XVII. Kerk en Staat 5

En hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan te samen door hem.

Colossensen 1 : 17. a


Is in het voorafgaande eenigszins duidelijk uiteengezet, welk diepgaand verschil zich tusschen Staat en Kerk voordoet, toch mag men het zich niet voorstellen, als bewogen beide zich langs evenwijdige, en dus elkaar nooit rakende of snijdende, lijnen. Twee personen of dingen, die zich langs zuiver evenwijdige lijnen voortspoeden, kunnen nooit in onderling contact komen. Ze hebben niets met elkander gemeen. En zoo nu is het met Staat en Kerk niet. Integendeel, Kerk en Staat komen op velerlei wijs met elkander in contact, en dit contact is niet toevallig, maar noodzakelijk, en in beider oorsprong gegeven. Voor een deel toonden we dit reeds aan, toen we in het licht stelden, dat noch de Staat noch de Kerk uit de Schepping opkomt, maar dat ze er zijn om der zonde wil. Iets wat men ook zóó kan uitdrukken, dat, ware de val niet voorgekomen, er geen Staat zou zijn gevormd noch ooit een Kerk geïnstitueerd. De vorming van Staten is het gevolg van de splitsing der ééne menschheid in vele groepen. Buiten zonde zou het menschelijk geslacht niet aldus gesplitst zijn geweest en zouden er alzoo geen Staten gevormd zijn geworden. In de patriarchale lijn hadde dan het organisch verband zuiver doorgewerkt. En evenmin zou er ooit een Kerk geïnstitueerd zijn geworden, want de roepstem van alle Kerken blijft: „O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren,” en buiten zonde zou niemand ooit dorst hebben gekend. Reeds in zooverre kan en moet men dus zeggen, dat Staat en Kerk beide niet uit de natuur, maar uit de genade zijn. Uit die genade die aan alle menschen gemeen is, de Staat, en uit die andere genade die aan de verlosten particulier is, de Kerk. Beide alzoo wortelend niet in Scheppingsordinantie, maar in genade-beschikking, en beide doelend op bestrijding der zonde.

Maar hiermede is niet genoeg gezegd; er moet aan worden toeievoegd, dat beide, hoe ook verschillend, toch eenzelfde uitgangspunt voor haar levenslijn bezitten in den Zone Gods. Immers niet alleen het Verlossingswerk der particuliere genade (het speciale terrein der Kerk), maar ook het natuurlijke leven, dat met Gemeene Gratie begiftigd is, vindt den oorsprong van zijn vormelijk bestaan in den Tweeden Persoon der heilige Drieënheid. We zeggen: van zijn vormelijk bestaan, omdat in den diepsten |119| grond alle leven uit den Vader is door den Zoon. Maar dit „door den Zoon,” moet dan toch in zoo ernstigen zin worden opgevat, dat de Heilige Schrift ons uitdrukkelijk leert, dat alle dingen, zienlijke en onzienlijke, door den Zoon geschapen zijn, en dat ze alle niet alleen door Hem ontstaan zijn, maar ook samen bestaan door Hem. Slechts zij men hierbij op zijn hoede tegen een vergissing, die zoo licht begaan wordt. De Zone Gods is ons de Christus, maar toch drukt beide niet hetzelfde uit. De Zone Gods is de uitdrukking voor de volstrekte, eeuwige bestaanswijs van den Tweeden Persoon, — Christus is de naam van den Messias, de Redder van zondaren. Altoos natuurlijk dezelfde persoon, maar beide malen uitgedrukt van een geheel ander gezichtspunt. De Zone Gods is het Woord, de Christus is dat Woord vleesch geworden. Als Christus is Hij de Verlossingsmiddelaar, als Zone Gods is Hij de Scheppingsmiddelaar. Hij is der uitverkorenen Hoofd in tweeërlei zin; ten eerste voor wat aangaat hun schepping als „Zone Gods,” ten tweede, voor wat aangaat hun verlossing, als „de Christus.” Van de engelen daarentegen is Hij niet de Verlossingsmiddelaar, maar alleen het oorspronkelijk Hoofd krachtens hun schepping door Hem. Scheppingsmiddelaar is de Zone Gods van alle menschen, verlorenen en verkorenen; Verlossingsmiddelaar is de Christus alleen van de verkorenen. En al gaat nu de Heilige Schrift er ons in voor, om den naam van „Zone Gods” en van den „Christus” door elkaar te gebruiken, toch mag, bij nadere onderscheiding, nooit uit het oog worden verloren, dat het „Hoofd van engelen en menschen,” de Zone Gods is krachtens zijn eeuwig bestaan, en dat Hij daarentegen tot Christus of Messias door den Vader verordineerd en gezalfd is. Christus drukt dus altoos een hoedanigheid, een ambt uit, Zone Gods daarentegen doelt op zijn eeuwige, onveranderlijk in Hem klevende bestaanswijs.

