XXVIII. Kerk en Staat 16

De koningen der aarde zijn te zamen opgestaan, en de oversten zijn bijeenvergaderd, teggen den Heere, en tegen zijnen Gezalfde.

Hand. 4 : 26. a


Thans zijn we genaderd tot het nog moeilijker vraagstuk, in welke verhouding de Overheid tot de Kerk behoort te staan. Het dusver besprokene liet de Kerk zelve nog buiten rekening, en liet zich uitsluitend in met de gemeene taak der Overheid, gelijk die uit de Gemeene Gratie opkomt, en reeds bij het licht der Gemeene Gratie voor wezenlijke vervulling vatbaar is. Wat de Particuliere Genade, en met name de Openbaring van het Woord hieraan toebracht, bestond uitsluitend in het verhelderen van het altoos gebrekkige licht der Gemeene Gratie. Doch nu we aan de Kerk toekomen, wordt dit geheel anders. De Kerk van Christus (altoos institutair genomen) is voor de Overheid een geheel nieuwe, en we voegen er bij, voor haar vreemde verschijning. Tot dusver had de Overheid in onderscheidene streken van de Levant wel kennis gemaakt niet Joodsche kolonies, die zich in de groote steden nestelden, en hadden deze kolonies veelal Synagogen gebouwd, maar dat was de Kerk niet. De instelling der Synagoge rustte niet op goddelijk gezag. Van Godswege ingestelde ambten |198| waren aan de Synagoge niet verbonden. En wat alles afdeed, deze kolonies maakten allerwegen den indruk van nationale, en niet van kerkelijke groepen te zijn. Ze hadden, ja, ook wel een eigen religie, maar die kwam er bij. Hoofdzaak voor die kolonies was haar Joodsche nationaliteit. Al is dus het organisme der Kerk zoo oud als het Paradijs, en al had dat organisme, ingevlochten in Israël’s nationale leven, al de eeuwen sinds Abraham en Mozes voortbestaan, — institutair d.w.z. als een afzonderlijk, op zichzelf staand, van eigen ambten voorzien instituut was de Kerk nog niet opgetreden. Dit had eerst na en ingevolge den Pinksterdag plaats. En in dier voege optredende, was deze institutaire Kerk, een voor de Overheden vreemd veischijnsel. Zelve stond de Overheid op het erf der Gemeene Gratie, in de Kerk van Christus werd de Particuliere Genade belichaamd. Al het verschil derhalve, dat tusschen deze beide vormen der Genade gaapt, stelde Overheid en Kerk als aan elkanders leven vreemd tegen elkander over, en overmits dit verschil principiëel is en tot den diepsten wortel van beider leven doordringt, moeten ze elkaar vreemd blijven tot den einde toe.

