XIX. Kerk en Staat 7

Nadert, gij heidenen, om te hooren, en gij volkeren, luistert toe; de aarde hoore, en hare volheid, de wereld en al wat daaruit voortkomt.

Jes. 34 : 1. a


Met beslistheid moet elke voorstelling worden bestreden, alsof de openbaring Gods haar eisch slechts op een beperkt terrein zou doen gelden ; en nooit is voorzeker aan schrijver dezes grooter onrecht aangedaan, dan toen men hem de meening toedichtte en nahield, als zou hij beweerd hebben, dat de Openbaring van het Woord alleen voor de geloovigen gold, zoodat op staatkundig terrein alleen te rekenen viel met de natuurlijke Godskennis. We weten wel, hoe die ongerijmde voorstelling in de Wereld is gekomen, maar we verstaan nóg niet, hoe kundige schrijvers er toe gekomen zijn, om zulk een meening, als drukte ze ons ernstig gevoelen uit, ons aan te wrijven. Sympathie sprak hier stellig niet uit. Een niet al te oppervlakkige kennis van wat we op allerlei manier publiceerden, had ons voor zulk een betichting moeten vrijwaren. En het pleit stellig niet voor den broederlijken ernst, waarmee men ten onzent zoo gewichtige onderwerpen bespreekt, dat zulk een beweren niet slechts geuit is, maar zelfs in tamelijk breeden kring van hen, die ons niet lazen, gehoor en geloof vond. Dat we tegen zoo volstrekt onjuiste en door niets gerechtvaardigde voorstelling van ons gevoelen niet reeds vroeger opkwamen, is dan ook alleen daaruit te verklaren, dat er ongerijmdheden zijn, waartegen men zich niet verzet. Thans echter, nu het onderwerp dat we bespreken, ons vanzelf op dit vraagstuk brengen, wilden we toch met een enkel woord toonen, dat dit valsch gerucht ook ons ter oore was gekomen, al bepalen we er ons verder toe, om voorts positief het gevoelen uiteen te zetten, dat we steeds gekoesterd hebben, en dat voor geen Christenbelijder aan twijfel onderhevig kan zijn.

God heeft geschapen den hemel en de aarde en al wat er in is. Hij bezit |134| dienvolgens alle ding in hemel en op aarde als zijn volstrekt eigendom. Niets heeft uit dien hoofde recht tegenover Hem, maar omgekeerd is alle creatuur in den meest volstrekten zin aan zijn wet, aan zijn ordinantiën, aan zijn wil onderworpen. Dit geldt van de starren aan het firmament, van de sneeuwvlok die door de lucht dwarrelt, van den bloemknop die ontluikt, en van den nachtegaal die zijn lied in het loover zingt. Maar het geldt evenzoo van alle bewuste creaturen. Van de engelen voor Gods troon en van al wie mensch heet op deze aarde. Of die mensch arm is of rijk, machtig of hulpeloos, geleerd of onkundig, koning of onderdaan, maakt niet het allergeringste verschil. Ze zijn allen Godes, zijn eigendom, en aan zijn wil onderworpen. En ze zijn dit, zoowel voor dat deel van hun leven, dat niet, als voor dat andere deel van hun leven, dat wel door hun eigen wilsdaad doorleefd wordt. God heerscht in alle lichaam door zijn natuurwet, in alle creatuur door zijn wilsbeschikking, maar diezelfde God moet ook, en dat wel in volstrekten zin, heerschen in al wat de mensch of de engel doet of volbrengt met eigen nadenken en met eigen wilsuiting. Al wat in gedachten, woorden of daden niet conform den wil van God geschiedt, is zonde. En deze conformiteit aan Gods wil moet zoo volstrekt zijn, dat in alles de bede van het Onze Vader verhoord zij: „Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzoo ook op de aarde.”

