XV. Kerk en Staat 3

Dewelke is het beeld des onzienlijken Gods, de eerstgeborene aller creature.

Colossensen 1 : 15. a


Al is dus aan Kerk en Staat gemeen, dat beide er om de zonde zijn, en dat alzoo beide niet uit de Schepping, maar uit de Genade zijn oogekomen, toch zijn en blijven beide daardoor in beginsel onderscheiden, dat de Staat zijn oorsprong heeft in de gemeene Gratie, de Kerk in de particuliere Genade. Juist zoover als de Algemeene en de Bijzondere Genade uiteenloopen, verschillen dus ook Staat en Kerk. Het is uit dien hoofde noodzakelijk, dat principiëel verschil, waarop in het voorafgaand betoog reeds de aandacht werd gevestigd, hier nader uiteen te zetten. Dit verschil ligt in beider uitgangspunt, beider sfeer, beider middelen, helder karakter, beider roeping en beider einddoel. Vergunne men ons elk dezer zes punten toe te lichten.

Het uitgangspunt voor de Gemeene Gratie, en zoo ook voor het leven |104| van den Staat, ligt in de oorspronkelijk geschapen dingen. De wereld, of ook wel de kosmos, gelijk God dien geschapen had, vormde één harmonisch geheel, van zijn diepsten grondslag tot aan de spitse van den gevel: De Schepping was een volkomen werk. Er ontbrak niets aan. Want wel lezen we in Gen. 2 : 1, dat God haar geschapen had om haar te volmaken, maar dit „volmaken” zou niet plaats grijpen, doordien iets nieuws aan het bestaande werd toegevoegd, maar zoo, dat uit de kiem ontwikkeld werd, wat in de kiem inzat. De door God geschapen wereld was vol schuilende en alsnog verborgen krachten, die eerst later zouden uitkomen; maar toch lag aller ding en aanvang en begin reeds van meet af in hetgeen tot stand kwam besloten. Geen enkele natuurkracht is door de Gemeene Gratie bij de natuur bijgekomen. De natuur van alle ding is gebleven gelijk die was. En de Gemeene Gratie heeft in geen enkel opzicht die bestaande natuur met een nieuwe kracht of een nieuw vermogen verrijkt.

Dit behoefde ook niet, overmits de natuur niet enkel volkomen In zichzelve geschapen was, maar zich ook leende tot herstel bij breuke. Als ge een wonde aan gelaat, hand of voet krijgt, en alleen het vleezig gedeelte is geraakt, dan kunt ge deze wonde, mits ze zorgvuldig behandeld wordt, genezen, door wat men noemt het regeneratief vermogen. Zoo de wonde niet al te diep gaapt, en goed gezuiverd wordt en blijft, behoeft ge niet anders te doen, dan haar van de lucht af te sluiten, en ze geneest van zelf. Er ligt dus in den aard van uw huid, van uw spier en aderweefsel het vermogen, om zichzelf te herstellen, zoo het verstoord wordt. Het herstelt niet door iets, dat van buiten de Schepping nieuw tot ons komt, maar door krachten die in de Schepping lagen; en al wat tot genezing noodig is, is iets, dat evenzoo in de Schepping voorhanden was. Nu is de Gemeene Gratie het stuiten van ingeslopen bederf. Zal dit gelukken, dan zijn twee dingen noodig: 1º. dat de mogelijkheid van herstelling gegeven zij, en 2º. dat de middelen, die voor de herstelling zijn aan te wenden, voorhanden zijn. Slaat de één den ander een oog uit of de hersenen in, dan baat geen hulp, omdat alsdan de mogelijkheid van herstel ontbreekt. En breekt een schipbreukeling, die eenzaam op een stuk van een wrak rondzwalkt, zijn been of arm, dan is evenzoo genezing onmogelijk, niet omdat deze breuke op zichzelf onherstelbaar was, maar omdat de middelen om het been of den arm weer in het lid te zetten, op dat oogenblik ontbraken.

