XXVII. Kerk en Staat 15

Maar de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.

1 Corinthe 2 : 14. a


In volstrekten en hoogeren zin genomen, is en blijft het alzoo de eisch, dat de Overheid, bij het licht zoowel van de Algemeene als van de Bijzondere Openbaring, helder en klaarlijk inzie, welke de ordinantiën Gods zijn: 1º. over haar eigen optreden, 2º. over de sociale verhoudingen die ze te handhaven heeft, en 3º. over de zedelijke vastigheden, die ze in haar rechtsbedeeling en wetgeving heeft te eeren. De Overheid als dienaresse Gods, mag den regel van haar gedraging nooit anders dan bij God zoeken. En nooit mag worden toegegeven, dat eenige Overheid, uit wat oorzaak ook, van die alles beheerschende verplichting ontslagen zou zijn. Maar hieruit volgt nog geenszins, dat hetgeen uit beginsel moet, ook feitelijk kan. Een vader moet zijn kinderen voeden en opvoeden, maar als hij, om der geloofswille, als martelaar in den kerker wordt geworpen, kan hij het feitelijk niet. We zijn gehouden iemands leven te redden, als hij in doodsgevaar is, maar zoo de ééne moordenaar ons kind aangrijpt, en de ander bindt ons, dan kunnen we feitelijk zelfs van ons eigen kind den dood niet afweren. Het is onze plicht dagelijks Gods Woord te lezen, maar als ons gezicht door ouderdom verduistert, dan weigert ten slotte het oog, en kan niet meer, wat op zichzelf moet. En zoo nu is het ook hier. Plicht is en blijft het voor alle Overheid en voor elk Overheidspersoon, dat hij besluite en handele in overeenstemming met den geopenbaarden wil Gods, maar hieruit vloeit op zichzelf nog volstrekt niet voort, dat elk magistraat bij machte en in staat is, den wil Gods in zijn volkomen openbaring te kennen.

Om uit Natuur, Rede, Schrift en Historie, dien wil Gods in eik gegeven geval te verstaan, is een zoo uitgebreide kennis, een zoo diepgaand onderzoek en een zoo buitengemeen helder inzicht noodig, dat niet dan een zeer |191| enkel magistraatspersoon de bekwaamheden en de gelegenheden bezit, om zich die kennisse te verwerven. Wat verstaat een Kafferkoning in Afrika van de Openbaring Gods in de Natuur der dingen, in de Rede des menschen en in den rijkdom der Schriftopenbaring? Wat verstonden zelfs de koningen en keizers van Rome van de eischen der staathuishoudkunde, van de hoogere eischen der staatsleer, en vooral van de hoog-zedelijke beginselen die ons in de Historie en in de Schrift geopenbaard zijn? Alzoo verliest men zich in ijdele bespiegeling, indien men weigert met dit verschil tusschen de ideale eischen en het practisch mogelijke te rekenen. Natuurlijk rust op ieder tnensch de verplichting, om dagelijks tot zijn God te bidden; maar het kind in de wieg, de in typhuskoorts ijlende, de waanzinnige in zijn verbijstering kan het niet. En even dwaas als het nu zijn zou, deswege den eisch des gebeds als algemeenen regel te laten vallen, even dwaas zou het wezen voor de practische onmogelijkheden, die aan de vervulling van dien eisch in den weg staan, het oog te sluiten.

*

Ook bij de Overheid moet uit dien hoofde met de overmacht der practijk rekening worden gehouden. Al gaat de hooge en volstrekte eisch voor elk magistraat in idealen zin door, practisch zijn er bezwaren, die onoverkomelijk zijn. Niemand kan feitelijk handelen naar een kennisse van Gods wil, die niet onder zijn bereik valt, of die voor hem een gesloten boek bleef. Hij moge dan schuldig staan, inzooverre hij niet genoegzaam naar die kennisse gestreefd en gezocht heeft; of ook schuldig staan in zooverre alle deze ongelegenheden een uitvloeisel van de zonde en van het door haar teweeggebrachte bederf en van de door haar veroorzaakte verduistering zijn; maar dit alles neemt niet weg, dat hij niet kan wandelen op een pad waar hij nooit van hoorde en waarvan hij dientengevolge niets af weet. Thans weet de Overheid van allerlei maatregelen die genomen kunnen en moeten worden, om schrikkelijke ziekten, als pest en anderszins, van onze grenzen af te weren; maar de Overheid in vroeger eeuwen, die met deze maatregelen geheel onbekend was, verkeerde in de onmogelijkheid om ze toe te passen. De brandweer heeft thans in groote steden een ontwikkeling bereikt, die de verwoestingen door het vuur op meer dan de helft beperkt heeft; maar de Overheid in vroeger eeuwen, die zelfs van het denkbeeld van zulk een brandweer geen kennis droeg, kon niet toepassen wat voor haar nog niet bestond. Vandaar, dat bier reeds met het oog op natuur en historie een zeer ernstig onderscheid is te maken tusschen de mogelijkheid die eertijds bestond en die nu bestaat, en evenzoo tusschen hetgeen mogelijk is voor een Overheid in het ontwikkeld Europa en in het achterlijke Azië of Afrika. Maar behalve deze twee verschillen komt hier nu |192| nog een derde uiterst gewichtig verschil bij, het verschil namelijk tusschen die magistraten, die de Openbaring van het Woord kennen, en die andere magistraten, die tot deze kennisse niet gekomen zijn.