*

Passen we dit nu op Staat en Kerk toe, dan is het duidelijk, dat de Zone Gods het Hoofd der Gemeente, en dus ook der geïnstitueerde kerken is, in zijn ambtelijke hoedanigheid van Messias, d.i. als Profeet, Priester en Koning, dus als de Christus; terwijl omgekeerd deze Christus in het leven der Staten heerscht, niet als Verlossingsmiddelaar, maar als Scheppingsmiddelaar, en alzoo als de Zone Gods. De heilige apostel noemt de Overheid dan ook niet „de Dienaresse van Christus,” maar „de Dienaresse Gods”. Ook wij zeggen niet, dat de Overheid regeert bij „de gratie van Christus,” maar bij „de gratie Gods.” Maar hoe sterk ook aan dit onderscheid is vast te houden, dit neemt niet weg, dat toch altoos te belijden is, dat ook het natuurlijke leven, dat ook de volken, en dat dus ook de Staat en de Overheid in oorspronkelijk verband staan met dienzelfden Zone Gods, die voor ons de Christus of de Messias is geworden; en juist |120| dit wordt al te dikwijls uit het oog verloren. En dit is daarom te minder geoorloofd, omdat toch ook Staat en Overheid uit de genade zijn, zij het al enkel uit de Gemeene Gratie. Immers ook de Gemeene Gratie is en blijft genade; een genade die wel allereerst ten doel heeft, om het werk der schepping, ter eere Gods, tegenover Satan te handhaven, maar die toch ook strekt, om het opkomen en bestaan der geïnstitueerde Kerken mogelijk te maken. De particuliere genade onderstelt de Gemeene Gratie. De Kerk onderstelt een geordend Staatsleven. Hoe zou ze anders een plaats vinden voor het hol van haar voet?

Hiermede komt dan ook overeen, dat het „Hoofd der Gemeente” zegt, dat alle dingen hem van den Vader zijn overgegeven, en dat we belijden, dat onze Middelaar, „aan de rechterhand des Vaders verhoogd zijnde,” macht heeft over alle dingen. Dit zou ondenkbaar zijn, indien hij niet tevens als de Tweede Persoon de Scheppingsmiddelaar ware. Dan toch zou men tot de ondenkbare voorstelling komen, alsof de Vader, toen Hij alle dingen aan den Zoon heeft overgegeven, zij het met eerbied gezegd, voor al dien tijd zich teruggetrokken had, tijdelijk als God geabdiceerd had, en in een staat van werkeloosheid ware overgegaan. En daar niemand onzer dit ook maar even veronderstellen zal, en alle gebed tot den Vader blijft opklimmen, en we God voor alles dank zeggen, spreekt het wel van zelf, dat het „Koningschap van den Christus” nooit in dien ongerijmden zin mag worden verstaan. Wat de Heilige Schrift ons dienaangaande leert is dit: 1º. dat Vader, Zoon en Heilige Geest de wereld hebben geschapen en nog onderhouden, en wel zoo, dat alle dingen uit den Vader en door den Zoon zijn; 2º. dat de Zoon zich vrijwillig vernederd heeft, ja zich heeft vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aannemende, en alzoo zich als den Christus, d.i. als den Verlosser heeft geopenbaard; 3º. dat de Christus, als de kroon op zijn lijden en sterven, verhoogd is geworden boven allen naam die genoemd wordt, zoodat de macht van den Tweeden Persoon alsnu de macht van den Christus is geworden, maar natuurlijk altoos naar den vasten stelregel, dat alle dingen uit den Vader blijven, en slechts zijn door den Zoon; en 4º. dat de hieruit geboren tusschentoestand in den jongsten dag een einde neemt, en dat God, d.i. Vader, Zoon en Heilige Geest (en niet de Vader alleen) dan zijn zal alles en in allen.

