XX. Kerk en Staat 8

Ik ben de Heere, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kent.

Jesaja 45 : 5. a


Het punt, waaraan we thans toe zijn, is voor geheel ons oordeel over den Staat, en al wat op den Staat betrekking heeft, van zoo overwegend gewicht, dat we thans vooral onverdeelde aandacht vragen. We spreken niet van een Christen-architect, niet van een Christen-tandarts, niet van een Christen-schrijnwerker, maar wel van een Christen-Staatsman; en toch behoort zoowel de werkkring van een bouwmeester en schrijnwerker als die van een Staatsman, tot het gebied des natuurlijken levens, en niet tot dat der Particuliere Genade. Wel kan men, met het oog op een bepaald persoon, zeggen: „Dat is een Christen-architect, of een Christenmeubelmaker,” maar dan bedoelt men met dat „Christen” heel iets anders, dan in de verbinding van „Christen” met Staatsman. Men wil dan zeggen: „Als ge een architect noodig hebt, of schrijnwerker, laat uw keuze dan op hem vallen, want die man is een Christen, een broeder in het geloof; gun hem dus het profijt van wat ge te bouwen of te meubelen hebt.” Of ook kan men er in ethischen zin mee willen zeggen: „Als ge een vertrouwd persoon wilt hebben, op wiens stipte eerlijkheid ge aan kunt, neem dan hem, want ik weet, hij is een echt Christen.” In het eerste geval bedoelt ge het dusgenaamd „bevoordeelen der broederen,” zooals anderen bij voorkeur aan leden van hun familie of aan goede bekenden hun klandisie geven. In het tweede geval hebt ge het oog op den zedelijken waarborg, dien zulk een leverancier of bouwmeester u biedt door zijn oprechte godsvrucht. Maar nooit zult ge, met te spreken van een „Christen-architect”, aanduiden, dat de man, overmits hij een geloovig Christen is, beter |141| verstand van bouwen heeft; noch ook van een Christen-schrijnwerker, om te kennen te geven, dat hij, omdat hij bekeerd is, fraaier meubelen maakt; noch ook van een „Christen-tandarts,” als onderstelt ge, dat hij, dewijl hij Jezus belijdt, u beter dan een ander uw kies zal trekken. Er bestaat voor ons besef geen rechtstreeksch verband tusschen ons zaligmakend geloof en één dier emplooien; en ook valt niet in te zien, wat het geloof aan de Heilige Schrift den bouwmeester, den tandarts, den schrijnwerker leeren zou omtrent zijn vak. Waar men desniettemin er soms aan hecht, om te weten of zulk een man een Christen is, gaat zulks dan ook geheel buiten zijn vak om, en hebben we alleen belang bij zijn zedelijke hoedanigheden, die door zijn geloof vaster kunnen staan, of ook op het belang van den kerkelijken kring, waartoe we, evenals hij, behooren. Wel staat het vast, dat het God is, die ook den architect leert bouwen, en den schrijnwerker zijn handwerk leert, maar deze onderwijzing Gods komt tot stand niet door de Schrift, en niet door het geloof, maar door de ordinantiën Gods in de natuur, onder de behoudende inwerking der Gemeene Gratie.

Spreekt men daarentegen van een „Christen-Staatsman,” dan bedoelt men heel iets anders. Want wel geven we toe, dat men bij de stembus iemand zijn stem kan geven, omdat men in elk geval aan een „broeder in den geloove” voorkeur schenkt; en ook erkennen we, dat men bij het doen eener benoeming meer vertrouwen kan stellen in de eerlijkheid en in de goede trouw van een belijdend Christen voor het behoorlijk waarnemen van zijn bediening; maar toch niet dát is het, waarop men het oog heeft, als men van een „Christen-Staatsman” spreekt. Zelfs kan men hierin zelfs te ver gaan. De ondervinding leert, dat er in posten en betrekkingen niet zelden ongeloovige personen zijn, die met groote zaakkennis en stipte plichtsbetrachting hun ambten waarnemen, en dat omgekeerd, helaas, de voorbeelden niet ontbreken van „geloovige personen” die hun betrekking slordig waarnemen, en in plichtsbetrachting en zaakkennis te kort schieten. Bij gevaarlijke operatiën staat het lang niet altoos vooruit vast, dat een „geloovig” chirurgijn beter zal opereeren dan een „ongeloovige”, en bij een belangrijk proces gaf menigeen niet ten onrechte voorkeur aan een ongeloovig advocaat boven een geloovig pleitbezorger. Bij operatie en pleidooi komt het aan op speciale talenten, en die speciale talenten regelen zich niet naar geloof of ongeloof. Het geldt hier talenten die tot het terrein van het natuurlijke leven, en dus tot het gebied van de Gemeene Gratie behooren, en niet tot dat van de Kerk of, van de Particuliere Genade. Doch hoe komen we dan aan de uitdrukking van een Christen-Staatsman, daar toch immers ook het Staatsleven tot het gebied van het natuurlijke leven behoort, en niet tot dat van de Kerk?

