XVIII. Kerk en Staat 6

Uw woord is eene lamp voor mijnen voet, en een licht voor mijn pad.

Psalm 119 : 105. a


Zoo bleek ons dan, hoe de natuur van den Staat een geheel andere is dan de natuur van de Kerk, en hoe nochtans beide niet als in den wortel los van elkaar mogen genomen worden, omdat de Scheppingsmiddelaar, die in den Staat, en de Verlossingsmiddelaar die in de Kerk heerschappij heeft, de ééne zelfde Zone Gods is, boven alles te prijzen in der eeuwigheid- Noch over de ééne noch over de andere uitspraak zal, naar we vertrouwen, onder hen die zich aan de Heilige Schrift houden, verschil van meening bestaan. In het eerste hoofdstuk van den brief aan de Kerk van Colosse wordt op beide gewezen, en worden beide in onderling verband voorgesteld. We kunnen dus thans overgaan tot de vraag, welke |126| verandering het in den toestand teweegbrengt, indien in den Staat, onder een bepaalde Overheid levende, de geïnstitueerde Kerk van Christus haar intrede doet.

We stellen deze vraag in dezen bepaalden vorm, ten einde verwarring van begrippen te voorkomen. We spreken van een „Staat, onder een bepaalde Overheid levende.” Wel toch geven we toe, dat er zekere saamwoning van menschen denkbaar is, onder wie van een Staat of Overheid ternauwernood sprake kan zijn, en dat toch het Evangelie onder hen verkondigd werd, maar dat blijft dan toch zeer hooge uitzondering. Het is in elk geval een uitzondering die op onze Europeesche toestanden niet toepasselijk is, en daarom zou voor ons land de bespreking van zulk een uitzondering, en dat nog wel met het oog op de Belijdenis der Nederlandsche Christenheid, van geenerlei nut zijn. Onder de Patagoniërs, op een enkel Zuidzee-eiland, bij deze of gene nomadehorde in Azië, moge, op zeer kleine schaal, nog zulk een ongeregelde toestand voorkomen, maar noch de geschiedenis, noch de staatkunde, noch de dogmatiek rekent hiermede,. Een geïnstitueerde Kerk, dien naam waard, is nooit anders opgetreden, dan in een Staat die reeds geordend was, en onder een bepaalde Overheid leefde. Dat kolonisatiën van vluchtende of zich terugtrekkende Christenen hierop een tweede uitzondering kunnen maken, toonden de stichtingen der Puriteinen, Hugenoten en Kwakers in Noord- en ZuidAmerika, maar dan heeft men ook altoos te doen met Christenen, die uit een geordenden Staat kwamen en er onder een bepaalde Overheid wegvluchtten. Ook bij deze, evenzeer voorgekomen, uitzondering, houden we ons uit dien hoofde niet op. Wie spreekt over de verhouding, die tusschen Staat en Kerk bestaan moet, onderstelt reeds daardoor, dat het bestaan van den Staat aan dat der Kerk voorafging. Het feit, dat de meeste Staten van Europa hunne huidige formatie eerst ontvingen toen het Evangelie onder de natiën, die thans deze Staten, vormen, reeds bekend was, verandert hieraan niets. Alle volken toch, die Europa, in de tijden toen het Christendom opkwam, bewoonden, leefden toen reeds onder een bepaald recht, gehoorzaamden aan bepaalde overheden, en vormden ook bij hun optrekken van oost naar west reeds een eigen staatswezen. Men behoeft Caesar’s historie van de oorlogen met de Galliërs (of Kelten) slechts te lezen, om zich hiervan ten volle te overtuigen. Tacitus’ beschrijving van het toenmalig land benoorden de Alpen, toont dit evenzeer. We handhaven daarom onze formuleering van het vraagstuk in dien bepaalden vorm, dat we handelen van Staten, die reeds onder bepaalde Overheden leefden toen de Kerk er kwam.