Beide Staat en Kerk zijn alzoo uit den Vader, maar ook zijn beide door den Zoon, en die Zone Gods is onze Heiland. Men moet dus zeggen, dat Staat en Kerk, hoe scherp ook te onderscheiden, beide hun metaphysischen oorsprong hebben in den Zoon; dat beide uitvloeisel van genade zijn; en voorts wel uiteengaan, maar om toch ten slotte weêr saâm te vloeien in het ééne groote einddoel: de glorie van Vader, Zoon en Heiligen Geest. Reeds hieruit blijkt, dat de theorie van de scheiding tusschen Kerk en Staat, alsof beide niets niet elkander uitstaande hadden, ten eenenmale |121| onhoudbaar is en nooit door ons kan worden toegegeven. Toen dan ook Groen van Prinsterer, en na hem zijn geestverwanten, er op aandrongen, dat de „dusgenaamde” scheiding tot een werkelijke mocht worden doorgevoerd, hebben ze daarom nooit een wezenlijke scheiding bedoeld. Ze stelden alleen den eisch, dat de mannen des ongeloofs, door hun stelsel van scheiding, niet aan den éénen kant, de kerken vernederen zouden door ze te verlagen tot particuliere genootschappen, en toch anderzijds aan diezelfde Kerken de vrijheden te onthouden, die elk particulier genootschap heeft. Er school in dezen aandrang dus in het minst geen toegeven aan het valsche beginsel, maar er sprak alleen de eisch uit, dat zij, die dit valsche beginsel toepasten, dan ook niet willekeurig halverwege in de toepassing van hun stelsel zouden blijven staan. Doch hierover later nader. Voorshands is het ons genoeg, zoo maar beide nu als vaststaande mag worden aangenomen. Eenerzijds, dat Staat en Kerk in uitgangspunt, sfeer, middel, karakter, roeping en einddoel hemelbreed verschillen, en te dien opzichte nimmer verward mogen worden ; maar ook anderzijds, dat ter oorzake van dit verschil de oorspronkelijke eenheid niet mag worden uit het oog verloren, die zij saâm in den Zone Gods, die ons ten Christus geworden is, bezitten.