In zooverre nu de Gemeene Gratie op niets anders gericht is dan op stuiting van ingeslopen verderf, en deze gedeeltelijke genezing van een voorgekomen breuke, vindt men haar uitgangspunt in de geschapen natuur. Deels omdat in die natuur de mogelijkheid hiertoe was ingeschapen, en anderdeels omdat in die natuur de middelen tot die gedeeltelijke stuiting en genezing voorhanden waren. Er was, als we ons zoo mogen uitdrukken, bij de Schepping op breuke, en op gedeeltelijke herstelling van die breuke, |105| gerekend. De val was voorzien (we laten nu de vraag, hoe dit voorzien te nemen zij, hier opzettelijk rusten) en er was, in verband hiermede, voorzien in wat noodig was, om de Gemeene Gratie te doen slagen. Niet, men versta ons wel, alsof de Gemeene Gratie vanzelf en uit zichzelve werken ging. Gelijk een gebroken been niet uit zichzelf weer in het lid komt, maar eischt dat iemand het weer in het lid zette, zoo ook kon de stuiting en gedeeltelijke genezing van het bederf, dat insloop, niet tot stand komen, zonder de helpende en reddende hand Gods, en dit juist is de Gemeene Gratie. Maar al blijft ze gratie, en als zoodanig Gods daad, toch is ze niet het toevoegen aan de bestaande krachten der natuur van nieuwe krachten, maar eenvoudig het leiden en besturen van de in die natuur aanwezige krachten. In zooverre is dan ook de Gemeene Gratie niet bovennatuurlijk, maar natuurlijk. Zelfs laat het zich in dat opzicht verdedigen, dat onze vaderen de Gemeene Gratie nog meestal onder het Opus naturae, d.i. onder het werk Gods in de natuur, hebben opgenomen. Gezond is dit niet. Het beginsel van intredende genade gaat er te zeer bij te loor. Het is een zegswijs, die beter bij de Roomsche theologie dan bij de Gereformeerde past. Maar het is dan toch te verklaren, waarom onze vaderen haar zoo vaak bijhielden.

*

Geheel datzelfde nu geldt van den Staat. Er is in den Staat niets, dat niet uit de natuur is genomen. Er zijn in den Staat menschen; er is een stuk land waarop die menschen saamwonen; er is een die aan het hoofd komt te staan; er worden wetten gemaakt; er worden regelingen vastgesteld; er worden gelden bijeengebracht en wapens gesmeed. Kortom, er worden allerlei factoren gezien, die in de natuur scholen, en uit die natuur genomen werden, en nu op geschikte wijze in verband en in elkaar worden gezet. En ook dat in elkander zetten geschiedt niet door een wonder, maar op geheel natuurlijke wijze, in den loop der historie. Ook is het licht, dat voor de vorming van den Staat noodig is, geen ander dan het natuurlicht. De Romeinen, nog altoos, met de Germanen, op Staatsgebied, onze oorspronkelijke meesters, werkten niet anders dan met gegevens, die in de natuur en in den mensch aanwezig waren. En zelfs als men let op het genie, dat in enkele stichters van Staten en in enkele groote staatslieden uitblonk, dan zal nog niemand beweren, dat dit genie buiten de grenzen van het natuurlijke valt. Er is genie op allerlei gebied, maar alle genie behoort tot het natuurlijke leven. Of in Christelijke Staten nog niet een ander licht bij dit natuurlicht bijkwam, zullen we nader onderzoeken. Maar in elk geval staat vast, dat dergelijke goedgeordende en welingerichte Staten in menigte verrezen zijn en bestaan hebben ook daar, waar nog geen enkele straal van het licht der bijzondere Openbaring was |106| doorgedrongen. We hebben dus het volste recht om het uitgangspunt van het staatsleven in de natuur zelve, in de oorspronkelijke schepping te zoeken. In die natuur was reeds krachtens de Schepping alles aanwezig wat voor de vorming van Staten noodig was. En de Genade Gods in de Gemeene Gratie bestond ten deze alleen hierin, dat Hij hetgeen in de natuur aanwezig was zóó leidde, zoo regelde, zoo stuurde, en zoo ineenzette, dat de Staat geboren werd. Zelfs de Overheidsidée lag reeds in het vaderschap en in het patriarchaat, en de mensch die Overheid wordt, is op gewone wijze uit de bestaande personen geboren. En al is in het Noächietisch verbond de doodstraf, en daarmee de Overheid, ingesteld, ook de bloedwrake ligt in onze natuur, en de belofte van het Noächietisch verbond, is niet dat er iets nieuws komt, maar alleen dat het bestaande niet meer verstoord zal worden. Voortaan, alle dagen des levens, zullen zaaien en oogsten, koude en hitte enz. niet meer ophouden.

