XXIII. Kerk en Staat 11

Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geene macht dan van God, en de machten die er zijn, die zijn van God geordineerd.

Rom. 13 : 1. a


Uit het gevoerde betoog blijkt op overtuigende wijze, dat het volstrekt niet een zoo lichte taak is, om te onderzoeken wat Gods wil in zaken van Staat is. Er is daartoe noodig een omvangrijke kennis van het werkelijke volksleven en van zijn historie, en niet minder een zeer voorzichtig onderzoek van wat geopenbaard is in de Heilige Schrift. De inbeelding, alsof men zoo maar de Schrift had op te slaan, om uit de Schrift één of anderen tekst aan te halen, is geen oogenblik tegen ernstige toetsing bestand. Dit |162| moge ten deele volstaan, om den geloovige zijn Plicht jegens de Overheid te leeren kennen, maar is zoo goed als van geene waardij, als heter op aan komt, om de Overheid aan te zeggen, wat haar taak en haar roeping is, en hoe ze tot in bijzonderheden zich van die roeping heeft te kwijten, om conform de wet van God te handelen.

Men versta ons wel. We zeggen niet, dat het op het standpunt des ongeloofs gemakkelijker voor de Overheid is om te weten wat ze te doen heeft en hoe ze in elk gegeven geval heeft te handelen. In het minst niet. Ook op dat standpunt is zeer diep gaand wetenschappelijk onderzoek noodig, en zal toch de uitkomst steeds leeren, dat men in de ééne eeuw vast meent te kunnen staan in een overtuiging, die men in de volgende eeuw als volstrekt onhoudbaar verwerpt. Ook in de kringen van ongeloovige Staatslieden moet men toch altoos uitgaan van zekere beginselen, zekere onderstellingen, zekere ideeën die men voor waar aanneemt, en dan daarop voortbouwen; maar juist de onvastheid dier beginselen en onderstellingen maakt, dat een volgend geslacht tot geheel ander resultaat komt, overmits het een andere onderstelling als uitgangspunt kiest. Moeite alzoo aan beide zijden, zoowel voor de Christen-Staatslieden als voor de ongeloovige Staatslieden. Alleen bestaat tusschen beiden dit verschil, dat de ongeloovige staatslieden ten slotte hun eigen wil als maatstaf of norma nemen, en dat de Christen-Staatsman steeds te vragen heeft naar den wil van God, en zich aan dien wil heeft te onderwerpen. En al drijven nu de Christenen, voor een goed deel, op de eenmaal ingewortelde, en hun van de vaderen overgeleverde overtuigingen, toch spreekt het wel vanzelf, dat, welke waardij en beteekenis ook aan deze overgeleverde overtuigingen zij toe te kennen, nooit de eisch kan wegvallen, dat ze deze overtuigingen telkens weer toetsen zullen aan hetgeen omtrent den wil van God in Natuur en Schriftuur geopenbaard is. Denk b.v. slechts aan de positie der vrouw, aan de agrarische wetgeving, aan de verhouding van kerk en staat, en zooveel meer, en het springt aanstonds in het oog, dat de tijd waarin wij leven alle deze vraagstukken in een eigenaardig licht voor ons doet treden, en dat geen Christen-Staatsman er daarom mede van af kan, om eenvoudig na te spreken, wat vroeger als resultaat van onderzoek gevonden werd. Niet wat ons van de vaderen is overgeleverd, alleen de Heilige Schrift is de vaste grondslag waarop we bouwen, afgezien nog van het onloochenbare feit, dat telkens problemen opduiken, die onze vaderen niet gekend hebben.

