XXII. Kerk en Staat 10

De wet zijns Gods is in zijn hart; zijne gangen zullen niet slibberen.

Psalm 37 : 31. a


Hoe de Staat te beschouwen, in te richten en te leiden is, moet alzoo opgemaakt: 1º. uit de kennisse van het natuurlijk leven, bezien bij het licht der Gemeene Gratie, en 2º. uit de bijzondere openbaring die ons gegeven is in de Heilige Schrift. Niet alsof dit tweeërlei onderzoek naar den wil en de ordinantiën Gods leiden zou tot tweeërlei uitkomst, waarvan de ééne naast de andere ware te plaatsen; maar zóó, dat het tweede onderzoek de uitkomst van het eerste onderzoek verheldert en aanvult. Reeds uit het natuurlijk leven b.v. weet men, dat het huwelijk, en het daaruit voortkomend gezinsleven, een der grondzuilen van den Staat is; maar de Heilige Schrift leert ons den wil Gods omtrent het huwelijk en het gezinsleven nader en zuiverder en vollediger kennen, dan dit van elders mogelijk is.

Het tweeërlei onderzoek naar de ordinantiën Gods over volk, maatschappij en Staat is dus zoo bedoeld, dat het ééne aan het andere aansluit, het vollediger maakt, en het tot meerdere zekerheid brengt. Dat de monogamie hooger staat dan de polygamie, en dat daarom het huwelijk met slechts één vrouw voorkeur verdient, valt reeds te raden en te vermoeden uit de ervaring van het natuurlijk leven; zelfs kan men zeggen, dat het constant geboren worden van evenveel vrouwelijke als mannelijke personen het als het meest natuurlijke uitwijst. En toch, tot zekerheid verheven wordt de voortreffelijkheid van de monogamie eerst door de Heilige Schrift; en eerst door de Heilige Schrift verkrijgt alles wat buiten dien vasten regel zich huwelijk noemt, een onheilig en zondig karakter. |155| Juist hierbij echter doet zich terstond de vraag voor, hoe we dit nu uit de Heilige Schrift weten. Immers niet weinigen beelden zich in, dat iets reeds uit de Schrift voor bewezen is te achten, indien men kan aantoonen, dat iets door de heilige mannen of vrouwen der Schrift in practijk is gebracht, of wel in Israël’s burgerlijk leven als wet was ingesteld of althans gold als regel. Naar dien regel intusschen, het behoeft wel nauwlijks verdere aanwijzing, raakt men hier aanstonds vast. Of is het niet zoo, dat we van jakob lezen, dat hij twee vrouwen in wettig huwelijk nam, en bovendien nog kinderen verwekte bij Bilha en Zilpa; lezen we niet van Abraham dat hij Ismaël bij Hagar teelde; en, om niet meer te noemen, dat David en Salorno een geheelen stoet van vrouwen bezaten ? En ook wat de regeling van het huwelijk betreft, had immers geen minder dan Mozes een regeling voor de echtscheiding gegeven, die reeds voor ons gevoel een hoogst bedenkelijken kant had.

*

Men is er alzoo niet mede af, met kortweg te zeggen, dat we ons aan de Heilige Schrift moeten houden; en we vorderen hier zelfs geen stap, zoo we niet eerst den weg afbakenen, die ons tot kennis van de ordinantiën Gods, gelijk zijn Woord ons die brengt, kan leiden. Rome heeft deze moeilijkheid van meet af ingezien, en er daarom naar gestreefd, om een officieel gezag in te stellen, dat uit kon maken, wat ten deze als waarheid gelden zou. Onzerzijds is dat ingestelde gezag verworpen, niet alsof we zulk een gezag niet uiterst gemakkelijk en bruikbaar zouden vinden, maar omdat zulk een gezag voor ons geen gezag kon zijn, tenzij vooraf duidelijk en op overtuigende wijze was aangetoond, dat God zelf dat gezag had ingesteld, het bekleed had met de gaven, om ons tot waarheid te leiden, en onderwerping er aan van ons afvorderde. Er bestaat tusschen Rome en ons op dit punt geen misverstand. Wij ontkennen in het minst niet de zeer groote moeilijkheid, om zonder officieel gezag ten deze tot vastheid en zekerheid te geraken; noch ook, dat door deze vastheid en zekerheid veel licht zou te verkrijgen zijn, indien er metterdaad zulk een leergezag bestond, waarop we ons verlaten konden; maar wat we ontkennen is, dat er zulk een van God ingesteld gezag bestaat, of ook dat menschen zulk een gezag zouden kunnen oprichten. Op dit laatste, en daarop alleen, komt het voor ons aan.