Dit is niet weg te nemen, door de Kerk van Christus voor te stellen als een religieus verschijnsel, dat in zooverre met de vroegere afgoderijen op één lijn stond. Al wordt toch erkend, dat én de dienst van Jehovah te Jeruzalem, én de dienst van Diana te Efeze, én de dienst van den Christus in het kerkelijk instituut een gemeenschappelijken bodem vinden in ’s menschen behoefte aan religie, of wil men daarin, dat God het semen religionis (het zaad der religie) in ons hart gelegd heeft, toch mag de Kerk van Christus niet onder datgemeenebegripwordenweggeborgen. Al wat uit het religieuse karakter van ’s menschen natuur onder de heidenen tot ontwikkeling was gekomen (en geheel afgezien van de afgoderij, scholen hieronder soms edele traditiën, en in de dusgenaamde Mysterieën vaak rijke, bezielde ideeën) was geheel en al opgekomen uit het natuurlijke leven, onder het schijnsel der Gemeene Gratie. Verder gaat zelfs het beste en het edelste dat onder deze tradities en mysteries was, nooit. Want wel kan men staande houden, dat uit de oudste periode ook enkele herinneringen uit wat God in Particuliere Genade deed, onder de heidenen waren blijven hangen; denk slechts aan het Doodenboek der oude Egyptenaren; alsook, dat allicht uit Israël enkele ideeën onder de Grieken waren uitgegaan; maar in elk geval waren deze derwijs misvormd, dat aan deze het karakter van Particuliere Genade reeds lang ontnomen was. Vandaar dat de religies der heidensche volken zoo goed als nooit met de Overheid in conflict geraakten. Zij toch waren met de Overheid zelve van gelijken oorsprong. En deze religies én de Overheid stonden beiden op het terrein der Gemeene Gratie. Beide waren dan ook bijna altoos ineengevlochten. De religie dezer heidensche volken steunde de |199| Overheid en de Overheid steunde deze religie. Overheid en religie was nationaal één. Maar geheel anders werd dit, toen de Kerk van Christus haar intrede, als afzonderlijke instelling, onder de natën deed. Die Kerk was de belichaming der Particuliere Genade. Ze schoot derhalve op uit een anderen wortel dan de Overheid. Ze eischte een geheel andere plaats in het nationale leven dan dusver de heidensche eerediensten ingenomen hadden. Kerk en Overheid stonden als twee vreemde machten tegenover elkaar. En de uitkomst toonde dan ook, dat beide terstond in botsing geraakten.

*

Dit kon niet anders. De religiën, waaraan de Overheid dusver gewend was, waren elkanders evenknieën; ze bestonden naast elkander; ze betwistten elkaar het recht van bestaan niet; en zoo dikwijls in Griekenland of Rome een nieuwe heidensche eeredienst zijn tempel opende, ontving men dezen nieuwen vorm van eeredienst met welwillendheid. Wel had elke Overheid haar bepaalden eeredienst, waaraan ze zich gekoppeld wist, maar dit gaf geen aanleiding tot strijd. Niets verhinderde immers een heiden, om, behalve aan zijn nationale afgoden, ook aan andere afgoden eere te bewijzen. Maar met de Kerk van Christus stond dit heel anders. Zij veroordeelde alle afgoderij, en eischte de uitsluitende aanbidding van „den Heere des hemels en der aarde.” Ze nam geen genoegen met een plaats naast de vele heidensche tempels, maar stelde den eisch, dat deze alle verdwijnen zouden, en dat zij alleen zou overblijven. De Kerk van Christus was in den volsten zin van het woord exclusief. Dientengevolge bleef er geen andere keuze, dan om óf deze Kerk met haar hooge pretentie terzij te dringen, oftewel haar pretentie toe te geven, en alle afgoderij af te schaffen.

Deze vraag nu hing niet van het geval af, maar van het toetreden van volk en Overheid tot het geloof in Jezus. Ging volk en Overheid tot het geloof in Christus over, dan viel alle afgoderij vanzelf en bleef er niets dan de Kerk van Christus over. Doch ook omgekeerd, indien volk en Overheid tegen Jezus partij koos, en dies haar vroegere afgoderij getrouw bleef, kon de poging niet uitblijven, om aan de Kerk elk recht van bestaan te betwisten en de Christenen als staatsgevaarlijk te vervolgen. Zoo liep het dan ook. De vervolging brak uit, nam allengs toe in felheid en omvang, werd ten slotte een worsteling op leven en dood om het bestaansrecht, en toen eindelijk het geloof overwon, en volk en Overheid voor Jezus de knie boog, werd de Kerk het één en al, en sloeg voor de afgoderij de ure om op haar beurt vervolgd te worden en haar volkomen uitroeiing en vernietiging tegen te gaan. Dit keerpunt ligt in den overgang tot het Christendom van Constantijn; en vandaar is het volkomen begrijpelijk, dat de naam van Constantijn voor de Christelijke |200| Kerk steeds was en immer zal blijven de naam, waaraan voor haar de heugenis van triomf en eindelijke zegepraal verbonden is.

