar uitsluitend met den dienst van Tabernakel en Tempel, en die dienst van Tabernakel en Tempel stond met de Gemeente in geen organisch verband. De priesterschap kwam op door afstamming, niet door keuze, en bij deze priesterschap meldde elk Israëliet zich afzonderlijk aan, hetzij voor zijn offerande, hetzij voor onderrichting of reiniging. Men mag dus niet zeggen: Gelijk wij een gemeente hebben met Opzieners en Armverzorgers, zoo had Israël een gemeente met Priesters en Levieten, want deze vergelijking gaat in geen enkel opzicht door. De tempeldienst was een op zichzelf staande instelling, en daarnaast en daar rondsom bestond de nationale instelling van de Kahaal, die over de zaken der religie niets te zeggen had, en die voor zoover ze regeling bezit (wat zeer weinig was) geleid werd door burgerlijke hoofden, gelijk ze dan ook alleen voor nationale belangen werd saamgeroepen. Zelfs als ze in boete en vasten bijeenkwam, was dat om den vloek van het nationale leven af te wenden, of ook om de gunste Gods over het nationale leven in te roepen.

*

Dit is zóó waar, dat het voorbeeld voor ons Christelijkgemeenteleven volstrekt niet aan den tempeldienst, noch aan de Kahaal ontleend is, maar aan de Synagogen. De Synagogen waren plaatselijk, de wet van Mozes daarentegen kent geen plaatselijke samenkomsten. Ze kent niet anders dan den dienst in den Tabernakel, straks in Sions tempel, en plaatselijk alleen |209| den huislijken godsdienst. Van een Synagoge is in de wet van Mozes dan ook geen sprake. Ze kwam eerst op in veel later tijden, en miste elk officieel karakter. Zelfs heeft het vermoeden veel voor zich, dat ze eerst in de ballingschap en in de dusgenaamde Verstrooiing opkwam, overmits de Joden, levende onder vreemden, toen behoefte hadden aan zeker middenpunt voor hun godsdienstig leven; en dat ze eerst daarna ook in Palestina is ingevoerd. Wilde men dus een parallel voor deze geïnstitueerde kerken zoeken, zoo zou men dit moeten zoeken onder de Synagogale openbaring van het godsdienstig leven, en in geen geval in den Tempeldienst of in de Kahaal, daargelaten nog, dat deze Kahaal in later dagen nooit meer samenkwam, en geheel in het vergeetboek raakte. Reeds de toeneming van Israël in getalsterkte bracht dit teweeg. In de Woestijn was het mogelijk, al het volk in ééne vergadering bijeen te laten komen. Ten deele bleef dit nog mogelijk toen Israël Palestina dun bevolkte. Maar later, toen heel het volk als natie verstrooid was en minstens 4 à 5 millioen zielen telde, verbood het samenkomen der Kahaal zich vanzelf. En gaat men nu van Tempeldienst en Kahaal op de Synagogale inrichting over, en stelt men de vraag, of hier dan toch de geïnstitueerde Kerk niet in te vinden is, dan luidt het antwoord al even onbevredigend. Onze geïnstitueerde Kerken berusten toch op de instelling der ambten door goddelijk gezag en ze zijn ingesteld voor den dienst des Woords en der Sacramenten. De Synagogen daarentegen waren van louter menschelijke herkomst, zonder dat hierbij van eenig goddelijk gezag sprake is. In de Synagoge ontbrak alle geestelijk ambt, er waren alleen wat wij zouden noemen kerkvoogden, kosters en dergelijke. Er werd in de Synagoge geen Sacrament bediend, en er was in de Synagoge geen bediening des Woords. Men las er Mozes en de profeten, en ieder die wilde stond op en sprak de vergaderden aan. Bovendien waren deze Synagogale inrichtingen volstrekt niet enkel van godsdienstigen, maar ook wel terdege van burgerrechterlijken aard, verbonden aan plaatselijke gemeentebesturen.

