XXVI. Kerk en Staat 14

Die wij gehoord hebben en weten, en onze vaders ons verteld hebben.

Psalm 78 : 3. a


Uit de volstrekte onmogelijkheid, waarin de Overheid verkeert, om op zedelijk gebied neutraal te blijven, vloeit tevens voort, dat elk land, elk volk, en zoo ook elke Overheid, een geestelijk karakter vertoont. Ten onzent drukt men dit veelal uit door te zeggen, dat Nederland een Protestantsche |183| natie is; en ook hiervan moet de beteekenis en het recht nader worden onderzocht.

De „Protestantsche natie” had nog in de eerste helft dezer eeuw kerkelijke beduidenis, iets wat historisch alleszins verklaarbaar was. Toen de Reformatie doorbrak, heerschte allerwegen in Westelijk Europa de vaste overtuiging, dat Kerk en Christendom twee begrippen waren die elkander dekten. Vandaar dat, bij het opkomen der breuke, de destijds bestaande kerk geen nieuwe, geen tweede naast zich wilde dulden, en dat evenzoo de reformatorische kerk niet naast de oude plaats vroeg, maar kortweg haar plaats innam, en van geen voortbestaande oude als haar evenknie wilde weten. Liever dan elkanders bestaan over en weer te ontkennen en te eerbiedigen, ging men een kamp op leven en dood aan, die beiderzijds bedoelde niet te rusten, eer de concurrente kerk geheel verdwenen zou zijn. Die streng absolute opvatting deelde zich aan het nationale leven mede. De volken als volken kozen voor de oude of de nieuwe kerk partij. Waar, gelijk in Frankrijk, in den boezem van eenzelfde volk de strijd tusschen beide ontbrandde, ontstond een formeele burgeroorlog. En welhaast kan het niet anders, of heel Europa zag zich in een jaren voortdurenden godsdienstoorlog gewikkeld, die in plaats van tot het doel te leiden, d.w.z. tot het herstel van de eenheid der Christelijke kerk in gansch Europa, integendeel de kracht van beide partijen ten slotte zoodanig uitputte, dat men, kwaadschiks goedschiks, bij den vrede van Munster de tweeheid aanvaardde, nog wel niet in het eigen land, maar dan toch in Europa. Van die ure af was Europa in een Roomsche en Protestantsche helft gesplitst, en óns land behoorde toen tot de laatste. Wel hield de vervolging, op en werd het religieus bestaan van andersdenkenden dragelijk gemaakt. Maar toch, alle andersdenkenden, en met name de Roomschgezinden, bleven verkeeren in een staat van minderheid, van sociale en politieke inferioriteit. Veel, veel harder was de druk, waarmeê de Roomsche helft van Europa de Protestantschgezinden bleef bemoeilijken, en in zoover heeft de kerk van Rome ons niets te verwijten; maar dit neemt niet weg, dat de republiek der Vereenigde Nederlanden tot op haar ondergang in het laatst der vorige eeuw officieel een Protestantsch, en wel meer bepaald een Gereformeerd karakter droeg. Voor het Europeesche evenwicht wierpen wij ons gewicht in de Protestantsche schaal. De Roomschen werden niet als landgenooten, maar, evenals de Joden, als bijwoners beschouwd. Het Protestantsch karakter stond niet slechts afgedrukt op de natie, maar op den Staat der Nederlanden als zoodanig.

*

Aan dien stand van zaken heeft de Revolutie van de laatste jaren der 18de eeuw toen een einde gemaakt. Oranje werd verdreven, voor de |184| oude Republiek een Bataafsch gemeenebest naar Fransch model in de plaats gesteld, en officieel op den Staat het stempel afgedrukt van het Liberalisme. Wel heette het, dat neutraliteit werd gekozen, maar dit woord bedroog. Feitelijk werd de geest der vrijzinnigheid zelf tot den geest van Staat verheven, en Bilderdijk ging in ballingschap, niet omdat hij zich tegen de neutraliteit bezondigde, maar omdat hij trouw weigerde te zweren aan den vrijzinnigen Staat. De restauratie van 1813 dong op dezen triomf der vrijzinnigheid wel iets af, maar bleef toch in hetzelfde spoor. Edoch, met een historischen remschoen om het achterwiel. Ook de andere Kerken werden nu wel erkend, maar toch altoos nog met zekere voorkeur voor de sterkst vertegenwoordigde Protestantsche. De drager der Kroon zou tot die Kerk moeten behooren. Een niets zeggende band, die dan ook straks weer werd losgemaakt, maar die voor de aloude Gereformeerde Kerken den bitteren nasleep achterliet, dat de Koning, geheel willekeurig en eigenmachtig, den aard en het wezen van deze Kerken veranderde, door er een reglementair onvrij maar leervrij Genootschap van te maken. De Hervormde Kerk zou voortaan gebonden, alleen de Roomsche waarlijk vrij zijn, en het is deze algeheele vrijmaking der Roomsche Kerk, die in 1853 den storm der Aprilbeweging deed opkomen. Een storm, die tot niets geleid heeft, die de gebondenheid der aloude Gereformeerde Kerken in het Synodaal genootschap deed voortbestaan, en aan de Roomsche Kerk een vrijheid schonk, die haar thans, in vergelijking met de Hervormde, een veel sterker positie deed innemen. De parallelle vrijmaking der aloude Gereformeerde Kerken, waartoe de actie van 1834 den eersten stoot gaf, schrijdt sinds hoopvol voort, en is sedert 1886 een nieuwe stap verder gekomen, om in den boezem der Hervormde Kerk haar zuiveringsproces slechts zeer langzaam voort te zetten.