Rechtstreeks hieruit volgt, dat de wetenschap van het Staatsrecht — dit woord nu in zijn wijdste strekking genomen, en dus zóó dat het ook de Staathuishoudkunde insluit — niet ééne en dezelfde wezen kan onder hen, die niet, en onder hen die wel het hooge gezag der Heilige Schrift erkennen. De beoefening dezer wetenschap wordt vanzelf voor hem, die dat hooge |163| gezag erkent, iets geheel anders dan voor hem, die dat gezag verwerpt. De voorstelling, die zoo lang onder ons gangbaar was, alsof men als Christen het Staatsrecht zeer wel aan een Universiteit van dusgenaamd neutraal karakter kon leeren, en dan voorts uit zijn Bijbel enkele correctiën in het geleerde kon aanbrengen, was noch ernstig gemeend, noch met de hooge waardigheid der Heilige Schrift in overeenstemming. De uitkomst heeft dan ook geleerd, dat wie zoo de zaak verstond, eenvoudig het gewone liberale Staatsrecht nabouwde, en er een dun Christelijk tintje aan gaf. Elke wetenschap moet uit beginselen worden opgebouwd, en het aanvaarden van de Heilige Schrift als hoogste gezag is een zoo diep ingrijpend beginsel, dat het geheel den bouw van het Staatsrecht beheerscht; waaruit volgt, dat hij, die aan dit gezag der Schrift geen andere uitwerking toekent, dan om de tint van den gevel anders aan te brengen, feitelijk de autoriteit der Schrift op zij zet en miskent. Er is hier een eigen, zelfstandig onderzoek noodig, dat alle vakken van wetenschap, die op de Staatkunde betrekking hebben, omvat.

*

Te zeggen, dat we ten deze alleen met het Evangelie, en niet met de Heilige Schrift als zoodanig, te doen hebben, is, in die tegenstelling genomen, dan ook door en door onwaar. De verwarring tusschen de verschillende beteekenissen, waarin het woord Evangelie gebruikt werd, en nog wordt, gaf hiertoe aanleiding. Men spreekt van het Evangelie in het Paradijs, en bedoelt dan de belofte aan Eva gegeven, dat haar zaad het zaad der slang den kop zou vermorzelen. In dien zin omvat het Evangelie derhalve de geheele openbaring van Oud en Nieuw Testament beide, en is Evangelie en Heilige Schrift één. — In de tweede plaats wordt het woord Evangelie gebezigd van het Evangelie des koninkrijks, dat Christus en zijn apostelen verkondigd hebben. Zoo genomen is het niet in het Oude, maar alleen in het Nieuwe Testament te vinden. Zoo zegt Paulus in Rom. 1 : 1-3, dat wat hij predikt is een Evangelie, dat vooraf wel door de profeten is aangekondigd, maar dat nu eerst verkondigd werd. Het Oude Testament heet dan de Epangelia, het Nieuwe Testament het Evangelie, en met het laatste wordt dan aangeduid: de verkondiging van het in Christus verschenen heil, dat voort zal gaan tot in het rijk der heerlijkheid. Vandaar de zinsnede: „Het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.” Juist in dat „nabij gekomen,” in het aanvangen van de vervulling van de profetie, ligt dan het onderscheidend karakter tusschen Belofte (Epangelie) en Tijding (Evangelie). Belofte wijst op een feit dat komt. Tijding op een feit dat geschiedt of geschied is. Alzoo komt naar deze opvatting het Nieuwe Testament zeer beslist tegenover het Oude te staan. — In de derde plaats wordt het woord Evangelie gebezigd, om aan te duiden: |164| „den weg ter zaligheid.” Het is dan geheel onverschillig of ge het zoekt in het Oude of in het Nieuwe Testament, mits ge maar den inhoud van het Evangelie tot zijn recht doet komen, dat „God alzoo lief de wereld heeft gehad, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.” Het is dan bedoeld als de kern en het middenpunt van alle Christelijke belijdenis, als het middel ter behoudenis van zondaren. — En eindelijk in de vierde plaats wordt het woord Evangelie veelvuldig gebezigd, om in korte formule het hooge religieus en zedelijk standpunt van het Christendom uit te drukken. Men stelt dan, dat achtereenvolgens verschillende religieuse en zedelijke stelsels zijn aanbevolen. Zoo was het onder de heidenen, met zeer aanmerkelijk verschil van trap en graad. Een ander standpunt weer namen de oude Patriarchen in. Weer een ander de Profeten. Nogmaals een ander de Schriftgeleerden, die na hen kwamen. Doch al deze vroegere stelsels werden ten slotte overtroffen door hetgeen Jezus predikte. En zonder te erkennen, dat Jezus de hoogste sport bereikte, veeleer met zekere critiek op Jezus van het weer hoogere standpunt, dat men zelf acht bereikt te hebben, erkent men dan toch dat hetgeen Jezus predikte reeds zeer hoog stond, stellig veel hooger dan het Oude Testament stond; en het is dan de religieuse en zedelijke voorstelling, gelijk Jezus die had en beleed, die men dan, onder modernen, kenschetst als het Evangelie, of ook wel, „de Christelijke religie en zedeleer.”