*

|142| Vooraf zij hier een kort antwoord ingeschoven op een geheel andere vraag, die ons herhaaldelijk gedaan is, en die alzoo opheldering schijnt te vereischen. Waarom, zoo vroeg men ons meer dan eens per brief, spreekt ge toch altoos van „gemeene”, en niet van „algemeene” Gratie oftewel Genade. Het antwoord op deze vraag is eenvoudig: Onze vaderen spraken van „gratia communis” en communis is in onze taal niet algemeen, maar gemeen. „Algemeen” heet in het Latijn: universalis, ons universeel. Dat nu deze beide begrippen practisch vaak ophetzelfde neerkomen, betwisten we niet, maar toch bestaat er een onderscheid tusschen, dat het beter is niet te loor te doen gaan. Dat onderscheid is hierin gelegen, dat universeel beduidt iets wat overal gevonden wordt, wat allerwegen geldt, en uit den aard der zaak op een ieder toepasselijk is, terwijl omgekeerd communis of gemeen wijst op iets, dat aan zekeren kring gemeenschappelijk is. Hier nu is die kring de menschheid, ons menschelijk geslacht, en aan dezen kring is deze gratie gemeenschappelijk. Universeel, of algemeen, neemt de personen of zaken op welke het betrekking heeft, als op zichzelf staande, zonder verband of samenhang, en spreekt nu uit, dat bij deze allen hetzelfde geldt of gevonden wordt. Voorschriften zijn „algemeen”, zoo ze zonder onderscheid op alle enkele objecten slaan. Een stelling is „algemeen”, zoo ze in elk gegeven geval doorgaat. Een inleiding is „algemeen”, zoo ze zich nog niet in bijzonderheden verdiept, maar zich bepaalt tot datgene wat van al het bijzondere geldt. Daarentegen spreekt men van een communis opinio, wat wij noemen het gemeene oordeel, omdat die opinie zich in een bepaalden kring gevormd heeft, en nu in dien kring aller gemeengoed is. Zoo sprak men van gemeenebest, om uit te drukken een kring waarin allen saam hun levensgeluk najoegen. Zoo is „gemeen” accoord, hetgeen in een bepaalden kring overeengekomen is. Op „gemeene kosten” beduidt, dat men in zekeren kring de kosten gemeenschappelijk draagt. „Gemeene weide” beteekent de weide waarop alle veehouders van zekeren bepaalden kring hun vee kunnen laten grazen. „Door den druk gemeen maken”, wil zeggen het stuk onder het bereik brengen van den kring waarin onze taal verstaan wordt. Hier, waar dus sprake is, niet van iets wat van nature in ieder gevonden wordt, maar van een aan den kring der menschheid gegeven goed, hebben onze vaderen dan ook zeer terecht niet van gratia universalis gesproken, maar van gratia communis. „Universeele gratie” was een term bij hun tegenstanders geliefd. Van voornemens, dit leerstuk grondig te behandelen, hadden wij ons derhalve af te vragen, welke titel de meest juiste zou zijn, en toen meenden we aan: gemeene Gratie de voorkeur te moeten geven.

