XVI. Kerk en Staat 4

Voor koningen, en allen die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid.

1 Tim. 2 : 2. a


Niet minder scherp geteekend is het verschil tusschen de roeping van de Kerk en de roeping van den Staat. Ten einde dit verschil te doen uitkomen, kan men zich niet zonder meer beroepen op de uitspraak van |111| Jezus: „Mijn koninkrijk komt niet met uitwendig gelaat, het is binnen ulieden.” Dat zou afdoende zijn, bijaldien in ons betoog sprake ware van de Kerk als onzienlijk organisme, ook wel korter de onzichtbare Kerk genoemd. Doch dit is niet zoo. Met opzet is in den aanvang duidelijk door ons uitgesproken, dat we de onzichtbare zijde der Kerk ditmaal rusten laten, omdat de Overheid alleen met de geïnstitueerde Kerk in aanraking komt en alzoo in de formule: Kerk en Staat, het woord van Kerk nooit anders dan het kerkelijk instituut mag of kan beteekenen. En natuurlijk, op dat instituut is de bedoelde uitspraak van Jezus niet toepasselijk. Het kerkelijk instituut komt wel terdege „met uitwendig gelaat,” en is zelfs alleen voorzoover het „met uitwendig gelaat” komt, voor de Overheid waarneembaar.

Zal men dan zeggen, dat de roeping van de Kerk in de eeuwigheid ligt, en de roeping van den Staat in het heden? Ook dit gaat niet op. Dit verschil komt pas zoo straks in aanmerking, als we beider verschil in het einddoel bespreken. Uw roeping ligt in uw levenstaak, en die levenstaak ligt zoowel voor het instituut der Overheid als voor het instituut der Kerk niet in den hemel, maar hier op aarde. Voor een kerkelijk instituut is in den hemel geen plaats. Het is wel zoo, dat in de Openbaring gedurig van „vierentwintig ouderlingen” gesproken wordt, die met de Cherubs en de Martelaren voor den Troon van het Lam zich nederbuigen; maar niemand verstond daaronder ooit „ouderlingen” in institutairen zin. „Ouderlingen” is hier genomen in den zin van „vertegenwoordigers der gezaligde gemeente”, en dat er vierentwintig zijn, verklaart zich doordien de gezaligde gemeente deels haar oude bedeeling in Israël onder de twaalf Stamhoofden, en deels haar nieuwe bedeeling na den Pinksterdag onder de twaalf Apostelen had; en overmits nu niet de naam van apostel, maar de naam van oudste of ouderling aan Oud en Nieuw Verbond gemeen was,werdende twaalf patriarchen en de twaalf apostelen hier als vierentwintig „oudsten” saamgevat, om geheel de geheiligde en triomfeerende gemeente des levenden Gods onder Oud en Nieuw Verbond voor te stellen. Vandaar dat ze bekleed zijn met witte kleederen en gesierd met de kroon der overwinning. Van een ambt is hier dus volstrekt geen sprake. Voorzooverre ook deze vierentwintig oudsten in den hemel tot heerschen zijn geroepen, heerschen ze niet over Gods volk, maar over de aan God ontzonken wereld. Iets, wat op overtuigende wijze reeds hieruit blijkt, dat alle gezaligden het Lam toeroepen: „Gij hebt ons gemaakt tot priesters en tot koningen,” en dat Christus zelf aan die van Thyatire schrijft: „Die overwint, ik zal hem macht geven over de heidenen”; en aan die van Laodicea: „Die overwint ik zal hem geven met mij te zitten in mijn troon.” De taak, de roeping der geïnstitueerde Kerk mag daarom op den klank van zulk een term, als „vierentwintig ouderlingen,” nooit tot aan gene zijde van de doodsvallei |112| uitgestrekt. De roeping en de taak van het kerkelijk instituut valt geheel en uitsluitend binnen den kring van dit aardsche leven.

Zal men dan zeggen, dat de roeping van Kerk en Staat in volstrekten zin uiteenloopt? Stellig niet. Of wie zal tegenspreken dat beide, zoo Kerk als Staat, geroepen zijn om de eere Gods te bevorderen? Doch hiermede is niets bepaalds uitgedrukt. Dat is iets, wat men in het gemeen van alle creaturen, zoo van Gods engelen daarboven, als van heel het menschelijk geslacht op aarde, kan zeggen. Zeker, alle schepsel moet God dienen, en bestaat ten principale en ten laatste alleen om de glorie van Gods naam te verhoogen. Maar de vraag is, hoe elk schepsel dat te doen heeft; en juist bij die tweede vraag gaan de roepingen uiteen.