Heel anders daarentegen, en juist omgekeerd, is het gelegen met de Kerk. Het uitgangspunt van den Staat ligt in de bestaande natuur, het uitgangspunt der Kerk is daarentegen bovennatuurlijk. De Kerk komt uit de particuliere genade; en particulier is juist die genade, die niet uit de natuur opkomt, maar van buiten af in de natuur wordt ingedragen. Alle uitgangspunt der Kerk ligt in twee dingen: 1º. in het geopenbaarde Woord, en 2º. in de Wedergeboorte. Nu is het geopenbaarde Woord niet uit den mensch, niet uit ’s menschen denken, niet uit ’s menschen gemoed of rede, maar door den Heiligen Geest den mensch geïnspireerd, geopenbaard, medegedeeld van buiten af. Het is een Woord, dat tegen het woord der wereld over blijft staan. Het geeft ons niet wat uit de natuur evenzoo te kennen was, maar het openbaart de Goddelijke mysteriën, Goddelijke geheimenissen, mededeelingen omtrent ons onbekende of nog toekomstige dingen. Het is daarom boven de natuur uitgaande, en alzoo in vollen zin bovennatuurlijk. — En geheel hetzelfde geldt van de wedergeboorte. De wedergeboorte is een daad Gods, die wat de natuur nooit geven kon, schenkt. De natuur gaat tegen de wedergeboorte, en de wedergeboorte tegen de natuur in. En beide, Woord en Wedergeboorte, zijn daarom het wonder. Heel de Kerk is dus niet uit de natuur, maar uit het wonder; en wonder is juist de naam voor die reeks verschijnselen, die in de natuur krachten openbaren, welke niet uit de natuur, maar boven de natuur zijn en er aan worden toegevoegd. Vandaar dat het wonder juist hierin zijn kenmerk vindt, dat het niet uit de Schepping is, maar uit de Herschepping. De tegenstelling is en blijft alzoo, dat het uitgangspunt van den Staat ligt in de Schepping, in de Natuur, en in de Gemeene Gratie, terwijl het uitgangspunt van de Kerk ligt in de Herschepping, in het Wonder en in de particuliere Genade.

*

|107| Gelijke tegenstelling nu vinden we, zoo we onderzoek doen naar de sfeer van Staat en Kerk. De sfeer is de kring waarin het levenoptreedt, de bijeenvoeging van al die elementen die tot het bestaan behooren, en waarin het werkt. Welnu, die sfeer ligt voor den Staat in het gewone, natuurlijke leven, in dat leven dat uit de Schepping komt en aan de Schepping onderworpen is. De Staat heeft te doen met de uiterlijke verschijning der menschen, met het land waarop ze vertoeven, met de huizen waarin ze wonen, met ziekten die hen bedreigen, met gevaren waaraan ze zijn blootgesteld, met gelden die ze moeten opbrengen, met wapenen die ze ter verdediging van het vaderland moeten dragen, met wegen en kanalen die moeten worden aangelegd, met beveiliging van goederen en personen, met het straffen van moord en diefstal, met het handhaven der publieke eerbaarheid, en zooveel meer. Zijn sfeer is alzoo de zichtbare levensverschijning. Hij rekent met wat voor oogen is. Met wat ieder waarneemt. Dat zichtbare is zijn element, de sfeer waarin hij zich beweegt en opgaat. We laten nu natuurlijk zijn verhouding tot de Kerk voorshands rusten. Daarop komen we later. Thans is het er ons om te doen, om den Staat te leeren kennen, gelijk hij onder alle volkeren optreedt, en zooals hij zich uit zichzelven vertoont. En dan is het wel aan geen twijfel onderhevig, of juist in dat zichtbare, grijpbare en waarneembare ligt zijn bestaan besloten. Altegader de dingen die in het natuurlijke, of in het burgerlijke leven besloten zijn, en geheel behooren tot dat leven dat uit de Schepping of uit de natuur opkwam en opkomt.

Vraagt ge nu daarentegen naar de sfeer der Kerk, dan wordt ge op eenmaal verplaatst op een heel ander terrein. De Kerk heeft rechtstreeks niet met den mensch in zijn gewoon bedrijf, maar met den mensch als zondaar te doen. Ze vraagt niet naar zijn land, naar zijn huis, naar den weg waarop hij gaat of naar het kanaal waardoor hij perschipzijngoed vervoert, niet naar zijn post en telegraaf, en zooveel meer; maar naar zijn hart, naar zijn ziel en naar zijn inwendigen mensch. En ze houdt zich met dien inwendigen mensch bezig, niet om gegevens voor de zielkunde te verzamelen, maar om dien mensch met zijn inwendig leven voor God te stellen, en dit inwendige leven in verband te brengen met zijn eigen toekomst. Ze dringt aan op boete en berouw, op bekeering en heiligmaking. Ze ontsluit een heel andere wereld, dan de wereld in het gewone leven der maatschappij. Ook daarop oefent ze wel invloed, maar alleen zijdelings. Haar eigenlijke sfeer is niet het zichtbaar waarneembare, maar de verborgen mensch des harten. Niet de dingen der Schepping, maar de dingen der Herschepping zijn het element waarin ze zich beweegt. Vond ze niets dan de natuur in de dingen der Schepping, ze zou haar roeping niet volvoeren kunnen. Haar sfeer is niet wat voor oogen, maar wat voor het |108| oog voor God is. Niet het natuurlijke, maar het bovennatuurlijke. Wat ze beluistert is niet de stem van het geschapene, maar de stem van haar God.