En evenzeer handhaven we onze nadere bepaling, dat we alleen rekenen met het optreden in zulke Staten van de geïnstitueerde kerk. Wel is het volkomen waar, dat, het Evangelie reeds een tijdlang onder Heidensche |127| volken kan gepredikt worden, eer de kerk er geïnstitueerd optreedt, maar ook dat mag ons bij dit vertoog niet ophouden. Dat een missie eenigen tijd onder een volk arbeiden kan, zonder dat het tot de instelling van de kerkelijke ambten komt, is ongetwijfeld, waar. Vooral onze eeuw heeft daarvan tal van voorbeelden aan te wijzen. Dat heeft echter zijn bijzondere oorzaak. De eerste en voornaamste is wel deze, dat de groote zendings-beweging van onze eeuw oorspronkelijk niet van de kerken, maar van particulieren is uitgegaan. Ze ging niet door het ambt, maar buiten het ambt om, en voelde daarom lange jaren geen den minsten drang, om in het Heidenland de gemeente te organiseeren. De „zendeling”, een niet-ambtelijk persoon, bleef het factotum, en hij ontving zijn last en instructie van een particuliere vereeniging. En de tweede oorzaak was, dat die missie veelal plaats greep onder lager staande natiën, die aan eigen organisatie niet gewoon waren, terwijl ook de Europeesche overheid, voorzoover ze in zulke landen het opperbewind voerde, slechts zelden de organisatie aanmoedigde. Het was voor de Overheid, o, zoo veel gemakkelijker, indien ze met iets anders te doen had dan met enkele „gedoopte inlanders”, elk op zichzelf staande, en gerekend als bij het station van den „zendeling” hoorende. Doch ook hiermede hebben wij, bij de bespreking van ons Europeesch verleden, niets te doen. De Handelingen leeren ons, hoe de apostelen, in de Grieksch-Romeinsche wereld optredende, onmiddellijk tot het instellen van de ambten en alzoo tot de institueering van kerken overgegaan zijn. Er mocht een jaar, en misschien een tweede jaar, overheen gaan, maar dan volgde de institueering der kerk ook onverwijld. En naar dienzelfden regel is ook verder gehandeld, al moet worden toegegeven, dat reeds al te spoedig zekere verwarring en ontaarding der ambten hierbij intrad, zoodat de gezonden missionaris veelal de eenige ambtsdrager was, die zijn instructiën van de zendende kerk kreeg. Maar ook zoo bleef het dan toch een feit, dat de zending van de. kerken uitging, en krachtens dien oorsprong altoos een kerkelijk karakter bezat. Op dien grond moet derhalve het vraagstuk aldus gesteld blijven: Welke verandering ontstaat in den toestand, bijaldien in een gevestigden Staat, levende onder een bepaalde Overheid, de geïnstitueerde kerk optreedt.

*

Het eerste nu wat hierdoor verandert, is, dat in zulk een Staat, die dusver geen ander licht bezat dan dat van de Gemeene Gratie, alsnu ook het licht der Particuliere Genade gaat schijnen.