Dat het niet kennen van Gods wil, zoodra die heilige wil eenmaal geopenbaard is, in het afgetrokkene aan ieder mensch tot schuld is aan te rekenen, spreekt wel vanzelf, maar verandert niets aan den feitelijken toestand. Ook op de Overheid vóór Mozes’ dagen blijft de schuld rusten, dat ze tengevolge van de zonde Gods wil niet genoegzaam gekend heeft; maar al is dit zoo, toch zal niemand beweren, dat ze destijds reeds rekenen kon met een Schrift die er nog niet was, die nog niet bestond, die nog komen moest. En evenzoo zijn er nu nog duizenden en duizenden Overheidspersonen in Azië en Afrika, die geboren worden en straks sterven zonder ooit één enkel hoofdstuk van de Heilige Schrift onder hunne oogen te hebben gekregen. En al merkt men zeer terecht op, dat dit in Europa dan toch niet alzoo is, of althans niet zoo behoeft te zijn, want dat in ons werelddeel de Schrift op alle manier verspreid is en onder iedersbereik ligt, zoo blijft toch de zeer ernstige moeilijkheid bestaan, dat voor het wezenlijk verstaan van Gods wil uit de Schrift nog iets heel anders noodig is dan uitwendig en vormelijk lezen. Of leert niet de apostel ons, dat „de natuurlijke mensch niet verstaat de dingen die des Geestes Gods zijn”, en heeft niet evenzoo Jezus zelf het ons aangezegd, dat „wie niet wedergeboren is uit water en geest, het koninkrijk van God zelfs niet kan zien”? Of om een heel andere uitspraak te nemen, zegt Jezus ons niet, dat het „des Vaders welbehagen is geweest deze dingen voor de wijzen en verstandigen te verbergen en te openbaren aan de kinderkens?” De vraag is dus verre van te onpas, of overheidspersonen, die geen hooger licht ontvingen, enkel door het vormelijk lezen van de Heilige Schrift, ooit tot het waarlijk kennen en verstaan van den wil Gods komen konden. Hoe streng en onverbiddelijk men dus ook in idealen zin den eisch vasthoude, dat elk Overheidspersoon in alles en ganschelijk Gods geopenbaarden wil heeft te handelen, voor de practijk is het niet genoeg, dat op een bepaald punt die wil van God in het algemeen geopenbaard zij. Het moet, zal hij er naar handelen kunnen, ook persoonlijk geopenbaard zijn aan hem. En voor deze persoonlijke openbaring is het niet voldoende, dat er een exemplaar van de Heilige Schrift onder zijn bereik ligt, maar moeten hem ook geestelijk de oogen geopend zijn, zoodat hij verstaan kan wat hij leest. De voorstelling, alsof elk magistraatspersoon volstaan kon met den Bijbel te lezen, en reeds daardoor in staat zou zijn, om te weten hoe hij in elk voorkomend geval handelen moest, dient op dien grond te worden afgewezen.