*

Tot op zekere hoogte nam men soortgelijk verschijnsel waar, toen in de tweede eeuw uit Perzië het Manicheïsme, en in de zesde eeuw uit Arabië de Islam opkwam. Het Manicheïsme is op een gegeven oogenblik met zulk een geweldigen schok uit het Oosten komen opdagen, dat het een tijdlang scheen, alsof het de Kerk van Christus onder den voet zou halen; en nog in Augustinus’ dagen was het zelfs in Noord-Afrika zóó invloedrijk, dat de Kerk al haar macht te weer had te stellen, om het terug te dringen. Ook het Manicheïsme was exclusief. Hierin echter verschilde het van de Kerk, dat het een syncretistische religie was, d.w.z. een religie die allerlei elementen in zich vermengde, en zoo ook een deel der Christelijke leer en van den Christelijken eeredienst en van de Christelijke kerkformatie in zich had opgenomen. Vandaar, dat het als een wonderboom opschoot, maar ook even snel weer verdween.

Anders stond het met den Islam. Mohamed sloot zich namelijk aan het Oude Testament aan, nam Jezus als één der profeten in zijn stelsel op, maar gaf voor, een nog hoogere, nóg rijkere Openbaring van Gods wil te zijn, die ver boven het Christendom uitging. Nu nog doet men zelfs in onze Oost gedurig de ervaring op, dat de Mohamedanen hun religie beschouwen als hoog boven het Christendom staande, zoodat ze met zeker medelijden op onze, zoo ze wanen, gebrekkige en veel lager staande religie neerzien. Juist dit maakt het werk der zending onder de Mohamedanen zoo uiterst moeilijk. De Islam trad dan ook als stelsel exclusief op. Al Wie den Islam niet aannam was een Kaffir, d.i. een ongeloovige, en alle zaligheid hing aan het zweren bij den Korân. En toch is de strijd tusschen den Islam en wat bestond niet zoo exclusief geweest, als de worsteling van de Kerk met het bestaande. Dit lag daaraan, dat de Islam een machtsreligie was. Ze bekeerde met het zwaard, zoolang er tegenstand van macht was. Maar omgekeerd, zoodra de Christelijke bevolking den strijd over de macht opgaf, het hoofd in den schoot legde, en cijns wilde betalen, goldt dit voor den Islam als een erkenning van de Oppermacht, en werd aan deze Christelijke nationaliteit lijdelijk voortbestaan gegund. Vandaar dat de Christenen niet zijn uitgeroeid zoodra ze zwichtten en elken tegenstand opgaven, en op die wijs zijn in heel het Oosten deze Christelijke groepen blijven voortbestaan, elk onder een eigen patriarch.

