XXI. Kerk en Staat 9

Want de Heere geeft wijsheid; uit zijnen mond komt kennisse en verstand.

Spreuken 2 : 6. a


Wat maakt nu in zaken van Staat een ding Christelijk? Ziedaar de alles beheerschende vraag, waarop het hier aankomt, en waarbij we, gelijk gezegd, voorshands de Kerk geheel buiten spel laten, om geheel en uitsluitend de aandacht regelrecht op wat politiek is, saam te trekken. Wat maakt een landswet, een koninklijk besluit, een regeeringsniaatregel, een daad van het publiek gezag, een rechtsbedeeling, een rechtspraak, en zooveel meer, Christelijk, en wat maakt dat dit alles on-Christelijk is? Wat drukt op een stelsel van staatsrecht, op een staatsinrichting, op een staatkunde, op een staatsvorm het stempel van Christelijk, en wat brengt te weeg, dat dit alles het stempel van Christelijk mist? Omtrent die uiterst gewichtige vraag bestaat een schromelijk misverstand, en juist daardoor een gevaarlijke verwarring van gevoelens. Men brengt toch in al zulke beteekenis den naam Christelijk rechtstreeks met den Christus in verband, en acht, dat het hier óf aankomt op een bepaalde uitspraak van Jezus over zulk een aangelegenheid, óf wel dat het „Christelijke” ontstaat door de belijdenis van den Christus als Verlosser en als den verhoogden Koning van het Godsrijk. De Dooperschen leerden: Jezus heeft gezegd: „Zweert ganschelijk niet”, „wie het zwaard draagt, zal door het zwaard vergaan,” enz.; alzoo is het Christelijke staatkunde den eed en het leger af te schaffen. Anderen zeggen weer: De Staat wordt Christelijk doordat ze de ware Kerk als Staatskerk huldigt, erkent, eert en begiftigt. Weer anderen: |148| Ge zijt Christelijke staatslieden, zoo ge uw vergaderingen begint meteen gebed in Jezus’ naam. Nog anderen beweren, Christen-staatsman te zijn, omdat ze voor de zaligheid hunner ziel in Jezus gelooven, ook al richten ze den Staat nog zoo mammonistisch in. Of heeft Jezus zelf niet gezegd: „De armen hebt ge altijd met u?” En zou het dan niet on-Christelijk zijn, den Staat zoo in te richten, dat er geen armen meer waren? Kortom, men heeft op allerlei wijs dat „Christelijk” in zaken van Staat pogen te verklaren, door het op de ééne of andere wijs, rechtstreeks, met den persoon of met het woord van den Zaligmaker in verband te brengen. En juist daardoor is men mis gegaan, op het dwaalspoor geraakt, en uitgegleden.

Men vergat daarbij, dat een bijvoegelijk naamwoord (en dat is Christelijk immers?) altoos iets is, dat bijgevoegd wordt bij een zelfstandig naamwoord. Dat zelfstandige naamwoord is hier: de Staat, de Overheid, de wet, of welk ander politiek begrip ge nemen wilt, en daar wordt dan als een bijkomende hoedanigheid het Christelijke aan toegevoegd. Een Staat kan dus Staat, een Overheid kan Overheid, een wet kan wet zijn, ook zonder Christelijk te wezen. In dat zijn van Staat of Overheid of wet, ligt het zelfstandige, d.i. het wezen der zaak, en „Christelijk” is een bijgevoegd woord, om uit te drukken, welk karakter die Staat, die Overheid, die wet vertoont. En in dien zin nu gekomen, beteekent die bijvoeging van „Christelijk” op zichzelf nooit iets anders dan die Staat, die Overheid, die wet is, gelijk ze volgens den klaarlijk geopenbaarden wil van God zijn moet. Van dien wil ligt allerlei openbaring reeds in de natuur der dingen, maar een veel klaardere openbaring in de Heilige Schrift, en die openbaring van de Heilige Schrift spreidt alzoo een meerder licht op de natuurlijke openbaring. En is nu die klaarste openbaring van Gods wil juist gevat, en is dienovereenkomstig de Staat ingericht, de Overheid handelend en de wet uitgevaardigd, dan is het hoogste bereikt, dat, op aarde, in deze bedeeling der dingen denkbaar is, en alsdan staat op dit alles het Christelijk stempel afgedrukt. Liet zich de mogelijkheid denken, dat dit alles alzoo werd ingericht door een vorst die nooit van den Christus gehoord had, dan zou de inrichting van zijn Staat toch in haar wezen volkomen Christelijk zijn. En alleen de omstandigheid, dat niemand daartoe kan geraken zonder geloof in de Heilige Schrift, en dat niemand in de Heilige Schrift kan gelooven, of hij moet de knie voor den Christus buigen, is oorzaak, dat alleen belijders van den Christus tot Christelijke staatsvorming, Christelijke staatsinrichting, en Christelijk staatsbestuur komen kunnen.