Wat wil dit zeggen? Het licht der Gemeene Gratie maakte, zij het ook op gebrekkige wijze, zóóveel van Gods wil kenbaar, dat de formatie van een Staat en het optreden van een Overheid mogelijk was gebleven. De |128| apostel Paulus bracht dat punt vooral ter sprake in zijn brief aan de Kerk van Rome. Dit lag in den aard der zaak. Die brief toch is het apostolisch manifest omtrent de ineenvloeiing van de beide stroomingen der algemeene en bijzondere genade in het teeken der Gerechtigheid. Vandaar dan ook, dat Paulus niet zooveel nadruk op den voorgrond stelt, dat reeds onder de Gemeene Gratie „de eeuwige kracht en de Goddelijkheid des Heeren uit de schepselen verstaanbaar” was. En vandaar evenzoo, dat hij er met nadruk op wijst, hoe reeds onder de Gemeene Gratie de Heidenen de wet bezaten in de inspraak van hun hart, hun gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook verontschuldigende. Het standpunt van den apostel is dus niet, dat deze Heidenen nog in volslagen duisternis verkeerden. In volslagen duisternis ja, wat de rechtvaardigmaking voor God en de redding ten eeuwigen leven aanging, maar niet in volslagen duisternis wat het burgerlijk leven betrof. In zooverre bezaten ze reeds licht, en een licht van hooge beteekenis, zoo zelfs, dat het hun tot schuld werd aangerekend, dat ze zoo veelszins voor dat licht de oogen sloten. „Zij hielden de waarheid in ongerechtigheid ten onder.” Immers „hetgeen van God kennelijk was (t.w. bij het licht der Gemeene Gratie) was in hen openbaar, want God had het hun geopenbaard.” En wel geopenbaard niet door zijn profeten, maar in het menschelijk leven en in de natuur zelve. „Want zijne onzienlijke dingen (d.i. zijn wil omtrent ons menschelijk leven) worden van de schepping der wereld aan, uit de schepsels verstaan en doorzien.” Dat dit licht der Gemeene Gratie zoo flauwelijk onder hen scheen, was hun schuld. „Hoewel God kennende, hadden ze Hem als God niet verheerlijkt en gedankt”, en waren dientengevolge tijdelijk „verijdeld geworden in hun overleggingen; zich uitgevende voor wijzen, waren ze dwazen geworden”, en vervallen in stuitende afgoderij. Als gerechte straf hiervoor had God ze toen „overgegeven in een verkeerden zin”, en hieruit moest hun zedelijke inzinking verklaard worden. Maar dit nam niet weg, dat het licht der Gemeene Gratie voor een deel nog altoos schijnen bleef. Er waren nog altoos Heidenen die, hoewel de wet van Sinaï niet kennende, van nature de dingen deden, die naar de Wet Gods zijn, en inzooverre zichzelve ten wet waren, en betoonden „het werk der wet geschreven te hebben in hun hart.”

Dat is alzoo klaar en duidelijk. Toen Paulus in de Grieksche en Romeinsche wereld optrad met de verkondiging van het Evangelie, was hij er zich bewust van dat hij optrad in een burgerlijke samenleving, die wet veelszins het licht der Gemeene Gratie verduisterd had, maar er toch nog bij leefde, en er aan dankte wat ze aan burgerlijke kracht en burgerdeugd nog bezat. Dat hij hierbij vooral het oog had op de veelszins uitnemende rechtsbedeeling onder de Romeinen, blijkt duidelijk uit heel den brief aan de kerk van Rome, waarin geheel het Evangelie van uit het |129| rechtsstandpunt wordt toegelicht. Het is de „rechtvaardigheid” van den Jood, de „gerechtigheid” van den heiden, en de „rechtvaardigheid Gods” die voor dezen brief de grondlijnen biedt.