Dat zulk een gezag op zichzelf denkbaar is, blijkt uit de Heilige Schrift duidelijk. Feitelijk heeft het in de apostelen bestaan. Maar van het voortbestaan van zulk een apostolaat blijkt nergens. Toen het bestond, bezat het in geen enkel opzicht een hiërarchische inrichting, en zoolang het bestond, was het gebonden aan voorwaarden, die na het sterven van de twaalf apostelen niet langer voor vervulling vatbaar zijn. Wij kunnen uit |156| dien hoofde in de Heilige Schrift geen de minste bevestiging vinden voor het apostolisch gezag, gelijk zich dit thans in Rome aandient. En letten we op de resultaten, waartoe in de historie dit gezag van den stoel van Rome geleid heeft, dan stuiten we niet alleen op allerlei verschijnselen, die ons met het oorspronkelijk apostolisch karakter in strijd blijken te zijn, maar ook — waarop het hier vooral aankomt — op verklaringen omtrent den inhoud der Schrift, die juist met de klaarblijkelijke openbaring van die Schrift in onverzoenlijken strijd zijn. We ontvangen niet den indruk, dat ons op heerlijke wijze, bij hooger licht, een verrassend duidelijke openbaring omtrent de bedoeling der Heilige Schrift wordt gegeven; maar veeleer kunnen we het gevoel niet van ons zetten, dat ons velerlei wordt opgedrongen, dat in het minst niet door den inhoud der Heilige Schrift gedekt wordt. Lees en herlees b.v. de schriften der Evangelisten en Apostelen, en oordeel zelf of het u doenlijk is, om daarin ook maar een spoor te ontdekken van de groote plaats, die de vereering van Maria thans onder de Roomsche Christenheid op religieus gebied inneemt. Er zijn drie manieren denkbaar, waardoor zulk een officieel gezag onze onderwerping zou kunnen eischen. Het kon ten eerste gefundeerd zijn in de duidelijke uitspraken der Heilige Schrift. Dit nu is niet het geval. Het kon in de tweede plaats zich gelegitimeerd hebben door de uitkomst. Ook dat was niet zoo. En in de derde plaats kon het door het getuigenis des Heiligen Geestes rechtstreeks onze ziel binden. En ook dit laatste is bij .ons niet het geval. En al weten we nu zeer wel, dat hiermede dit punt van controvers nog lang niet is afgehandeld, ons is het voldoende zoo maar tweeërlei blijkt: 1º. dat we het bezwaar van het ontbreken van zulk een gezag zeer goed gevoelen; en 2º. dat we elken genoegzamen grond missen om het bestaan van zulk een gezag te erkennen.

*

Doch na dit duidelijk te hebben uitgesproken, moeten we het verre van denkbeeldig bezwaar, waar we hier staan, dan ook onder de oogen zien. Moet uit de Heilige Schrift die klaarder en vollediger kennis omtrent de ordinantiën Gods voor het staatsleven geput worden, die voor ons zal aanvullen wat aan het licht, door natuur en historie op onzen weg geworpen, ontbreekt; en is er geen officieel gezag, dat uit de goudmijn der Schrift deze ordinantiën bloot legt; — dan hebben we dien reuzenarbeid zelven te verrichten, en dus ook ons rekenschap te geven van de wijze, waarop die arbeid verricht moet worden. Aan dit punt nu toegekomen, moeten we rondweg erkennen, dat met dit uiterst ingewikkelde vraagstuk onder Protestanten gemeenlijk geen ernst genoeg wordt gemaakt. Veelal toch acht men het juiste wit reeds getroffen te hebben, zoo men, al naar het geval er toe leidt, ter verdediging van eigen voorstelling en zienswijze, |157| te hooi en te gras, een tekst uit de Schrift aanhaalt, of ook meerdere teksten, die in een daarin voorkomend woord of ook in een daar verhaalde gebeurtenis, ongeveer hetzelfde schijnen te bedoelen als wat wij willen en beoogen. Komt men b.v. voor de instelling van den rustdag op, dan acht men genoeg te hebben gedaan door zich te beroepen op de instelling van den Sabbath, op den ernst waarmeê Mozes en de Profeten op het heilighouden van den Sabbath aandrongen, en op de belofte of bedreiging die in zake Sabbathsheiliging of Sabbathsschending vermeld staan. Toch is het duidelijk, dat de zaak hiermede op verre na niet uit is. Geldt wat aan Israël geboden werd, ook voor ons? Zoo ja, doe dan ook gelijk de hedendaagsche Sabbathisten en heilig den zevenden en niet den eersten dag der week. Begint deze dag ’s avonds, gelijk bij de Joden, of ’s morgens, gelijk wij dit rekenen? Moet dat rusten van den arbeid streng nomistisch worden opgevat, of vrijgevig gelijk Jezus dit deed, en ook onze Heidelberger het op Calvijns voetspoor verstond? Kortom, nauwelijks kunt ge meer een vraagstuk aanraken, of ge gevoelt op eenmaal, dat de vragen als uit de lucht komen vallen, en dat ge met uw summier beroep op drie, vier teksten er volstrekt niet zijt.