*

Hieruit nu vloeit voor ieder mensch de plicht voort, om, zoo dikwijls hij te handelen heeft, te vragen: Welke de wil van God is. Dit kan hij niet anders te weten komen dan uit de Openbaring Gods, waar en hoe die ook te vinden zij. Is nu de Openbaring van God in zijn Woord, of wil men nader in de Heilige Schrift, een der rijkste stukken die we van de Openbaring Gods bezitten, dan spreekt het toch wel vanzelf, dat niemand vrij uitgaat, die deze Openbaring Gods in zijn Woord ongebruikt laat liggen, of buiten de rekening sluit; dat veeleer een ieder verplicht is, het licht dier openbaring op te vangen; en dat een ieder schuldig staat, die besluit en handelt, alsof deze Openbaring niet bestond. Dit geldt voor elk vader of moeder; dit geldt voor een ieder in zijn ambt, nering of bedrijf; dit geldt bij elke wetenschappelijke onderzoeking; dit geldt bij elke maatschappelijke onderneming; en dit geldt dus natuurlijk ook voor een iegelijk, die als magistraat of Overheid door God met macht over menschen bekleed is. Of zóódanige magistraat woont in China of Japan, in Azië of Afrika, in Turkije of in Nederland, doet niets hoegenaamd ter zake. De eisch is absoluut. Een iegelijk moet zich aan Gods wil conformeeren, en om dit te kunnen doen, onderzoeken welke de wil van God is, en om dit te weten alles onderzoeken waarin God zijn wil geopenbaard heeft; niet het minst de Heilige Schrift. Ook de tijd, waarin men leeft, maakt hier |135| geen verschil. In de tijden toen nog alleen het Oude Verbond bestond, was een ieder dááraan gebonden; en sinds het Nieuwe Testament uitging, bindt Oud en Nieuw Testament saâm een ieder mensch. Gelijk de koningin van Scheba naar Jeruzalem toog, om van de wijsheid van Salomo te hooren, zoo hadden destijds alle koningen en vorsten naar Sion moeten optrekken, om te leeren van Jehovah’s wegen. Ook nu nog moesten alle Heidensche en Mohamedaansche vorsten tot Europa en Amerika komen, niet enkel om te weten, hoe ze sporen moeten aanleggen en oorlogsschepen bouwen, maar veel meer nog om de wegen en de geboden Gods te leeren kennen; en elk zendingstation, dat in hun rijk gevestigd wordt, is een getuigenis tegen hen, waardoor hun schuld verzwaard wordt.

Onlangs wees Ds. Dijkstra in Hollands Kerkblad op Gerhard, den grooten Lutherschen theoloog en dogmaticus, en deed het voorkomen, alsof de dogmatici uit die dagen de zending als zoodanig hadden veroordeeld. Inzage van Gerhard’s werken kan overtuigen, dat dit op een misverstand berustte. Gerhard handelde in de aangehaalde plaatsen van geen zending; hij handelde over twee geheel andere onderwerpen. Te eener plaatse over de vraag, of de Heidensche en Mohamedaansche volken verontschuldigd waren, omdat ze de Schrift niet kenden; en op de andere plaats over de vraag, of er nog apostelen op aarde zijn, die kerkelijk gezag over heel de wereld en onder alle volken konden uitoefenen. Het eerste was een bestrijding van de leer, dat de Heidenen, die de Schrift niet kennen, niet rechtvaardiglijk kunnen veroordeeld worden, het tweede gold de controvers tegen Rome, dat beweert nog met een gezag als dat van de apostelen bekleed te zijn. Over de zending als zoodanig werd, noch in de ééne plaats noch in de andere gehandeld. Doch al heerschte hier misverstand, en al geven we toe, dat de bewijzen, die Gerhard aanvoert ten bewijze dat Gods Woord onder alle volken reeds verkondigd is, geen steek houden, hoog staat toch zijn vaste overtuiging, dat, ook afgezien van de zending, Gods Woord zijn gezag over alle volken in alle tijden doet gelden, en dat onkunde voor niemand een verontschuldiging is; mits men maar aller verantwoordelijkheid voor de gemeenschappelijke zonde in rekening brenge. Het is de zonde, die het oog verblindt, die het verstand verduisterd heeft, en die zelfs de vraag naar het licht doet verstommen. Sterker nog, de zonde heeft zoo fataal doorgewerkt, dat als in een vreemd land door de zending het Woord van God wordt binnengedragen, volk en vorst er zich meest vijandig tegenover stelt. Nog sterker, zelfs in ons eigen land, waar de kennisse van het Woord aller gemeengoed kon zijn, weigert de groote massa nog steeds voor de waarheid van dat Woord het oog te ontsluiten, en wie aanvankelijk het licht zagen, zetten het opzettelijk onder de korenmaat, en sluiten er moedwillig het oog voor dicht. De schuld die hierin ligt, kan alleen de, Kenner der harten rechtvaardig toewegen, en wij zullen de laatsten zijn, |136| om hun aller schuld gelijk te stellen. Maar een feit blijft het dan toch, dat de menschen over het algemeen de duisternis liever hebben dan het licht, en dat dit boos en droef verschijnsel zich alleen daaruit verklaren laat, dat de zonde ons zoo diep in merg en been heeft aangetast. Zonder zonde zou er allerwegen één roepen, één vragen naar het Woord zijn. Dat het thans bestreden, vertreden en geminacht wordt, is uitsluitend daaruit te verklaren, dat de zonde ons zooveel dieper dan men waant, heeft aangetast. Wie zelf ten leven bekeerd is, beseft daarom ook, o, zoo diep de groote genade die hem geschied is. Niet hij is tot het licht gekomen, maar het licht is tot hem gebracht, en de schellen zijn hem van de oogen genomen. Maar al weet hij dit, en al erkent hij dit met dank en met lofzegging, het geeft hem geen oogenblik het gevoel, dat zijn vroegere blindheid voor het licht te verontschuldigen zou zijn. Hij weet zeer wel, dat zijn plicht, om bij het licht, dat God ontstak, te wandelen, begon toen hij geboren werd. En hij weet, en hij bekent dit, niet als een uitzondering voor zichzelven, maar als een natuurlijken voor alle menschen geldenden plicht, en op grond hiervan belijdt hij, dat alle creatuur geroepen is te wandelen in de wegen des Heeren.