*

Doch nu komt in dezen Romeinschen Staat, en in zijn hoofdstad Rome, het Evangelie, en wil daar zijn een kracht Gods. Ongetwijfeld staat hierbij op den voorgrond de rechtvaardiging van den zondaar voor God door de verzoening die in Christus Jezus is. Maar toch, de komst van het Evangelie brengt geen heilsleer in methodistischen zin. Integendeel, de prediking van het Evangelie staat met het menschelijk leven in rechtstreeksch verband. Het brengt de kennisse Gods, gelijk die in de „Heilige Schriften”, (destijds het Oude Testament), geopenbaard was; en in die Openbaring is niet alleen licht gespreid over den ingang ten eeuwigen leven, maar ook over ons menschelijk leven hierbeneden. Er komt met het Evangelie een Openbaring Gods tot de volken, óók omtrent den mensch, omtrent de natuur, omtrent de menschelijke saamleving, omtrent alle menschelijke verhoudingen. Gods woord, dat in de Heilige Schrift tot de volken uitgaat, openbaart niet alleen de Particuliere Genade tot zaligheid, maar komt ook het reeds schijnende licht der Gemeene Gratie verhelderen en versterken. Geheel afgezien van het eeuwige leven bevat die Openbaring een schat van kennisse omtrent Gods wil, voorzoover ons leven hier op aarde aangaat. Wat in de Gemeene Gratie, door de waanwijsheid der menschen, verdwaasd en verduisterd was, keert in de Heilige Schrift in volle klaarheid terug; en zoo omtrent de verhoudingen in het gezin, tusschen man en vrouw, ouders en kinderen, heeren en dienstbaren, als omtrent de maatschappelijke en staatkundige verhoudingen, wordt Gods wil hier weer klaarlijk aan het licht gebracht. De scheef getrokken beginselen worden weer recht gezet. En de wet Gods, hoezeer ook ongenoegzaarn ter zaligheid, wordt, als een gids door dit aardsche leven, weer in haar centrale en afgeleide beteekenis tot den mensch gebracht. Hoe hoog ook onder veel opzichten het saamleven der menschen in de Grieksche en Romeinsche wereld stond; en al moet erkend, dat de bestaande inrichtingen zoo degelijk waren, als ze bij het licht der Gemeene Gratie ook maar ergens Onder de Heidenen waren tot stand gekomen; door de openbaring van de Heilige Schrift werd heel deze saamleving in haar naaktheid, ongenoegzaamheid, en zelfs in haar schandelijkheid ten toon gesteld. Het Evangelie kwam niet alleen met een hope der toekomst, maar ook met een belofte voor dit tegenwoordige leven. Het bracht een kennisse omtrent God en zijn wil, gelijk die voor goede burgerlijke samenleving onmisbaar zijn, en gelijk die toch in het leven onder de beste heidenen jammerlijk verdonkerd was. En dit nu brengt vanzelf aan alle Overheid den eisch, om met die |130| rijkere kennisse van den wil Gods rekening te houden, en er zich zonder voorbehoud aan te onderwerpen.

Hierop leggen we vollen nadruk.

Er mag toch nimmer, ook maar één oogenblik, aan getwijfeld worden, of elk mensch, en dus ook elke Overheidspersoon, is gehouden naar Gods wil te vragen, zijn kennisse van den Goddelijken wil, binnen de perken van het mogelijke te verrijken, naar dien gekenden wil te handelen, en vooral bij het leiden van anderen, zich dien wil ten regel te stellen. Gods opperheerschappij is volstrekt. Ze gaat uit over alle menschen, en er kan onder menschen geen gezag of geen macht hoe hoog ook zijn, die niet geschapen is, om voor God te leven, en Gods wil tot richtsnoer van alle handeling te nemen. Staat het nu vast, dat de Heilige Schrift ten opzichte van allerlei dingen, ook die het burgerlijk. leven aangaan, om over den wille Gods een licht ontsteekt, dat buiten het Woord te loor ging, dan volgt hieruit rechtstreeks, dat op ieder mensch, en zoo ook op alle Overheid, de plicht rust, om met dat nieuw ontstoken licht zijn voordeel te doen, en dienovereenkomstig te handelen.