Kan men dan niet zeggen dat de roeping van Kerk en Staat beide is, om de zonde te bestrijden, preventief en repressief? Tot op zekere hoogte, ja. Want beide zijn om der zonde wil in het leven geroepen. Zonder zonde zou er geen Overheid, en buiten zonde geen kerkelijk instituut bestaan. Maar toch, reeds hier openbaart zich een duidelijk waarneembaar verschil. De Overheid toch heeft óók allerlei dingen te doen, die ware de zonde uitgebleven, de patriarch in zijn geslacht zou geregeld hebben, en aanvankelijk geregeld heeft. De taak of roeping der Overheid gaat dus niet in het voorkomen en bestrijden van de zonde op. Onder de bedeeling der Gemeene Gratie zet zich het oorspronkelijk scheppingsleven voort, ook voorzoover het noch door zonde, noch door de ellende nader gemotiveerd of bepaald is. Het kerkelijk instituut daarentegen is uitsluitend door de zonde gemotiveerd, en zou zonder zonde geen roeping hebben. Ongetwijfeld loopt dus de roeping van de Kerk met die van de Overheid saam, voorzooveel beide er, elk voor zich, het hunne toe bijdragen, „opdat we een stil en gerust leven leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid.” Maar op dat gelijke doel sturen ze beide aan langs geheel verschillende wegen. Immers de Staat doet dat nooit anders dan door de gegevens en voorwaarden voor het gebroken leven der Schepping te verzekeren, terwijl omgekeerd het kerkelijk instituut arbeidt in en voor een nieuw leven, dat bij het gebroken Scheppingsleven bijkwam.

In zeker opzicht zou men ook kunnen zeggen, dat Kerk en Staat beide strekken om het recht te handhaven, in zoover ook het kerkelijk instituut tot roeping heeft, het recht Gods tegenover den zondaar te maintineeren; maar juist hier gevoelt toch een ieder terstond het diepgaand verschil. De Overheid toch handhaaft het recht door het zelve te formuleeren, af te eischen, en het te wreken zoo het geschonden wordt; het kerkelijk instituut daarentegen proclameert alleen het van Gods wege in zijn Woord geformuleerde recht, eischt het niet af, maar verkondigt hoe het in Christus is afgeëischt, en straft het zelf niet, maar brengt de blijde boodschap, dat de straf, die ons de zonde aanbracht, op hem is gelegd, en voldaan. De |113| Overheid is alzoo een zelf-handelende macht, het kerkelijk instituut daarentegen handelt nooit zelf, maar bestendigt de heugenis van wat gehandeld en afgedaan en volbracht is door Christus. Dienovereenkomstig valt de taak der Overheid in het actueele, tegenwoordige leven, die van het kerkelijk instituut daarentegen in de bestendiging van de heugenis van wat God in Christus deed in stand houdt, uitlegt, op de conscientiën bindt, en door het sacrament bezegelt. De Overheid staat geheel in het teeken van het Werkverbond. Zij belichaamt zich in de Wet, en jaagt door de handhaving van de Wet haar doet na. Het kerkelijk instituut daarentegen staat in het teeken van het Genadeverbond, en getuigt van een dadelijke gehoorzaamheid van Christus, even goed als van zijn lijdelijke gehoorzaamheid, om ons te doen gelooven, dat ons toegerekend wordt wat Christus voor ons voldaan heeft.

Vandaar dat het leven van den Staat den indruk maakt, van de volle actualiteit voor zich te hebben, terwijl de Kerk alleen spreekt van verleden dingen. Het is zoo, ook de Kerk dringt aan op een godzalig leven, maar bij haar is dit altoos een dringen op heiligmaking; en juist dat heilige, waarop de Kerk aandringt, is zoo geheel onderscheiden van de burgerlijke gerechtigheid die de Staat handhaaft. Heilig is het volstrekte, het absolute, het geheel en al verwijderen en van ons afzonderen van al datgene wat, in idealen zin genomen, niet tot onzen persoon en onze menschelijke natuur behoort. En juist dat ideale standpunt van het „heilige” kan nooit het standpunt van de Overheid zijn. Wat zij beoogt, moet terstond gerealiseerd worden, moet zich op staanden voet als wezenheid openbaren. Men tast dit aanstonds aan de rechtspraak. Is er overtreding, dan volgt er oordeel. Maar bij de Overheid volgt dat oordeel terstond. De schuldige wordt gevat, wordt gevonnist en ondergaat zijn straf; en is die straf volbracht, dan staat hij weer in zijn burgerlijke gerechtigheid. Het kerkelijke instituut daarentegen handhaaft wel evenzeer de stelling, dat alle overtreding gestraft wordt, maar het wijst op het oordeel dat komt, op de rechtspraak van God, die volgt in den jongsten dag, en kent geen ander ontkomen aan dat oordeel, dan door een geloof, dat de offerande van Christus omhelst.

