XXIV. Kerk en Staat 12

Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle menschen. Voor koningen, en allen die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen In alle Godzaligheid en eerbaarheid. Want dat is goed en aangenaam voor God onzen Zaligmaker.

1 Timotheus 2 : 1, 2, 3. a


Over de bron, waaruit de Christen-Staatsman zijn kennisse van Gods wil omtrent het Staatsbeleid heeft te putten, is dan nu genoeg gezegd. Die bron vindt hij: 1º. in de Gemeene Gratie, 2º. in de Heilige Schrift, en 3º. voleind in het woord van Christus en zijn apostelen, of wil men, |169| in het Evangelie. Nadat dit is vastgesteld, volgt nu de geheel andere vraag, wat hij uit deze bron omtrent den wille Gods moet pogen te weten te komen. Het antwoord op die vraag splitst zich in twee deelen. Hij moet toch eenerzijds zoeken ingelicht te worden omtrent de positie en de inrichting van de Overheid, en ten andere omtrent de beschouwing van het volk en de volkstoestanden, waarvan de Overheid bij het vaststellen van haar wetten en het nemen van haar maatregelen heeft uit te gaan. Want wel bestaat er tusschen deze beide vragen verband, maar het is toch heel iets anders, of ik vraag hoe de Overheid over zichzelve heeft te denken, en hoe ze te denken heeft over het aan haar hoede toevertrouwde volk.

Bezien we daarom elk dezer twee afzonderlijk.

De Overheid vindt zich in tweeërlei verhouding geplaatst. Er is eenerzijds een verhouding, waarin de Overheid tot God staat, en anderzijds een verhouding, waarin ze staat tot het volk.

Reeds die eerste verhouding beheerscht geheel de positie die zij zal innemen. Vanwaar ontvangt ze haar macht en haar bevoegdheid? Ontleent ze die aan God, oftewel wordt die haar opgedragen door het volk? Thans vooral het groote geschilpunt. Van oudsher verklaarden de Overheden en magistraten te regeeren bij de Gratie Gods; thans is het gebruikelijk te zeggen, dat ze regeeren bij de gratie van het volk. De Opperhoogheid van den Almachtige en de dusgenaamde Volkssouvereiniteit staan alzoo lijnrecht tegen elkander over. Want wel is men den laatsten tijd gewoon bij voorkeur van „Staatssouvereiniteit” te spreken, maar in den grond der zaak komt dit op hetzelfde neer, en is het laatste nog wel zoo bedenkelijk. Het verschil tusschen beide uitdrukkingen ligt hierin, dat wie spreekt van Volkssouvereiniteit, de wilsuiting bedoelt van de meederheid der leden van de Burgerij, en dat wie gewaagt van Staatssouvereiniteit, het volk neemt als „een zich ontwikkelende eenheid”, die in haar historie haar eenheids-wil tot uiting brengt. Maar zoowel op het ééne als op het andere standpunt, wordt naar God noch naar zijn Hoogheid gevraagd, in ’s menschen wilde beslissing gezocht, en uit het volk de macht afgeleid.

