XIV. Kerk en Staat 2

Jezus antwoordde: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Indien mijn koninkrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijne dienaars gestreden hebben, opdat ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is mijn koninkrijk niet van hier.

Joh. 18 : 36. a


Na ons aldus duidelijk over Art. 36 te hebben uitgesproken, dient thans evenzoo vast te staan, wat we in de uitdrukking: Kerk en Staat, onder deze beide woorden te verstaan hebben. Verzuimt men zulks vast te stellen, dan leidt betoog en tegenbetoog nooit anders dan tot hopelooze spraakverwarring. En zonder overdrijving mag beweerd, dat het grooter deel van onze onderlinge twisten in niets anders dan in zulk een ontbreken van juiste begripsbepaling zijn oorsprong vond, met name op dit punt. In zulk een begripsverwarring nu zoekt alleen heil wie een slechte zaak verdedigt. Wie weet dat zijn zaak het licht mag zien, verheugt zich, zoodra weer een nevel van onklaarheid wordt weggevaagd. We hebben daarom goed vertrouwen, dat alle man van ernst, wien het waarlijk ten deze om waarheid te doen is, bij mogelijk tegenbetoog, geheel dezelfde methode zal willen volgen, door ook zijnerzijds vooraf duidelijk te omschrijven, hoe hij ten deze Kerk en Staat opvat. Zoodoende zal de tegenstelling, zoo die er mocht overblijven, zich laten samenvatten op bepaalde punten; over en weer zal men over die bepaalde punten zijn gevoelen kunnen uiteenzetten; en van beide zijden zal men dan voor zijn gevoelen ten opzichte van die bepaalde punten zijn bewijzen kunnen bijbrengen en die van zijn tegenstander kunnen toetsen. Alle persoonlijk geharrewar, alle verdachtmaking, alle krenkende manier van uitdrukking zal daarbij achterwege kunnen blijven, en het volk in zijn onderscheiden rangen en standen zal getuige kunnen zijn, niet van een scherp persduel, maar van een ernstige poging door vroede, vrome mannen aangewend, om een zeer moeilijk en ingewikkeld vraagstuk tot oplossing te brengen.

Wat dan nu de Kerk aangaat, zoo wordt dit woord in de formule: Verhouding tusschen Kerk en Staat, door ons verstaan, niet van de Kerk als Organisme, maar van de Kerk als Instituut. Er is voor ons, bij het gebruik van het woord „Kerk” in dit geding, geen sprake van het koninkrijk Gods, noch van de Christelijke religie, noch van de Christelijke school, |97| noch van de Christelijke barmhartigheid enz., in algemeenen zin. Wel ontkennen we niet, dat men de verhouding van den Staat ook ten opzichte van al deze aangelegenheden principiëel ter sprake kan en moet brengen; en ter plaatse waar zulks behoort, lieten we ons ook hieraan niet onbetuigd. Maar thans laten we dit alles rusten, en handelen we uitsluitend van de Kerk als instituut, en alzoo van al deze andere aangelegenheden slechts in zooverre, als ze in de georganiseerde kerk tot uitdrukking komen. Voorts verstaan we onder de kerk als instituut een kring van personen, die in eenzelfde kerkelijk verband leven, en dat kerkelijk verband doen uitkomen in een geschreven belijdenis en in een bepaalde kerkenorde. Of men zulk een kerk een genootschap, een vereeniging, een maatschappij of wat ook wil noemen, is ons daarbij ten deze onverschillig. Niet alsof we dit op zichzelf voor de ware en bijzondere beteekenis van het begrip kerk onverschillig zouden achten, maar in het onderhavig betoog doet dit niets ter zake voor wat de verhouding tot den Staat aangaat. Op het terrein van den Staat openbaart zich een verschijnsel, dat zich onder den naam van kerk aandient, en kerk door het volk in de volkstaal genoemd wordt. Ten einde verwarring te voorkomen, is het dus noodzakelijk, dit verschijnsel dat zich kerk noemt, aanvankelijk in zijn meest uitgebreid gebruik te nemen. Eerst later zal dan de vraag aan de orde komen, of dat begrip van kerk enger bepaald moet worden, gelijk b.v. Rome dat doet, en gelijk het geschiedt in Engeland ten opzichte van de dusgenaamde „Engelsche kerk”. Doch hiermede kan men niet beginnen. Om te beginnen, moet men het verschijnsel nemen, gelijk het zich in het publieke leven voordoet, en dan is kerk: een kring van personen, die zich kerk noemt, een belijdenis publiek maakt, en leeft onder een kerkelijk statuut, een kerkenorde of een reglement.