Wel is waar, dat „gemeen” niet veel meer in gebruik is, maar toch blijkt reeds uit de bovenaangehaalde uitdrukkingen, dat onze taal ook heden nog dat „gemeen” zeer wel in dien zin kent. En is dit zoo, dan verfijnt het |143| de taal indien we bij zulke dingen, waarbij het op fijne onderscheidingen aankomt, verstervende uitdrukkingen nog in het leven terugroepen. Het recht hiertoe zou men niet bezitten, indien het woord „gemeen” in dien zin ganschelijk in onbruik ware geraakt; maar dat dit hier niet het geval is, bleek ons, en inzage van het eerst ’t beste woordenboek kan dit bevestigen. Al denken we er dan ook niet aan, er iemand een verwijt van te maken, zoo hij anders kiest, wij voor ons meenden gegronde reden te hebben, om aan de uitdrukking „gemeene genade”, of „gemeene gratie”, voorkeur te geven. Dat we voorts van gratie, liever dan van genade, spraken, vond hierin zijn grond, dat „genade” door het spraakgebruik zoo eenzijdig voor „zaligmakende” genade wordt genomen, dat hier een algemeener woord verkieslijker scheen. „Gratie” is het nog algemeen gebruikte woord voor stuiting van executie; en overmits nu in ons breed betoog juist van die genade gehandeld wordt, die de executie van Gen. 2 : 17 stuitte, scheen „gemeene gratie” niet zoo oneigenlijk het karakter zelf van ons onderwerp uit te drukken. Ongetwijfeld ware deze opmerking beter aan haar plaats geweest bij den aanvang van onze behandeling, maar toen scheen het ons overbodig, de keuze van onzen titel toe te lichten. Nu echter bleek, dat er bedenking rees, meenden we onze nadere toelichting hier te moeten inschuiven.

*

En thans ter zake.

Als dan toch óók het staatsleven tot het domein van het natuurlijke leven behoort, in wat zin spreken we dan desniettemin van een Christen-staatsman, niet om daardoor zijn persoonlijke betrouwbaarheid uit te drukken, maar om aan te duiden dat hij een ander soort staatsman is dan een ongeloovige? Om dat in te zien, moet men teruggaan op de zegswijze van een: Christelijke Staat. Er zijn heidensche Staten, er zijn Mohamedaansche Staten, er zijn Christelijke Staten, en nader onderscheidt men onder de Christelijke Staten, Staten die Roomsch of die Protestantsch zijn, en nog nader onder de laatste Luthersche Staten, gelijk Denemarken, Zweden, Noorwegen, Pruisen enz., en niet Luthersche Staten, gelijk Nederland, Engeland, de Vereenigde Staten, en Zwitserland; welke laatste Staten, alle, zonder onderscheid, hun geboorte-acte aan Calvijn ontleenen. Wat is nu een Christelijke Staat? Deze uitdrukking is opgekomen uit tegenstelling. Het Christendom vond bij zijn opkomen den Joodschen Staat in Palestina, en voorts enkel heidensche Staten. In deze Staten heeft de Christelijke kerk eerst als vervolgde verkeerd. Die Staten hebben gepoogd het Christendom te vuur en te zwaard in zijn opkomen te stuiten, en het uit te roeien. Toch heeft die weerstand niet het doel getroffen, waarop men afging. Het corps der martelaren bleek het zaad der kerk. Van lieverlede woog de |144| Christelijke invloed tegen den Heidenschen invloed op. Eindelijk sloeg de balans door; en toen keizer Constantijn zelf tot het Christendom overging, sloeg de evenaar door, en werden de rollen derwijs omgekeerd, dat van nu voortaan het heidendom vervolgd werd, en de Christenen in eere en macht kwamen.

Van die ure af was het vroeger heidensch keizerrijk een „Christelijke Staat” geworden. En toen onder den invloed van dat gekerstend keizerrijk, allengs de verschillende volken boven de Alpen, die staten stichtten, eveneens den Christelijken Doop ontvingen, werden ook deze als Christelijke Staten gequalificeerd. Een benaming die nog meer nadruk ontving door de tweede tegenstelling waarmede het Christendom te worstelen kreeg, t.w. door den Islâm. Toen in de 7de en 8ste eeuw de Islâm een goed deel van Azië, Afrika en Europa veroverde, en in al deze landen zijn Staatsmacht vestigde, kwam het Kruis tegenover de halve Maan te staan, en stond het voor korten tijd zelfs te vreezen, dat de Islâm het Christendom geheel verdelgen zou. Tot in de 15de eeuw heeft die reuzenworsteling, waarvan de kruistochten het middenpunt vormden, geduurd. En het is vooral door die laatste tegenstelling, dat het staatsleven in Europa zich steeds helderder van zijn Christelijk karakter is bewust geworden.

