XXV. Kerk en Staat 13

Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugenen spreekt, zal voor mijne oogen niet bevestigd worden. Allen morgen zal ik alle goddeloozen des lands verdelgen, om uit de stad des Heeren alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.

Psalm 101 : 7, 8. a


We merkten op, dat de Overheid naar de kennisse van Gods wil moet staan, niet in twee maar in drie opzichten. Ten eerste moet ze onderzoeken, welke positie zij zelve als Overheid heeft in te nemen. In de tweede plaats moet ze Gods wil kennen, omtrent de maatschappelijke verhoudingen, die zij als Overheid sanctioneeren zal. Maar hier komt nu in de derde plaats nog bij, dat ze Gods wil moet kennen omtrent het onderscheid tusschen goed en kwaad; en het is hiermede dat het begrip van den dusgenaamden neutralen Staat, althans in beginsel onherroepelijk valt. We komen op dat valsche begrip nog nader bij het bespreken van de verhouding van Kerk en Staat terug, maar in zijn hoofdstrekking is het vraagstuk van den |176| neutralen Staat reeds bij het punt dat we nu bespreken aan de orde. Nu is, gelijk men weet, aan schrijver dezes toegedicht, dat hij den neutralen Staat in beginsel verdedigen zou. In geschrift na geschrift is hem dat zelfs als hoofdzonde aangerekend. Het is met dat beweren, dat men hem als banierdrager der Revolutie bestookt heeft. En nog zijn er, die rustig voortgaan hein, zonder zweem van bewijs, met deze beschuldigingen te achtervolgen. Verwonderen moet men zich hierover niet. Misschien op een zeer enkele na, zijn die zoo spreken, volkomen te goeder trouw, en hetgeen men hun terecht verwijten kan, is alleen dit: dat ze op hooren zeggen afgaan, en zich nooit de moeite gunden, hetzij deze quaestie der neutraliteit, hetzij schrijvers gevoeien hierover met eenigen ernst te onderzoeken. Zonder iemand hard te vallen, vragen we dan ook alleen, dat men van nu voortaan, álvorens deze versleten aanklacht te herhalen, althans van deze reeks artikelen kennis neme. Wie zich de moeite geeft, zijn gevoelen over een punt van gewicht, volledig uiteen te zetten, heeft er recht op naar deze uiteenzetting, en niet naar een incidenteele uitdrukking beoordeeld te worden.