Evenzoo verstaan we in dit betoog onder Staat niet de idee van staat, niet een idealen Staat, noch ook een afgetrokken staatsbegrip, maar een volk onder een bepaalde Overheid levende, en wel zoo, dat die Overheid, onder de heerschappij van een tot stand gekomen wetgeving, macht over de burgers uitoefent, daartoe het zwaard draagt, en desvereischt met dwang zijn wil tegenover de burgers doorzet. Hieruit vloeit voort, dat men in plaats van: verhouding tusschen Kerk en Staat, ook schrijven kan: verhouding tusschen Kerk en Overheid, want het is niet de roeping van de Kerk tegenover het volk, noch ook de roeping van het volk ten opzichte van de kerk, die we hier ter sprake brengen, maar uitsluitend de wederzijdsche verhouding tusschen de Kerk en de Overheid.

*

Zoo nu begrepen, dient principiëel het wezensonderscheid tusschen Kerk en Overheid te worden vastgesteld, en, ter opsporing van beider verhouding, |98| het punt of de punten waarin ze elkander raken. En dan staat op Gereformeerd standpunt vast, dat noch de Kerk noch de Overheid opkomt uit de schepping, maar dat beide er zijn om der zonde wil. In het Paradijs, vóór den val, is zoomin een Kerk als een Overheid denkbaar. Dit is niet in strijd met Zondag XXI van den Heidelbergschen Catechismus. Want wel wordt daar beleden, dat de Zone Gods van den beginne der wereld zijn Kerk heeft gehad, maar blijkens de uitverkiezing, die in vr. 54 de grondslag der Kerk is, mag dit niet anders worden verstaan, dan begonnen zijnde na den val. Het behoeft toch wel geen betoog, dat buiten zonde geen uitverkiezing denkbaar is. Of verklaren de Canones van Dordt niet duidelijk in Hoofdstuk 1, § VII, dat het is de verkiezing „van een zekere menigte van menschen, met de anderen liggende in de gemeene ellende”? Zelfs Gomarus heeft dit dan ook nooit ontkend. Het vraagstuk van het Supralapsarisme valt hier geheel buiten. Uitverkiezing onderstelt altoos een in zonde verzinken van de menschheid. Doch er is meer. Nu duidelijk is uitgesproken, dat we in dit betoog alleen rekenen met de Kerk als instituut, is het duidelijk, dat er vóór de zonde althans van een kerkelijk instituut geen sprake kan zijn. Ontstaat het instituut eerst door saamvergadering, belijdenis en kerkenorde met kerkelijke ambten, dan is elk woord doelloos verspild, waardoor men nog opzettelijk zou willen bewijzen, dat er vóór den val van geen Kerk sprake kon wezen. Dat blijkt ook uit het wezen der Kerk. Het wezen der Kerk is soteriologisch, d.w.z. het is een kring van verlosten, die verlossing predikt en het leven der verlosten leidt en openbaart. Daar nu verlossing voorafgaanden val in zonde onderstelt, zoo volgt ook langs dezen weg, dat geen kerk zonder zonde, waaruit verlost zal worden, denkbaar is. De vraag, of er, ook al ware de zonde uitgebleven, geen band tusschen Christus en de gezaligden zou bestaan hebben, doet hier niets ter zake. In geen geval zou die band institutair-kerkelijk geweest zijn. Het woord voor kerk in het Nieuwe Testament gebezigd is kkljs°a en dat woord beteekent nu eenmaal: eene uitgeroepene of uitverkorene schare. Eindelijk kan dit ook zóó toegelicht: Al wat uit de schepping opkomt, vóór de zonde, is aan heel ons menschelijk geslacht gemeen. Wie zich een Kerk, uit de schepping opgekomen, buiten de zonde denkt, verkrijgt dus een Kerk die heel ons menschelijk geslacht zou omvatten; en al wat ons in de Heilige Schrift omtrent de Kerk geleerd wordt, rust juist op het gronddenkbeeld van een splitsing in ons geslacht. Ze neemt nooit het menschelijk geslacht als zoodanig, maar altoos een deel er van, uit het geheel uitgenomen. Zooals Hoofdstuk I, § VII van de Dordtsche Canones zegt: „Een menigte van menschen uit het geheele menschelijk geslacht” uitgekozen. Is alzoo de Kerk geen scheppingsinstituut, gelijk b.v. het huisgezin en het huwelijk, dan kan ze haar oorsprong niet anders hebben dan in de genade. Het is ter bestrijding van de zonde, en |99| ter verlossing uit de zonde, dat de genade Gods de Kerk in het leven riep.