*

De reformatie brak dit Christelijk besef van het Europeesche Staatsleven, door in den boezem der Christenheid zelve een tegenstelling in het leven te roepen. Rusland en de schismatieke kerk telde toen nog nauwlijks mede; maar scherp werd in oorlog na oorlog de tegenstelling tusschen Roomsche en Protestantsche Staten uitgewerkt. De Islâm begon te verbleeken, en de halve Maan was niet meer in staat het eenheidsbesef in de Christelijke wereld levendig te houden. Van daar, dat in de 16de en 17de en in het eerste deel der 18de eeuw, het begrip van den Christelijken Staat verflauwde, zoo niet uitsleet. En dit heeft geduurd, totdat er een geheel nieuwe tegenstelling opkwam, die zich, evenals eertijds het heidendom, en later de Islâm, tegen al wat Christelijk was stelde, en juist daardoor de tegenstelling tusschen hetgeen Christelijk en niet-Christelijk was, op het gebied van het staatsleven weer aan de orde stelde. Deze nieuwe tegenstelling kwam in de tweede helft der achttiende eeuw op in den vorm van een wijd-verspreiden afval van het Christelijk geloof, en in het opkomen onder de afgevallenen van een aan het Christendom vijandig beginsel. Dat beginsel heeft zich eerst wijsgeerig voortgeplant in Engeland en Duitschland, en heeft zich ten slotte in het staatsleven belichaamd door de Fransche Revolutie van 1789. We vragen nu niet, of het Christendom zijnerzijds hiertoe geen aanleiding had gegeven. De Christenen hadden hun krachten uitgeput in onderlingen strijd, en onder de Christelijke vlag zijn |145| destijds toestanden in het leven geroepen en daden verricht, die op het historie-blad den Christennaam hoon en smaad zullen brengen, zoolang deze historie standhoudt. Toch mag dit ons hier niet ophouden. We hadden de tuchtroede noodig, en God zond ze ons, niet als in de dagen van het Paganisme en van den Islâm door rechtstreekschen krijg en vervolging, maar heel anders, en veel ontzettender, door een gansch atheïstische levensen wereldbeschouwing te doen opkomen, die de volkeren verleidde, heel het Christelijk leven ondermijnde, en die, met de hulp van o, zoovele Christenen, thans schier op elk terrein van het leven getriomfeerd heeft. Het moderne leven is eenvoudig een ganschelijk ontkerstend leven. De drijvende macht van het staatsleven is thans een principiëel on-Christelijke en anti-Christelijke geworden. Christenen duldt ze nog, maar Christelijk mag de Staat niet meer zijn.

Die nieuw-opgekomen tegenstelling nu heeft de benaming van Christelijk staatsrecht, en zoo ook den naam van Christen-staatsman, weer in eere gebracht; meer nog, de naam van Christen-staatsman is er door geschapen. In de dagen onzer vaderen zou men dien naam niet verstaan hebben. Iemand die niet-Christen was, kende men toen niet, of althans hij telde niet meê. Wie geen Heiden of Mohamedaan was, gold vanzelf voor Christen en de bijvoeging van „Christelijk” gold destijds als even overtollig, als dat het voor ons zou zijn van den Christelijken Doop te spreken, wijl er geen andere Doop is. Maar sinds het laatst der vorige eeuw werd dit geheel anders. Wie nu niet met den stroom meê afdreef, gevoelde dat hij zich tegenover de heerschende meening plaatste. Men kwam weer tot het besef, dat aller Christenen gemeengoed bedreigd en aangerand werd. En onverschillig of men tot de Roomsche, de Grieksche of tot de Protestantsche kerk behoorde, men zag in, dat der Christenen gemeengoed tegen den gemeenen vijand te verdedigen was. Zoo sprak men toen van een Christendichter, van een Christelijke pers, van een Christelijke school, van Christelijk-nationaal onderwijs; en zoo begon men toen ook te spreken van een Christen-Staatsman. Daaronder werd dan verstaan een Staatsman, die de tegenstelling tusschen de oude Christelijke staatsleer en het moderne staatsrecht der Duitsche philosophie en der Fransche Revolutie inzag, en die voorts met bewustheid er op afging, om de beginselen van het oude Christelijke staatsrecht tegenover dit moderne staatsbeginsel te verdedigen. Dat er vaak bij werd gevoegd: Christelijk-historisch, beduidde alleen, dat men het moderne staatswezen als iets vreemds, iets nieuws, iets in onze Christelijke Staten niet thuis hoorende, brandmerkte, en zich beriep van de ontreddering van het heden op de vastigheid der historie. Zich „Christelijk-historisch” als Staatsman te noemen, en tegelijk de tegenstelling niet tegen het moderne Staatswezen, maar, als voor drie eeuwen, nog tegenover de Roomschen te nemen, is dan ook een al te stuitende oppervlakkigheid, en |146| een duidelijk blijk, dat men de teekenen der tijden niet verstaat. Wie zoo spreekt is er nog blind voor, dat er een geheel nieuwe principiëele tegenstelling geboren is, en dat de uitwerking dier nieuwe tegenstelling geen andere zijn kan, dan om het „gemeenschappelijk Christelijk bewustzijn” onder allen die zich naar den Christus noemen, te verlevendigen.