Te ontkennen valt dan ook niet, dat men zich dat dusgenaamde „vrije onderzoek” veel te licht heeft voorgesteld. Zeker, de Heilige Schrift is klaar en doorzichtig, en evenzoo genoegzaam voor elk geroepene te leven, om den weg ter zaligheid te leeren kennen. Indien u werkelijk de vraag op de lippen brandt: Wat moet ik doen om zalig te worden? zal u, bij ernstig en aanhoudend lezen van heel de Schrift, het antwoord, en het volkomen voldoende en genoegzame antwoord, niet ontbreken; vooral niet zoo ge ook de gemeenschap der heiligen kent, en „met alle heiligen verstaat” welke de breedte en lengte, de diepte en de hoogte van de liefde Christi zij. Maar daarover handelen deze opstellen niet. We bespreken hier niet de vraag, hoe ge zalig zult worden, maar hoe het Staatsleven in te richten zij naar de ordinantiën Gods, gelijk die ons in de natuur door de Gemeene Gratie, en nader en klaarder in de Heilige Schrift geopenbaard zijn. En daarbij nu gaat het volstrekt niet door, dat de eerste de beste in staat zou zijn, daarop uit de Heilige Schrift het duidelijke antwoord te vinden.

Neem b.v. de pijnlijke en uiterst moeilijke vraag, of de Boeren in de Kaap bij den jongsten oorlog verplicht waren, naar het uitwijzen der Schrift, aan de Koningin van Engeland, als hun wettige Overheid, trouw te blijven en haar tegen den vijand in Transvaal en den Oranje-Vrijstaat te helpen, ja desnoods hun bloed voor haar te vergieten; of wel dat ze van Godswege gehouden zijn, hun stamverwanten in de republieken bij te staan. Zult ge nu zeggen, dat elke Boer aan de Kaap dit nu, met zijn Bijbel voor zich, zoo maar kan uitmaken. Of gevoelt ge niet, dat het hier |158| een uiterst ingewikkeld probleem geldt, dat met een eenvoudig beroep op de uitspraak van Paulus: „Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen”, volstrekt niet is afgedaan. Of om ons tot onze eigen erve te bepalen, denkt ge, dat de vraag, of wij van Godswege het recht hadden, om tegen graaf Filips, en later tegen Napoleon, in opstand te komen, met een enkelen bijbeltekst door elk lezer van de Heilige Schrift is op te lossen? De trage geest waant dit wel. O, het is zoo gemakkelijk. Men heeft dan zoo zijn opinie over de zaak, en nu neemt men een Concordantie van Trommius, zoekt op het woord waarover men het heeft enkele teksten op, en als men nu maar een tekst vindt, die in den gewilden zin spreekt, dan is men er. Neen, dat is geen ernst, dat is geen Schriftonderzoek, dat is geen werkelijk zoeken naar den wil Gods. Integendeel, dan heeft men zelf zijn opinie vooraf gereed gemaakt, en dan is het er alleen om te doen om voor zijn eigen opinie een steun in de Schrift te vinden, ten einde ze alzoo aan anderen te kunnen opleggen. En of er dan al andere teksten zijn, die in tegenovergestelde richting wijzen, dat doet er dan niet toe. Men heeft dan een tekst voor zijn beweren, gelijk elke ketter zijn letter heeft.

*

Maar het is dan ook dit misbruik van de Heilige Schrift, dat we nog kort geleden in onze artikelen Toetsing opzettelijk bestreden. Van die zeer gebruikelijke soort Schriftgebruik hebben we ons van meet af stiptelijk onthouden. Niet alsof ook ons geen Concordantie ten dienste stond, maar omdat we zoo diep en innig overtuigd zijn, dat men door dat soort Schriftgebruik het gezag, het wezenlijke gezag der Heilige Schrift op zoo bedenkelijke wijze ondermijnd heeft.