Het was noodzakelijk deze vier beteekenissen, waarin het woord Evangelie pleegt gebruikt te worden, scherp te omlijnen, om een einde te maken aan de verwarring, die uit het dooreenhaspelen van die vier beteekenissen ontstaan is. Zoodra men op staatkundig gebied het woord Evangelie bezigt, behoort men zich duidelijk er rekenschap van te geven, wat men met dat woord bedoelt. Als Groen van Prinsterer b.v. de leuze ophief: Tegen de Revolutie het Evangelie! dan deed hij dit niet als Staatsman, maar als Evangeliebelijder, en was zijn leidende gedachte deze: De volkeren gaan gedrukt onder leed en ellende. Om zich aan dezen druk te onttrekken, nemen ze de toevlucht tot de Revolutie, en beelden zich in, door middel van die Revolutie tot hooger gelukstaat te zullen komen. Dit nu is een schromelijke vergissing. Het leed en de ellende komen niet van de omstandigheden, maar van den mensch zelf. Dien mensch nu laat de Revolutie onveranderd. Daarom kan ze geen heil brengen. Wat heil kan brengen is alleen het Evangelie, dat verlossing en wedergeboorte predikt, en alzoo er op gericht is, om den zondaar in een kind van God om te zetten.

Geheel iets anders daarentegen is het, zoo thans ons gezegd wordt, dat als grondslag en uitgangspunt voor ons staatkundig program niet de Heilige Schrift dienst moet doen, maar de beginselen van het Evangelie. In een staatkundig program toch bedoelt men niet de prediking van bekeering |165| en van vrede door het bloed des Kruises, maar het aangeven van beginselen, waaruit het gebouw van Staat kan worden opgetrokken. Het is er dan om te doen, om vaste lijnen te trekken, die u zeggen, welke de staatkundige denkbeelden zijn, die we hebben te verwerpen, en welke de staatkundige denkbeelden zijn die we hebben te omhelzen. Verklaart men nu, dat deze lijnen in haar loop bepaald worden door de beginselen van het Evangelie, dan beduidt dit, dat men het Oude Testament buiten rekening laat, en dat men uit het Nieuwe Testament slechts een deel neemt, dat men dan noemt het Evangelie, en aan dit aldus uitgekozen deel verklaart men dan zich te willen houden. Dit standpunt nu moet bestreden worden. Het is toch duidelijk, dat veelmeer in het Oude dan in het Nieuwe Testanient bepaald staatkundige vraagstukken aan de orde komen. Zeer enkele betuigingen daargelaten, heeft Jezus zich bijna niet over staatkundige vraagstukken uitgelaten. En ook de apostelen betreden het terrein der staatkunde óf niet, óf bepalen er zich toe, om de verplichtingen van den geloovige jegens de Overheid uit te spreken. Waar dan in de tweede plaats bijkomt, dat men, door niet van het Nieuwe Testament, maar van het Evangelie, en dan nog wel van „de beginselen van het Evangelie”, te spreken, zich het recht voorbehoudt, om zelf te schiften. Hetgeen ons in het Nieuwe Testament niet aanstaat, wordt dan gezegd niet tot het Evangelie te behooren, en hetgeen men er dan toe rekent, wordt dan nogmaals herleid tot zijn beginsel, in de formuleering waarvan men geheel vrij wenscht te blijven. Feitelijk komt dit dus op niets anders neer, dan op de religieus-zedelijke strekking van het Evangelie, in zeer algemeenen zin genomen. Men erkent dan geen autoriteit, waarvoor men buigt, en maakt die beginselen pasklaar voor de propaganda van zijn eigen denkbeelden. Om slechts één voorbeeld te nemen. Over eenigen band tusschen Kerk en Staat is noch in de Evangeliën, noch in de apostolische brieven, noch in de Apocalyps ook maar iets te vinden, dat óf tot het stelsel van een Volkskerk óf tot het stelsel van een door den Staat onderhouden kerk kan leiden. Uit „de beginselen van het Evangelie” zou dus niets anders volgen, dan dat de kerk, geheel vrij en los van den Staat, op het terrein van den Staat optrad. En nochtans houdt men, na gezegd te hebben, dat men uit „de beginselen van het Evangelie” wil leven, aan een geheel ander stelsel vast.