In zooverre nu loopt de Staat of de Overheid met de Kerk evenwijdig. Ook van den Staat toch moet beleden worden, dat hij niet uit de schepping maar uit de Genade is. Wel wordt dit door de meesten tegenwoordig ontkend. Het is thans veeleer gewoonte, in den Staat de natuurlijke, van zelf opkomende menschelijke vergezelschapping te zien. Zelfs zijn er niet weinigen, die den Staat verheerlijken als de hoogste, wijste en rijkste vereeniging, waartoe de menschelijke natuur door innerlijke aandrift opklimt. Zelfs mag niet ontkend, dat vaak ook mannen, die nog hechten aan den orthodoxen naam, met deze verkeerde voorstelling afdrijven. Toch hebben wij in ons onderhavig betoog hiermede niets uitstaande. Ons betoog richt zich uitsluitend tot hen, die met ons de Gereformeerde beginselen belijden. En volgens óns beginsel staat het vast, dat de Overheid er niet anders dan om der zonde wil is. Art. 36 der Confessie zegt het duidelijk: „Wij gelooven dat de goede God, uit oorzaak der verdorvenheid van het menschelijk geslacht, Overheden verordend heeft.” Algemeen is dan ook het gevoelen onder de Gereformeerden, dat de Overheid, in den eigenlijken zin van dat woord, eerst na den zondvloed is opgekomen, en haar grondslag vindt in Gen. 9 : 6. juist dat maakt het dan ook zoo onbegrijpelijk, hoe kundige mannen, die belijden Gereformeerd te zijn, uit Gen. 9 : 6 het bevel van de doodstraf kunnen uitlichten, daar hiermede immers geheel het gebouw ineenstort. Uit het doel van het optreden der Overheid blijkt hetzelfde. Dat doel toch is, naar luid van Art. 36, „dat de ongebondenheid der menschen bedwongen worde”; iets wat geen zin zou hebben in een toestand zonder zonde, daar toch juist eerst uit de zonde de ongebondenheid des menschen opkomt. En eindelijk blijkt zulks evenzeer uit hetgeen bestaan zou hebben buiten zonde. Dan toch zou het gezinsleven zich van zelf in het patriarchale leven hebben uitgebreid, en, zonder Overheid, de regeering van het menschelijk geslacht patriarchaal zijn toegegaan. Zoo min als de Kerk, is dus ook de Staat uit de schepping. Beide zijn uit de genade. Beide zijn er om der zonde wil. En ook beide zijn tegen de zonde gekeerd. Het zijn instituten van Goddelijken oorsprong, die strekken om de zonde te bestrijden en haar gevolgen te verzachten.