*

Dit stelsel kon daarentegen de Kerk van Christus niet aanvaarden, juist wijl ze geen machtsreligie was, en de propaganda dus niet met het zwaard |201| dreef. Zij was waarheidsreligie, en kon dus uit dien hoofde aan de leugen geen kwartier gunnen. Krachtens haar aard kon de Kerk niet rusten, eer ze aan al wat mensch was de waarheid in Christus had voorgehouden, en tot zwichten, niet voor de macht, maar voor de waarheid had opgeroepen. Doch hieruit volgde dan ook, dat ze, om trouw aan haar uitgangspunt en beginsel te blijven, nimmer tot machtsoefening de toevlucht mocht nemen, en zich uitsluitend moest pogen uit te breiden door te overtuigen. Petrus wilde reeds in Gethsémané de methode van den Islam toepassen en met het zwaard slaan. Jezus keurde dit gestrengelijk af, en staande voor Pilatus sprak hij het uit, dat zijn koninkrijk niet van deze wereld was, en dat deswege zijn discipelen niet voor hem mochten strijden met het zwaard. Dit hooge standpunt is echter de Kerk van Christus niet blijven innemen. Zoodra ze de hooge hand verkreeg, heeft ze die hooge hand misbruikt, om door geweld datgene te bereiken, wat volgens de beginselen van Jezus alleen bereikt mocht en kon worden door de persoonlijke overtuiging. En al moge Constantijn’s naam in de historie der Christelijke Kerk een naam vol glorie blijven, in zooverre hij den evenaar ten gunste van de Kerk van Christus kenteren deed, even beslist moet het uitgesproken, dat zijn naam telkens in die historie het uitgangspunt teekent van een loslaten van het geestelijk beginsel en van een terugkeer naar de oude heidensche practijken. Zooals het heidendom zich tegen de Kerk gesteld had, zóó heeft onder en na Constantijn de Kerk zich gesteld tegen het heidendom. Men ontnam aan wat heiden bleef allen invloed, men verbood zijn eeredienst, men vervolgde zijn priesters, men sloot zijn scholen; en al mag niet gezegd, dat er vervolging van de massa der onbekeerden plaats greep, toch heeft het Christendom toen feitelijk den eens behaalden triomf pogen te verzekeren, niet door geestelijke middelen, maar door machtsdaden en daden van geweld.

Dit kan niet ernstig genoeg betreurd worden, al is het uit den nood dier tijden begrijpelijk. Wat toch was het geval? Hoe wreeder de vervolging woedde, van te echter goud was het geloof. Met Christen te worden of te blijven, won men niets, waagde men alles, zelfs zijn eigen leven en dat der zijnen. Vandaar, dat alleen wie waarlijk door Jezus in zijn hart was aangegrepen zich bij de Christenen aansloot, en dat elke nieuwe vervolging, veel beter dan de strengste kerkelijke tucht, opnieuw de dorschvloer der Kerk zuiverde. Die dan afvielen waren velen. Dit nu had tengevolge, dat het Christendom geestelijk van aard en karakter bleef, en dat het getal der hypocrieten nooit sterk aanwies, en telkens weer inkromp. Maar dat juist werd zoo geheel anders, toen Constantijn zich voor de Christelijke religie had verklaard. Van die ure af toch hield alle vervolging op, begon Christen te zijn eere te geven, en begrepen de eerzuchtigen onder de heidenen zeer wel, dat ze, door zich bij de kerk te |202| voegen, zich den weg ontsloten tot keizerlijke gunst en eerepost. Zoo kwam het, dat toen plotseling geheele streken zich lieten doopen; dat een groote menigte tot de Kerk toetrad; en dat de Kerk zich met breeden golfslag uitbreidde; maar zoo kwam het ook, dat het geloof daalde in ernst en oprechtheid, en al spoedig de wereld in de Kerk binnendrong.

De leiding der Kerk bleef nu niet langer bij de oprecht geloovigen, die tot den martelaarsdood bekwaam waren; zelfs niet bij de geestelijken, hoezeer deze ook al meer wereldsch werden; maar bij het paleis, bij de hooge ambtenaren, bij de invloedrijke personen van het Hof. Men weet uit de historie, op wat breede schaal reeds Constantijn zijn bemoeiing met de kerkelijke aangelegenheden heeft uitgebreid. Openlijk sprak hij het uit, dat de bisschoppen wel voor de geestelijke dingen hadden te zorgen, maar dat hij de bisschop der Kerk was voor haar uitwendige aangelegenheden. De Caesaropapie schoot terstond wortel. En zoo is het verklaarbaar, dat van meet af de methode van Jezus, om alleen door geestelijke overtuiging te winnen, werd losgelaten, en dat de oude methode, om door macht en geweld te heerschen, ingang vond.