*

De zaak ligt derhalve aldus: Ge hebt als Staat te doen met menschen, met mannen en vrouwen, met kinderen, volwassenen en ouden van dagen, met armen, redelijk voorziene en rijke personen. Ge hebt te doen met |149| eerlijke en oneerlijke, met brave en goede menschen. Ge hebt te doen met de vereeniging van merfschen in gezinnen, in geslachten, in familiën, in maatschappijen en genootschappen. Ge hebt te doen met handel en nering, met nijverheid, zeevaart en landbouw. Ge hebt te doen met uw eigen volk en met andere natiën. Ge hebt te doen met zaken van politie, met burgerlijke twistgedingen en met overtreding en misdaad. Alles saamgevat, kunt ge dus zeggen: Ge hebt te doen met personen en goederen, en met alle verhoudingen en betrekkingen die hieruit onder menschen ontstaan. Het komt er dus op aan, dat ge omtrent die personen en die goederen, en omtrent alle verhoudingen onder menschen en van menschen tot goederen, een juist begrip hebt, en weet, hoe de verhoudingen bij dit alles behooren te zijn. Als dienaresse Gods heeft de Overheid bij dit alles niet af te gaan op eigen verzinning of op eigen theorie, maar te vragen, waarvoor God wil dat we die personen en die goederen zullen aanzien, en welke verhoudingen God wil dat tusschen de menschen zelven onderling en zoo ook tusschen hen en dat goed bestaan zal. Zijn die begrippen zuiver en worden die verhoudingen juist geregeld, dan is het hoogste bereikt dat te bereiken is, en draagt alles het Christelijk eerestempel. Maar zoo is het, waar het Christendom niet gekend is, niet. Waar het Evangelie niet gekend was, daar ging men bij dat alles af op eigen inzicht, en dat inzicht steunde uitsluitend op de openbaring in de natuur en in de geschiedenis, zonder meer. Daar wandelde en handelde men dus uitsluitend bij en naar het licht der Gerneene Gratie, en kon men alzoo tot de eere van het Christelijk karakter van den Staat niet opklimmen. Het was daarom nog geen antiChristelijke toestand, want dat zou onderstellen, dat men den Christelijken eisch van dat alles doorzien had, en alstoen met opzet tegen dien Christelijken eisch ware ingegaan. Neen, het leidde eenvoudig tot een nog niet Christelijken toestand, lager gezonken, naarmate het licht der Gemeene Gratie flauwelijker scheen, hooger geklommen, zoo het licht der Gemeene Gratie rijkelijk toevloeide. In meer dan één opzicht soms het Christelijke zeer nabij komende.

Doch nu dringt in zulk een land, onder zulk een volk, het Christendom door. Dat Christendom brengt kennisse van de Heilige Schrift, en daarmee klaarder inzicht omtrent den wil Gods, ten opzichte van alle persoon, alle goed en alle verhouding onder menschen. Die meerdere en betere kennisse verkrijgt allengs meer invloed op de algemeene denkbeelden, die onder hen heerschen. Die betere denkbeelden, die helderder inzichten, die betere overtuigingen, dringen allengs ook tot de regeeringskringen door. Hierdoor ondergaat het staatkundig inzicht een wijziging. Die wijziging wordt gaandeweg met klaarder bewustzijn uitgewerkt. En ten slotte ontstaat er een toestand, waarvan men zeggen kan, dat de algemeene grondslagen van het staatsleven alsnu in overeenstemming zijn gebracht met het licht, |150| dat ons in de Heilige Schrift geopenbaard is, en alzoo steeds meer beantwoorden aan de ordinantiën Gods. In dat geval nu legt zulk een Staat zijn heidensch of Mohamedaansch karakter af, en begint als Staat een Christelijk karakter te vertoonen.