Onze slotsom kan dus geen andere zijn, dan dat noch de inrichting van den openlijken eeredienst op Sion, noch het huislijk gebruik der Sacramenten, noch de nationale, sinds in verval en onbruik geraakte Kahaal, en evenmin de Synagogale inrichting, ook maar met eenig zweem van recht beschouwd kunnen worden als op één lijn staande met de geïnstitueerde Christelijke Kerken. De Kerk van Christus, gelijk deze er van den aanbeginne der wereld af, alle eeuwen door, geweest is, heeft achtereenvolgens zeer onderscheiden vorm van openbaring gehad. In de dagen van Abraham is ze geheel ingeweven in het huislijk en patriarchale leven. In Egypte schijnt ze alleen patriarchaal te hebben voortbestaan. Door de wet van Mozes wordt het patriarchale leven in het leven van een volk omgezet, en het godsdienstig leven geheel en al in de nationale instellingen van dat |210| volk ingeweven. Gedurende het Richtertijdperk valt dat volksgeheel weer in groepen van stammen uiteen, tot ten slotte David de eenheid herstelt, en in Sion’s tempeldienst aan dit nationale leven zijn godsdienstig middenpunt hergeeft. Wie toentertijd uit de heidenen zich tot den dienst van Jehovah bekeerde, moest beginnen met Jood te worden, om zich als Jodengenoot in de natie van Israël te doen opnemen. Zelfs Johannes de Dooper, en Jezus in zijn eerste optreden, zijn nog in dezen nationalen band gebonden. En van een afzonderlijk optreden van de kerk in een eigen openbaring en met eigen organisatie is dan eerst sprake, als Jezus zijn twaalven afzondert, en onder de leiding der apostelen op en na den Pinksterdag de Gemeente des Heeren, los van elken nationalen band, als Gemeente van Christusbelijders een eigen positie op het wereldtooneel gaat innemen. Dat heeft toen nog wel strijd gekost, doordien velen ook daarna den nationalen band wilden vasthouden, en het Joodsche karakter ook aan de kerk van Christus wilden opdringen. Maar toen deze strijd de toekomst der kerk bedreigde, heeft de Christus op den weg naar Damaskus zijn apostel Paulus geroepen, en deze getuige des Heeren was het, die principiëel en met niets sparende scherpte, elke poging om de kerk van Christus als instituut aan Israëls nationaal verleden te binden, verijdeld heeft. Doch juist in den harden en fellen strijd dien Paulus hiervoor gevoerd heeft, en waarin hij overwon, is dan ook zoo principiëel mogelijk uitgemaakt, dat elke voorstelling die de Christelijke geïnstitueerde kerk als de voortzetting van het nationale instituut wil beschouwen, beslist en zonder voorbehoud veroordeeld is. De kerk van het Nieuwe Testament is de universeele, de wereldkerk, de kerk der menschheid, en die juist deswege met een eigen organisatie, als een nieuw instituut, tegelijk onder alle bekeerde volken optrad.

*

Moet op de aangegeven gronden elke gelijkstelling tusschen het nationale instituut van Israël met het instituut der Christelijke kerk worden afgewezen, hetzelfde geldt tot op zekere hoogte evenzoo van de gelijkstelling, die men wil doen gelden tusschen de Overheid onder Israël en de Overheid onder ons. Dat ook die gelijkstelling niet opgaat, komt het duidelijkst uit, als het volk tot Samuël zegt: Geeft ons een koning gelijk andere volken hebben; iets wat aan Israël tot zonde werd aangerekend. Niet omdat ze een koning begeerden, want God gaf in David zelf een koning aan Israël; maar omdat ze een Overheid wilden gelijk andere volken hadden. Dat toch, zoo sprak de Heere, beteekende, dat ze God als rechtstreeksche Overheid verworpen hadden. „Ze hebben niet u, maar mij verworpen, dat Ik geen koning meer over hen zijn zal.” (1 Sam. 8 : 7). Overluid spraken de raddraaiers het dan ook uit: „Wij willen zijn als alle |211| andere volken.” (1 Sam. 8 : 20). Hier stuiten we derhalve op een tegenstelling: Israël voelt zeer wel, dat het in een toestand verkeert, die niet is als die der overige volken, en dat verschil wordt door God zelf aldus geformuleerd, dat Hij-zelf rechtstreeks het overheidsgezag in Israël uitoefende. En dit nu juist wilden ze niet langer. Ze wilden dat deze exceptie een einde zou nemen, en dat ze op gelijke wijze als de andere volken met een eigen nationale Overheid zouden voorzien worden. Bij Israël gold het naar oud recht, niet dat er een aardsch koning, een aardsch wetgever, en een aardsch rechter was, maar : De Heere zelf is onze Koning, de Heere zelf is onze Wetgever, de Heere zelf is onze Rechter. Door de Wolkkolom en de Vuurkolom eerst, daarna door de Urim en Thummim bestuurde God zelf zijn volk; door de gerichten zoo in de woestijn als daarna oordeelde Hijzelf zijn volk; en door Mozes en de Richteren had Hij zelf aan Israël zijn ordinantiën gegeven. Bij de andere volken was dit niet zoo. Voor hen besloot en besliste de aardsche Overheid; die aardsche Overheid gaf de wetten; en van die aardsche Overheid ging de eenige rechtspraak uit. Er waren ook in Israël wel vorsten en hoofden en ambtslieden, maar deze waren niet met majesteit bekleed, ze deden slechts instrumenteelen dienst. Juist hierin lag wat men terecht genoemd heeft de Theocratie voor Israël, die natuurlijk bij geen ander volk ooit bestaan heeft, noch bestaan kan; reden waarom het ook zoo dwaas is, als men bazelt dat Calvijn in Genève een Theocratie zou hebben ingesteld. Dat kan geen mensch doen en zou al datgene vereischen wat God onder Israël ingesteld en gedaan heeft. Doch hieruit volgt dan ook, dat de Overheid onder Israël een geheel ander karakter droeg dan onder ons en de andere volken; dat beiden niet op één lijn staan; dat beiden een geheel andere positie innemen. En hoe zou het dan ooit naar recht en waarheid kunnen zijn, dat men zeggen ging: Zoo stond het met de Overheid in Israël, derhalve behoort zoo ook de Overheid onder ons te handelen? Men gevoelt zelf immers, dat zulk een gevolgtrekking alle redelijke en alle logische kracht mist.