Sinds dien tijd is de toestand deze, dat de Fransche vrijzinnigheid zich steeds meer in ons Staatswezen genesteld heeft; dat de officieele macht van den Staat zoowel tegen de oude Roomsche, als tegen de jonge Reformatorische Kerken gericht is; en dat ons officieele Staatswezen zoowel alle Roomsche als Protestantsche karakter heeft uitgeschud, om zich steeds driester in zijn humanistisch en rationalistisch karakter aan te dienen. Dat heet dan wel neutraal, maar het is het in 't minst niet. De officieele macht streeft er steeds met meerder beslistheid naar, om eiken invloed en alle macht die officieele positie bezit, aan de humanisten in handen te spelen. Doch al is op die wijs het Protestantsch karakter van den Staat der Nederlanden steeds meer weggevallen, de natie ais natie was taaier, bood weerstand aan die omzetting, en bleef haar Protestantsch karakter handhaven, ja, noodzaakte den Staat hiermee te rekenen. Van onvriendelijkheid tegenover de Roomschgezinden is daarbij geen sprake. Het is eenvoudig een onafwendbaar gevolg van de historische continuïteit. |185| En wat het feit aangaat, behoeft men slechts den toestand in Spanje, Beieren, en zelfs in Frankrijk, met dien ten onzent en in Engeland, Schotland en de Vereenigde Staten te vergelijken, om zich aanstonds te overtuigen, dat het verschil tusschen het karakter van Roomsche en Protestantsche natiën wel ter dege nog steeds voortduurt. Zelfs in ons eigen land leert de vergelijking tusschen de volkstoestanden boven en beneden Oen Moerdijk, ons duidelijk dat verschil kennen. Het geldt hier niet een Protestantsche pretentie, die aan andersdenkenden gelijke rechten betwist, maar eenvoudig het feit, dat noch door den humanist, noch door den Roomschgezinde kan ontkend worden. Hieruit volgt niet, dat dit Protestantsche karakter zich op den duur zal handhaven. De humanisten hebben het reeds zoo ver gebracht, dat in de hoogere klassen der maatschappij dat Protestantsche karakter almeer afneemt. Maar gelijk op dit oogenblik de zaken staan, kan slechts de moedwillig blinde het feit ontkennen, dat benoorden den Moerdijk dit Protestantsch karakter der natie zich nog steeds handhaaft, terwijl het vanzelf spreekt, dat de wezenlijke Protestanten er steeds op bedacht zijn, om den ondergang van dit Protestantsch karakter der natie te verhoeden. Van een terugkeer tot het Roomsche karakter der natie is boven den Moerdijk nergens sprake. Het gevaar dreigt alleen, dat benoorden den Moerdijk het Protestantsch karakter der natie in een modern karakter onderga, en het is daartegen, dat het verzet aanhoudt.