Dat wil niet zeggen, dat de Overheid op een bepaalden dag de heidensche of Mohamedaansche staatsinrichting op zij zet en afschaft, en alsnu een gansch andere staatsinrichting, namelijk de Christelijke, daarvoor in de plaats stelt. Integendeel, al wordt de boom geënt, het blijft de oude, oorspronkelijke boom, groeiend en bloeiend op den bestaanden wortel. Maar er heeft enting plaats. De wilde loten worden weggesnoeid, en de uit den wortel opkomende levenssappen worden in een gewijzigd twijgenweefsel geleid. Het nieuwe en betere sluit zich aan het bestaande aan, en leidt dit over in iets dat hooger staat. Dit geschiedt niet plotseling, maar van lieverlede, soms zeer langzaam. Het Christendom heeft de slavernij afgeschaft, maar na hoevele eeuwen? En nog is het op menige plaats te vroeg geschied. En toch lijdt het geen twijfel, of de verhouding van mensch tot mensch mag naar Gods wil niet die van eigendom en eigenaar zijn. Het dier mag bezit zijn, de mensch niet. Er is hier uit dien hoofde sprake van een proces, en in het minst niet van een plotselingen ommekeer van zaken. Maar zoodra dat proces op het gevoelige en beslissende punt eenmaal begonnen is, gaat het door, en is eenmaal de wil beleden, om den Staat niet meer uitsluitend naar het licht der Gemeene Gratie, maar alsnu ook naar het klaarder licht van Gods Woord in te richten, dan is zulk een Staat in zijn wezen reeds Christelijk geworden, ook al zal de volle ontplooiing van het nieuwe ingeënte beginsel nog eeuwen toeven. Niets van het vroeger verworvene, voorzooverre het goed was, wordt dan weggeworpen. De vroegere ontwikkeling is in het minst niet doelloos geweest. Enting heeft met afhouwen van den stam niets gemeen. En al is het dan ook, dat nog allerlei wilde takken van vroeger na blijven botten, dit beslist voor den stam niet. Ook bij het voortbestaan van sommige zeer ergerlijke misbruiken, is het karakter van den stam dan toch Christelijk geworden.

*

Natuurlijk is dit niet enkel door het veldwinnen van betere, afgetrokkene begrippen geschied. Indien de Kerk niet onder de natiën ware opgetreden, indien de harten niet tot den levenden God bekeerd waren geworden, en indien daardoor niet de zedelijke kracht des Koninkrijks onder het volk ware uitgegaan om de zeden te verzachten en te heiligen, om allerlei demonische zonden althans van het publieke erf weg te dringen, en edeler, reiner gevoelens aan te kweeken, zou de mededeeling van zuiverder begrippen op zichzelf nooit een Staat gekerstend hebben of op een volk een Christelijk stempel hebben gedrukt. Alleen de ommekeer in het hart en |151| in de consciëntie der volken heeft de kerstening der Staten mogelijk gemaakt. Maar dat neemt niet weg, dat de vorsten en staatslieden wel ter dege met die betere begrippen hebben gewerkt. Elke wet, elk besluit, dat verhoudingen regelt, moet èn die verhoudingen èn de personen of zaken waartusschen die verhoudingen bestaan, noemen, in woorden uitdrukken, en dus als begrippen opnemen. Alleen maar beelde men zich niet in, dat de mannen die allengs aan de volken van Europa een Christelijke staatsinrichting gegeven hebben, dit altoos met volle bewustheid deden. Gelijk er zooveel kwaad geschiedt zonder dat men weet wat men doet, zoo ook doet menigeen o, zooveel goeds zonder het zelf te weten. De Kerk heeft het volkskarakter omgezet, het volk heeft de zeden veranderd, uit de veranderde zeden zijn andere eischen voortgekomen, en tal van wetten en besluiten, die er wel wezenlijk toe bijdroegen, om het staatsleven te kerstenen, zijn goeddeels schier onbewust uit dien drang van het leven opgekomen. Zelf al verwees men niet zelden naar een tekst uit den Bijbel, toch merkt men telkens dat die tekst er meer is bijgehaald, om den maatregel te rechtvaardigen, dat men door het lezen van dien tekst op het denkbeeld zou gekomen zijn, om dien maatregel te nemen.