*

|193| Hier komt bij, dat Gods wil in de Schrift verborgen ligt, als het goud in de mijn, en dat alleen langdurig en alzijdig onderzoek, vergelijking van Schrift met Schrift, en wetenschappelijke uitwerking in elk gegeven geval tot een bepaalde uitkomst kan leiden. De Schrift is niet een boek vol regelen, waarop een register ware te maken, en waarin men alsdan op staanden voet voor elke opkomende vraag het gereede antwoord kon vinden. Feitelijk zijn uit de Heilige Schrift alleen beginselen af te leiden, en de toepassing van die beginselen op bepaalde gevallen en in bepaalde tijden vereischt een onderzoek van zeer ingewikkelden aard, dat de vrucht is niet van hetgeen één mensch naspeurt, maar van hetgeen in den loop der eeuwen door de historie en door de wetenschap allengs aan het licht is gebracht. Zoo is het b.v. niet moeilijk te betoogen, dat een onderdaan zijn Overheid gehoorzaam moet zijn; maar vraag nu eens wie een strijder in den Oranje-Vrijstaat tijdens den oorlog als zijn Overheid te erkennen en te eeren had: den president Steyn of generaal Roberts, en ge gevoelt op eenmaal, hoe weinig aan de algemeene uitspraak, dat ge uw Overheid onderdanig zult zijn, zulk een man in zulk een moeilijk geval heeft. Te minder kan iemands persoonlijk inzicht in de bedoeling der Schrift den magistraatspersoon baten, daar zulk persoonlijk inzicht gedurig tot zeer uiteenloopende conclusies leidt. Is het nu te verdedigen, dat in eenzelfde land, als orgaan van eenzelfde Bestuur, de magistraat in het ééne dorp zus en in het andere dorp geheel anders zou handelen? En toch, dit gaat niet alleen door bij de hoogere magistraten, maar tot bij de laagste ambtenaren. In hen allen werkt het Overheidsgezag, en door allen moet Gods wil worden volbracht. Uit dien hoofde zijn er wetten, maatregelen van Bestuur, instructiën, aanschrijvingen, orders, die aan de ondergeschikte magistraatspersonen de wijze waarop zij te handelen hebben, voorschrijven, en is slechts binnen zeer engen kring vrijheid van keuze aan de lagere magistraten voorbehouden.

Feitelijk is dus de toestand deze, dat zich, dank zij principiëel onderzoek en historisch verloop, in een land zekere publieke opinie omtrent de zaken van Staat en de verplichtingen van de Overheid vormt; dat deze publieke opinie in de wetten en voorschriften haar uitdrukking vindt; en dat de verschillende magistraatspersonen daardoor in hoofdzaak gebonden zijn. De wil van God, gelijk die in Natuur en Schriftuur geopenbaard is, kan dus langs geen anderen weg regel en richtsnoer voor de gedraging der Overheid in haar verschillende trappen worden, dan doordien de belijders des Heeren de Schrift onderzoeken, en vooral de mannen van wetenschap onder hen de beginselen van dat Woord in hun toepassing op de zaken van Staat aantoonen. Wordt op die wijs een krachtige volksovertuiging gevormd, zoodat zij, die de wetten en besluiten opstellen, deze beginselen daarin tot uitdrukking brengen, dan is de publieke gang van zaken aan dien alzoo |194| uitgedrukten wil gebonden, en alleen op die wijze kan in de handelingen der magistraten de ons geopenbaarde wil van God verwezenlijkt worden. En slechts voorzoover wet en instructie aan de enkele magistraatspersonen nog zekere speelruimte laten, om naar eigen inzicht te handelen, zal een ambtenaar persoonlijk den regel van zijn gedraging uit de Openbaring Gods moeten afleiden. Doch zelfs hierbij mag men niet voorbijzien, dat ook voor dit deel van zijn taak de Overheidspersoon veelszins gebonden is aan usantiën en gewoonten, die als onbeschreven recht naast het beschreven recht gezag hebben. Alles hangt dus ten slotte af van de kracht, waarmee de Christelijke overtuiging ook over de zaken van Staat licht verspreidt, en het aldus verspreide licht zoo helder en zoo krachtig doet schijnen, dat ze als vanzelf den geest en de denkbeelden van het wetgeve nd Gezag met den eisch van Gods Woord in overeenstemming brengt. Het komt hier dus veel minder aan op de persoonlijke opinie en het persoonlijk onderzoek van dezen of genen magistraatspersoon, maar hangt ten slotte bijna uitsluitend af van het licht dat de Gemeente des Heeren in het midden der natiën ontsteekt, en van de kracht waarmede ze haar overtuiging weet te doen gelden.