*

Keeren we thans van deze hoogten der Godgeleerde bespiegeling naar de practische werkelijkheid terug, en vestigen we de aandacht op het onderscheid tusschen tweeërlei Staten. Er zijn Staten, waarin de geïnstitueerde Kerk nog niet optrad, en er zijn er waarin de geïnstitueerde kerk sinds langer of korter gevestigd is. Welk verschil nu brengt dat voor de Overheid teweeg? Zeker niet dit, dat alléén de „Staat met een Kerk” wezenlijk Staat zou zijn, en dat in een „Staat zonder Kerk” geen wezenlijke Overheid zou bestaan. De Kerk behoort niet tot het wezen van den Staat. Het wezen van den Staat is ook daar aanwezig, waar nog de naam van den Christus niet genoemd werd of wordt. Niemand, ter zake kundig, zal beweren, dat Nebucadnezar, of Alexander de Groote, of Keizer Augustus geen Overheid in den vollen zin des woords waren, noch ook dat op dit oogenblik de Keizer van China, de Mikado van Japan, de Emir van Afghanistan, de Shah van Perzië geen Overheden zijn, al weet ieder dat hun staatswezen nog met geen Kerk rekent. Wie zou willen beweren, dat alleen de dusgenaamde „Christelijke Staat” een wezenlijke Staat, en alleen de „Christelijke Overheid” een ware Overheid is, laat de geschiedenis der Staten pas in de 3e of 4e eeuw onzer jaartelling beginnen, kent geen historie, en mist elk recht van meêspreken. Neem slechts een Vorst als Cyrus, en immers dan zegt de Schrift zelve, dat God Kores als Koning van Perzië in al zijn macht erkend en ingezet heeft. Aan zoo |122| dwaze voorstelling spillen we dan ook geen woord meer. Er zijn Staten lang vóór den Christus geweest, en er bestaan nu nog tal van Staten, die met den Christus of zijn Kerk geen wezenlijke aanraking hebben. De Staat en de Overheid, als opgekomen uit de Gemeene Gratie, zijn van de particuliere Genade niet afhankelijk. Ze bestaan zonder en buiten haar, en bezitten toch ook zoo alle wezenlijke kenmerken van Staat en Overheid. De Kerk is derhalve iets dat bij den Staat bijkomt. De Kerk komt niet op uit den Staat. Zij wordt van buitenaf in den Staat ingedragen. De Kerk is een apart iets, iets met een eigen wezen, dat als zoodanig van het wezen van den Staat onafhankelijk is. De Kerk komt in letterlijken zin uit den hemel, uit de ongeziene wereld, in de zichtbare wereld van het Staten-leven in. De Kerk komt door de wedergeboorte in het zijn, door de Openbaring van het Woord in het bewustzijn, en beide, zoowel die wedergeboorte als dat Woord, zijn niet van beneden, maar van boven; en het moet daarom zonder aarzeling uitgesproken, dat de Kerk uit den hemel nederdaalt en zich vestigt op het terrein van den Staat. Het is wel zoo, dat feitelijk de Kerk geplant wordt door menschen die bekeerd zijn, maar wat in deze personen de Kerk aanbrengt is de genade, die ze in het hart ontvingen, en het Woord dat aan hen, of aan hun voorgangers, uit den hemel gegeven was. Het is dus niet te sterk uitgedrukt, zoo we zeggen, dat de Staat, door de Gemeene Gratie, uit het natuurlijke scheppingsleven opkomt, maar dat de Kerk uit het bovennatuurlijke leven des hemels nederdaalt, en in dit staatsleven wordt ingedragen, om op het terrein van den Staat haar plaats op te eischen.

De eertijds bij velen geliefde voorstelling, alsof de burgerlijke en de kerkelijke gemeente feitelijk ééne gemeente was, in dien zin dat deze ééne gemeente zich voor haar uitwendige behoefte staatsrechtelijk, en voor haar geestelijke behoeften kerkrechtelijk organiseerde, moet daarom met beslistheid worden verworpen. Ook wat in sommige Gereformeerde Dogmatieken daaromtrent voorkomt, kan den toets geen oogenblik doorstaan. Toen de Boeren uit de Kaapkolonie togen, en nieuwe Staten stichten in Natal, in Oranje-Vrijstaat, Transvaal, in Gosen, in Humpata, in Stellaland en in Vrijheid, waren het ongetwijfeld allen mannen van Christelijke belijdenis die hiertoe overgingen, maar niettemin hebben ze zeer goed ingezien, dat het staatsleven iets geheel anders dan de Kerk was, en hebben ze den Staat gesticht op eigen fundament, en geheel zelfstandig. Dat dit zoo zijn moest, blijkt ook hieruit, dat het behooren van alle burgers tot de Christelijke religie een toevallig iets is, en niet iets noodzakelijks. Er zijn Staten denkbaar, waarin geen enkel burger Christen is. Er zijn andere Staten, waarin een klein deel wel, en een ander deel niet tot de Christelijke religie behoort. En eindelijk zijn er ook Staten, waarin nominaal zoo goed als alle burgers den Christelijken godsdienst belijden. Dit echter hangt niet |123| van den Staat af, maar wordt beheerscht door geheel andere gegevens, die niet den Staat als zoodanig niets uitstaande hebben. Van den anderen kant strekt de Staat zich nooit verder uit dan tot zijn grenzen. Over die grenzen getogen, vindt ge een anderen Staat, die van den eersten geheel onafhankelijk is, en waarin geheel andere wetten gelden. De Kerk daarentegen is in haar institutair optreden aan de grenzen der Staten niet gebonden, maar schuift er over heen, en doelt niet op de burgers van één enkel rijk, maar op geheel ons menschelijk geslacht over heel de wereld. In den Staat zijn alle burgers onderdanen, en niemand hunner kan zich aan dat onderdaanschap onttrekken, tenzij bij het Iand verlate; tot de Kerk daarentegen behoort niemand, tenzij hij er toe wil blijven behooren, of er zich bij wil aansluiten. Ook beider terrein verschilt alzoo geheel.