Zonder zweem van aarzeling moet op dien grond uitgesproken, dat ook de keizer van China, en de emir van Afghanistan, de sultan van Djokja gehouden en verplicht zijn, van Gods Woord kennis te nemen, hun kennisse van den Goddelijken wil uit de openbaring van dat Woord te verrijken, en zichzelven te gedragen en hun volken te leiden overeenkomstig den in dat Woord geopenbaarden wil. In het afgetrokkene geldt hierin voor niemand, wie ook, één enkele exceptie. Die burgers in ons eigen land, die, met voorbijgang van Gods Woord, thans weer allerlei stellingen omtrent het gezin, omtrent man en vrouw, omtrent de opvoeding der kinderen, omtrent de onderlinge verhouding der burgers, en zoo ook omtrent de Overheid verkondigen, die tegen Gods geopenbaarden wil ingaan, zijn hierin niet te verontschuldigen. Ook op hen rust de verplichting, om rekening te houden met het door God in zijn Woord ontstoken licht; en voorzooverre ze hiervoor het oog sluiten, en in strijd daarmede handelen, zullen ze zich voor God te verantwoorden hebben. Datzelfde geldt dus in nog hooger mate voor wie anderen hebben te leiden of als Overheidspersoon te gebieden hebben. Niemand heeft gezag over anderen, dan in zooverre God hem dit gezag verleend heeft. De Overheid is en blijft „Dienaresse Gods”, en geen dienaresse Gods is denkbaar, dan staande onder de verplichting, om haar gezag overeenkomstig Gods wil uit te oefenen, onder de beschijning van het door God zelf daarvoor ontstoken licht. Ook voor onze Koningin geldt het derhalve, dat zij van Godswege gehouden is, het Nederlandsche volk in haar wetten, haar besluiten, en door haar daden zoo te besturen, te regeeren en te leiden, als de wil Gods, in Natuur en Schriftuur geopenbaard, dit eischt. |131|

Christelijke of niet-Christelijke Overheid maakt ten deze niet het minste verschil. Niet alleen de Christen, neen, ieder die mensch heet, is tot zulk een volstrekte onderwerping onder de wet Gods gehouden. Geen confessie komt hierbij in aanmerking. De heerschappij des Heeren is een eeuwige, alomvattende en volstrekte heerschappij. Zijn wil strekt zich over alles en tot allen uit. En een iegelijk die den wil Gods, voorzoover God dien, waar ook, geopenbaard heeft, weerstaat, zal het oordeel dragen. Zelfs mag niemand beweren, dat een constitutioneel monarch zich ten deze verontschuldigen kan. Geen Koning of Keizer, mag, hoe ook het parlement of eenig Minister hem willen dwingen, óóit een wet of een besluit nemen, waarvan hij in zijn hart overtuigd is, dat het in strijd is met den wil van God. En wilde men den Koning hiertoe toch noodzaken, dan zou hij liever nog de kroon moeten nederleggen, dan tegen den wil van God, voorzoover die geopenbaard was, in te gaan. Het Onze Vader moet het gebed ook der Koningen zijn, en de bede: „Uw wil geschiede gelijk in den hemel, zoo ook door mij op aarde”, heeft voor Vorsten en Overheden zelfs verhoogde beteekenis. Toen het Evangelie in het heidensche Rome kwam, had dit voor den Keizer van Rome dus tweeërlei beteekenis. Ten eerste riep het ook hem als zondaar op, om zijn persoonlijke behoudenis ten eeuwigen leven in het Lam Gods te zoeken. Maar ook ten tweede bracht datzelfde Evangelie hem een rijke openbaring omtrent Gods wil rakende het burgerleven en zijn eigen Overheidsgezag, en riep hem dienvolgens op, om het Romeinsche Staatsleven en de burgerlijke inrichting dienovereenkomstig te wijzigen.