*

Hieruit volgt tevens, dat noch de Kerk noch de Staat organische verschijnselen zijn, maar dat beiden mechanisch in het leven zijn ingezet. Men verstaat wat hiermede bedoeld wordt. Organisch is datgene wat uit den wortel van het leven vanzelf opkomt; mechanisch is wat van buiten af aan het leven wordt toegevoegd. De stengel is organisch, want ze komt uit den wortel op. De stok bij den stengel gezet, om te voorkomen dat hij voor den grond sla, is mechanisch, want bij wordt mechanisch |100| aangebracht, naast de plant in den grond gestoken, en er uitwendig mee verbonden. Hetzelfde geldt van een lichaamsdeel in een verband. Onze lichaamsdeelen zijn organisch van natuur, want ze zijn uit de eerste cel van ons leven opgekomen. Is daarentegen onze arm of ons been gebroken, en wordt nu een verband aangelegd, om ze te heelen, dan is dat verband mechanisch, want het komt van buiten, wordt op het lichaamsdeel aangelegd, en strekt om het te redden. Op gelijke wijze nu zijn Kerk en Staat mechanische instellingen. D.w.z. ze zijn niet vanzelf uit het leven der menschelijke natuur opgekomen, maar ze zijn aan dat leven toegevoegd, er als een verband aangelegd, en er als een stok bij den stengel bij gezet, om het leven op te houden en te genezen. Iets waaruit dan ook volgt, dat beide gaan gelijk ze kwamen, en, als ze hun dienst verricht hebben weer verdwijnen. Als de stengel kracht genoeg bezit, om zelfstandig zich op te heffen, neemt de boomgaardenier den stok weg, en óók, als de gebroken arm genezen is, neemt de geneesheer het aangelegde verband er weer af. Zoo nu ook hebben én de Kerk én de Staat slechts een tijdelijke roeping. Er was een tijd dat ze er niet waren, en er komt een tijd dat ze er niet meer zijn zullen. Ze gaan voorbij en houden straks op te bestaan. Op de nieuwe aarde en in den nieuwen hemel zal noch Kerk noch Staat gevonden worden. Iets wat ieder zal toegeven, mits hij altoos wel in het oog houde, dat Kerk in dit betoog het instituut, en niet het organisme aanduidt. Immers een Kerk met belijdenis en statuten zou op de nieuwe aarde en in het rijk der heerlijkheid ondenkbaar zijn. Men kan niet meer belijden, als er niemand is die u weerspreekt. Belijden onderstelt altoos, dat ge met uw belijdenis tegen anderer verloochening overstaat.

Loopen alzoo Kerk en Staat in zooverre evenwijdig, dat ze belde niet uit de Schepping opkomen, maar eerst na den val, om der zonde wil, zijn ingesteld en als een genadedaad Gods in onze wereld zijn ingedragen, zoodat ze beide verdwijnen zullen als er geen zonde meer is, — toch gaan beide in al het overige uiteen. Al is het toch, dat beide uit de genade zijn, zoo staat toch evenzoo vast, dat de Kerk is uit de Particuliere Genade, en dat daarentegen de Staat, of wil men de Overheid, een instelling is van de Gemeene Gratie; en deze twee behooren steeds scherp onderscheiden te worden. Niemand kan van ons vorderen, dat we op dit pas dit onderscheid nogmaals nauwkeurig omschrijven zullen. Ons betoog over Kerk en Staat vormt een onderdeel van geheel ons Tractaat over de Gemeene Gratie, en we hebben dus recht te vragen, dat men met ons breed betoog over de beteekenis en den oorsprong der Gemeene Gratie rekening houde. Geen Gereformeerde zal het bestaan van de Gemeene Gratie ontkennen, en evenmin zal een Gereformeerde ooit beweren, dat de Gemeene Gratie hetzelfde is als de Particuliere Genade. De Gemeene Gratie strekt om, in weerwil van het diep bederf der zonde, een menschelijk leven op aarde |101| mogelijk te maken; de Particuliere Genade redt ten eeuwigen leven, en doelt niet op ons tegenwoordige leven, maar op onze existentie voor de eeuwigheid. Doch hieruit vloeit dan ook drieërlei verschil voort.

