XIII. Kerk en Staat 1

Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde. Dient den Heere met vreeze, en verheugt u met beving.

Psalm 2 : 10, 11. a


Het verder indringen in de verhoudingen van het Staatswezen, gelijk deze door de Gemeene Gratie beheerscht worden, ligt niet op onzen weg. De Gemeene Gratie reikt zoo ver als de Overheidstaak zich uitstrekt. Volledige aanwijzing van de werking der Gemeene Gratie, zou alzoo tot volledige uiteenzetting van de Staatsleer leiden. Dit nu hoort in ons blad niet thuis. Wat een blad, dat het pleit voor beginselen voert, te doen heeft, bepaalt er zich toe, om bij elk stuk uit ons menschelijk leven de hoofdlijnen uit te stippelen, waarlangs de werking der Gemeene Gratie zich voortbeweegt, en hieraan is thans, voorzooveel het staatkundig leven betreft, voldaan.

Thans echter plaatst de beschouwing van het Staatsleven ons nog voor een geheel andersoortig vraagstuk. Behalve de Staat is ook de Kerk tot institutie gekomen, en de vraag is dus niet te ontwijken, welke naar Gods ordinantie de juiste verhouding is, waarin deze beide instituten tot elkander behooren te staan. Dit vraagstuk is èn met het oog op de |89| historie, èn met het oog op onze tegenwoordige toestanden, èn niet minder met het oog op de toekomst, van zoo hoog gewicht, dat principiëele uiteenzetting ervan hier niet mag ontbreken. En dat te minder, naardien Art. 36 van de Gereformeerde belijdenis, waarin de beschouwing van de 16de eeuw ten deze is geformuleerd, gelijk genoegzaam bekend is, door schrijver dezes in zijn meest bekenden volzin niet wordt beaamd. Intusschen is dusver door tegenstanders meer de aandacht gevestigd op zijn bestrijding van dezen éénen volzin, dan op hetgeen positief door hem daartegenover werd gesteld. Omdat de aanhangers der Fransche Revolutie tegen Art. 36 gekant zijn, achtte men te mogen onderstellen, dat hij derhalve in zake de verhouding tusschen Kerk en Staat met de liberalisten liep. En wel zagen enkele anderen iets nauwkeuriger toe, maar toch ook dezen zochten nog altoos meer houvast aan een enkele min gelukkige uitdrukking, die hem voor twintig en meer jaren ontvallen was, dan dat zij poogden zich rekenschap te geven van zijn wezenlijke bedoeling. Hiertoe werkte tevens mede, dat hij nog nimmer aanleiding had gevonden om zich in geordenden samenhang en eenigszins volledig over dit gewichtig punt uit te laten. Nu zich daartoe in de reeks dezer artikelen ongezocht de gelegenheid aanbiedt, wenscht hij daarom deze leemte aan te vullen. Iets wat hem het recht geeft, van zijn beoordeelaars te vergen, dat zij voortaan bij hun bestrijding uitsluitend naar deze nu volgende uiteenzetting verwijzen zullen.