*

Dit geldt niet enkel van het licht, dat voor ons ontstoken is in het Woord, maar van alle licht dat God ontsteekt of ontstak. De Openbaring Gods is volstrekt niet tot het Woord beperkt. Onze belijdenis zegt uitdrukkelijk, dat we God, en dus ook zijn wil, kennen uit twee middelen: de Natuur en de Schriftuur. Die natuur vormt een zeer uitgebreid veld van kennis. Denk slechts aan Rom. 1 : 18-20, en Rom. 2 : 14, 15. Er hoort alzoo toe de kennis van de geheele geschapen natuur; de kennis van de wetenschap die door die natuur is ontdekt; de kennis der historie, hoe God de volken geleid heeft ; de kennis van u zelven en van uw eigen hart; de kennis van uw medemensch en van de samenleving; kortom van alle creaturen en aller creaturen verloop, en van hetgeen in alle deze creatuurlijke dingen omtrent de ordinantiën Gods voor natuur en leven openbaar is. En waar wij, belijders van Christus, allicht geneigd zijn, de heidenen en Mohammedanen en ongeloovigen te veroordeelen, omdat ze voor het licht dat God in zijn Woord ontstak, het oog moedwillig sluiten, zou het niet te onpas zijn, zoo we ook tot ons zelven de vraag eens richtten, of wij op onze beurt wel het oog genoegzaam geopend houden, om dat andere licht op te vangen, dat ons tegenstraalt uit de Natuur, die natuur genomen in haar breedsten omvang. Het valt toch niet te ontkennen, dat er ook onder Christenen soms een afgekeerdheid van de wetenschap en een onverschilligheid voor de natuur en de kunst bestaat, die kennelijk toont hoe weinig men gelooft, dat ook hierin wel terdege eene openbaring ligt van den wil |137| Gods. En al moet nu toegegeven dat de wijze, waarop de wetenschap haar vondsten aan de markt brengt, niet zelden hoonend voor de eere Gods en stuitend voor het religieus gevoel is, toch mag niet verheeld, dat zulks ons allerminst vrij doet uitgaan. Ook wat de openbaring door het Woord betreft, hebben de geloovigen op hun beurt maar al te veel op hun rekening. Of moet niet erkend, dat de wijze waarop de Christenen hun geloof openbaren, maar al te vaak voor de ongeloovigen een hindernis is, om de waarheid en de heerlijkheid van hun Christelijke belijdenis in te zien? Noch het één noch het ander intusschen kan, wie het ook zij, verontschuldigen. Het is voor u niet de vraag, of de mannen der wetenschap het licht Gods, dat in de natuur en in de historie straalt, wel op den goeden kandelaar zetten; en het is voor hen niet de vraag, of uw Christelijk leven wel een aanbevelingsbrief voor uw belijdenis is. Zij en wij, we hebben beiden met God, en niet met den mensch te doen. Het is maar de vraag, of er in de Natuur of in de Schriftuur een licht uitstraalt, dat ons iets omtrent Gods wil doen kennen. Daaraan zijn we gebonden. Dat licht, vanwaar het ook kome, hebben we op te vangen. En naar dat licht zullen zij, en zullen wij, worden geoordeeld. Geoordeeld, het is zoo, door een rechtvaardig God, die het onderscheid afweegt tusschen onzer aller verantwoordelijkheid voor de erfzonde, waaruit alle duisternis en liefde voor de duisternis opkwam, en voor de persoonlijke schuld van ons persoonlijk hangen aan de duisternis. Maar dan toch altoos in dien stelligen zin, dat ook ten deze alle mensch voor God verdoemelijk ligt, en niemand zich op zijn onwetendheid beroepen kan, om zich tegen het oordeel Gods te vrijwaren. Al hebben we er dus in ons vorig betoog op gewezen, dat ten deze ook voor den magistraat onderscheid bestond, naar gelang hij van Gods Woord persoonlijk kennis droeg, of wegstierf zonder tot persoonlijke kennis van het Woord gekomen te zijn, — hiermede wordt niets afgedongen op den absoluten eisch, die voor allen geldt, dat, waar het licht van God ook schijnt, een ieder creatuur gehouden is tot het licht te komen.