*

Hiermede is echter nog niet genoeg gezegd. Het kerstenen der Europeesche Staten in den tijd die van Constantijn tot 1789 verliep, is op uiterst gebrekkige wijze toegegaan, en heeft zich vooral op staatkundig gebied door groote oppervlakkigheid gekenmerkt. Ze bestond aanvankelijk in weinig anders dan in het verheffen van de Christelijke religie totden godsdienst van Staat. Alle heidensche Staten rustten rechtstreeksch op de Heidensche afgoderijen. Daarom achtte men gereed te zijn, zoodra men slechts voor de Heidensche Staatsafgoderij der volken, de Christelijke religie als Staatsgodsdienst in de plaats had gesteld, en zulks wel naar oud-Heidenschen, in plaats van naar Christelijken maatstaf. De kerk scheen geen hoogere roeping voor den Staat als Christelijken Staat te kennen, dan het inruimen aan de Christelijke Kerk van eindelooze privilegiën en van een gansch bevoorrechte positie, gepaard met de gewelddadige uitroeiïng van wat nog aan Heidensche afgoderij of Heidensche priestermacht was overgebleven. En al erkennen we volgaarne, dat de macht van het Evangelie ook in den boezem der volken een zoo radicale omkeering tot stand bracht, dat ge nu nog in Peking, Tokio of Stamboel komend, opeens ontwaart dat ge u te midden van een heel ander leven bevindt, toch mag niet verheeld, dat de eigenlijke staatsinrichting en het rechtswezen, in den grond der zaak nog veelszins een zeer herkenbare copie bleven van wat deze, met name te Rome, onder de vigeur van het Heidendom waren geweest. Gevolg hiervan was, dat ook in del 19e eeuw aanvankelijk de tegenstelling met het moderne staatswezen zich bijna uitsluitend bewoog om de vraag, hoe thans de verhouding tusschen Staat en Kerk zou geregeld worden, en dat van de zijde der Christenheid, vooral in Roomsche landen, schier eeniglijk op het handhaven van de kerkelijke privilegiën nadruk werd gelegd.

Al spoedig echter begon men, vooral in Protestantsche landen, in te zien, dat de tegenstelling veel dieper doordrong, en dat het er veelmeer op aan kwam, om de algemeene begrippen, die de staatsleer, het staatsrecht en het geheele staatswezen beheerschen, aan de beginselen van het Evangelie te toetsen. Men stond al spoedig tegenover een gansch andere orde van zaken, waarvan men gevoelde, dat ze niet klopte met de beginselen van onze Christelijke belijdenis. Dat noopte tot onderzoek naar de aanwijzingen, die het Christelijk beginsel gaf voor de antwoorden, die |147| te geven waren op de telkens nieuw opduikende vraagstukken. Aldus kwam men tot het inzicht, dat het in vroegere dusgenaamde Christelijke staatsleven tal van dingen nog altoos met het Christelijk beginsel in strijd hadden bestaan, en dat men, wel verre van eenvoudig het oude weêr op te halen, genoodzaakt was tot critiek op het verleden evengoed als op het heden, en dat men voor de taak stond, om van den grond af het gebouw van den Christelijken staat nieuw te bouwen. De man nu, die hiervoor oog heeft, en hieraan zijn leven wijdt, heet thans een Christen-staatsman.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XX, De Heraut No. 1161 (25 maart 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001