*

Ter bevordering der duidelijkheid sta hier vooraf zijn meening over Art. 36 der Belijdenis. Gelijk in de eerste artikelen van deze reeks reeds is uiteengezet, strekt Art. 36 niet om de positie der Kerk te bepalen, maar om uiteen te zetten wat de Gereformeerde Christenen omtrent de Overheid te belijden hebben. Dit blijkt uit drieërlei. Ten eerste daaruit, dat over de Kerk gehandeld wordt in Art. 27-33, dat daarna de Art. 34 en 35 van de Sacramenten handelen, en dat daarop eerst Art. 36 volgt. De Sacramenten, die steeds én in de Dogmatiek onzer vaderen, én in hun belijdenis, een afzonderlijk stuk vormden, scheiden alzoo de belijdenis omtrent de Kerk van die over de Overheid af. Ten tweede blijkt dit uit de dwalingen, die in Art. 36 verworpen worden. Die dwalingen bestaan niet in eenig averechts voorgesteld leerstuk omtrent de Kerk, maar in den geest der Revolutie. Verworpen toch worden de dwalingen „der wederdoopers en van andere oproerige menschen, en in het gemeen van alle degenen, die de Overheden en magistraten verwerpen, en de justitie omstooten willen, invoerende de gemeenschap der goederen, en verwarrende de eerbaarheid, die God onder de menschen gesteld heeft.” En ten derde blijkt dit uit het beleden en bekende doel van dit artikel. In Frankrijk en hier te lande ontstond bij de regeerders des lands sterke vooringenomenheid |90| tegen hen die „van de Religie” waren, omdat men hen verdacht van overeenstemming met de revolutionaire secten dier dagen. Daartegen nu kwam men op, en ter weerlegging van dit geheel ongegrond vermoeden, beleed men alsnu, in wat zin door de Gereformeerden de Overheid als goddelijke instelling erkend werd. Wat er van de Kerk in staat, bedoelde alleen, de Overheid op het hart te drukken, dat zij de ware Christelijke Kerk, niet de valsche te eeren had, en dat deze, volgens Art. 27-31, niet was de pauselijke Hiërarchie, maar die Kerk, die volgens de grondslagen van het Evangelie, hervormd, gezuiverd, of wil men gereformeerd was.

Ten tweede zij opgemerkt, dat de woorden uit Art. 36: „En hun ambt is, niet alleen acht te nemen en te waken over de Politie, maar ook de hand te houden aan den Heiligen Kerkedienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen, en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in zijn Woord gebiedt,” niet mogen noch kunnen verstaan worden van de vrijlating der Kerk en van het haar verleenen van zedelijken steun, maar ongetwijfeld doelen op eene verplichting aan de Overheid opgelegd, om de ware Kerk desnoods met het zwaard te verdedigen. Dit blijkt ten eerste uit de woorden zelve: „Weren en uitroeien alle afgoderij en valschen godsdienst.” De Overheid is een macht van Godswege, met afgeleide souvereiniteit over alle Staatsburgers bekleed, een macht, die „het zwaard draagt,” en dienvolgens haar wil met dwang, en desnoods met den sterken arm, doorzet. Wordt alzoo aan zulk een macht gezegd, dat ze iets moet „weren en uitroeien,” dan kan noch mag dit anders worden verstaan, dan in een „weren en uitroeien, desnoods met den sterken arm.” Dit blijkt ten tweede uit de practijk. Het in Art. 36 ten deze uitgedrukte gevoelens, was destijds schier aller gevoelen. Het was het gevoelen der Lutherschen, der Roomschen en der Gereformeerden. Dat nu de Roomschen metterdaad het schavotteeren hieronder begrepen, vereischt voor wie het Martelaarsboek opslaat geen nader betoog. Dat de Lutherschen het zoo verstonden, bewijst het schavotteeren van de Calvinisten te Leipzig. En ook wat de Gereformeerden aangaat, is de beteekenis van het doodvonnis van Michaël Servet, vooral zoo men daarbij Calvijn’s tractaat over dat geding naleest, aan geen twijfel onderhevig. En ten derde is het overtuigend te bewijzen uit hetgeen over dat geschilpunt in de oudere dogmatische geschriften van Gereformeerde zijde te lezen staat. Zelfs zij, die in die dagen zelve de slachtoffers van dat stelsel dreigden te worden, dachten er desalniettemin niet aan, deze belijdenis in twijfel te trekken. Ook zij hielden staande dat de Overheid misdeed, doordien ze de valsche Kerk voor de ware aanzag en de ware als secte vervolgde; maar daaraan, dat de Overheid het recht en den plicht |91| had, om „afgoderij en valschen godsdienst” met het zwaard te weren en uit te roeien, twijfelden zij geen oogenblik. Geheel dit stelsel was niet een nieuwe vinding der Gereformeerden, maar het algemeen gevoelen van hun tijd, waartegen destijds slechts enkele stemmen in verzet kwamen. Het was de theorie van Rome, die eeuwenlang gegolden had, en waarvan men het verkeerde nog niet inzag. Men dreef meê af met den stroom van het verleden, en men verdedigde het overgeleverd gevoelen niet dezelfde bewijsgronden, waarmeê het steeds beleden was. Men mag dus niet zeggen, dat onze vaderen half gedachteloos dat Roomsche gevoelen eenvoudig hebben nagepraat. Dit is niet zoo. Het was een overgeleverd gevoelen, dat ze zelven beaamden, bepleitten en breedvoerig verdedigden. Maar evenmin mag men dat gevoelen als iets specifiek gereformeerds voorstellen, als iets dat zij nieuw gevonden en uit hun eigen beginselen afgeleid hadden. Integendeel, het is een theorie, een stelsel, een gevoelen, dat zij uit het algemeen bewustzijn dier dagen overnamen, en waarvan zij de strijdigheid niet hun dieper liggende beginselen nog niet inzagen. Die strijdigheid met hun dieper liggende beginselen is eerst in de practijk aan het licht gekomen, en door het Gereformeerde leven aan het licht gebracht. Immers niettegenstaande onze vaderen in Art. 36 eenstemmig, ook in dien harden volzin, beaamden, is Nederland de bakermat geworden, niet van geloofsvervolging, maar van de consciëntie-vrijheid. Van het schavot zijn ze op de plakkaten, en van de plakkaten tot een zelfs met die plakkaten strijdige vrije practijk gekomen. Wie dan ook de geschiedenis van de vrijmaking van den geest met ernst bestudeert, kan het feit niet loochenen, dat de vrijheid van den geest haar opkomen dankt aan Nederland, Zwitserland en Engeland, juist de drie meer specifiek Gereformeerde landen. Toen de Fransche Revolutie eindelijk, uit heel andere gronden, den slagboom vallen deed, was het hout van dien slagboom juist in de Gereformeerde landen reeds het verst vermolmd.