De neutraliteit van den Staat kan ter sprake worden gebracht met het oog op de verschillende kerken en eerediensten, ze kan aan de orde komen ten opzichte van de godsdienstige overtuiging, en ze kan zich gelden laten in verband met zedelijkheid, gerechtigheid en eerbaarheid. Dat tusschen deze drie zijden van het ééne vraagstuk verband bestaat, valt niet te ontkennen, maar toch, op elk dier drie punten doet zich het ééne vraagstuk in onderscheiden vorm voor. Of de Overheid voor de Arminianen tegenover de Gereformeerde partij zal kiezen, gelijk Oldebarneveldt c.s., raakt de neutraliteit in zake de kerken. Of de Overheid den Tolstoiaan van den verplichten krijgsdienst zal ontslaan, ziet op de neutraliteit in zake godsdienstige overtuiging. Of poging tot zelfmoord strafbaar zal worden gesteld, al dan niet, staat in verband met ethische beginselen. Nu koos de Overheid in de middeleeuwen, en als uitvloeisel van het middeleeuwsche leven in den aanvang der Reformatie, op elk dezer drie punten partij. Zij erkende maar ééne kerk en maakte die Staatskerk. Ze belette de verkondiging van godsdienstige overtuigingen, die van de hare afweken. En ze handhaafde haar eigen zedelijke norma. Daarna heeft men de Overheid van de kerkelijke partijkeuze losgemaakt, en heil gezocht in de religie en in de zedelijkheid. Kerkelijk mocht men verschillen, maar in de religieuse grondbeginselen en in de zedelijke vastigheden was het volk toch één. Al spoedig bleek toen, dat ook die religieuse eenheid te wenschen overliet, en dat atheïsten, pantheïsten, deïsten en aanbidders van den Drieeenigen God zelfs in de diepste beginselen der religie geheel uiteenliepen. Tot die ontdekking gekomen, heeft men toen ook de religieuse eenheid prijs gegeven, en heil gezocht in de zedelijke eenheid. Waarin men ook uiteenliep, |177| in de zedelijke grondopvatting trok toch heel het volk één lijn. Daaruit is toen o.m. het schoolwetsartikel over „de Christelijke en maatschappelijke deugden” opgekomen; en zelfs nu nog beelden velen zich, volkomen te goeder trouw, in, dat, waarin men ook overigens verschille, de eenheid van zedelijk inzicht stand houdt. Zoo heeft nog onlangs de Minister van Binnenlandsche Zaken, de heer Goeman Borgesius, in een officieel Staatsstuk de stelling verkondigd, dat een Darwinist, een Socialist of een aanhanger van Multatuli, zeer wel in staat was „de Christelijke en maatschappelijke deugden” aan de schooljeugd in te prenten. Een tijdlang nu was dit ook metterdaad zoo. Het verschil in meening komt op in de kerken, gaat van daar over op de algemeen godsdienstige overtuigingen, en doet eerst in de laatste plaats ook de zedelijke overtuiging splijten. De verwachting, dat men, hoe ook kerkelijk en godsdienstig gedeeld, toch zedelijk één zou blijven, is dan ook op jammerlijke wijze beschaamd. Er bestaat thans feitelijk op niet één punt meer eenheid van overtuiging. Men is én kerkelijk én religieus én ethisch uiteengegaan, en op elk van deze drie terreinen worstelen thans allerlei richtingen en scholen met en onder elkander.

Doch juist hieruit blijkt dan ook met wiskunstige zekerheid, hoe het grondbegrip van den neutralen Staat niets was dan een hersenschim. Immers, aangenomen al, dat de Overheid een onzijdig standpunt kon innemen tegenover de verschillende kerken en dat ze op religieus terrein zich van keuze kunne onthouden, ze kan dit in geen geval doen op zedelijk terrein. Geen Overheid is denkbaar zonder rechtsbedeeling. Rechtsbedeeling is zonder strafwet onbestaanbaar. En een strafwet die in het midden laat of eenige daad goed of kwaad was, zou geen strafwet zijn. Elke strafwet veroordeelt eenige daden als misdrijf, stempelt ze tot kwaad, en kiest, om dit te kunnen doen, partij in een zedelijk vraagstuk. Neen, om slechts eenige voorbeelden te noemen, de quaestie der toerekenbaarheid. Is de moordenaar strafschuldig? Oftewel heb ik in den moordenaar slechts het slachtoffer te zien van een zedelijke en geestelijke krankheid? In het eerste geval is de wrekende gerechtigheid op hem toepasselijk, in het tweede wordt hij als slachtoffer voorwerp van deernis en medelijden. Nu neemt men ten opzichte van dit vraagstuk drieërlei standpunt in. Er zijn er, die nooit van ontoerekenbaarheid hooren willen, er zijn er die er alleen van hooren willen bij klaarlijk gebleken krankzinnigheid, en er zijn er in de derde plaats, die de ontoerekenbaarheid altoos en bij iedere misdaad doen gelden. Te dezen opzichte nu kan de overheid geen neutraal standpunt innemen. Wel kan ze er zich een tijdlang van afmaken, door de keuze aan den rechter over te laten, en den rechter te laten afgaan op het oordeel van den geneesheer. Maar dit is geen oplossing. Zoo toch zal de eene rechter geheel anders gaan oordeelen dan de andere, en de eenheid in rechtsbedeeling zal niet meer bestaan. En ook, op die wijs draagt de Overheid |178| haar taak aan den geneesheer over, en zal de eene geneesheer tot geheel andere conclusiën komen dan de andere. Dan valt het recht weg en treedt er een medische opinie voor in de plaats.