*

Vraagt men, of men dan toch niet ook in goeden zin op staatkundig terrein van „het Evangelie” als onze leidstar op den weg kan spreken, dan beantwoorden we deze vraag, ten deele, in bevestigenden zin. In geheel de openbaring der Heilige Schrift is een zeker proces onmisbaar. Het is in de Heilige Schrift niet een eentonige repetitie van altoos hetzelfde, maar |166| er is in de Schrift een voortschrijden van minder tot meerdere klaarheid. Dat is zoo met betrekking tot de openbaring ter zaligheid. Wat voor de geloovigen onder het Oude Testament nog veelszins in schaduwen hing, is door het Evangelie tot volle klaarheid gekomen. En datzelfde nu geldt ook met betrekking tot de versterking van het licht der Gemeene Gratie. Nergens in het Oude Testament vindt ge zoo klare, heldere, volledige uiteenzetting van de beteekenis der Overheid als in Rom. 13; en ook wat de algemeene grondslagen van het zedelijk-sociale leven aangaat, is er wel geen strijd tusschen Oud en Nieuw Testament, maar toch is het onmiskenbaar, dat ook de zedelijke en sociale motieven eerst in het Nieuwe Testament in hun volle glorie schitteren. Neem b.v. het huwelijk en de barmhartigheid. Onwaar is het, dat in het Oude Testament het huwelijk in Heidensch-onheiligen zin wordt genomen. Reeds Gen. 1 dient tegen zulk een voorstelling protest in. De monogamie ligt in Genesis reeds duidelijk uitgesproken, en de verhouding tusschen man en vrouw wordt er niet anders in geregeld, dan dit door den apostel geschiedt. Maar niettemin staat het vast, dat de volkomen zuivere, hooge, rijke opvatting van het huwelijk, in zijn idealen zin, eerst in het Nieuwe Testament ten volle doorbreekt. Van de barmhartigheid geldt hetzelfde. Dat men zijn vijanden moet liefhebben, en zijn vijand moet spijzen als hem hongert, staat reeds in het, Oude Testament; en allerlei bepalingen van de Mozaïsche wetgeving zijn van gelijke ontfermende strekking. Pauperisme, gelijk wij dat betreuren, was onder Israël ongekend. Maar dat neemt niet weg, dat de drang van heilige liefde die zich over het zwakke en ellendige ontfermt, eerst tot zijn volle recht komt door wat Jezus en zijn apostelen deden en leerden. Hieruit volgt, dat wij, in onze staatkundige overwegingen, aan de regeling van het huwelijk en aan het lot der ongelukkigen en der armen toegekomen, niet mogen rusten, eer aan die rijkere opvatting van het huwelijk en van de barmhartigheid recht is wedervaren. Eerst als het Christendom de wereld ingaat, ontsluit de bloemknop zich ten volle. En in dien zin is het alleszins juist, te spreken van de Christelijke norma voor onze zedelijke en sociale verhoudingen, en kan men dus ook spreken van den maatstaf en van het motief, dat het Evangelie ons aangeeft.