*

Alzoo blijkt telkens weer, dat de Staat zijn roeping in het actueele, in het heden, in de werkelijkheid heeft, daarnaar handelt, en daarin de zaak afdoet; terwijl omgekeerd de Kerk in het actueele geheel machteloos staat, niet in de werkelijkheid, maar in de wezenlijkheid haar kracht oefent en die werkelijkheid niet zelve teweegbrengt, maar opneemt uit wat in het verleden geschied is. Of er dan geen kerkelijke tucht is? Zeer gewisselijk, maar die tucht der Kerk heeft met het correctioneele of crimineele recht van de Overheid niets gemeen. De Overheid straft correctioneel, omdat |114| haar regel, crimineel, omdat de gerechtigheid geschonden is. De Kerk daarentegen straft ganschelijk niet. Ze poogt het Verbond Gods heilig te houden, ze zoekt haar grens voor de Sacramentsbediening, ze poogt tot berouw en tot boete des harten te brengen, en wat tot haar niet hoort, af te scheiden van wat haar levenskring vormt. Zelfs met de ballingschap is deze afsnijding van de Gemeente Christi niet te vergelijken. Wie door de Overheid gebannen wordt, moet zijn vaderland uit. Hij wordt gezet buiten zijn zaken. Meest van zijn bestaansmiddelen beroofd. Daarentegen wie van de Gemeente wordt afgesneden, blijft waar hij is, ondergaat in niets verandering van zijn levenspositie, en kan alleen geestelijk geraakt worden, als het gemis van de gemeenschap der heiligen tot zijn consciëntie gaat spreken. Feitelijk ziet men dan ook, dat het leven der kerk in het geven en ontlokken van getuigenis opgaat. Ze predikt, ze verkondigt, ze roept ten leven, en bezegelt dit getuigenis met het Sacrament; en voorts strekt vermaan en tucht ten principale tot niets anders, dan om de waarheid van het getuigenis, of wil men van de belijdenis, te handhaven en te doen uitkomen, zoo in eigen kring als tegenover de wereld. Maar haar macht blijft schuilen in het Woord, niet in de realiteit. Neen, in een gesproken woord, dat getuigt van een realiteit die achter haar ligt, en die ze als eeuwig geldend en eeuwiglijk tegenwoordig voorstelt.

Dat nu desniettemin beider roeping op gemengd gebied in onderlinge aanraking kan komen, wordt hiermede niet ontkend. Bij de geboorte, bij het huwelijk en bij het sterven, in de school, bij de Sabbathviering, en zooveel meer, is die aanraking onvermijdelijk. Maar zelfs zoo dikwijls die aanraking plaats grijpt, blijft de lijn van beider roeping even beslist en bestendig uiteengaan. Bij de geboorte constateert de Overheid het optreden van dat nieuw geboren menschelijk wezen onder de burgers van het land, de Kerk door den Doop het recht van dat kindeken op de heilgoederen van het genadeverbond. Bij het huwelijk treedt de Overheid op om familierelatiën en bezitsrechten te regelen, de Kerk om het verbond tusschen ziel en ziel te heiligen. Bij het graf komt de Overheid op, om te zorgen voor het lijk en voor den boedel; de Kerk om het woord der vertroosting te spreken voor wie rouw draagt in het hart. En zoo ook in de school waakt de Overheid voor de nationale ontwikkeling, de Kerk voor de vorming van het kind voor het leven onder de heiligen. Altoos dus weer hetzelfde verschil, dat de tastbare realiteit het terrein blijft waarop de Overheid haar roeping vervult, terwijl de Kerk uit een ideaal leeft, dat gerealiseerd is, niet in haar leden, maar in Christus.