*

Toch kan men van den anderen kant niet zeggen, dat de Kerk in den Staat als de oliedrop is, die op de wateren van het Staatsleven drijft. Olie en water vermengen zich niet. Ze missen elke gemeenschap; en of ge den oliedrop al in het water onderdompelt, of met water overgiet, toch blijft ten einde toe elke gemeenschap, elke vermenging tusschen beide ontbreken. De olie raakt het water aan, maar dringt er niet in. En zoo nu is het met de Kerk, waar ze op het terrein van den Staat optreedt, niet. De leden der Kerk zijn tevens burgers van den Staat. Niet alle burgers van den Staat zijn leden van de Kerk, maar wel omgekeerd, kan niemand lid van een Kerk zijn, zonder tevens of vooraf tot de burgers van den Staat te behooren. Het kerkelijk leven van de leden der Kerk oefent heerschappij uit over hun hart, en uit datzelfde hart komt de aandrift voor burgerdeugd in het Staatsleven en voor de plichtsbetrachting jegens onze medeburgers en tegenover het vaderland. Onze zedelijke aandrift werkt eenerzijds in het leven van den Staat door burgerdeugd, en anderzijds in het leven der Kerk door de heiligmaking en in de broederlijke liefde. De geboorte van een kind heeft beteekenis voor den Staat en wordt geboekt op den burgerlijken stand, maar ze heeft evenzoo beteekenis voor de Kerk en leidt tot het sacrament van den heiligen Doop. Het huwelijk is ongetwijfeld een instelling die den Staat aangaat, want het staatsleven wordt door de maatschappij uit het gezin opgebouwd en het gezin ontstaat door het huwelijk; maar ook anderzijds raakt datzelfde huwelijk de Kerk, want het huwelijk verbindt ziel aan ziel, en uit het huwelijk worden de kinderkens der geloovigen in het Genadeverbond geboren. Het bezit van geld en goed raakt het Staatsleven, want de Overheid regelt het publiek verkeer onder menschen en den overgang van het goed uit hand in hand door schenking, verkoop, legaat of erfenis; maar datzelfde geld en goed komt ook voor de kerk in aanmerking, want de kerk |124| behoeft localiteit, moet ambtsdragers bezoldigen, missionarissen uitzenden en zich kwijten van den plicht van barmhartigheid. Al is het dus onjuist om te zeggen, dat de gezamenlijke burgers uitwendig zich burgerrechtelijk in den Staat en geestelijk kerkrechtelijk in de Kerk organiseeren, waarheid blijft, dat een ieder, die Christus toebehoort, tweeërlei leven leidt: het ééne burgerrechtelijk in den Staat en het andere kerkrechtelijk in de Kerk van Christus, en dat hij met zijn persoon, met zijn gezin, en met zijn goed, rechten in beide bezit en in beide voor verplichtingen staat. Wie niet van Christus is, heeft alleen burgerrechtelijke verplichtingen en rechten, maar wie van de Kerk is, bezit tweeërlei soort van rechten en verplichtingen, en beide deze 'soorten van rechten en verplichtingen raken zoowel zijn persoon, als zijn gezin en zijn goed. Staat en Kerk ontmoeten elkander alzoo in de personen der geloovigen. Ze zijn als het ware in de personen der geloovigen gehuwd. Niet de Staat als zoodanig noch de Kerk als zoodanig, maar wel het leven van den Staat met het leven van de Kerk, voorzoover dit in één en denzelfden persoon gevondenwordt. Iets wat niet vast wordt gesteld, als ware hiermede de zaak uitgeput, en als kon er van geen rechtstreeksche aanraking van Staat en Kerk als zoodanig sprake zijn. Dat zal ons gaandeweg anders blijken. Wat thans betoogd werd is alleen, dat Staat en Kerk niet kunnen noch mogen beschouwd worden, als in volstrekten zin elkander niet aangaande. Van meetaf moest duidelijk worden gemaakt, dat beide reeds in de personen der geloovigen op alle punten met elkander in aanraking komen, en dat in deze personen, of wil men in het leven der geloovigen, het Staatswezen wel terdege invloed uitoefent op hun kerkelijk bestaan, gelijk omgekeerd het kerkelijk wezen op hun burgerrechtelijk bestaan. Dit moest daarom op den voorgrond worden gesteld, omdat men ten onzent eertijds die aanraking in alle burgers gesteld had, en uit die onderstelling het Staatswezen had opgebouwd. En dit nu is niet zoo. Er is soms de meest intieme aanraking zelfs, maar die aanraking grijpt plaats niet in alle burgers, niet in de onderdanen als zoodanig, maar alleen in dezulken die tot Christus behooren, omdat ze alsnu levende voor Jezus, nochtans leven blijven als burger in den burgerstaat. Tot zelfs in het sterven gaat deze aanraking door. Wie sterft als Christen, laat niettemin zijn lijk en zijn goed achter, en overmits dat lijk stoffelijk, voor ontbinding vatbaar, en uit dien hoofde voor anderen gevaarlijk is, moet de Staat op de wegberging van dat lijk orde stellen; en overmits dat goed niet heerloos kan blijven, moet de Overheid orde bestellen op dat goed. Maar dit neemt niet weg, dat wie sterft ook als lid van de Kerk van Christus sterft, en alzoo tot op zijn jongsten snik met de geïnstitueerde Kerk in aanraking blijft.