Wat echter nooit mag is, dat men daarbij dezen bloemknop zich losdenkt van den tak, waaraan hij ontlook, of ook dien tak zich losdenkt van den stam waaraan hij is uitgebot, of ook dien stam zich losdenkt van den wortel waaruit hij opschoot. De volle ontluiking der openbaring is en blijft organisch één geheel vormen met de openbaring zelve. En het geheel van die openbaring, wortel, stam, tak en bloemknop, vindt ge niet in het Evangelie, niet in het Nieuwe Testament, maar in de gansche Heilige Schriftuur. Het is dan ook de groote verdienste van onze Gereformeerde vaderen geweest, dat ze voor die eenheid der openbaring een open oog |167| hadden. Onze Luthersche broederen zagen dit zoo niet in. Zij lieten het Oude Testament veelal glippen. Zelfs in hun huislijk gebruik hebben ze zich aan het Oude Testament veelal ontwend. Alleen de Psalmen lieten ze nog achter het Nieuwe Testament afdrukken. Ook de vele Doopersche groepen ontdeden zich meestal van het Oude Testament, om zich eerst alleen aan het Nieuwe te houden, en straks ook boven dat Nieuwe Testament de autoriteit van het „innerlijk licht” te doen uitgaan. De gedachte nu drong al verder door. Vooral in onze eeuw is dat afwijken van het Oude Testament bijna regel geworden. Over Israëls godsdienst en zedeleer kraakt men al kwader noten. En het Christendom beschouwt men almeer als een geheel nieuw iets, schier buiten verband met wat daarachter ligt. Hiertegen nu moet onzerzijds worden gewaakt. De autoriteit, het absolute gezag van de Schriften des Ouden Testaments is door Jezus en zijn apostelen beleden en bezegeld. De autoriteit, het absolute gezag van het Nieuwe Testament is niet te verdedigen, zoo men begint met de autoriteit van het Oude prijs te geven. Feitelijk houdt men op dat standpunt geen ander gezag van het Nieuwe Testament over, dan hetgeen ontleend wordt aan onze zedelijke instemming met hetgeen Jezus verkondigd heeft. Maar dan natuurlijk is er geen autoriteit meer, waarvoor we als heilige van God gegeven openbaring buigen. Men kent dan alleen gezag toe aan hetgeen men zelf uit anderen hoofde voor waar houdt. Er zijn geen Heilige Schriften meer. En nu reeds is men zoo ver, dat de één zelfs het zedelijk standpunt van Jezus aan critiek onderwerpt, en de ander van het Nieuwe Testament op Jezus overgaat, om, met terzijdestelling van de apostelen, zich alleen aan datgene te binden, wat hij acht dat werkelijk door Jezus gezegd is. Het Evangelie van Johannes wordt daarbij dan evenzeer op zij geschoven, en alleen uit de drie eerste Evangeliën genomen, wat men zelf oordeelt, dat Jezus wel zóó zal gezegd hebben. Denk slechts aan de dusgenaamde Ritschlianen, wier opgang in Duitschland en Amerika thans zoo overheerschend is.

Het is om ons tegen deze eindelooze spraakverwarring in veiligheid te stellen, dat wij vóór alle dingen nadruk leggen op de autoriteit, waarvoor we ons te buigen hebben. Die autoriteit nu hangt, geheel en uitsluitend aan de vraag, of er al dan niet Heilige Schriften zijn, die van Godswege met gezag bekleed, ons haar gezag opleggen. En dit gezag nu gaat ten eenenmale teloor, als men óf met de Dooperschen, een innerlijk licht boven de Schrift stelt, óf een deel van die Schrift (het Oude Testament) afsnijdt, om zich aan het Nieuwe alleen te houden. Erger nog, indien men uit het Nieuwe Testament alleen datgene uitlicht wat men dan „het Evangelie” noemt. En het ergst, zoo men, alle Schriftgezag verwerpend, uit het Nieuwe Testament alleen datgene uitschift, wat men zelf oordeelt voor een uitspraak van Jezus te kunnen doen gelden. We hebben er op dien grond niets op |168| tegen, dat men van de Christelijke waarheid, of van het Evangelie, als van de volledige ontluiking van den bloemknop spreekt, maar staan dit alleen toe, indien vooraf wel vaststaat, dat de geheele Heilige Schriftuur voor ons is en blijft de steeds rijker zich ontplooiende Openbaring Gods, — een Openbaring waaraan wij ons te onderwerpen hebben.

We nemen dit standpunt in, zonder in het minst blind te zijn voor het onvolledige van het onderzoek dier Schriftuur door de Gereformeerden. Het valt niet tegen te spreken, dat zij voor het proces der Openbaring in de Schriftuur te weinig het oog geopend hielden, en niet genoeg tusschen de schaduwen des Ouden Verbonds en het volle licht des Evangelies onderscheiden hebben. De Schrift had voor hen te weinig perspectief. En door, zonder nadere schifting of onderscheiding, te hooi en te gras, uit Exodus en Lukas aan te halen, hebben ze verward, als op één lijn staande, wat in graad van ontwikkeling vaak zóó aanmerkelijk verschilde. Daartegen is dan ook steeds klacht verheven, en steeds hebben we ons beijverd, dat verzuim in te halen, en op meer organische Schriftbeschouwing aan te dringen. Maar juist diezelfde organische Schriftbeschouwing verbiedt ons dan ook, om welk deel ook van de Schrift van het overige los te maken. Kies voor de volledige ontplooiing den naam van het „Evangelie”, het zij zoo, maar zorg dan ook, dat ge dat Evangelie steeds in zijn verband neemt met de gansche Heilige Schriftuur.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXIII, De Heraut No. 1165 (22 april 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001