Juist daarom is het zoo verkeerd gezien, als veel vrome lieden zich inbeelden, dat het voor de zake Gods voldoende is, zoo slechts op persoonlijke bekeering wordt aangedrongen en heiligheid van leven onder de Christenen wordt voorgestaan. Dat toch leidt er toe, om de zaken van land en volk aan de ongeloovigen over te laten, die dan natuurlijk niet in gebreke blijven, hun denkbeelden, die veelszins tegen den wil van God indruischen, in de publieke opinie tot heerschappij te verheffen, en straks door de wetgeving aan het volk op te leggen. Veeleer is het de plicht en de roeping van het belijdend deel des volks, om wel terdege, ook met het oog op de zaken van land en volk, Gods geopenbaarden wil te onderzoeken, en in dien geest de openbare meening, en door haar de wetgeving te bewerken. Doch dan volgt ook uit het aangevoerde, dat de Christenen de wetenschap uit hun eigen beginselen moeten beoefenen, want het is juist van het wetenschappelijk inzicht, dat de groote drijfkracht uitgaat, die de publieke opinie vormt en beheerscht. Alle laatdunkend neerzien op de Vrije Universiteit om haar kleine afmetingen, doet dan ook geweld aan de Christelijke overtuiging. Hoe weinig ook nog uitgebouwd, de Vrije Universiteit is en blijft de belichaming van een grootsche gedachte en van een alleszins heilige overtuiging. Ze spreekt toch uit, dat de belijders des Heeren de wetenschap, de publieke opinie, de zaken van land en volk, de wetgeving en daarmee de vraag of Gods wil naar de Schrift al dan niet invloed op onze vaderlandsche toekomst zal hebben, niet aan het geval mogen overlaten, maar dat op hen de dure en ernstige verplichting rust, om ook in het hooger volksbewustzijn het licht des Evangelies te laten |195| schijnen. Natuurlijk wordt toegegeven, dat ieder belijder het recht heeft, op hetgeen de Vrije Universiteit ten deze doet, critiek te oefenen, mits hij dan zelf de zaak beter aanvatte. Maar verheeld mag niet, dat ontwikkelde Christenen, die voor het hoog belang dat hier op het spel staat, niet opkomen, in plichtsbetrachting te kort schieten, en dat wie in de Vrije universiteit het idaaal, waarvoor zij opkomt, niet eert, en tegenover ons de ongeloovige wetenschap steunt en verheft, hiermede ongetwijfeld zondigt.

*

Eén geval eischt nog afzonderlijke bespreking. Er zijn ook absolute monarchieën, waarin de wil van den monarch wet is. De vraag kan dienvolgens gesteld worden, of in zulk een geval deze monarch niet persoonlijk Gods openbaring heeft te onderzoeken, en, overeenkomstig zijn op grond van dat onderzoek verkregen inzicht, heeft te handelen. Neem b.v. den Czaar van Rusland, die aan geen constitutioneele beperking van zijn macht gebonden is. Zal hij nu niet persoonlijk het Woord moeten onderzoeken, en zijn aldus verkregen inzicht tot wet in zijn rijk moeten stempelen? Zij die zoo spreken, vergissen zich ten eenenmale in de voorstelling die zij zich van zulk een absolute monarchie vormen. Zelfs bij de despoten der oudheid bevond de absolute monarch zich omringd door een kring van raadgevende mannen, die de inrichting van het Staatsbestuur in handen hadden, en heerschte onder dezen zekere usantie of zeker gewoonterecht, dat den loop der zaken beheerschte. Denk slecht aan de Adat in onze koloniën. Bovendien was dat gewoonterecht veelal verbonden met een religieuse overlevering, die in een of andere priesterorde een zoo machtigen steun vond, dat zelfs de overmoedigste Vorst er voor uit den weg ging. Bij den Faraö van Egypte vinden we, evenals bij Beltzazar, „zijn wijzen”, wier raad gedurig werd ingeroepen. Dit kon ook niet anders. Niet dan bij hooge uitzondering is zulk een absoluut monarch zelf een zoo veelomvattend en kundig man, dat hij persoonlijk in staat zou zijn, zich over alle dingen een denkbeeld te vormen. De macht veler despoten bestond dan ook veel meer in het botvieren aan gril en inval, dan dat ze uit zichzelven een eigen stelsel van staatsbeleid hadden uitgebroed. Alleen dient toegestemd, dat er een zeer enkel maal, nu in dit, dan in dat land, een Lycurgus of Solon is opgestaan, die zelf als scheppend genie het beleid van den Staat in nieuwe banen geleid heeft. Dit echter vond dan niet zijn oorzaak in hun absolute macht, maar in hun staatkundige voortreffelijkheid Mannen als Marnix of Gladstone hebben niet door hun gezag, maar als raadsleden der Prinsen gedaan, wat geen vorst uit zichzelf doen kon.