Op dit hoofdpunt nu laat de ons geschonken openbaring ons geen oogenblik in verlegenheid. Reeds bij het licht der Gemeene Gratie is het in de historie onmiskenbaar, dat alle eenigszins gerijpte Staten, waarvan men zeggen kan, dat ze tot zelfbewuste handeling gekomen waren, zich het hoogste gezag met de religie in verband dachten. Hoe afgedoold die religie ook zijn mocht, ze bood toch altoos het aanknoopingspunt voor de uitoefening van het Overheidsgezag. Elke officieele handeling van meer plechtigen aard werd altoos met gebeden en offeranden ingeleid. Aan de voorgangers in zake de religie werd zekere invloed ingeruimd, en van hun medewerking hing in tal van gevallen de geldigheid der handeling af. In meer dan één geval werd de herkomst van het Overheidsgezag rechtstreeks uit hooger |170| beschikking afgeleid. De strijd van volk tegen volk werd opgevat als een strijd van de goden van het ééne volk tegen de goden van het andere volk. Bij het beleg van een stad had soms het evocare Deos plaats, wat zeggen wil, dat men de goden dier stad opriep om de stad uit te gaan, zeker als men was, dat na het uittrekken der goden de stad weerloos zou zijn. Niet zelden trad de Vorst of Magistraat op als een geheiligde persoonlijkheid. En gelijk men weet, lieten de keizers van Rome zich als halfgoden aanbidden, en stelden den eisch, dat men voor hun beeld offeren zou; een eisch, door veel Christenen in de eerste eeuwen met den prijs des bloeds betaald. Wat nu aldus reeds bij het licht der Gemeene Gratie openbaar was, t.w. dat het Overheidsgezag met de religie in verband stond, werd klaarder en nader toegelicht in de geschriften des Ouden Testaments, in den strijd van God tegen Pharao, in de worsteling van Hiskia met Rab-Sakee, in geheel de Mozaïsche wetgeving, en ook in de rechtstreeksche uitspraken bij profeet en psalmist. „Door Mij regeeren de koningen.” „Gij koningen der aarde, kust den Zoon, opdat hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, als zijn toorn een weinig zou ontbranden.” En zoo veel meer. Doch het klaarst, het omstandigst en het volledigst werd deze band van de Overheid aan God door Jezus en zijn apostelen toegelicht. Door Jezus, toen bij voor Pilatus sprak: „Gij zoudt geen macht tegen mij hebben, indien u die niet van boven gegeven ware,” en door zijn apostelen, toen Paulus schreef: „Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geene macht dan van God, en de machten die er zijn, die zijn van God geordineerd; alzoo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie Gods wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halen. Want de oversten zijn niet tot eene vreeze den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vreezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben; want zij is Gods dienaresse u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zoo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienaresse, een wreekster tot straffe dengene, die kwaad doet. Daarom is het noodig onderworpen te zijn, niet alleen om der straffe, maar ook om der consciëntie wille. Want daarom betaalt gij ook schattingen; want zij zijn dienaars van God, in ditzelve gestadiglijk bezig zijnde. Zoo geef dan aan een iegelijk wat gij schuldig zijt: schatting, wien gij de schatting; tol, wien gij den tol; vreeze, wien gij de vreeze; eere, wien gij de eere schuldig zijt.” (Rom. 13 : 1-7).

*

Op dit punt is alzoo de openbaring van Gods wil volkomen duidelijk, en heeft te meer klem, omdat Paulus schreef, toen een heidensch keizer over de toen bekende wereld regeerde, en nog altoos het machtig bewind |171| stand hield, onder welks functie Jezus was ter dood gebracht en straks zijn geloovigen den martelaarsdood sterven zouden. Er kan alzoo geen twijfel bestaan, of elke meening en elke voorstelling alsof de macht der Overheid uit het volk zou opkomen, moet als in onverzoenlijken strijd met Gods klaarlijk geopenbaarden wil verworpen en bestreden worden. Slechts zij men met dit gewonnen resultaat uiterst voorzichtig, en leide er niet uit af, dat het Gode niet vrij zou staan, bij deze opdracht van het gezag, het volk zelf als instrument te gebruiken. Over de wijze toch, waarop deze opdracht van het gezag plaats heeft, zegt noch het Oude Testament noch het Nieuwe Testament ook maar iets, en bij het licht der Gemeene Gratie zien we feitelijk deze opdracht op allerlei manier plaats grijpen. Calvijn zelf prees het als den meest gewenschten toestand aan, dat de burgers zelve hun Overheden benoemen mochten. Daarin ligt dus de kern der zaak niet. Die kern ligt alleen hierin, dat wie regeert, wete en bekenne, dat hij zijn macht om te regeeren aan God heeft dank te weten, en dat de geregeerden de aangestelde Overheid als „dienaresse Gods”, en niet als hun ondergeschikte ambtenaren, eeren.