*

De practijk heeft alzoo aan de theorie van Art. 36 niet beantwoord. Dit echter geeft niemand het recht, om aan Art. 36 een andere uitlegging onder te schuiven, gelijk dit vooral in de laatste jaren van meer dan ééne zijde beproefd is. Wel was die poging niet onnatuurlijk. Kon ze toch gelukken, dan was het schoone doel bereikt, dat men elk conflict met Art. 36 meed, en tevens de bedoeling der vaderen in zachter licht stelde. Toch mag dit niet. De beteekenis van een actestuk uit de 16 de eeuw, mag niet worden uitgelegd naar onze hedendaagsche, geheel anders aangelegde begrippen, maar moet verklaard worden, gelijk de vaderen ze zelve in hun eigen tijd en in hun eigen geschriften verklaarden. Elke andere uitlegging is oneerlijk, onoprecht, en doet aan de historie geweld aan. Wie |92| zich aan zulk een uitlegging waagt, toont eenvoudig dat hij de geschriften der vaderen niet kent, ze niet las, veelmin bestudeerde. Zij toch hebben zich hierover zoo telkens en zoo in den breede, en zoo tot in bijzonderheden uitgelaten, dat willens blind moet zijn, wie, met deze geschriften hoor oogen, zich aan zulk een uitlegging van het door hen ontworpen Art. 36 waagt. De interpretatie van Art. 36 naar hedendaagsche, van Calvijn en Guido de Brès c.s. geheel afwijkende begrippen, lost den historischen transcedentalen inhoud der belijdenis eenvoudig op in een subjectief, evolutionair proces, en leidt, wat nog veel erger is, consequent op alle artikelen van onze Belijdenis toegepast, tot algeheele verloochening van ons Christelijk geloof.