Bovendien eischt het standpunt der ontoerekenbaarheid geheel andere maatregelen. Is het zoo, dat moordzucht overerft, zoodat wie uit een moordenaar geboren is, de passie om ook zelf te moorden, niet weerstaan kan, dan wordt het plicht te beletten dat zulk een geslacht voorttele. Reeds sprak een Duitsch wijsgeer er van, dat men al zulke deugnieten tot „gesnedenen” moest maken, en al zulke vrouwelijke misdadigsters in een klooster moest opsluiten. Verder weiden we hierover niet uit. Maar reeds uit deze korte aanduiding volgt het klaarlijk, dat de Overheid terdege weten moet, aan welke zedelijke opvatting zij zich houden zal. Heel het lot der maatschappij en heel de rechtsbedeeling wordt erdoor beheerscht.

Een even ernstig en diep-ingaand zedelijk vraagstuk is dat der vrijheid. Er is een militaire en er is een huiselijke vorming van den persoon. De eerste gaat door dwang, d.i. door vernietiging van eigen wil en inzicht. De recruut mag niet willen en mag niet zelf denken. Hij moet instrument zijn, blinde uitvoerder van den wil en de gedachte van wie hem beveelt. De huiselijke vorming volgt een tegenovergestelde gedragslijn. Ze voedt op door in het kind eigen overtuiging te werken, eigen nadenken te bevorderen, eigen wilskracht aan te kweeken. Voor de keuze tusschen dit tweeërlei stelsel van vorm ziet zich nu de Overheid geplaatst. Hoe moet ze in haar wetten en door haar maatregelen het volk leiden? Moet ze door militairen staatsdwang het gevoel van eigen verantwoordelijkheid, de ontwikkeling van eigen wilskracht, het zelf-denken onderdrukken, om snel en zeker heel het volk naar eenzelfde model te vormen? Oftewel, moet ze de vrije ontwikkeling haar loop laten hebben, eigen initiatief bevorderen en daardoor het besef van zedelijke verantwoordelijkheid sterken? Dat ten deze door overdrijving zoowel naar rechts als naar links kan gezondigd worden, geven we toe. Ook zal het verschillen, naar gelang we met een zedelijk-krachtig of nog geheel onontwikkeld volk te doen hebben. Maar in elk geval zal de keuze tusschen deze beide stelsels heel de wetgeving beheerschen, en moet dus ook ten opzichte van dit paedagogisch vraagstuk de Overheid weten wat ze wil.