*

Niet minder diep grijpt ten slotte het verschil in tusschen het einddoel, dat aan Staat en Kerk gesteld is. Dat einddoel toch ligt voor den Staat |115| in deze tegenwoordige bedeeling, en voor de Kerk in de eeuwigheid. Niet, men versta ons wel, alsof het kerkelijk instituut zelf in de eeuwigheid overging. Dit is veeleer uitdrukkelijk door ons bestreden. Staat en Kerk beide eindigen, als eens de tegenwoordige bedeeling een einde zal nemen. Als de Zoon des menschen op de wolken wederkomt, is het einde niet alleen van den Staat, maar ook het eind van het kerkelijk instituut daar. Maar dit heft in het minst het grondverschil niet op, dat de Overheid het einddoel, waarop ze zich richt, op aarde vindt, de Kerk daarentegen in den hemel.

Men gevoelt dit het sterkst, zoo men acht geeft op gevolgtrekkingen die uit de opvatting van den Staat, als ware hij de volkomen gemeenschap der menschen, zijn afgeleid. Zij, die den Staat beschouwen, niet gelijk wij, als vrucht der Gemeene Gratie, niet als een tijdelijk hulpmiddel, niet als iets dat optrad om de zonde te stuiten, maar als uit de Schepping opgekomen, als in ’s menschen natuur gegrond, en als de diepste behoefte van den mensch bevredigend — een dwaling waarin onder de Ethischen zelf een man als Rothe verviel — zijn geëindigd met alle leven na den dood te loochenen. En dit was volkomen consequent. Schuilen er in onze menschelijke natuur geen hoogere aspiratiën dan die de Staat bevredigt; is voor den mensch als mensch geen hoogere bestemming weggelegd, dan die het Staatsleven kan doen bereiken, dan moet ge van tweeën één doen: óf den Staat ook in de eeuwigheid overbrengen, óf met dit leven onze menschelijke existentie doen eindigen.

Men stelt het wel voor, alsof de loochening van een eeuwig leven alleen uit het materialisme opkwam. Doch dat is niet zoo. De valsche opvatting van het menschelijk gezelschap op aarde, van de maatschappij der menschen hier beneden, en van den Staat als haar volkomenste, alomvattende openbaring, leidt tot dezelfde sombere gevolgtrekking. Is de Staat het hoogste dat zich denken laat, en vindt in den volkomen Staat elke behoefte, elke aandrift, elk heimwee van ons menschelijk hart zijn bevrediging, dan laat zich ten slotte buiten of boven den Staat ook niets meer denken, en blijft er voor een mensch, die door den dood uit dat Staatsleven uitvalt, kortweg niets over. Met door zijn sterven uit den Staat uit te vallen, verliet hij alles. Men merkt dat ook aan onze Sociaal-democraten, die hun spot drijven met „den wissel op de eeuwigheid.” Op zichzelf is deze beeldspraak volkomen juist. Het goud der eeuwigheid wordt hier niet in onze hand gestort. Wat we hier in handen krijgen is alleen de wissel, die ons zegt, dat dit goud ons eenmaal zal toegewezen worden, op vertoon van den geloofswissel. Wat de Sociaal-democraten met hun zeggen eigenlijk bedoelen, is dan ook heel iets anders. Ze willen zeggen, dat gelijk een wissel op een niet bestaande bank volkomen waardeloos is, zoo ook de wissel op de eeuwigheid daarom geen waarde heeft, omdat de eeuwigheid immers niet |116| bestaat. Zij kennen alleen de realiteit van het actueele, en gelijk we boven aantoonden, is het verschil in roeping voor Kerk en Staat juist daarin gelegen, dat de Staat in het actueele en in de realiteit leeft en zich beweegt, de Kerk niet. De Kerk heeft niets anders dan den wissel, de Overheid telt haar contanten. En gelijk nu een Zulukaffer in Afrika liever een stuk goud van f 12, dan een wissel op een Amsterdamsche bank van f 1200 heeft, eenvoudig wijl hij aan het bestaan van die bank niet gelooft of er geen begrip van heeft, zoo ook heeft de Sociaal-democraat, even blind en kortzichtig, liever een loonsverhooging van één cent per uur, dan het Sacramenteele zegel van een eeuwige gelukzaligheid. En al schijnt dat nu ruw opgevat en onnoozel, toch is dit in den grond precies hetzelfde wat de vergoders van den Staat drijven. Ook zij zijn volkomen daltonistisch voor de eeuwigheid, en laten geheel ons menschelijk bestaan in den Staat opgaan. De Staat is hun het één en al, en voor een Kerk naast den Staat of in den Staat is geen plaats.