Op den klank af mag uit de Heilige Schrift niet worden aangehaald. Dat ware in strijd met de heiligheid van haar karakter. Er wordt hier een ingewikkeld, veel omvattend, uiterst voorzichtig onderzoek vereischt, en dit onderzoek moet op strikt wetenschappelijke wijze worden opgevat en voortgezet ten einde toe. Uit den aard en het karakter zelf van den inhoud of de stoffe der Heilige Schrift moet de methode afgeleid, die bij dit wetenschappelijk onderzoek is te volgen. De Heilige Schrift bestaat volstrekt niet alleen uit woorden die God zelf sprak, maar evenzoo uit woorden die door menschen en door goede en kwade engelen zijn gesproken. De menschen die sprekende worden ingevoerd, zijn maar voor een deel der ingeving van den Heiligen Geest deelachtig, en de overigen, die dit niet zijn, behooren lang niet allen tot de heiligen Gods. Van Abel hooren we geen woord, dat over zijn stervende lippen kwam, maar wel spreekt Kaïn, en wordt Faraö, wordt Achab, wordt Judas sprekende ingevoerd. Veel spreken de vrienden van Job, maar God zelf verklaarde dat ze niet recht spraken. Bovendien, zelfs allerlei woorden, die God zelf |159| sprak, of aan zijn profeten inspireerde, droegen geen absoluut karakter. Soms zijn ze naar den eisch van het oogenblik in menschelijken vorm ingekleed, zoodat we daarna lezen, dat „het den Heere berouwde.”

En ook al naamt ge nu al dit in letterlijken zin gesprokene bijeen, dan nog hebt ge slechts een klein deel der Heilige Schrift, en ligt daarnaast en daartusschen in nog de breede historie van het Paradijs af tot op Pathrnos. Historie, die als geschied is verhaald, en historie die als komende voorzien en geprofeteerd wordt. In die historie treden personen op, mannen en vrouwen, aan wier optreden voor een deel, en tot op zekere hoogte, een normatief karakter mag en moet worden toegekend. Lezing b.v. van Hebreën XI toont aan, dat de wolke der getuigen ons ten voorbeeld wordt gesteld, en in elk door God ons gegeven voorbeeld openbaart zich iets van zijn heilige ordinantiën. Maar ook hier weer, hoe moeilijk niet de schifting, en hoe pijnlijk niet vaak het trekken der juiste grenslijn? Immers zelfs de besten onder de heilige mannen en vrouwen worden ons naar het leven geteekend, met hun geloof, maar ook met hun zonde. Ook hier is dus onderscheiding noodig. Anders komt men tot het booze kwaad, om zich op de zonde dezer mannen en vrouwen als verontschuldiging voor zijn eigen zonde te beroepen. En zoo zou de Heilige Schrift, in plaats van een licht op ons pad, een vrijbrief voor de boosheid des harten worden. Uit dit alles blijkt op afdoende overtuigende wijze, dat van een op den klank af aanhalen uit de Heilige Schrift geen sprake mag zijn. Of wien is het onbekend, hoe zelfs de woorden van Jezus, doordien men ze uit hun verband rukte, vaak bitterlijk misbruikt zijn? Denk slechts aan het woord van Jezus tot de overspelige vrouw; aan zijn zeggen tot Judas, dat wij de armen altoos bij ons hebben; aan zijn vermaan om als de leliën des velds en de vogelen des hemels te leven; aan zijn zeggen tot Satan, dat de mensch bij brood alleen niet zal leven; en zooveel meer. Afzonderlijke geschriften moesten er uitkomen, om deze vervalschte en uit hun verband gerukte Schriftuurplaatsen weer terecht te zetten, en te doen herleven in haar oorspronkelijke beteekenis. Het spreekt toch immers vanzelf, dat welke uitspraak ook, alleen in haar verband kan worden verstaan; en juist op dat verband wordt door hem, die een enkel vers, losweg, aanhaalt, zoo bijna nimmer gelet.

Steeds meer is men dan ook tot het inzicht gekomen, dat de Openbaring der Heilige Schrift geen mozaïek is, maar een organisch geheel vormt. Het verschil tusschen deze twee is duidelijk. In een vloer of wand van mozgiek liggen allerlei steentjes van verschillende tint, vorm en afmeting naast elkaar, zonder dat het ééne stukje innerlijk met het andere saamhangt. Bij een wijnstok daarentegen, die als zoodanig een organisme vormt, bestaat er rechtstreeksch levensverband tusschen den fijnsten wortelvezel en de opperste twijg of druiventros die tusschen de ranken gloort. Alzoo nu |160| is de Schrift. De ongeopenbaarde waarheid zien we uit haar wortel opkomen, maar eerst na lang proces neemt de vrucht dier waarheid den vollen afgewerkten vorm aan. Om slechts dit ééne te noemen: de belijdenis der Heilige Drievuldigheid ontdekt haar mysterie reeds in het Paradijs, maar toch is eerst vlak voor Jezus’ hemelvaart, in het bevel tot den Doop, de belijdenis van Vader, Zoon en Heiligen Geest in haar voleindigden vorm te voorschijn getreden. En het is juist dit organische karakter der Heilige Schrift, dat door het op den klank af citeeren van een uit zijn verband gerukt vers ten eenenmale miskend wordt.