*

Ten eerste dit, dat de Staat heel ons menschelijk geslacht omvat, de kerk slechts een deel van dit geslacht. Een Overheid moet er overal wezen, en onder de macht der Overheid zijn allen gesteld, die zich bevinden binnen hare landpalen. Daarentegen zijn aan het gezag der Kerk alleen zij onderworpen, die in haar zijn krachtens het Genadeverbond, of door vrijwillige belijdenis zich bij haar voegen. Er kunnen dus wel volken zijn zonder Kerk, maar geen volken zonder Overheid. We zeggen niet dat het goed is, zoo er in Afghanistan geen Kerk is, maar het feit ligt er toe; en toch is Afghanistan een Staat onder een Emir, en alzoo een Staat, die, zij het ook gebrekkig, toch door een Overheid geregeerd wordt, en allen die in Afghanistan wonen, zijn aan haar gezag onderworpen. Dat nu vloeit voort uit het onderscheiden karakter der Algemeene en der Particuliere Genade. De Gemeene Gratie strekt zich uit tot heel ons menschelijk geslacht, de Particuliere Genade slechts tot een deel er van. En dienovereenkomstig is het, dat de Overheid doelt op heel ons menschelijk geslacht, de Kerk alleen op de belijders, d.i. op een deel er van.

In de tweede plaats volgt hieruit, dat de Overheid opkomt zoodra het patriarchaal gezag inzinkt, terwijl de Kerk als geheel zelfstandig instituut eerst optreedt na den Pinksterdag. Dit laatste ziet men wel niet terstond in, zoo men het woord Kerk in vagen zin neemt, maar het springt in het oog, zoodra men, gelijk wij voor dit betoog doen, het woord Kerk neemt als zelfstandig instituut. Zeker, de Kerk is er geweest van den aanbeginne der wereld, maar Zondag XXI van den Heidelbergschen Catechismus, die dit belijdt, voegt er dan ook bij: „en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven.” Bewijst dit nu niet, dat hier niet gehandeld wordt van de Kerk als instituut, maar van de Kerk als organisme? Of zal iemand beweren, dat hij van de Luthersche kerk, of van de Gereformeerde kerk eeuwiglijk een lidmaat blijft? Schrapt niet elke kerk haar overleden lidmaten van haar lidmatenboek? En als ge dan vraagt: hoeveel lidmaten heeft die kerk? geeft dan iemand ooit een ander antwoord, dan het cijfer dat de nog in leven zijnde lidmaten aanduidt? Hieruit blijkt alzoo, dat men vraag 54 van den Catechismus niet op het instituut mag toepassen. Vóór Israëls optreden merkt ge dan ook niets van zulk een instituut. Er is religie en eeredienst in de gezinnen, in de geslachten, onder de patriarchale leiding, maar van een afzonderlijk optredende Kerk, met een belijdenis, of met afzonderlijke ambten is geen spoor te ontdekken. Abraham, noch Izaäk, noch Jakob zijn ooit lidmaten van een kerkelijk instituut |102| geweest, eenvoudig omdat het niet bestond. En wel zien we onder Israël ambten van geestelijk karakter, en een openbaren dienst onder afzonderlijke leiding van priesters optreden, maar toch kan zelfs niet van dezen toestand onder Israël gezegd, dat de Kerk onder Israël reeds afzonderlijk geïnstitueerd was. Tot deze kerk onder Israël toch behoorde men niet door belijdenis, maar krachtens zijn aanhoorigheid tot het volk van Israël, onder het Israëlietisch Staatsverband. Het is dan ook opmerkelijk, dat het Sanhedrin volstrekt niet alleen uit priesters bestond, maar ook uit niet-priesterlijke of leeken-elementen, en dat dit Sanhedrin, wel verre van alleen kerkelijke zaken te regelen, tevens met juridieke en politieke macht bekleed was. Het zou ons hier te ver leiden om de geschiedenis van het Sanhedrin breeder toe te