*

Te hard willen we hierover niet oordeelen. Men mag niet vergeten, dat Constantijn niet dan met ongelooflijke, moeite de gewapende macht van het heidendom geveld had, en dat allerwegen in het onmetelijke rijk de massa’s heidenen nog gereed stonden, om, onder de leiding van heidensche prinsen en veldheeren, de worsteling op leven en dood opnieuw te beginnen. Er sprak in wat Constantijn deed zucht naar zelfbehoud, en het is te verstaan, dat, nu eindelijk de bloedige worsteling beslist was, de staatkunde er op bedacht was, om een hervatting der vijandelijkheden onmogelijk te maken. De rust en de vrede van het geheele rijk hing er aan. De fout school dan ook minder daarin, dat men in zoo hachelijk oogenblik buitengewone maatregelen tot zelfverweer nam, als wel dat men, nadat alle gevaar geweken was, de verkeerde en door Jezus zoo scherp veroordeelde methode bijhield. En toch is dit laatste onbetwistbaar. Geheel de beschouwing over de verhouding van Overheid en Kerk, gelijk die eeuwen lang daarna in de Christenlanden gegolden heeft, in de Reformatie overging, en nog ten deele stand hield, is niets dan de logische voortzetting van het stelsel dat Constantijn tot wet verhief. Als thans zelfs nog de keizer van Duitschland een man als Stöcker, die zijn eigen hofprediker was, in ongenade deed vallen, alleen omdat hij den keizer vragen dorst zijn bisschoppelijke hoogheid af te leggen, en een vrije Synode der kerken saam te roepen, is het niets dan de schim van Constantijn die dezen keizer jaagt. Ook de woorden in art. 36 van onze Confessie, dat het de plicht van de Overheid is „om te weren en uit te roeien alle afgoderij |203| en valschen godsdienst,” zijn niet anders dan de letterlijke herhaling en bezegeling van het stelsel, dat door Constantijn is ingevoerd en door zijn opvolger in practijk is gebracht. Elke poging, om de beteekenis en kracht dezer woorden te verzwakken, is dan ook niets dan onhistorisch gekeuvel. „Weren en uitroeien van afgoderij en valschen godsdienst” is in letterlijken zin de uitdrukking van het standpunt, door de Christelijke Kerk na haar triomf in den aanvang der 4de eeuw tegenover het toenmalige heidendom ingenomen. Het heidendom als „afgoderij en valsche godsdienst”, is toen niet den sterken arm door de Overheid geweerd, en ten slotte vernietigd en uitgeroeid. En zóó wil men, indien men zich op dat standpunt stelt, dat thans nóg zal geschieden, allerwegen waar het heidendom den kop weer opsteekt, of de valsche godsdienst zijn verloren terrein poogt te herwinnen.

Is het alzoo niet voor tegenspraak vatbaar, dat de verhouding tusschen Kerk en Overheid eeuwen lang beheerscht is geworden door een beschouwing, die in de 4de eeuw uit den nood opgekomen, onder voor het echte geloof zeer ongunstige omstandigheden tot regel werd, dan gevoelt men, hoe noodzakelijk, hoe gewichtig, maar ook hoe ongelooflijk moeilijk het is, om tegen dezen boozen stroom op te roeien, en uit niets dan uit het Evangelie de ware verhouding, gelijk die bestaan moet, op duidelijke en overtuigende wijze in schets te brengen. Men stuit hier toch op hetzeer ernstige bezwaar, dat de methode van Constantijn het getuigenis der eeuwen voor zich heeft, en dat bijna allen, die zich op staatkundig of godgeleerd terrein over de aangelegenheid hebben uitgelaten, Constantijn’s beginsel in bescherming hebben genomen. Men staat voor het feit, dat de kerstening van Europa en de inrichting der Christennatiën bijna uitsluitend onder de heerschappij van dat beginsel is tot stand gekomen. En sterker nog, voelt men tegen zich opkomen al de macht die in oude Confessiën schuilt, en die bijna geheel op de handhaving van dat beginsel gericht is.