Geldt dit nu reeds ten opzichte van deze beide algemeen-zedelijke vraagstukken: dat der ontoerekenbaarheid, en dat der vrijheid, de noodzakelijkheid tot het doen van een keuze op zedelijk terrein komt niet minder sterk uit, zoo men afdaalt tot de bijzondere problemen. Allermeest wel bij het vraagstuk van het huwelijk en van de positie der vrouw. Ook hier loopen de zedelijke overtuigingen geheel uiteen. Volgens den een zijn man en vrouw slechts twee namen voor wat in het gemeen mensch heet, en daar tusschen mensch en mensch gelijkheid moet heerschen, mag dus |179| tusschen man en vrouw geen verschil worden gewettigd. Het huwelijk is dienvolgens iets dat geen stand kan houden. Of ook, wil men al in naam nog huwelijk laten heeten, wat welbezien niets anders is dan een contractueele verbintenis tusschen twee gelijke individuën, dan mag in geen geval dit contract langer binden dan ze zelve willen, en mag evenmin een contractueele saamleving in eere gaan boven een saamleving zonder contract. Alzoo geheel vrije echtscheiding, en vrije liefde met echt gelijk staande. Iets, waarmee dan weer de grondslag van het huisgezin wegvalt, en de zorge voor de kinderen op de staatsmacht overgaat. En tegenover dit nieuwe, of wel weer opgekookt heidensche stelsel, staat dan lijnrecht dit andere over, dat tusschen man en vrouw een essentieel verschil erkent, het huwelijk uit dit essentieel verschil laat opkomen, echtscheiding slechts in zeer bepaalde gevallen toelaat, en, dank zij het duurzaam karakter van het huwelijk, de kinderen onder de hoede, niet van den Staat, maar van de ouders stelt. Hoe wil nu de :Overheid ten deze neutraal blijven? Of is het niet duidelijk, dat neutraliteit hier eenvoudig neer zou komen op partijkiezen voor het eerste stelsel? Laat toch de Overheid zich niet met het huwelijk in, en regelt ze er niet de duurzaamheiden de gevolgen van, dan hebben immers juist de man en vrouw der vrije liefde wat ze verlangen. Hun wil en zin wordt dan de wet in Staat, en het huwelijk verkrijgt het karakter van private liefhebberij. Keuze moet hier dus gedaan worden, en wordt altoos gedaan, en de Overheid moet, om bij haar keuze verantwoord te zijn, weten waarom ze voor het eerste en waarom ze tegen het tweede stelsel kiest.

Dat het zedelijk vraagstuk van den eigendom hetzelfde geldt, is klaar als de dag. Tot dusver ging alle overheid uit in de overtuiging, dat het haar roeping is om den persoon en zijn eigendom te beschermen. De Christelijke Kerk nam bij haar optreden hetzelfde standpunt in. Of sprak de apostel Petrus niet tot Ananias: Verkocht zijnde bleef het niet het uwe? Doch hiertegen verheft zich thans in allerlei vorm het gevoelen van hen, die alle goed der aarde achten gemeengoed te zijn. Alle goed dat onder of op de aarde is, zal dan niet toebehooren deels aan A en deels aan B en deels aan C, maar aan alle menschen saam. Niet, men versta dit wel, aan het volk van één land, want dit zou op breeder schaal weer het oude onrecht zijn. Neen, alle goed onder of. op de aarde zal behooren aan geheel de menschheid, en de opbrengst er van aan voeding en kleeding en genot zal zoo gelijk mogelijk aan een ieder naar zijn behoefte worden toebedeeld. Is nu dit stelsel het juiste, dan spreekt het vanzelf, dat een iegelijk, die eenig deel van dat goed als ware het zijn eigendom voor zich neemt of houdt, het ontrooft aan de gemeenschap, schuldig staat aan diefstal, en dat de Overheid, die hem in dat bezit handhaaft, de heelster van den steler is. De korte phrase: eigendom is diefstal, drukt dit met zeldzame |180| juistheid uit. Een volk onder zulk een stelsel levende, is dus een dievenbende, het hoofd van zulk een staat- een rooverhoofdman. Kan nu de Overheid zich ten deze neutraal houden? Bedenken we, wat dit zeggen wil. Neutraliteit in zake eigendom wil zeggen, dat de straf op wegneming van iemands eigendom wegvalt en dat, zoo de bestolene den dief aanklaagt, de Overheid zegt: Daar meng ik mij niet in. Tegenover de vraag, of bezit dan wel wegneming van bezit diefstal is, sta ik als overheid neutraal. Wat nu zou dit anders zijn, dan dat de Overheid het aan de vijanden van alle privaat-bezit gewonnen gaf en feitelijk hun standpunt als het hare ijkte? Ook hier moet de Overheid zich dus wel partij stellen, en ze doet het altoos, welk standpunt ze ook inneemt. Ook dit alles beheerschend zedelijk vraagstuk eischt harerzijds een beslist partij kiezen. Neutraliteit is, ook wat dit zedelijk vraagstuk aangaat, voor de Overheid kortweg ondenkbaar. Dit klemt te meer, omdat ook dit vraagstuk volstrekt niet opgelost is, met straf op diefstal te zetten. Het spreekt toch vanzelf, dat uit het partij kiezen van de Overheid voor het privaat bezit zeer gewichtige gevolgen voortvloeien. Gelijk elk stelsel, zoo heeft ook dat van het privaat-bezit zijn schaduwzijden. De bezitters kunnen door hun geldelijke macht overwegenden invloed op de wetgeving uitoefenen, en dezen invloed zóó aanwenden, dat vooral de groote bezitters zich aldoor ten koste van de kleine bezitters verrijken. Die macht kan zelfs zoo overheerschend worden, dat er van eenigszins evenredige verdeeling van het goed geen sprake meer is, en feitelijk de groote massa in slaafsche conditie tegenover enkele machtige bezitters komt te staan. Dit is dan niet een rechtstreeksch gevolg van het privaat-bezit, maar een gevolg van de wetten van de Overheid. Zij zelve vergeet dan de schaduwzijde van alle privaat-bezit en is zelve oorzaak, dat het privaat-bezit als zoodanig in discrediet komt en het geroep om gemeenschappelijk bezit veld wint. Als het zóóver komt, gelijk dat in Amerika reeds het geval is, dat een enkel man een millioen en meer per week te verteren heeft, terwijl een millioen van zijn landgenooten in gebrek voortkruipen, dan is een toestand ontstaan die om wrake roept. De Overheid is er dus niet mee af, dat ze partij kiest voor het privaat-bezit, maar heeft vooral haar wetgeving dan zóó in te richten, dat de onhoudbare gevolgen van het privaat-bezit worden afgesneden. Dit nu eischt niet alleen studie van, maar ook partij kiezen in alle zedelijke vraagstukken die hiermeé saamhangen, en wederom is het ondenkbaar dat een Overheid, in wier land zulke misstanden optreden, zich neutraal houdt, bijv. in het zoo diepzedelijke vraagstuk van het Pauperisme.