In het eerst, toen pas de evenaar oversloeg, en het Heidendom de vlag moest strijken, handelde men ongetwijfeld niet zonder opzet, en dus ook niet zonder bewustheid. Doch die bewuste houding richtte zich veelmeer op het vernietigen van heidensche tempels, het afschaffen van heidensche feesten, het weren van afgodische gebruiken, en op het daarvoor in de plaats stellen van Christelijken eeredienst en Christelijke usantiën, dan op bewuste verandering van de grondslagen van het leven van staat en maatschappij. Het is in het brein van Keizer Constantijn en zijn eerste opvolgers zelfs niet opgekomen, dat de gemeene rechtsorde wijziging behoefde te ondergaan. Veeleer handhaafden ze de burgerlijke rechtsorde, gelijk die bestond, en plaatsten er eenvoudig het „in naam van Jezus Christus onzen Heere” boven. En de eigenlijke omzetting van de grondslagen van den Staat zelven is eerst van lieverlee, en dat vaak in strijd met de beleden rechtsorde, onder den onweerstaanbaren drang van het Evangelie tot stand gekomen. En toen in de Middeleeuwen dit langzaam proces allengs had doorgewerkt, en de kerstening van de meeste landen van Europa nagenoeg voltooid was, toen ging het bewustzijn van de vroegere tegenstelling tusschen het Christelijk en het vroeger-Heidensch karakter dezer Staten zoo bijna volkomen teloor, dat in de dagen der Hervorming geen tegenstelling tusschen Christelijke en niet-Christelijke Staatkunde meer gevoeld werd. Over den mensch als zondaar, over het karakter van het strafrecht, over het gezin, over het huwelijk, en zooveel meer, was men destijds tot zoo vaste conclusiën gekomen, dat de leidende geesten destijds over de grondslagen van het Staatsleven geen verschil |152| meer hadden. De Renaissance had in Italië zekere woeling in de geesten teweeg gebracht, de Anabaptistische secte hanteerde het breekijzer, en over de macht der vorsten en de rechten en vrijheden van het volk kwam ook van Calvinistische zijde een andere reeks denkbeelden op; maar dat naar Gods wil was te vragen, dat bij het vragen naar Gods wil ook met de Heilige Schrift te rekenen viel, en dat de burgerlijke rechtsorde de heerschende Christelijke denkbeelden had te verzekeren, stond bij allen, die zeggenschap over Staten en volken hadden, vast. Ze spraken destijds dan ook zeldzaam van Christelijke Staatkunde of Christelijk Staatsrecht, of van een Christelijk Staatsman. De bijvoeging van Christelijk verloor haar beteekenis, omdat, Christelijk het gewone en het door allen stilzwijgend erkende was.

Juist dit echter heeft de doorwerking van het Christelijk beginsel belemmerd en ten slotte gestuit. Er kwam zelfvoldaanheid. En eerst toen de oude tegenstelling weêr opkwam, is ook het besef, dat het Christelijk karakter in het Staatsleven gehandhaafd moest worden, weer doorgedrongen. Toen de Christelijke mantel door de machthebbers gebruikt werd, om de volken te onderdrukken en op een on-Christelijke wijze, onder allerlei vroom vertoon, van hun bestemming af te houden, toen is uit bitterheid de oude heidensche geest weer opgekomen, en heeft men allerlei nieuwe denkbeelden omtrent de grondslagen van staat en maatschappij aan den man gebracht, die er met bewustheid op doelden, om de Christelijke grondslagen los te wrikken en naar de oude Heidensche denkbeelden terug te keeren. Ook dat ging niet opeens, en langen tijd merkten de volken den geleidelijken overgang niet. Nog zijn er volken, en in elk volk kringen, die slapend meê overglijden. Maar eindelijk is men dan toch alarm gaan slaan. Klaarlijk heeft men ingezien, dat het de pertinente toeleg was, om de Christelijke grondslagen van ons staatsleven en van onze burgerlijke rechtsorde weg te nemen, en zóó is van lieverlede het plichtsbesef, om zich tot de verdediging van die grondslagen in het huwelijk, in het gezinsleven en zooveel meer, op te maken, in steeds breeder kring weer levendig geworden. Zoo dient elke nieuwe worsteling den Raad des Heeren, komt de waarheid in steeds klaarder licht voor ons te staan, en gaat de geopenbaarde wil des Heeren voort, zich aldoor helderder in ons bewustzijn af te spiegelen.