Geheel afgezien dus van de wijze waarop én Kerk én Staat ten deze moeten optreden, en van de wederzijdsche verplichtingen die hieruit voor |125| beiden ontstaan, ligt de aanraking tusschen beide, de band die beide saamverbindt, reeds in het leven zelf van de personen, en moet bij onze geheele beschouwing met die feitelijke gemeenschap in het leven gerekend worden. Want het is wel waar, dat ook allerlei particuliere genootschappen in de personen der leden zekeren gemeenschapsband leggen tusschen het lidmaatschap van zulk een genootschap en het Staatsleven; maar dat staat in het minst niet op één lijn. Een gymnastiekvereeniging sterkt het lichaam harer leden, en die leden kunnen daardoor straks te beter in staat zijn, om voor het vaderland ten strijde te trekken. Een gezelschap voor oefening in welsprekendheid oefent in zijn leden de macht van het woord en kan daardoor oorzaak worden, dat op Staatsterrein en aan de balie te beter gepleit wordt. Maar bij al zulke genootschappen geldt het één enkele zijde van het leven; niet dat leven zelf. En hierin nu juist is de Kerk van al zulke genootschappen, vereenigingen en gezelschappen onderscheiden, dat de Kerk, evenals de Staat, een geheel het leven opeischend en beheerschend beginsel vertegenwoordigt, dat geheel het leven doortrekt. Ziehier de proeve. De Staat kan ten slotte het offer van uw leven vergen op het slagveld, en evenzoo vraagt de Kerk ten slotte het offer van uw leven op het schavot, zoo ge sterven moet als martelaar.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XVII, De Heraut No. 1158 (4 maart 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001