Van de eerbaarheid moet hetzelfde worden getuigd. In zwakker of in sterker mate vordert een ieder nog van de Overheid, dat ze op het publieke terrein zekere eerbaarheid zal handhaven. Orde en veiligheid is niet genoeg; er moet ook menschelijke eere op het publieke terrein heerschen, en een |181| leven als der dieren onder de menschen te dulden, strijdt met elk begrip van de hooge roeping der Overheid. Doch natuurlijk, om de eerbaarheid te kunnen handhaven moet de Overheid dan toch een voorstelling bezitten van wat eerbaar en wat niet eerbaar is. Neutraliteit zou ook hier niet anders zijn, dan alle eerbaarheid prijs geven, en steeds zou de meest schaamtelooze zijn dierlijken zin tot wet in het land stellen. Hoever mag de letterkunde op dezen weg der schandelijkheid voortschrijden? Hoever mag de teekenstift gaan? Hoever de beeldhouwkunst? Welke houding aan te nemen tegenover de prostitutie? Wat te dulden en niet te duiden inzake het Neo-Malthusianisme? Natuurlijk worden deze vragen alleen gesteld met het oog op publieken verkoop, publieke uitstalling, publiek optreden; ook met het oog op het tooneel. Doch ook zonder op een dezer aangelegenheden verder te willen ingaan spreekt het toch vanzelf, dat de Overheid ook ten deze met zelfbewustheid moet handelen, dat ze heeft te weten wat ze dulden en wat ze verbieden moet, en dat ze, om dit te weten, voor zichzelve de vraag niet ontwijken kan, waar de grenslijn ligt tusschen het eerbare en eerlooze. En daar nu ook deze vraag de diepste beginselen van het zedelijk leven raakt, zoo volgt er uit, dat ze ook met het oog op de eerbaarheid in zedelijke vraagstukken partij heeft te kiezen.