*

Wat men onder dit Protestantsch karakter te verstaan heeft? Niet een optelsom, die uitwijst, dat benoorden den Moerdijk de gezamenlijke Protestanten nog zeer verre in de meerderheid zijn, staande Roomschen en Protestanten in de negen noordelijke provinciën als één tot vier. Dit toch zou alleen dan beduidenis hebben, zoo de drie en een half millioen Protestanten metterdaad confessioneele Protestanten waren. Maar men weet hoe dit niet het geval is. Op zijn allerhoogst zijn deze nog slechts één en drievierden millioen in aantal, terwijl de overige massa radicaal, zoo onder jan Rap en zijn maat als onder de dusgenaamde beschaafde klasse, van het geloof der vaderen vervreemd is. Bij den tel genomen, zijn de humanisten hoogstwaarschijnlijk nu reeds de sterkste in aantal, terwijl het de vraag is, of de kerkelijke Roomschen het niet reeds van de confessioneele Protestanten in het cijfer winnen. Het getal beslist hier dan ook niet. Wat in dit Protestantsch karakter der natie zich uitspreekt, is historische nawerking. Historische nawerking in de familiën, die nog altoos op den voorgrond treden. In den invloed, die van de toongevende mannen uitgaat. In de usantiën van het volksleven. In de plooi, die het publieke optreden aannam. In het volkslied, dat toon en uitdrukking aan |186| het nationale leven geeft. In de herinnering aan ons glorierijk verleden, uit het tijdperk van onzen Europeeschen roem. In het geslacht van Oranje, dat door zijn beste herinneringen aan het Protestantisme verbonden is. Dat het Wilhelmus van Nassauen weer kon optreden is hiervan de beste proef.

Doch het gaat verder, en vertoont zich evenzeer in de publieke zaak, indien men slechts acht geeft op de partijkeuze, die de Overheid ook op zedelijk terrein wel doen moet, en waar ze, gelijk ons vorig artikel aantoonde, niet van tusschen kan.

De zedelijke begrippen, die de Overheid gedurig als uitgangspunt van haar handeling moet nemen, staan onderling met elkander, en saám weer met het geloofsbeginsel in verband. Zonder het te willen of te bedoelen, kiest dienvolgens de Overheid gedurig ook voor een geloofsbeginsel partij. En al is het nu, dat het moderne leven van een geheel verschillend geloofsbeginsel uitgaat, en uit dien hoofde een geheel andere beschouwing over het zedelijk leven voorstaat, hiermede is het hem nog niet gelukt, de zedelijke grondovertuiging van de natie om te zetten. Daar nu de Overheid onmachtig is een volk anders dan in overeenstemming met zijn eigen zedelijke grondovertuiging te regeeren, zien zich onze liberalistische machthebbers toch gedurig genoodzaakt, zich naar deze zedelijke grondovertuiging van het volk te voegen en te schikken. Hier moge aan getornd worden, men moge telkens beproeven hier tegen in te gaan, maar het lukt niet. Natuurlijk zou de moderne theorie gevorderd hebben, dat heel de volksjeugd in de moderne Staatsschool ware opgeleid, en dat is dan ook beproefd. Maar het verzet hiertegen was zoo krachtig en heftig, dat het aantal steeds slinkt van hen, die dat vroeger opzet nog durven doordrijven. Bij de Leerplichtwet zag zelfs een man als de heer Goeman Borgesius zich genoodzaakt, tot in het uiterste de gevoeligheid der natie te ontzien. En in de ontwerpen door den heer Cort van der Linden ingediend, was eerst wel beproefd geheel afwijkende zedelijke principiën door te voeren, maar nog eer deze ontwerpen in publieke beoordeeling konden komen, heeft hij zich gehaast, schier al zijn nieuwe denkbeelden terug te nemen. Men kan niet regeeren in strijd met de zedelijke grondovertuiging der natie. Dat kan reeds daarom niet in het constitutioneele stelsel, overmits. de Staten-Generaal aan de wetsontwerpen, die dit te sterk dreven, hun medewerking zouden onthouden. Maar het zou evenmin kunnen, zoo de Overheid zonder die medewerking haar wil kon doorzetten. Dan toch zou de uitkomst leeren, dat zulke wetten op lijdelijk verzet afstuitten, en de wet zou een doode letter blijven.