*

Passen we dit nu nader op de Overheid toe, dan moet hier onderscheid worden gemaakt tusschen den magistraat als mensch en zondaar, en den magistraat in functie. Als mensch en zondaar heeft hij uit het Woord te leeren, hoe hij van zonden verlost en zalig zal worden; in zijn functie daarentegen, hoe hij zich als magistraatspersoon zal hebben te gedragen. Deze twee loopen uiteraard geheel uiteen. Wat hem als mensch en zondaar te doen staat, geldt voor hem niet anders dan voor zijn onderdanen. Ten deze staat een machtige koning met zijn stalknecht volkomen gelijk. Alleen zou men kunnen zeggen, dat het voor hem nog veel moeilijkeris om zalig te worden dan voor zijn stalknecht. Den nederigen geeft God |138| genade, en juist nederig te zijn is voor wie zoo hoog geplaatst is, zoo dubbel pijnlijk. Het Evangelie getuigt het ons dan ook, hoe bezwaarlijk de machtigen der aarde in het koninkrijk Gods zullen ingaan. Maarheel anders staat het met de tweede vraag, wat God hem in zijn Woord omtrent zijn functie als magistraat onderwijst. Dat heeft hij niet met zijn stalknecht gemeen. Dat gaat den magistraat bijzonderlijk aan. Dat heeft niets met zijn zaligheid, maar uitsluitend met zijn Goddelijke aanstelling uitstaande. Ook zijn stalknecht moet zich, voor wat zijn dienstverplichtingen aangaat, wel door het Woord laten onderrichten, maar deze vindt de op hem rustende verplichtingen in heel andere deelen van het Woord toegelicht. Als het op de zaligheid der zielen aankomt, leest de koning en leest zijn stalknecht Joh. 3 : 16, maar als het op beider verplichtingen aankomt, leest de vorst Rom. 13 : 1-6, en de stalknecht Efeze 6 : 5-8. Natuurlijk is dit slechts bij wijze van voorbeeld gezegd. Belden hebben nog heel andere stukken te lezen, maar hier komt het er slechts op aan, duidelijk te laten uitkomen, dat men, van de Overheid sprekende, niet methodistisch haar roeping als zondaar en haar roeping als magistraat verwarren mag. Er bestaat hier een onderscheid, dat scherp in het oog moet worden gehouden, wijl het feitelijk geheel het vraagstuk beheerscht.

Om dit in te doen zien, behoeven we slechts op twee feiten te wijzen, die ieder toe zal stemmen. Als er gevraagd wordt: Wat moet ik doen om zalig te worden? kan niemand het noodige licht ontsteken tenzij hij dat licht neme uit de Heilige Schrift. Er is nu eenmaal onder den hemel geen andere naam gegeven, waardoor we kunnen zalig worden, dan de naam van Christus Jezus; en Christus Jezus wordt door ons alleen uit de Heilige Schrift gekend. Vraagt ge daarentegen: hoe moet de Overheid regeeren? — dan bestaan er buiten het Woord tal van voorbeelden van goede regenten, die op veelszins uitnemende wijze, zonder iets van het Woord te weten, hun onderdanen geregeerd hebben. In menigen Griekschen Staat, en zoo ook in den Romeinschen Staat ten tijde der republiek, zijn er tijden geweest, dat de wijze van regeering in menig opzicht nu nog aan menig Christenvorst iets te zeggen heeft. Voor den weg ter zaligheid leert de Natuur u niets dat tot het doel leidt, de Heilige Schrift alleen. Voor de regeering der Staten daarentegen leert de Natuur u zeer veel, en komt het licht van het Woord slechts van ter zijde bij het licht van de Natuur bij. Een zondaar kan niet anders dan uitsluitend bij het licht der Schrift gezaligd worden; een land kan geregeerd worden enkel bij het licht der Natuur; doch zoo het licht der Schrift er bij komt, wordt de regeering van het land des te beter.