*

Staat het zoo met beider uitgangspunt en sfeer, niet anders is het gelegen met beider middelen, d.w.z. met de middelen, die ze gebruiken, om hun werkzaamheid te openbaren. De Staat gebruikt nooit anders dan uitwendige middelen. Hij gebruikt hout en steen en metaal om sluizen en wegen te bouwen, dijken en kanalen aan te leggen, en monumentale gebouwen op te richten. Hij heeft rechters, magistraten en politieagenten, door welke hij zijn gezag handhaaft. Hij giet kanonnen, maakt geweren, veegt sabels, bouwt vestingen en oorlogsschepen, om de onafhankelijkheid van het land te verdedigen. Hij bouwt gevangenissen, om de schuldigen op te sluiten. Kort gezegd, de Staat gebruikt zoogoed als alle dingen die in de natuur, krachtens de Schepping, voorhanden zijn, om zijn gezag te handhaven, en zich te kwijten van zijn plicht.

De Kerk daarentegen gaat heel anders te werk. Zeker, de geïnstitueerde kerk moet in het aardsche leven optreden, en heeft daarvoor gebouwen en geld noodig. Maar reeds die gelden int ze op heel andere wijze, niet door dwang, maar door vrijwillige gaven te vragen. Een Kerk, die goed staat, lijdt liever gebrek, dan dat ze een stelsel van belasting zou invoeren. Ze werkt op de harten, om ze offervaardig te maken; maar dreigt niet met verkoop van goed als de gaven niet vloeien. En voorts zijn haar middelen geestelijk. Het zwaard is Gods Woord, en dat zoekt ze zoo te hanteeren, dat het snijdt in de consciëntie. Ze getuigt, ze vermaant, ze bestraft. Ze lokt en roept ten eeuwigen leven. Ze steunt op den weg der heiligmaking. Ze biedt troost bij het ingaan in de valleie der schaduwe des doods. Ze poogt te verzoenen en te veredelen. Ze treedt als een engel des vredes bij de harten, in de gezinnen, bij de kranken en bij de stervenden op. Ze komt den noodlijdenden te hulp. En eindelijk bedient ze de sacramenten, die ganschelijk niet uit dit leven zijn, maar alleen dan gewaardeerd en waarlijk genoten worden, zoo ze verzeld worden van bovennatuurlijke werkingen. Ook hier is dus de tegenstelling zoo volstrekt mogelijk. Bij den Staat de uiterlijke dwang, desnoods door het zwaard, al was het slechts in geval van oproer. Bij de Kerk nooit dwang, maar steeds drang. Overtuigen, winnen, trekken, lokken is het middel dat de Kerk aanwendt. Gebieden, bevelen, gelasten, dwingen is het middel waardoor de Staat bloeit. De Kerk wijst op straffen die God zendt, de Staat straft zelf.

*

Dit komt nader uit in beider karakter. Het karakter toch van den Staat is dat hij u bij zijn burgers insluit, of ge wilt of niet. De Overheid oefent |109| haar gezag uit over een bepaalde landstreek, en al wie in die landstreek woont of geboren wordt, behoort tot haar onderdanen. Van vrijwilligheid is hier geen sprake. Men moge naar een ander land trekken, om daar een beter bestaan te vinden, maar niemand trekt van land tot land, alleen om niet onder de Habsburgers, maar onder de Hohenzollerns, niet onder de Bourbons, maar onder de Bernadottes te leven. Ook zijn die wegtrekken weinigen, de groote menigte blijft, en is, zoolang ze blijft, door het feit zelf van haar wonen aan het gezag van de Overheid van het land onderworpen. Er wordt niet gevraagd of u dat gevalt. Er wordt u niet op zekeren leeftijd een keuze gesteld. Gij zijt onderdaan geboren, en blijft onderdaan tot uw dood toe. Sterker nog. Als het land, waarin ge woont, in gevaar komt, dan beschikt de Overheid over heel uw persoon, zendt u naar het slagveld, en laat u desnoods door den vijand doodschieten. Dit hangt niet van uw bereidheid tot offerande voor het vaderland af. Ge moet. En zoo ge niet kunt, haalt men u uit uw huis. Loopt ge weg, dan krijgt ge den kogel. Zoo beschikt de Overheid over uw persoon, of ge wilt of niet. juist zooals ze uw geld uit uw huis en uit uw kast haalt, ook tegen uw wil en uw zin. Desnoods verkoopt ze heel uw inboedel, al uw bezitting. Haar karakter is en blijft alzoo van den aanvang tot den einde onvrijwilligheid, en zij blijft, met of tegen uw zin en wil in, beschikken over u en het uwe, tot zelfs over uw kinderen, zoo dikwijls zij oordeelt dat de nood van den Staat het eischt. Altoos de soldaat, de politieagent, de deurwaarder, de gevangenis, het schavot in het verschiet.