*

En toch, hoe ontzettend dit ook zijn moge, zij die zoo spreken gaan in zoover uit van een ware gedachte, als ook zij erkennen dat het einddoel van den Staat in dit leven ligt. Er is niets in of aan den Staat dat niet tot dit leven bepaald is, in dit leven opgaat, en in dit leven zijn einddoel bereikt. Het geld dat de Overheid beheert is aardsch; de kanalen en wegen die ze aanlegt, verdwijnen als de wereld vergaat; de wetten die ze uitvaardigt, zijn geheel op onze samenleving ingericht; de straffen die ze oplegt, worden hier gedragen; de vorming die ze aan den volksgeest geeft, is geheel en uitsluitend op dit leven berekend. Als de Overheid et in slaagt de dingen hier op aarde, in dit leven, goed te doen loopen, is er niets op haar aan te merken. Dan heeft zij haar taak volbracht. Dan is het einddoel van haar werkzaamheid bereikt. Verder reikt ze niet.

Geheel anders daarentegen staat het met de Kerk van Christus. Zij is zonder de belijdenis van een leven na den dood ondenkbaar. Ondenkbaar zonder de belijdenis van de realiteit in de hemelen daar boven. Ondenkbaar zoo er geen leven na den dood is. Immers zij beschikt over geen realiteit in het heden. Al wat ze te brengen heeft is een getuigenis omtrent het verleden, en al waarop ze te wijzen heeft, is op den staat der heerlijkheid die komt. De rechter voor wie ze de consciëntie raakt is niet hier, maar komt eens op de wolken. De straffen, waarvoor ze waarschuwt, gaan in, als Christus de bokken van de schapen zal scheiden. Ze leeft in het voorportaal; het heiligdom 'waarop ze doelt is bij den Troon des Almachtigen. Ze spreekt van een beter vaderland dat komt, van een blijdschap in den hemel. Hier leeft ze als in een nachtwake; de eeuwigheid die nimmer eindigen zal, ligt achter het verschiet en achter den gezichtseinder van |117| dit aardsche leven. Niet rijk zijn in goud of zilver of keurgesteente, maar rijk in den schat zijns harten voor eeuwig te wezen, is het ideaal dat ze voorhoudt, en dat haar bezielt.

*

Nu is het volkomen waar, dat de Staat met dit heel ander karakter van de Kerk in uitgangspunt, sfeer, middelen, karakter, roeping en einddoel weinig rekent. Bij zijn aanraking met de Kerk, rekent hij alleen met zielental, met gebouwen, met statuten, met fondsen, met besturen en met het uitwendige van den eeredienst. Altoos zal daarom de Overheid geneigd zijn, in de Kerk een soort gemeenschap als de hare te zien, maar van veel minder beteekenis, van lager orde, van ongemeen veel minder kracht. Het oog der Overheid is nu eenmaal alleen op het actueele en reëele gericht; voor het mysterie der Kerk gaat haar het oog maar zelden open. En toegestemd moet helaas, dat de Kerk, door telkens weer bij de Overheid aan te kloppen om uitwendige privilegiën, en tastbare voordeelen, en goede traktementen en emolumenten, aan de Overheid maar al te zeer het recht heeft gegeven, haar in dat zakelijk licht te beschouwen, en haar alzoo den eerbied voor haar optreden heeft doen verliezen. Maar men zal ons toestemmen, dat wie, op grond der Schrift, de verhouding tusschen Kerk en Staat wil toelichten, juist deswege de roeping heeft, om tegen die gelijkmaking van Kerk en Staat te protesteeren. Het is daarom, dat we geen stap verder mochten doen, zonder eerst duidelijk en volledig het diepgaand verschil tusschen het wezen van de Kerk en het wezen van den Staat uiteen te hebben gezet. Elke Kerk, die zich niet steeds helderder van dit verschil bewust poogt te worden, verspeelt haar eere en haar waardigheid, en is er zeker schuld aan, zoo ze als instituut dezer wereld gelijkvormig wordt. Ze laat zich dan gelden in den vorm van een wereldsche vereeniging of van een wetenschappelijk genootschap, en verscheurt daarmede eigenhandig den adelbrief van haar geboorte, verloochent haar geestelijk karakter, en geeft haar roeping prijs. En of men zich dan al schijnschoon achter de phrase van het „Koninkrijk der hemelen,” terugtrekt, dit baat niet. Niet met het „Koninkrijk der hemelen,” maar met het „kerkelijk instituut,” komt de Overheid in aanraking, en zoo ze deze geïnstitueerde kerken zonder besef van haar heilige roeping vindt, is het dan niet te begrijpen, dat ze met deze kerken speelt gelijk de sperwer met de duiven in de til?




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XVI, De Heraut No. 1157 (25 februari 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001