Op dit alles nu wijzen wij slechts bij wijze van voorbeeld, omdat bij deze voorbeelden de noodzakelijkheid van partij-kiezen in de zedelijke vraagstukken voor ieder in het oog springt. Maar meer dan voorbeelden waren het niet. Feitelijk toch is er geen wet denkbaar, of er komen altoos zedelijke vraagstukken bij in het spel; de eene maal meer verborgen, de andere maal meer openbaar; maar toch altoos zoo, dat er bijna geen wet van eenige beteekenis kan worden uitgevaardigd, of, wijl ze met menschen en menschelijke gedragingen in aanraking komt, komt ze ook in aanraking met 's menschen zedelijke positie. Geheel de voorstelling, als de Overheid boven de geestelijke partijen stond, en zich haar onderlinge geschillen niet had aan te trekken, is uit dien hoofde ten eenenmale onhoudbaar. Dit mocht een tijdlang zoo schijnen, toen de overgroote. meerderheid althans over de groote zedelijke vraagstukken door overlevering nog eenstemmig dacht. Maar hoe verder we komen, hoe meer ook die zedelijke eenstemmigheid tot de illusiën blijkt te behooren. Niet alleen kerkelijk en wijsgeerig, niet alleen religieus en aesthetisch, maar ook ethisch begint al meer het „zooveel hoofden zooveel zinnen” regel te worden. Ook op zedelijk gebied worden almeer de meest tegenstrijdige opiniën verkondigd. En daar nu de Overheid schier elken dag met één of meer dezer zedelijke vraagstukken in aanraking komt, kan ze op zedelijk terrein geen blank papier zijn. Ze moet op zedelijk terrein een overtuiging hebben, en ze kan niet anders dan op ethisch gebied telkens en telkens kleur bekennen.

Niet, dat ze daarom de zedelijke vorming van het volk op zich moet |182| nemen, of meer dan hoog noodig is zich met het zedelijk leven van de burgerij zou moeten inlaten. Dit ware veeleer een onvergeeflijke fout, wijl ze daarbij zou uitgaan van de onderstelling, dat het zedelijk leven het best door den dwang der wet zou bevorderd worden. Het zedelijkleven eischt om te bloeien veeleer vrijheid. En, pas beginnende volkeren nu niet gerekend, bewijst de les der historie telkens opnieuw, hoe de Overheid door patriarchale macht over de zeden te willen uitoefenen, het zedelijk leven meest geschaad heeft. Het is voor de Overheid zoo uiterst moeilijk, in zedelijke vraagstukken aldoor het juiste spoor te vinden, dat ze zich niet ernstig genoeg wachten kan voor het doen van overtollige goede werken. Reeds als ze zich bepaalt tot de aangelegenheden waarbij ze partij kiezen moet, staat ze keer op keer voor de meest ernstige vewikkelingen. Ze steke dus nooit haar hand in wat niet rechtstreeks tot haar overheidstaak behoort. Maar ook, al houdt ze zich daar stiptelijk aan, toch kan ze nooit ontkomen aan de moeilijkheid om, zoo dikwijls die taak tot haar met zedelijke vraagstukken in aanraking brengt, voor of tegen een bepaalde opvatting omtrent het zedelijk leven partij te kiezen. Zelfs bij de aanstelling van ben, die op het gebied van het zedelijk leven als leeraren en hoogleeraren zullen optreden, in haar naam, met haar gezag, en voor haar geld, mag ze haar keuze niet op mannen vestigen, die wat zij zelve als kwaad inziet, als goed zullen inprenten. En al moet het deswege ook op dit terrein haar streven zijn, zich van al zulke benoemingen zooveel het maar kan, te ontdoen, toch blijft het vaststaan, dat de Overheid beginselloos en alzoo onzedelijk zou handelen, als ze zelve in het van harentwege gegeven onderwijs het onderscheid tusschen goed en kwaad ophief.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXV, De Heraut No. 1168 (20 mei 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001