Ook drukt de ervaring hierop het zegel. Feitelijk toch is het ondenkbaar, dat de Overheid zich uitsluitend door politiemacht en wapengeweld handhave, zoo ze voor haar geen eerbied en erkentenis vindt in de consciëntie der burgers. Wat wil op een geheel dorp een enkele veldwachter uitrichten, die vaak met reeds half gebroken kracht rondloopt. Tijden van oproer uitgezonderd, rust het gezag der Overheid niet op het geweld, waarmee ze de burgers in bedwang houdt, maar op den eerbied voor gezag en wet, dien ze bij het volk ontmoet. En die eerbied voor gezag en wet vindt bij het volk zijn steunpunt altoos in zijn religie. Men is onderdanig en men gehoorzaamt volstrekt niet enkel uit vreeze voor straf, maar, gelijk Paulus het uitdrukt, om der consciëntie wil. En ook zij, die zelve buiten de religie rekenen, zien dat zoo goed in, dat ze herhaaldelijk uitspraken, hoe voor de groote menigte religie noodzakelijk blijft, en hoe een volk zonder eenige religie niet zou te regeeren zijn. Dit nu moge een laag standpunt zijn, in zoover men de religie dan dienst laat doen, om aan de politie hare taak te~ verlichten, maar het toont dan toch, hoe zelfs de tegenstanders inzien, dat een gezag, los van alle religie, zich niet kan staande houden. Opmerkelijk is in dit opzicht vooral de eedspractijk. Geheel de Staatsinrichting hangt ook nu nog ten onzent door den eed saam. De koning zweert, de Staten-Generaal zweert, de ambtenaren zweren, de rechters zweren, bij alle officiëele handeling wordt van de burgerij de eed gevorderd. En waar men op, het engere politieke terrein hier de belofte of de verklaring heeft naast, gesteld, durft men het bij de rechtsbedeeling toch nog nooit aan, om den eed prijs te geven. Men gevoelt, dat het getuigenbewijs alle bewijskracht in rechten verliezen zou, zoo de eed er aan ontnomen werd. Welnu, de eed is |172| altoos weer een beroep op den alwetenden en almachtigen God, en legt alzoo altoos opnieuw een band tusschen de houding der Overheid en de religie.

*

Staat dit alles beslissende uitgangspunt alzoo vast, evenzoo moet onderzocht, of het de wil Gods was, dat de Overheid uit de Schepping zou opkomen, of wel, dat haar instelling, gelijk onze belijdenis in Art. 36 het uitspreekt, plaats greep om der zonde wil. Dit punt is daarom van gewicht, omdat, zoo de Overheid uit de Schepping is, alleen de gegevens van het natuurlijke haar positie bepalen zouden, terwijl, omgekeerd, zoo ze is ingesteld om der zonde wil, de natuurlijke gegevens hier niet beslissen kunnen, maar de beslissing te zoeken is in Gods, na den val, geopenbaarden wil. Evenzoo moet de Christen-Staatsman uit de aangegeven bron onderzoeken, of het waar is, wat sommigen beweren, dat de monarchale regeeringsvorm de eenige door God bedoelde is, of wel dat elke regeeringsvorm naar zijn wil bestaan kan, en dat dit uitsluitend beheerscht wordt door historische gegevens en omstandigheden. En eindelijk moet onderzocht worden, of het Overheidsgezag uit zijn aard absoluut is, zoo, dat het nooit aan medewerking van het volk kan gebonden worden, of wel, dat het, juist omgekeerd, de wille Gods is, dat zoo ook het volk eenigszins tot rijper ontwikkeling komt, de uitoefening van het gezag gebonden zal zijn aan eenige bewilliging van de zijde van het volk. Gelijk vanzelf spreekt, ligt het thans niet op onzen weg, deze punten nader uit te werken. Onze taak gaat op dit oogenblik niet verder, dan de hoofdpunten aan te stippen, die hier in aanmerking komen. Slechts zij er aan herinnerd, dat reeds bij de zalving van David tot koning duidelijk uitkomt, hoe het volk, vertegenwoordigd door zijn oudsten, hierin meespreekt, en alzoo het grondbeginsel van wat men noemt het constitutioneele staatsrecht, reeds in Israëls verleden gegrond ligt. Absoluut monarch was David volstrekt niet.