Voor dit laatste vragen we zeer bijzonderlijk de aandacht van hen, onder deze losse uitleggers, die èn logisch leerden denken, èn vooralsnog aan het Christelijk geloof waarde hechtten.

Het spreekt toch vanzelf, dat de methode van uitlegging, die zij op Art. 36 toepassen, zich aandient als een algemeene methode van uitlegging voor alle 37 Artikelen. Men kan niet bij Art. 36 een methode aanwenden, die men bij Art. 37 of 35 verwerpt. Is de methode van uitiegging, die zij bij Art. 36 toepassen, juist en geoorloofd, dan moet diezelfde methode ook op alle overige artikelen van toepassing zijn. Waarin nu bestaat die methode? Hierin, dat men, om den zin en de beteekenis van de woorden van zulk een artikel te vinden, niet vraagt: Wat hebben de vaderen, blijkens hun overige verklaringen hiermede bedoeld? maar omgekeerd: Hoe zijn die woorden zóó uit te leggen, dat óns gevoelen er door gedekt wordt? Men beschouwt die woorden van zulk een artikel dan als een gemeen goed van alle eeuwen, en elke eeuw kan er dan haar gevoelen in belijden, mits de gebezigde woorden zich maar zoo rekken en vervormen laten, dat ook derzulken gevoelen er, met wat goeden wil, in te lezen zij. Men kent daardoor aan zulke woorden, wat we noemden: een evolutionair proces toe. D.w.z. het zijn dan woorden, wier zin en beteekenis niet vaststaat, maar gaandeweg zich wijzigt en verloopt. Ze beteekenen in de eeuw van hun opstelling dit, en in de eeuw die daarop volgde iets anders, en zoo ook weer iets anders in onze eeuw. Een soort van evolutionaire uitlegging, die vooral onder juristen, bij het uitleggen van wetsartikelen niet ongewoon is. Men zou het nu zelf wel anders en beter zeggen, maar nu het er eenmaal zóó staat, beheJpt men zich met de gebrekkige uitdrukking, en schuift er zijn eigen gevoelen onder. Is zoo niet zelfs de meening verkondigd, dat de Overheid aan de bedoeling van dit Art. 36 reeds voldoet, indien ze b.v. op een oorlogsschip een zendeling uit Batavia liet overbrengen naar een afgelegen eiland van onzen archipel?

*

|93| Doch zij het zoo, laat men een oogenblik aannemen, dat deze methode van uitlegging de ware is, dan volgt er ook uit, dat precies dezelfde methode evenzoo door een ander mag worden toegepast op wat onze Belijdenis zegt van de Heilige Schrift, van den Drieëenigen God, van den Christus, van de Rechtvaardigmaking enz. En wat geschiedt er dan? Dan komen de Modernen, de Ethischen, de jongere Ethischen, de Ritschlianen enz., en zeggen u, dat ze omtrent deze punten wel lang niet meer belijden, wat onze vaderen beleden, maar dat het desniettemin voor ben geen het minste bezwaar oplevert, om bij de aloude Belijdenis te blijven. En zoo zag men dan ook dat zelfs mannen als Scholten en Kuenen nog de drie Formulieren van Eenigheid onderteekenden. Wat zou er hen ook volgens die methode in verhinderd hebben? Ge bindt u dan immers niet meer aan de letter, ge bindt u niet aan wat de vaderen, blijkens hun geschriften, met die woorden bedoelden. Ge vraagt u alleen af, of ge aan de woorden, die er staan, niet zulk een duiding kunt geven, dat uw gevoelen er meê door kan. Zóó vat ge dan de Belijdenis op, en alzoo opgevat, verklaart ge tegen de Belijdenis geen enkel gravamen te hebben, ook al weet ge zeer wel, dat het geheele Christelijk geloof der Vaderen door u verworpen en bestreden wordt. Alles wordt dan vlottend. Er is niets vast meer in zijn vorm. De woorden zijn vlottend, de zin van de taal is vlottend, de begrippen zijn, vlottend. En ge speelt met de Belijdenis naar uw vlottende wilkeur.