*

Toch gevoelt een ieder, dat deze volstrekte eisch niet aanstonds, op alle punten, op alle plaat-sen, en voor alle personen, vatbaar is voor vervulling. Geef morgen den dag aan een Kaffer-impi een in zijn landstaal overgezet exemplaar van den Bijbel in handen, en aanvankelijk heeft die impi hieraan zoo goed als niets. Hij begrijpt niet wat daar staat. Hij weet in dien Bijbel geen weg. Hij weet de toepassing van de in die Schrift geopenbaarde beginselen op zijn persoonlijk leven en zijn gezagsuitoefening niet te vinden. Hij heeft het boek wel, maar het blijft voor hem een gesloten boek. Het zegt hem niets, het openbaart hem niets. En eerst van lieverlede kan hij met anderer hulp in de kennisse van Gods wil, die dat Boek hem brengt, worden ingeleid. Hetzelfde ontwaart ge in uw eigen omgeving. Treed een gezin binnen, waar de orde ontbreekt, waar de verhoudingen vervalscht zijn, waar onvrede heerscht, en alle hooger doel van het gezinsleven gemist wordt, en leg in zulk een gezin een Bijbel op tafel, zonder dat ze ooit vroeger iets van den Bijbel leerden verstaan, en wie zal dan verwachten, dat de intrek van den Bijbel in dat huis, morgen den dag |132| het leven van dat huis reeds zal omzetten? Ook persoonlijk gaat dit door. Hoevele Christenen toch leven niet nog rustig voort in allerlei zonden, die zeer stellig tegen Gods wil ingaan, en die er toch nog nauwlijks besef van hebben, dat hun gedragingen jegens vrouw en kroost, in handel en nering, in het burgerleven en tegenover de Overheid, met den wil Gods, gelijk die in de Schrift geopenbaard is, in strijd zijn. Wat moeite kost het niet, ook bij aanhoudende prediking zondebesef op te wekken. Evenwel gaat het desniettemin ook bij alle deze onveranderlijk door, dat ze geroepen en gehouden zijn, om stiptelijk, in alle deelen, zich naar den wil Gods te gedragen; dat ze verplicht zijn, dien wil Gods voorzoover die geopenbaard is, te onderzoeken, en dat geen hunner zich ontslagen mag achten van de verplichting, om zich aan dien wil te onderwerpen. Maar desniettegenstaande is, zelfs, in Christelijke kringen, de kennisse van den wil van God nog vaak een uiterst gebrekkige, en voorzoover die wil Gods bekend is, belijden de beste en de vroomste Christenen het eerst, dat ze in dit leven nog niet anders dan „tot een klein deel van deze gehoorzaamheid gekomen zijn.” Van den volstrekten, hoogen eisch tot zijn onverwijlde en volstrekte vervulling te besluiten, gaat uit dien hoofde niet aan. De ervaring verzet er zich tegen.

Verontschuldigt dit nu voor God? Stellig niet. „Zoo Gij in het gericht wilt treden, Heere, wie zal bestaan? maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.” Van den eisch gaat voor God nooit iets af. Stonden we zonder zonde in de wereld, we zouden hoofd voor hoofd den volmaakten wil Gods, op elk gegeven oogenblik, en voor elke handeling, klaar en duidelijk doorzien, en er zou geen andere lust in ons zijn, dan om dien wil stiptelijk en volkomenlijk te volbrengen. Alleen de zonde heeft ons verstand verduisterd en onzen wil naar andere neigingen overgebogen. Maar God verliest zijn recht niet door onze zonde; en het is en blijft loutere genade, zoo Hij zich over ons arme zondaren ontfermt. Maar als het op de vervulling van dien eisch aankomt, staat Christus alleen onder allen. Dan heeft hij alleen den wijnpersbak getreden, en zijn wij allen onnutte dienaren. Al is het dus volkomen waar, dat ook de emir van Afghanistan een „dienaar Gods” is als Overheid over het land der Afghanen, en al staat ook hij deswege onder de verplichting om het licht Gods uit zijn Woord op te vangen, en dienovereenkomstig te regeeren, toch gevoelt ieder, dat men met deze absolute stelling voor de realiteit niets vordert. Reeds de apostel rekende niet deze pijnlijke werkelijkheid, toen hij uitriep: „Hoe zullen zij Hem aanroepen, in welken zij niet geloofd hebben? Hoe zullen zij in Hem gelooven, van welken zij niet gehoord hebben? Hoe zullen zij van Hem hooren zonder een die Hem predikt? En wie zal prediken, indien hij niet gezonden wordt?” Overmits hier nu van de Overheid gehandeld wordt, niet alleen in zooverre de persoon door Jezus zalig |133| kan worden, maar in zoover de magistraat in zijn ambt zich overeenkomstig den wil Gods te gedragen heeft, spreekt het vanzelf, dat het stellen van den volstrekten eisch hier niet volstaat, maar dat ook moet onderzocht, op wat wijs vervulling van dien eisch mogelijk wordt.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XVIII, De Heraut No. 1159 (11 maart 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001