Er schijnt alzoo, bij het licht der Gemeene Gratie, in Oud Testament en Evangelie, geen twijfel mogelijk, of in God is de bron van alle souvereiniteit te eeren. Uit God komt afgeleide souvereiniteit toe aan de Overheid eenerzijds, en aan de verschillende zelfstandige groepeeringen in het volksleven anderzijds. De macht van het hoofd des gezins b.v., wordt nergens voorgesteld als door de Overheid geschonken, maar als even rechtstreeks uit God vloeiende, als de macht van een koning. En waar alzoo Overheid en Volk beide, elk op hun eigen wijze, dragers zijn van macht door God verleend, daar ontstaat voor het staatsleven de uiterst ingewikkelde vraag, hoe deze beide met elkander in goed geordend verband zijn te zetten. Er is een magistrale, maar er is ook een sociale, uit God vloeiende souvereiniteit, onder menschen. In die tweeheid wortelt alle vrijheid en alle volksrecht, terwijl omgekeerd het absolute, uit den staatswil opkomend, gezag |173| geen andere vrijheden en volksrechten kent, dan die het zelf en voor zoover en voor zoolang het die verleent. En juist daarom is de ChristenStaatsman geroepen, nauwkeurig uit de Schrift te onderzoeken, op welke wijze God wil dat de tweeërlei souvereiniteit, die hij op magistraten en op gezinshoofden enz. heeft gelegd, in goed verband zal worden gezet. Daarvoor nu geeft reeds wat omtrent Davids zalving bericht wordt, kostelijke aanwijzing, en moet voorts de nadere aanwijzing gezocht in hetgeen betreffende het Overheidsgezag en het volksleven in de Schrift geopenbaard is.

*

Zooveel voor wat betreft de positie der Overheid als zoodanig; doch hierbij komt nu in de tweede plaats de andere, niet minder gewichtige vraag, als hoedanig de Overheid, in haar wetten en bij haar maatregelen, het volk, en de personen en de kringen van dat volk, in zijn zichtbare en onzichtbare existentie, te beschouwen heeft; altoos de kerk voorloopig uitgezonderd, wijl we deze later afzonderlijk bespreken.

Ook bij dit tweede onderzoek blijft de bron onzer kennis dezelfde, en is deze altoos de Gemeene Gratie, verhelderd eh toegelicht door de Heilige Schrift, nader het Evangelie; maar dit tweede onderzoek is van veel grooter omvang en gaat veel dieper. De Overheid heeft met den mensch te doen, en moet dus den mensch verstaan. Verstaan niet gelijk hij zich schijnbaar voordoet, noch ook gelijk de Overheid hem zich verbeeldt, maar gelijk het wezen en de natuur van dien mensch ons door God ontdekt wordt. De Overheid moet voor zichzelve weten, of ze in den mensch te doen heeft met een zondige of slechts onvolkomen natuur. Ze moet er zich rekenschap van geven, of ze in den mensch te doen heeft met een vrijen wil, in den gangbaren zin van het woord, of met een in slavendienst der zonde bevangene. Ze moet tot een klaar inzicht komen, op welke factoren in den mensch ze voor den goeden gang van het Staatsleven rekenen kan, en op welke niet. Ze moet juist weten te waardeeren, welke de beteekenis der religie is voor het volksleven, en op wat wijs zij harerzijds den gewenschten invloed der religie op het publieke leven bevorderen kan. Een staatsleer, die niet gebaseerd is op een juiste zielkunde, en in het algemeen op een juiste kennis van den mensch, kan niet tot het gewenschte resultaat leiden. En telkens, en bij elke gelegenheid, hangt de goede of verkeerde werking van een regeeringsmaatregel in de eerste plaats daarvan af, of ze berust op zielkundige en menschkundige onderstellingen. Nu is er allerlei zielkunde, en allerlei menschenkunde, materialistische en wijsgeerige, maar ook Christelijke; en natuurlijk komt het er voor den Christen-Staatsman op aan, steeds bij zijn adviezen en voorslagen van die juiste bases van het menschelijk wezen uit te gaan, die hem bij het licht van Gods Woord als de wezenlijke ontdekt zijn. |174|