Faalt nu, op de gronden die we aangaven, elke vergelijking van de nationale opvatting der Kerk in Israël met ónze kerkelijke instituten, en evenzoo elke vergelijking te dezen opzichte tusschen de Overheid in Israël en ónze Overheid, dan behoeft het geen nader betoog, dat we elk recht missen, om de verhouding die onder Israël tusschen Kerk en Overheid bestond, zonder meer op de verhouding tusschen onze Kerken en onze Overheid over te brengen. Feitelijk denkt geen enkel magistraat er dan ook maar één oogenblik aan, om de wetten van Mozes ten deze strafrechterlijk toe te passen. Onder Israël was geboden (zie Lev. 20: 27) dat „een man of vrouw die in zich een waarzeggenden geest zal hebben, zekerlijk moest gedood worden. Men moest ze met steenen steenigen. Hun bloed moest op hen zijn.” Dat was Goddelijk bevel aan Israëls magistraten. |212| Denkt nu iemand onder ons er aan, van de Overheid onder ons te vorderen, dat zij dit bevel alsnog zal uitvoeren? En toch, als dat Gods wet voor alle Overheid was, dan moest het. Blijkbaar durft men dus de consequentie van zijn eigen standpunt zelf niet aan, als men eenerzijds uit de magistraten bij Israël tot onze Overheden concludeert, en nochtans er niet aan denkt Gods stellig gebod haar tot plicht te stellen. Voor ons daarentegen levert dit geen het minste bezwaar op. Wij zeggen: De Overheid onder ons is niet als Israëls Overheid, en de Kerk onder ons is niet als de nationale Kerk onder Israël; zoodat elke gevolgtrekking hier mank gaat. Wel geven we natuurlijk toe, dat ook de regeling van Kerk en Overheid in Israël, uitging van algemeene beginselen die in hun diepsten grond voor altoos geldig zijn, en dus ook onze toestanden beheerschen; doch om die algemeene beginselen, gelijk ze ook voor ons gelden, te leeren kennen, moeten we niet het Oude Testament, maar het Nieuwe Testament opslaan, omdat we zoo eerst een vergelijking tusschen twee toestanden voor ons hebben, die ons in staat stelt, het bijzondere af te trekken, en het algemeene over te houden.

Keuze hebben we dus niet. Om den wil Gods voor de verhouding tusschen de geïnstitueerde Christelijke Kerk en onze Overheid te leeren kennen, kan de speciale verhouding onder Israël ons geen maatstaf bieden; en alle beweringen, die zich nochtans in hoofdzaak op Oudtestamentische instellingen en Oudtestamentische gedragingen en feiten beroepen, moeten we uit dien hoofde met alle beslistheid afwijzen, ook al weten we, dat dit beroep ook bij Gereformeerde theologen oudtijds veelvuldig was.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXIX, De Heraut No. 1173 (24 juni 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001