*

Wel, dit spreekt vanzelf, hebben pogingen, in die richting gewaagd, altoos eenigen invloed, vooral bij een volk dat zoo weinig tot verzet geneigd is |187| als het onze; maar toch is het feit, dat de vrijzinnigheid er nog zoo weinig in geslaagd is om ons volkskarakter om te zetten, alleen daaruit te verklaren, dat de zedelijke grondovertuigingen van ons volk historisch te diep geworteld zijn, om zich door wetgevende maatregelen te laten wijzigen. Onze Liberalisten verstaan dit niet, en verwonderen er zich telkens over, dat al hun schier wanhopige pogingen dusver zoo weinig resultaat opleverden. Ze hadden zich nu 50 jaar geleden ingebeeld, dat, eer deze eeuw ten einde spoedde, heel onze volksgeest zou zijn geliberaliseerd, en waren er in het minst niet op verdacht, dat wat ze noemen de „clericale oppositie” aan het eind dezer eeuw nog zoo krachtig en welbewust tegen hen zou overstaan. Het is hun te moede, alsof ze terrein verloren instede van te winnen. En toch is dit verschijnsel volkomen natuurlijk, Ze hadden zich ingebeeld, dat hun theorie minstens even sterk was als de macht der historie. Maar de uitkomst heeft geleerd, dat de historische nawerking lacht om hun theoretisch drijven en, huns ondanks, in het volksbewustzijn gehandhaafd heeft wat zij poogden uit te roeien. Wel zijn ze iets gevorderd, en zullen ze in hun stelselmatig drijven nog verder slagen. Doch het ongeluk voor hen wil, dat, hoe meer succes ze hebben, de reactie juist door dit succes te helderder wakker wordt, en haar weerstand verdubbelt. Reactie nu, genomen niet in den zin van een streven dat zich tegen alle ontwikkeling aankant, maar reactie bedoeld als de tegenwerking, waartoe het Christelijk element van de natie zich tegen deze moderniseering van het volksleven opmaakt. De socialisten zijn de mannen van de daad, die als der Liberalisten natuurlijke geestverwanten den knoop willen doorhakken; en niets heeft aan den invloed der liberale theorieën zooveel schade berokkend, als juist het veldwinnen van de socialistische denkbeelden. Het heeft hun actie eenvoudig verlamd. Juist dat socialistische woeien toch heeft er toe geleid, dat een deel van de voorstanders der liberale theorieën, voor de excessen beducht, en bevreesd voor het te loor gaan van onze nationale traditiën, zich al meer aan wat zij noemen de „clericale oppositie” aansloten; nu wel niet uit liefde voor het Christelijk beginsel, maar dan toch uit natuurlijke neiging, om ons vaderlandsch leven niet uit zijn historisch verband te laten rukken.

Bij deze worsteling nu kon het niet anders, of de aansluiting, die noodzakelijkerwijs gezocht wordt, is altoos een aansluiting aan die zedelijke grondovertuigingen, die onder Protestantschen invloed hier ingeworteld zijn. Neem b.v. de vrijheid der consciëntie. Kerkelijk bonden onze vaderen de vrijheid nog. Van vrijen eeredienst wilden ze niet weten. Maar wat ze van meet af met hand en tand verdedigd hebben, was de vrijheid der consciëntie. Ze wilden geen inquisitie. De vrijheid van persoon in het forum van zijn consciëntie moest onaangetast blijven. De historie leert, dat deze overtuiging reeds op het laatst der 16de eeuw hier wortel had geschoten, |188| en in onzen strijd tegen Spanje heeft meer dan één Roomsche autoriteit deze persoonlijke vrijheid gesteund. Er was een tijd, dat een deel der Roomschgezinden ten deze met ons tegen Spanje streed. Toch neemtdit niet weg, dat deze Roomschgezinden dit altoos min of meer in strijd met het beginsel van hun eigen kerk deden, en dat de consciëntievrijheid als beginsel van Staatsbeleid, eerst door de Reformatie tot een werkelijke macht in den Staat is verheven. Nog altoos is tegen dit beginsel de reactie der geestelijkheid in Roomsche landen, met name in Spanje, sterk. Desniettemin echter is dit Protestantsche beginsel hier te lande zoo diep in het volkskarakter ingedrongen, dat nog nimmer in onze Staten-Generaal van Roomsche zijde ook maar één woord gebezigd is, om dat beginsel als zoodanig aan te tasten, en hebben onze Roomsche landgenooten in den schoolstrijd steeds met ons tegen elken consciëntiedwang geijverd. Dat is bij hen geen inschikkelijkheid. Zij willen het zelven zoo, en niet anders. En dit verschijnsel is uit niets anders te verklaren, dan daaruit dat ze Nederlanders zijn en den invloed van ons nationaal karakter niet weren konden. Het is volkomen waar, dat ze inzake de vaccine ons bezwaar niet deelen, en zich in deze quaestie met de Liberalisten tegen ons vereenigden. Dit had echter een gansch andere oorzaak. Zij schreven ons verzet tegen den vaccinedwang toe aan ons praedestinatiebegrip, en bier gingen ze, als niet ons gevoelen deelend, tegen in. Verschil, schakeering, nuance is er alzoo ongetwijfeld; maar in het hoofdbeginsel der consciëntievrijheid, zoodra dit naakt en zonder omkleeding in het geding kwam, was er in ons land nooit anders dan een kleine groep humanisten, die weigerden de vrijheid der consciëntie te eerbiedigen. Ook bij het Leerplichtontwerp hebben, op twee na, alle leden der Rechterzijde meegewerkt, om voor de vrijheid van consciëntie den weg open te houden. Zooals dit hier geschied is, zou dit bijna in geen ander land denkbaar zijn geweest. Met name in Duitschland wordt voor dit beginsel veel minder eerbied betoond. En dat dit bier te lande zoo is, danken we aan ons Nederlandsch-Protestantsch karakter. Hetzelfde neemt men waar, zoo dikwijls het huisgezin aan de orde komt. Voor de rechten van het huisgezin strijden Roomschen en on-Roomschen hier nog even warm, en het zijn alleen de humanisten die ook dit stuk onzer aloude traditiën willen ombuigen. Ook dat hooghouden van het huisgezin is een dier Protestantsche traditiën ten onzent, die intiem met het Nederlandsch karakter samenhangen. De grond hiervoor was reeds vóór de Hervorming gelegd, en de Hervorming heeft op wat ze hier vond, slechts een scherper type gedrukt. Maar dank zij volksaard en Protestantsche traditie, is de overtuiging dat het huisgezin ons heilig moet blijven, dan ook zoo diep in ons nationaal bewustzijn ingedrongen, dat elk minister, die het waagt daarop inbreuk te maken, èn alle christelijke groepen èn een deel der conservatieven tegenover zich vindt. Hiermee hangt dan weer |189| de beschouwing van het huwelijk saâm, waarop thans vooral door de voorstanders van de vrije liefde de aanval wordt gericht. Doch ook op dat punt zullen ze ervaren, dat ze tegen een te machtigen stroom hebben op te roeien, zoodra ze zich onderwinden om de vastheid van het huwelijk in zijn grondgedachte aan te tasten. En ook daarbij zal men zien, dat niet de Roomsche, maar dat de Protestantsche beschouwing van het huwelijk de vastigheid van het verweer zal vormen. En zoo voortgaande, zou men schier op elk punt het duidelijk kunnen maken, dat de Overheid ten onzent, omdat ze nu eenmaal ook op zedelijkheidsterrein partij moet kiezen, niet anders kan, dan het Protestantsch karakter der natie als uitgangspunt kiezen, zoolang het haar niet gelukt, is, om dit Protestantsch karakter in een modern karakter om te zetten.