Het oorspronkelijk denkbeeld van Da Costa, alsof de toekomst gered zou zijn, en metterdaad gered zou worden, door de persoonlijke bekeering van de Kroondragers der groote mogendheden, is dan ook op niets dan |196| op teleurstelling uitgeloopen. De kerstening van de Staten moge door de Vorsten in de hand kunnen gewerkt worden, ze wordt niet door hen uitgedacht en kan evenmin door hen tot stand gebracht worden. Alles hangt hier af van het plichtbesef en van de trouw in de Gemeente des Heeren. Wat gouden bergen had men zich niet beloofd van de dusgenaamde Heilige Alliantie, en waarop anders is ze ten slotte uitgeloopen dan op een beginselloos Conservatisme, waarmee de tweede Napoleontische keizer zijn roekeloos spel dreef. Dat ligt ook in den aard der zaak. Een machtig heerscher op den troon, die tevens geestelijk in de kennisse van Gods Woord was ingeleid, zou juist als eerste voorwaarde van slagen den regel van Gods Woord verstaan, dat de Overheid niet buiten verband met het volk kan regeeren. Hij zou onverwijld inzien, dat niet één man de macht of de bekwaamheid bezit, om de toepassing van Gods Woord op het leven te doorgronden, maar dat dit een werk der eeuwen is, dat door de gezamenlijke krachtsontwikkeling van wie onder de belijders talent van God ontvingen, allengs tot stand komt. En wel verre van zelfgenoegzaam, alleen en op zichzelf, de kennisse van Gods wil te willen vaststellen, zou hij juist drang en behoefte gevoelen om anderer raad en bijstand te zoeken, en de ontwikkeling van het inzicht in de Christelijke beginselen onder de meer begaafden van zijn volk te bevorderen. Men spreekt van den keizer van Rusland, maar wie weet niet hoe de secretaris der Heilige Synode, met ministers als Mouravieff en Witte, de eigenlijke mannen zijn, die de ontwikkeling van dit machtige rijk beheerschen, en den Czaar zelven leiden.

Onze slotsom kan dan ook geen andere zijn, dan dat elke voorstelling, alsof een op zichzelf staand Overheidspersoon het vereischte onderzoek persoonlijk had in te stellen en ten einde kon brengen, om daarna zijn gedragingen dienovereenkomstig te regelen, geheel in strijd is met de werkelijkheid. Zoo staan de zaken niet. Het Regeeringsbeleid in een land heeft zijn eigen historisch verloop, en het is in de eerste plaats op het geheele Bestuursorganisme, dat de Christelijke invloed zich moet doen gelden. En op dat geheele Bestuursorganisme kan het Christelijk beginsel niet anders werken dan door in te dringen in het hooge bewustzijn van het volk. Ook al wordt dus grif erkend, dat het woord van enkele machtige denkers hierop krachtig kan inwerken, toch oefenen ook zij hun invloed in hoofdzaak door de wijziging van denkbeelden, die ze in de publieke opinie teweegbrengen. Altoos komt het dus ten slotte op de Kerk als organisme neer, d.w.z. op den invloed dien de belijdende Gemeente des Heeren, door haar machtige tolken en door haar wetenschappelijk getuigen, op den algemeenen volksgeest weet te erlangen. Niet één man, maar de Christelijke wetenschap moet de Natuur en de Schriftuur onderzoeken, om daaruit Gods wil in het gemeen, en de toepassing van dien wil op de nationale en actueele toestanden te leeren verstaan. Het zijn de uitkomsten van dit |197| onderzoek, en het is de macht van het persoonlijk optreden in dien geest, die het Christelijk element weer beteekenis doet erlangen in den strijd der meeningen, en ten slotte in dien strijd der meeningen voor de ordinantiën Gods eerbied wekt. Eerst alzoo dringt het Christelijk element weer als een macht in de wetgeving en in de usantiën van het volk in. En al wat enkele magistraatspersonen persoonlijk kunnen doen, is door persoonlijke trouw en door warme behartiging der waarachtige belangen des volks, het verlangen naar een waarlijk Christelijk regiment onder alle rangen en standen van het volk opwekken. Feitelijk blijft dus de Gemeente des Heeren de toekomst ook van land en volk in haar hand houden. Gaat ze terzijde en laat ze de landszaak loopen, dan is de ontkerstening van het volk niet tegen te houden. Blijft ze getuigen, ook in de zake des vaderlands, dan wint door haar volharding het Christelijk element ten slotte weer veld.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXVII, De Heraut No. 1171 (10 juni 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001