lichten, maar in geen geval mag men het voorstellen, alsof dit een soort kerkelijk bestuur was, dat tegenover het politieke stond. Veeleer lag de zaak zoo, dat de Romeinen het inwendig bestuur van het land gemeenlijk aan een overwonnen natie overlieten, en zich slechts enkele hoogheidsrechten voorbehielden, zoo b.v. het uitvoeren van de doodstraf. Het Sanhedrin, in plaats getreden van de vroegere Gerusia of Senaat, was wel terdege een politiek lichaam, dat de burgerlijke aangelegenheden beheerde. Veel sterker spoor van zelfstandige kerkelijke organisatie vindt men dan nog in de Synagoge, gelijk die na de ballingschap opkwam; mits men maar wel in het oog houde, dat de daarbij aangestelde „Overste der Synagoge”, „Dienaren” en „Armverzorgers” volstrekt geen kerkelijke ambten bekleedden. Vaste predikers of leeraars kende men in de Synagoge niet. Ieder der saamgekomenen, of van buiten inkomende vreemdelingen, las uit de Schrift voor en sprak de schare toe. De ambtsdragers stonden veeleer op één lijn met wat wij „Kerkvoogden” zouden kunnen noemen, d. w. z. ze zorgden voor het beheer, en daarvoor uitsluitend. Doch nu lette men er wel op, dat deze Synagoge-voogden tevens de stadsvoogden waren, die de burgerlijke zaken beheerden, juist zooals het Sanhedrin. Ook van hen kan dus niet gezegd, dat zij een zelfstandig kerkelijk instituut in het leven riepen. Dat was alleen het geval bij de Synagogen, die de Joden in de verstrooiing, te Rome, te Corinthe en elders, hadden gesticht. Daar verbleef natuurlijk het wereldlijk bestuur aan de Romeinsche en Grieksche Overheid; en hierdoor, en hierdoor alleen was het, dat de „Overste der Synagogen” enz., uitsluitend kerkelijk zeggenschap hadden. Iets wat dan nog altoos zoo moet verstaan worden, dat de Synagoge-raad over de Jodenfamiliën ook een soort burgerlijke rechtspraak uitoefende. Het is alzoo lijnrecht in strijd met de historie, om reeds bij Israël van een zelfstandig kerkelijk instituut te spreken. Zulk een zelfstandig kerkelijk instituut is eerst ontstaan, doordat Jezus zijn twaalf apostelen ordende, hen met ambtelijke macht bekleedde, enz. Eerst van die ure af trad de wereldkerk in haar plaatselijke zelfstandige instituten op, |103| en ontstond de vraag: hoe de verhouding van deze instituten tot het staatsinstituut zou zijn te regelen.

En in de derde plaats bestaat tusschen Kerk en Staat dit principiëel verschil, dat de Overheid dwingt, en de Kerk alleen getuigt. Toen Petrus, beide verwarrend, voor Jezus het zwaard trok, wees Jezus hem terug. En nog op Gabbatha verklaarde Jezus aan Pilatus, dat zijn stichting niet van deze wereld was, en dat dus zijn zaak niet kon worden gehandhaafd met het zwaard. Het zwaard maakt hier dus de tegenstelling. Bij de Overheid hoort het zwaard. Zonder het zwaard is de Overheid niet denkbaar. Het zwaard is het symbool van haar macht. Door het zwaard handhaaft de Staat zich, binnenslands tegenover weerstrevende burgers, buitenslands tegenover andere Staten. De Kerk daarentegen verwerpt het zwaard. Voor de Kerk is het een onding. Haar symbool en het teeken van haar macht is niet het zwaard, maar het Kruis. Zij heerscht niet, maar lijdt. Wel oefent het kerkbestuur ook gezag uit binnen eigen kring, maar ook dat gezag heeft een uitsluitend geestelijk karakter. Wie er zich aan onttrekken wil, zendt haar den scheidsbrief.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XIV, De Heraut No. 1155 (11 februari 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001