Dit geheele bedrijf nu moet daarom door een ieder die goede trouw en eerlijkheid liefheeft, zoo beslist en onvoorwaardelijk worden tegengestaan, omdat geheel deze methode is uitgedacht om de Gemeente te misleiden, en nog nimmer tot iets anders heeft gestrekt. Waartoe geeft men zich toch de moeite, om door zoo onhistorische, puur subjectieve, en geheel vlottende uitlegging, zijn geheel afwijkend gevoelen met den tekst der Belijdenis te dekken? Natuurlijk niet uit wetenschappelijke aandrift. Noch ook in den regel om voor zichzelven zich homogeen met de vaderen te gevoelen. Neen, het doorzichtig doel van zulk bedrijf is meestal, om in schijn een conflict te vermijden met de Gemeente, die aan de Belijdenis gehecht is. Men wilde bij de Gemeente den indruk geven, dat men nog evenals zij bij die Belijdenis bleef. Men trachtte dan de voorstelling ingang te doen vinden, dat men niet zoo boos is als die anderen, die tegen deze Of gene uitdrukking, door hun consciëntie gedrongen, in verzet kwamen, maar dat men, heel anders, met de Gemeente in het verzet tegen zulke afwijkers en nieuwigheidzoekers deelt. De aandrift is dan geen andere, dan een jacht op onwaarachtige en op schijn zich grondende populariteit. En dit nu is een motief, dat onder mannen van wetenschap en onder mannen van ernst, niet mag gelden, maar met open vizier moet worden tegengestaan. Wie zegt: Ik ben het met Art. 36, ook in den bekenden |94| volzin van het „weren en uitroeien van afgoderij en valschen Godsdienst”, eens, moet dan ook den moed bezitten, om evenals de vaderen tegen het toelaten van de Mis in openbare godsdienstoefening te velde te trekken, want onze Heidelberger zegt uitdrukkelijk, dat in de bediening van de Mis „een vervloekte afgoderij” plaats grijpt, die ook de Overheid te weren en uit te roeren heeft. En wie nu niet zoo oordeelt, of dit niet aandurft, is, als hij nochtans voor de zinsnede van Art. 36 opkomt, voorzoover hij zelfbewust handelt en niet zichzelven misleidt, een man met twee aangezichten, een dubbelhartig of een dubbelsprekend man, wien het niet om de waarheid te doen is, maar om de gunst der menigte.

*

Dit punt van methode moest hier vooraf zóó klaar, helder en zonder omwegen worden afgehandeld, opdat het niet telkens van ter zijde weer binnen moge sluipen. Intusschen voegen we hier nog iets aan toe. We weten natuurlijk zeer wel, dat door meer dan één deze zelfde methode is toegepast uit heel andere beweegreden; een beweegreden, niet, als de straks genoemde, van misdadigen aard, maar opkomend uit vrome vreeze. We behoeven slechts aan het pleidooi van wijlen Prof. Van Velzen te herinneren, om duidelijk te doen uitkomen, op wat soort broeders we hierbij het oog hebben. Bij een man als Van Velzen was van politieke bijbedoeling geen sprake. Hij bezat in eigen kring tot aan zijn dood toe het volste vertrouwen, en wist zeer wel, dat buiten dien kring niet naar zijn woord geluisterd werd. Neen, wat hem bewoog en dreef was heel iets anders. Bij hem woog in de eerste plaats de vastheid der Confessie. Het denkbeeld, dat in de Confessie iets wijziging zou behoeven, wierp angst in zijn hart, vooral in dagen toen de Confessie zoo schandelijk miskend en gehoond werd. Daarbij kwam in de tweede plaats, dat hij niet kon gelooven, dat de vaderen het zoo hard en zoo streng bedoeld hadden. Hij had die vaderen te lief, om te kunnen aannemen, dat zij waarlijk een vervolging tot met het zwaard zouden gewild en beleden hebben; en de zachte practijk der 17de en 18de eeuw scheen hem het recht te geven, om aan zachter bedoeling te gelooven. En in de derde plaats scheen het hem toe, dat het belijden van de vrije Kerk in den vrijen Staat niet uit den wortel der Schrift, maar uit de beginselen der Fransche Revolutie was, en dat het deswege zondige zwakheid was, den tijdgeest daarin ter wille te zijn. Dit standpunt nu, waarop thans nog enkelen onzer staan, laat zich dan ook zeer wel begrijpen en billijken. Het is, gelijk we ons uitdrukten, het standpunt der vrome vreeze. Het is eerbied voor de Confessie, liefde voor de vaderen en tegenzin tegen de Fransche Revolutie, die hier dreef. We gaan zelfs verder, en verstaan volkomen wel, hoe meer dan één, die van schrijver dezes hoorde, dat hij „de beginselen der vaderen tegen de |95| beginselen der Fransche Revolutie had uitgeruild”, de strekking van ons woord en streven wraakte. Tot eere van Prof. Van Velzen moet dan ook gezegd, dat hij zich nooit gewaagd heeft aan de zoo straks door ons bestreden methode van uitlegging, maar dat hij, al verzachtte hij ook de beteekenis van de bekende zinsnede uit Art. 36, in beginsel voor herstel der Overheidsbemoeiïng niet de kerk van Christus opkwam.