Doch zoo is de Kerk van Christus niet. Ook hier vragen we niet, of niet vaak een kerk, die zich naar Christus noemde, misbruik van haar positie heeft gemaakt, en haar karakter heeft verloochend. Wat ons hier alleen bezig houdt, is het karakter der kerk, gelijk dit volgens haar oorsprong en roeping zijn moet. En dan is het duidelijk dat de kerk juist het karakter der vrijwilligheid bezit. Niemand behoeft tot een kerk te behooren als hij niet wil. Waar men ook woont, men behoort op volwassen leeftijd nooit tot een kerk dan door eigen keuze, krachtens eigen overtuiging en door eigen wil en besluit. Natuurlijk wordt men ook in de kerk geboren. Maar hier neemt de kerk geen vrede meé. Ze eischt, dat ge, tot jaren van onderscheid gekomen, door persoonlijke vrijwillige belijdenis, verklaren zult een lid van haar te willen zijn. En als ge, om wat reden ook, haar verlaten wilt, dan moge ze u vermanen om te blijven, en u de gevolgen van uw weggaan voor oogen houden, maar zoo ge volhardt in uw opzet om haar te verlaten, dan zendt ge haar uw scheidbrief, en gij zijt van haar af. Juist dat geestelijk karakter der vrijwilligheid maakt dan ook, dat ge u kerkelijk één weet niet enkel met uw geloofsgenooten in uw eigen land, maar evenzoo met uw geloofsgenooten in andere landen en in andere wereiddeelen. Al ligt Transvaal ook nog zoo ver van ons gescheiden, met |110| dit Calvinistisch volk weten wij, Calvinisten van Nederland, ons één in den geest. Van hen daarentegen, die wel met ons saamwonen op dezelfde gracht en in dezelfde straat van de stad onzer woning, maar die in belijdenis tegen ons overstaan, gevoelen we ons geestelijk gescheiden. En dat vrijwilligheidskarakter is zoo weinig bijkomstig, dat veeleer de Kerk juist hierin de kracht van haar saambinding bezit. Een Kerk, die min of meer zijdelings druk en dwang uitoefent, door te dreigen met broodverlies als men haar den rug toekeert, mag tijdelijk in zielental groot blijven, maar ze is karakterloos geworden, en heeft hierdoor haar adelbrief weggeworpen, en zich inwendig verzwakt. Zeker, ook de Kerk vraagt offerande. Offerande van geld, van toewijding, en desnoods van het leven. Maar nooit sleurt ze naar den brandstapel. Wie zijn leven voor zijn belijdenis stelt en offers aan naam, eer of goed voor haar brengt, doet dit alles uit eigen initiatief, uit eigen aandrift, en, geheel vrijwillig.

De Staat, omdat hij uit de Schepping en uit de natuur is, heerscht evenals de natuur door vaste wetten en door overmacht. De Kerk daarentegen, omdat ze uit de herschepping en bovennatuurlijk is, leeft uit den geest, is geestelijk van aard en wezen, en kan geen ander middel aanwenden tot bevestiging van haar gezag, dan geestelijken drang. De Overheid heeft onderdanen, de Kerk kent alleen broeders en zusters. De Overheid eischt gehoorzaamheid en onderwerping, de Kerk alleen belijdenis en trouw. Zooals natuur en geest tegenover elkander staan, zoo ook staan Overheid en Kerk tegen elkander over. Bij den Staat de geest der dienstbaarheid, bij de Kerk de geest der vrijheid. De Staat is een natuurlijke macht, die u, als het moet, terneerwerpt en overmant, de Kerk is een bovennatuurlijke instelling, die u opheft en steunt.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XV, De Heraut No. 1156 (18 februari 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001