Passe een ieder dit slechts toe op zijn eigen beroep. Een Dienaar des Woords kan zijn ambt of beroep niet anders uitoefenen dan bij het licht der Schrift. Zonder die Schrift is zijn functie ondenkbaar. Maar heel anders |139| staat het niet een dokter, een rechter, een leeraar in de scheikunde, en weer heel anders met een tuinman, een metselaar, een schipper, een landbouwer, en zooveel meer. Lukas was arts eer hij Christen werd, en legde toen hij bekeerd was, zijn medische bediening neder, om Paulus te volgen. Niemand zal betwisten, dat er in Rome veelszins rechtvaardige rechters waren, al waren ze Heidenen. Dat er in talen, in logica, in natuurkunde enz. deugdelijk onderwijs is gegeven door mannen, die geheel buiten het Christendom stonden, is openbaar. Dat men voorts het land kan bebouwen, vee kan telen, huizen kan metselen en kamers kan timmeren, zonder hoogere openbaring, toont land bij land. Wel gaat niets van dit alles buiten God om, en is het God zelf die dit alles aan de volken onderwijst, maar het licht er voor komt niet in de eerste plaats uit de Schrift. Een scheepsbouwmeester moge de afmetingen van de arke interessant vinden, toch leert hij niet uit den Bijbel, hoe hij een stoomschip moet bouwen. De bouw van Jeruzalem’s tempel moge een kunststuk van eerste orde zijn geweest, niet uit het Boek der Koningen onderwijst men onze aankomende architecten. Wel hebben ook zij zeer stellig naar Gods wil te vragen, en naar Gods wil alleen. Maar Gods wil voor landbouw, huizenbouw, en scheepsbouw is niet uit de Schrift te leeren, maar uit de natuur. Wie zulk een beroep heeft, moge uit Gods Woord leeren hoe hij zijn werklieden te behandelen heeft, hoe hij eerlijk in zijn beroep heeft te verkeeren, dat hij den Sabbath heeft te heiligen, en zooveel meer, maar de kunst voor zijn beroep en de regelen voor zijn bedrijf en den wil Gods voor zijn arbeid, leert God hem niet in de Schriftuur, maar in de Natuur. En datzelfde nu gaat in beginsel ook door voor de Overheid, zij het ook in sterk gewijzigde verhouding. Gelijk men niet dan met zeker voorbehoud spreken kan van een Christelijken tuinman, of een Christelijk landman, of een Christelijk schipper, zoo ook kan men niet dan met zeker voorbehoud spreken van een Christelijk rechter, een Christelijk wethouder, een Christelijk burgemeester, en in het algemeen van een Christelijke Overheid.

Al moet toch worden toegegeven, dat de bijvoeging van „Christelijk” veel nauwer met de functie van een burgemeester samensmelt, dan met het beroep van een opperman, toch blijft het een tweeheid van begrip. Een Christelijk predikant is één begrip. Een predikant die niet Christelijk is, is eenvoudig geen predikant. Maar zoo is het niet, als ik spreek van een Christenmoeder of Christenvader, een Christelijk, rechter of een Christelijk wethouder. Men kan moeder, men kan vader, men kan zuster, men kan wethouder zijn, ook zonder Christen te wezen. Niet even goed, het zij zoo. Maar het niet-Christen zijn heft de functie niet op, en ook kan het Christelijk-zijn de functie niet grondvesten. De Staat, het gezin, en zoo ook de vader, de moeder, de burgemeester, de wethouder, komen niet uit de Christelijke belijdenis op. Wel de predikant, de ouderling enz.; maar |140| niet de personen in de burgerlijke functies. Het Christelijk-zijn is dus hier iets, dat bij de functie bijkomt. Alle functiën van dien aard bestaan bij het licht der natuur, en worden door het licht van het Woord alleen tot hoogere fijnheid gebracht. Ze zijn uit de Gemeene Gratie, en ze worden door de Particuliere Genade alleen verrijkt en veredeld.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XIX, De Heraut No. 1160 (18 maart 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001