Het gezegde saamvattende, kunnen we dus concludeeren, dat de vroegere eenheid onder ons is teloorgegaan, en dat thans vierderlei standpunt onder ons wordt ingenomen.

Ten eerste vindt ge er de zoodanigen, die veelal tot de neo-Kohlbruggianen behooren, die Art. 36 juist uitleggen, en dan ook in den zin der vaderen handhaven willen, door aan de Overheid alsnog den eisch te stellen, dat ze als Gereformeerde overheid zal optreden, de Gereformeerde kerk als staatskerk erkennen, en de plakkaten tegen de Roomschen, Remonstranten enz. hernieuwen zal.

In de tweede plaats de zoodanigen, die Art. 36 op verzachtende wijze uitleggen, en op die wijs herziening der confessie wenschen te voorkomen, ten einde alle revolutionaire denkbeelden te weren.

Ten derde de zoodanigen, die Art. 36 evolutionistisch uitleggen, en er een zin onderschuiven die lijnrecht tegen het beginsel en de denkwijze onzer vaderen overstaat.

En ten vierde zij, die, niet schrijver dezes, met kracht en klem de historische uitlegging van Art. 36 maintineeren; nochtans rondborstig erkennen, dat zij geweldpleging van de Overheid in geloofszaken voor in strijd met de Schrift houden; en die voorts pogen aan te toonen, dat de vrijheid van consciëntie en van eeredienst niet in den zin der Fransche Revolutie, maar in overeenstemming met de dieper liggende beginselen der Gereformeerde belijdenis moet worden geëerd.

De laatsten hebben daarom nooit geaarzeld hun gravamen tegen Art. 36 in te brengen, en dit wel op grond van de Gereformeerde overtuiging, dat geen confessie onveranderbaar is; dat elke confessie steeds appellabel aan den Woorde Gods blijft; en dat het de eere der Gereformeerde kerken niet te na komt, maar veeleer hoog houdt, indien ze, beter geleerd, ook zuiverder in haar Belijdenis spreken.

Het betoog, , dat metterdaad onze vaderen wel ter dege de harde en gestrenge opvatting van Art. 36 bedoelden, hebben we hier achterwege gelaten. Zulk betoog zou de aaneenrijging van een eindeloos getal citaten eischen. En, wie ernst met de zaak maakt, kan het bewijs dier stelling én bij Calvijn én bij schier elk schrijver van naam uit de 16de eeuw zelf vinden.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XIII, De Heraut No. 1154 (4 februari 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001