*

Nog twee andere vraagstukken hangen hiermede saam, die vooral op staatkundig terrein gewicht in de schaal werpen. Het eerste raakt de staatsinrichting van Israël, het tweede de voorkeur, aan het dusgenaamde „Evangelie” gegeven boven de openbaring in het Oude Testament. Over beide slechts een kort woord.

Wat het eerste vraagstuk betreft, ligt het voor de hand, dat men zegt: Indien de staatsinrichting, die Israël ontving, aan Israël door God zelven gegeven is, wat kunnen we dan beter doen, dan ook in ons land die van God zelve herkomstige staatsinrichting invoeren? Meer dan eens is dan ook in dien zin geraden; en ook waar men dit niet in het algemeen aandorst, beriep men zich toch telkens bij detailpunten op hetgeen God zelf voor Israël verordende, om het ook in onze Staatsinrichting te eischen. Ten opzichte van den Staat beging, men hiermede echter dezelfde fout, die zoo telkens begaan wordt, als men de toestanden der kerk onder Israël als regel stelt voor de geïnstitueerde kerken van thans. Een fout, die hierin school, dat men geheel voorbijzag, hoe de inrichting van Staat en Kerk niet voor alle tijden, alle volken, en onder alle omstandigheden dezelfde kan wezen, maar afhangt van plaatselijke en tijdelijke aangelegenheden. Juist omdat Israëls staatsinrichting door God zelven was gegeven, rekent zij met die gelegenheden, want God zelf had dit onderscheid tusschen plaatsen en tijden verordend. Doch daaruit volgt dan ook, dat het in strijd met Gods bedoeling zou zijn, en tegen de ordinantiën Gods in zou gaan, indien men, kortweg, hetgeen destijds en in het land van Palestina voor dat bepaalde volk verordend was, ten regel ging stellen voor alle volk, in geheel andere tijden, en onder geheel andere omstandigheden. Dat onderscheid gaat, tot op zekere hoogte, zelfs voor de Tien geboden door. Wij houden niet den zevenden dag. Wij hebben „geen vreemdeling” in onze poorte. Niet dan bij hooge uitzondering hebben wij een trek-os of een ezel. En reeds de aanhef: „die u uit Egypteland, uit het diensthuis, heb uitgeleid” toont het verschil. Reeds in de 16de eeuw schreef daarom Franciscus Junius een afzonderlijk tractaat, om de vraag te beantwoorden, in welken |161| zin en in hoeverre de verordeningen, namens den Heere door Mozes aan Israël gegeven, ook voor ons geldende kracht bezaten. Hij schreef dit opstel vooral ook om diegenen tegen te staan, die, overmits de Mozaïsche wetgeving in dien gegeven vorm op ons niet toepasselijk was, haar deswege voorstelden als voor ons zonder beteekenis; wat dan weer samenhing met de opzijzetting van het Oude Testament, die vooral onder de Lutherschen insloop. Hier moest alzoo een regel gesteld; en na lang en breed geschil hierover, is men thans vrij algemeen tot deze conclusie gekomen, dat men hier te onderscheiden heeft tusschen de beginselen, die aan deze Mozaïsche wetgeving ten grondslag liggen, en tusschen den bepaalden vorm, waarin deze beginselen in de Mozaïsche wetgeving hun toepassing vonden. Niet dat iemand juist „gesteenigd” moet worden, maar wel dat de „doodstraf” te handhaven is, blijkt uit de Boeken van Mozes. En om dit ééne nog slechts te nemen: er blijkt niet uit, dat het landbezit juist in elken stam en in elke familie moet blijven zooals het van ouds was, maar wel, dat de wetgeving, die het landbezit regelt, andere eischen stelt dan de wetgeving voor het roerend goed. Zeer diepe studie van de Mozaïsche wetgeving is daarom plicht; maar die studie moet er steeds op gericht zijn, om de blijvende beginselen en den voorbijgeganen vorm van hun toepassing scherp te onderscheiden.

Over het „Evangelie” in ons volgend opstel.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXII, De Heraut No. 1163 (8 april 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001