Doch daarmede is hij er nog niet De mensch staat niet op zichzelf. Hij leeft met zijn niedemenschen, en de menschheid als zoodanig leeft op deze wereld te midden van drie andere rijken, die we het dierenrijk, het plantenrijk en het delfstoffenrijk noemen. Uit deze verbindingen worden allerlei combinaties en verhoudingen geboren. Er ontstaan gezinnen; dat gezin berust op de tegenstelling van man en vrouw; en in verband hiermede staan de vele vragen, die uit het huwelijk, het huwelijksrecht, den huwelijksplicht en de huwelijkssluiting geboren worden. In het gezin worden kinderen geboren, die kinderen staan in betrekking tot hun ouders, en onderling als broeders en zusters. En ook over dat alles nu heerscht allerlei uiteenloopende beschouwing, eenerzijds materialistische en wijsgeerige beschouwing, en anderzijds een beschouwing, die in de Gemeene Gratie en in Gods Woord gegrond is. Daarom is het voor een Christen-Staatsman niet genoeg, omtrent het huwelijk en al wat daarmede samenhangt, te vragen hoe de wijsgeeren hierover denken, noch om in te slapen op wat het voorgeslacht dienaangaande geijkt heeft, maar het is zijn roeping, telkens opnieuw de heerschende begrippen en voorstellingen dienaangaande te toetsen aan de van Godáwege geschonken openbaring. Natuurlijk rust gelijke plicht op alle Overheid, en blijft absoluut altoos de eisch staan, dat overheidspersonen als zoodanig met deze Openbaring Gods rekenen, en in overeenstemming daarmede handelen. Maar practisch brengt dit ons niet verder, daar, zoo geloof aan God en aan zijn Openbaring ontbreekt, veeleer de zondige neiging bij de Overheid opkomt, om opzettelijk de materialistische of valsch wijsgeerige, en niet de Christelijke overtuiging omtrent den mensch en het gezinsleven te volgen.

*

Behalve met de personen der menschen, en met het saamleven van het gezin heeft de Overheid bovendien nog te doen met het familieleven, al ware het slechts om het erfrecht vast te stellen ; en behalve dit familieleven komen hier voorts al die andere vertakkingen en vereenigingen en verbindingen van menschen in aanmerking, die door den arbeid, door den landbouw, door de nijverheid, door den handel, door de zeevaart, door kunsten en wetenschappen, ja door wat niet al, onder menschen plegen gevormd te worden. Ook bij dit alles hangt de door de Overheid te nemen beslissing telkens schier uitsluitend af van het licht, waarin ze deze levensuitingen voor zich stelt, en welke verplichting haar met het oog op alle deze groepeeringen, is opgelegd. Zoo komt het ook hier op beginselen en grondbeschouwingen aan, die de mensch telkens op eigen autoriteit poogt Vast te, stellen, en die toch in zoo menig opzicht beheerscht worden door Gods geopenbaarden wil. Daarbij komt dan de verhouding, waarin de mensch tot de dieren en tot het ónroerend goed staat. Ook dit loopt niet |175| vanzelf, maar roept de Overheid gedurig tot ordening en tot rechtspraak, en daarom hangt ook hier zoo veel af van de grondbeschouwingen, waarvan men ten deze uitgaat. Neen, waarlijk, het pleit voor een Christelijke staatkunde, d.i. voor een staatkunde conform de ordinantiën Gods, is niet afgeloopen met eenige vage woorden over het gezag van de Overheid, de vrije school en een opkomen voor kerkelijke belangen. Op elk deel en op elk punt van het Staatsterrein staat telkens tegen de Christelijke beschouwing een geheel andere over, en komt het er op aan, telkens weer bij het licht der algeheele Openbaring in Schriftuur en Natuur, de ware grondbeschouwing, gelijk God ze ons toont, vast te stellen. We zwegen nu nog van de verhouding van het ééne volk tot andere volken, alsook van de beginselen der rechtsbedeeling, omdat deze te rekenen zijn onder het eerst behandelde punt. Maar wat ons na deze breede uiteenzetting nog overblijft, is de vraag naar het standpunt, dat de Overheid op zedelijk terrein heeft in te nemen, en in verband hiermede op het terrein der eerbaarheid. Dit echter grijpt te diep in, om het in enkele woorden af te doen. Hier is opzettelijke bespreking van aan zoo ingewikkelde en bijna niet op te lossen quaestie gebiedende eisch.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXIV, De Heraut No. 1166 (29 april 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001