*

Zal men nu zeggen, dat, zoo onder „Christelijke” staatkunde enz. dit, en niet anders, te verstaan is, die naam dan ook niet deugt? Dat ontkennen we ten stelligste. Er mag geen tittel of jota op worden afgedongen, dat op het geheele terrein van het natuurlijk leven, en dus ook op dat der Gemeene Gratie, niets uitgaat, noch kan uitgaan, boven de conformiteit aan |153| den op het zuiverst geopenbaarden wil van God; en onder dit gezichtspunt is het volkomen waar, dat „Christelijk” eensluidend is met het „beste”; mits men onder het beste versta, niet wat óns het beste lijkt, maar wat is conform den wil van Hem, die er alleen zeggenschap over heeft. En toch zou het op niets dan zelfmisleiding, en misleiding van anderen, uitloopen, indien men deswege ophield van „Christelijke” staatkunde te spreken en er de uitdrukking: goede, betere, beste staatkunde voor in de plaats stelde. Dit zou alleen dan geoorloofd, en zelfs raadzaam kunnen zijn, indien ook elders, buiten den invloed van het Evangelie om, in een land dat van geen Christendom afwist, ooit dezelfde grondslagen voor de sociale en politieke samenleving gevonden waren. Doch dat is niet het geval, en kon het niet zijn: 1º. omdat het licht der Gemeene Gratie zoover niet strekt; 2º. omdat zij, die onder de Gemeene Gratie, zonder meer, leven, op elk terrein dat met het zedelijk leven in verband staat, blijkens Rom. 1, „overgegeven zijn in verkeerden zin”; en 3º. omdat alleen waar het licht der Bijzondere Openbaring den glans der Gemeene Gratie kwam versterken, een staats- en volksleven op deze betere grondslagen is opgebouwd.

Reeds wat den oorsprong aangaat, is het leven op sociaal-politiek gebied onder de Europeesche volkeren beheerscht geworden door overtuigingen, die rechtstreeks uit Palestina herkomstig waren, en die, eeuwenlang in den boezem van het Joodsche volk besloten, de wereld eerst toen overwinnend zijn ingegaan, toen de Christus verschenen was en zijn Evangelie den triomf over het inzinkend Heidendom had behaald. In de tweede plaats komt hierbij, dat we voorshands met opzet de Kerk buiten onze beschouwing lieten, om al wat op de verhouding tusschen Kerk en Staat betrekking heeft, eerst dan ter sprake te brengen, als eerst het denkbeeld van den Christelijken Staat duidelijk voor ons zal zijn getreden. Maar hierbij mag, gelijk we reeds opmerkten, toch nooit worden vergeten, dat zoo Christus niet gekomen ware, en zijn Kerk den geest der volken niet had omgezet, nooit de zedelijke voorwaarden aanwezig zouden geweest zijn, waaraan voldaan moest worden, zou er een Christelijk staatsleven kunnen opkomen. In de derde plaats mag niet vergeten worden, dat de heilige openbaring Gods onder het Oude Verbond, tengevolge der Ballingschap, in Joodsche enghartigheid was bekneld geraakt, en dat het eerst de Christus is geweest, die dezen ban van het Judaisme verbroken heeft, en den vollen glans van de Wet en de Profeten heeft doen uitschijnen. Men vergist zich dan ook, zoo men het zich voorstelt, alsof Jezus en zijn apostelen uitsluitend de vraag hebben beantwoord, hoe de zondaar zalig kan worden. Reeds uit de vier Evangeliën is het duidelijk, hoe Jezus, gedurig en telkens, wel terdege ook over de gewone verhoudingen in dit leven zijn oordeel uitsprak; en de apostolische brieven toonen ons, hoe zijn apostelen hem hierin zijn nagevolgd. Denk, wat het staatsleven betreft, slechts aan |154| Rom. 13. De nadere openbaring van Gods wil, ook wat de dingen van het natuurlijke leven aangaat, is eerst in de geschriften des Nieuwen Verbonds voltooid. Geen oogenblik mag dus het staats- en volksleven, dat na de kerstening van Romanen, Germanen en Slaven in Europa ontstaan is, van de verschijning van den Christus worden losgemaakt. Er was voor de natiën in den Christus een belofte voor het toekomende én voor het tegenwoordige leven.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XXI, De Heraut No. 1162 (1 april 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001