*

Dat het confessioneel verschil hierbij haar kansen zoo weinig verbetert, is, omdat ze als Overheid altoos terug moet gaan op de diepste beginselen van het sociale teven, en omdat op het terrein dezer diepste beginselen niet eenige Kerk, maar het nationale leven zelf tegen haar overstaat. Dat nationale leven is bijna weggestorven uit de cosmopolietische kringen onzer geleerden en beschaafden, en vertoont zich niet dan zeer zwak meer in onze groote steden. Op het platteland daarentegen, in onze kleinere steden, en onder de lagere bevolking, waar het cosmopolitisme nog geweerd bleef, spreekt dat nationale leven nog altoos sterk,; en als het spreekt, komt het altoos uit in een gedachte, die het aan de laatste historische periode ontleend heeft. Die periode nu was eenmaal Protestantsch, en daaruit verklaart het zich, dat voorzoover Protestantsch of Roomsch verschil maakt, altoos de Protestantsche traditie nog de meeste kracht bezit. Wij voor ons gaan zelfs verder, en houden staande, dat, voor zooveel ook het Luthersche, Episcopale en Gereformeerde type nog onderscheiden zijn, onze laatste groote historische periode zeer beslist een Calvinistischen grondtoon heeft. Dit echter is dan zoo te verstaan, dat niet alleen de Gereformeerden, maar ook de Lutherschen, de Doopsgezinden en zelfs de Roomschen hier te lande (altoos benoorden den Moerdijk) den invloed hiervan, niet kerkelijk, maar op sociaal terrein, ongemerkt ondergaan hebben, evengoed als de Protestanten in andere landen meer verwantschap met het Roomsche type vertoonen dan men, gerekend naar hun confessie, vermoeden zou. Het nationale leven is breeder dan het kerkelijk leven, en in het nationale leven ondergaat ook de man der minderheid invloeden, die hij uit zijn kerk als zoodanig niet rechtstreeks ontvangen zou. Het standhouden van dit historisch type is zelfs voorwaarde voor alle eendrachtig handelen der natie; en voor zooveel ook de Overheid, keer op keer, tot het kiezen |190| tusschen theorie en theorie op dit gebied genoodzaakt is, zal ze steeds zich moeten aansluiten aan wat in den stroom van het nationale leven historisch als zedelijke grondovertuiging bezonken is.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXVI, De Heraut No. 1169 (27 mei 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001