*

Nog iets anders komt hier bij. Verzet tegen de methode van Constantijn was dusver uitsluitend uitgegaan van de secten, en is sinds de achttiende eeuw versterkt door het optreden der Revolutionairen. Acht men nu ook zijnerzijds met ernst tegen dit beginsel van Constantijn in verzet te moeten komen, dan ligt het voor de hand, dat zij, die Constantijn’s beginsel wenschen te handhaven, u verdenken van met de secten te heulen, of wel van met de Revolutionairen gemeene zaak te maken. Zoo heeft dan ook schrijver dezes sinds jaren blootgestaan aan de beschuldiging, dat zijn protest ten deze niets anders was dan het drijven van een revolutionair beginsel, en een zich scharen aan de zijde van de vijanden van Christus’ Kerk. En dit heeft daarom zoo licht vat op de publieke meening, omdat men te rekenen heeft met bestaande kerkelijke toestanden, en b. v. de idée |204| van de Volkskerk als zoodanig met de methode van Constantijn samenhangt. Zoo komen er allerlei belangen bij in het spel, die liefst de bestaande zienswijze doen handhaven, en wordt de worsteling tegen de valsche idée al bedenkelijker. Toch mag, wie van het valsche van Constantijn’s beginsel en methode overtuigd is, hiervoor niet uit den weg gaan. Staat het eenmaal voor u vast, dat hetgeen Jezus ons zelf omtrent den aard van zijn koninkrijk en het wezen van zijn Kerk geopenbaard heeft, met geheel dit systema in onverzoenlijken strijd is, dan is verzet er tegen plicht, en dan mag geen vreeze voor de ongunst van menschen u van uw protest doen afzien.

„De waarheid, d.i. de waarheid gelijk ze in Christus Jezus is, gaat bovenal!”

*

Om nu tot een helder inzicht in deze ingewikkelde quaestie te geraken, is het voor alle dingen noodig, dat we scherp onderscheiden tusschen de ideale verhouding tusschen Kerk en Overheid, gelijk die, kan ze in volkomen zuiverheid doorwerken, zijn moet, en tusschen de wijzigingen, die deze ideale verhouding, in den loop der historie en naar het verschil van toestanden ondergaat. Ieder gevoelt terstond, om slechts één voorbeeld te noemen, dat het zeer aanmerkelijk verschil maakt, of ik spreek van een Christennatie levende onder een Overheid, die in haar ambtsdragers zelve tot de Christelijke religie behoort, dan wel of ik handel van de Christelijke Kerk in de dagen van de apostelen, toen ze als een klein kuddeke te midden der wolven was, levende onder een heidensche Overheid. En zoo ook, dat het heel iets anders is, of ik handel van de dagen der middeleeuwen, toen er slechts ééne Christelijke Kerk in ons land bekend was, of wel dat ik spreek van den hedendaagschen toestand, nu onderscheiden Christelijke instituten zich als Kerk aandienen. Hieruit volgt, dat wie de verhouding van Kerk en Overheid met het oog op een concreten historischen toestand behandelt, te rekenen heeft met allerlei bijzonderheden, die dikwijls aan de zuivere doorwerking van het ideale stelsel in den weg staan. Tot critiek over zulke toestanden zijt ge derhalve dan alleen in staat, zoo ge begint met al dit bijzondere op zij te zetten, en zoo ge u in beginsel afvraagt, welke de verhouding van Kerk en Overheid in idealen zin is, gelijk die uit het wezen der Kerk en uit het wezen der Overheid voortvloeit. Dienovereenkomstig zullen ook wij in ons betoog eerst onderzoeken, welke die ideale verhouding moet zijn, om daarna te zien, welke wijzigingen hierin worden aangebracht door de zeer uiteenloopende omstandigheden, waaronder de Kerk van Christus onder de verschillende natiën en in de verschillende tijden optreedt.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXVIII, De Heraut No. 1172 (17 juni 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001