XII. De rechten des Volks

Alzoo kwamen alle oudsten Israëls tot den koning te Hébron, en de koning David maakte een verbond met hen te Hébron, voor het aangezichte des Heeren en zij zalfden David tot koning over Israël.

2 Sam. 5 : 3. a


Dat ook na het optreden der Landsoverheid het volk, naar Gods bestel, een zelfstandig karakter blijft behouden, en recht van meespreken heeft, blijkt het duidelijkst uit het optreden der oudsten in Israël. Zoo hebben onze vaderen dan ook op die oudsten de aandacht gevestigd, om de rechten en vrijheden der volken tegenover de aanmatigingen van het Overheidsgezag te verdedigen. Men zegge niet, dat zulk beroep niet opgaat, omdat in Israël een bijzondere toestand was ingetreden. Dit is op zichzelf volkomen waar, en steeds is er onzerzijds ten ernstigste tegen gewaarschuwd, indien men datgene wat in Israël ten behoeve der Bijzondere Openbaring was ingesteld, en alzoo tot de bedeeling der schaduwen behoorde, zonder beperking, overbracht op de kerkelijke toestanden onder het Nieuwe Verbond, in de bedeeling der Vervulling. Hiermede echter heeft de instelling der oudsten niets uitstaande. Ze was niet kerkelijk, maar politiek. En ook ze was niet draagster der theocratie, maar van de volksrechten en vrijheden. Nu staat het vast, dat de Heere onze God bij regeling van Israëls volksbestaan, als natie, zich in alles aansloot aan hetgeen bestond in en opkwam uit het natuurlijk leven. De majesteit des Heeren heeft geen behoefte aan het nieuwe, en kan zich dáárom vanzelf aan het bestaande aansluiten, omdat het bestaande uit de schepping, en, nader, uit de |81| Gemeene Gratie is, en beide de ordinantiën der Schepping en de ordinantiën der Gemeene Gratie van God zijn.

Toch was in dat bestaande veel zondigs ingeslopen. Daarop oefent de Heere dan critiek, en in zijn aan Israël gegeven volksinstellingen zien we, hoe uit het natuurlijk leven verwijderd en verworpen wordt wat niet deugde, en daarentegen gehandhaafd en bestendigd wordt, datgene wat was naar zijn wil. Raadpleging van wat de Heere in Israël uit het natuurlijk leven, ook met opzicht tot de volksinstellingen, in stand hield, is alzoo een treffelijk middel, om Gods wil omtrent de volksinrichting te leeren verstaan. Natuurlijk moet daarbij gelet worden op het verschil van plaatsen en tijden, en gaat het niet aan, alles wat in Israël bestond als vasten regel te ijken. Maar, na aftrek van dat eigenaardige en bijzondere, dat het gevolg was van de toenmalige tijden en de in het Oosten bestaande toestanden, ontdekken we hier dan toch een algemeene aanwijzing van de grondstellingen, waarop de volksinrichting rusten moet.

*

Onder die noodzakelijke beperkingen nu blijkt, dat in Israël de Hooge Overheid volstrekt geen onbepaald gezag uitoefende, en dat het er zeer verre van daan was, dat de wil der Hooge Overheid naar willekeur en eigen goedvinden geheel het volksleven regelen kon. Veeleer vond de Hooge Overheid een georganiseerd volksleven tegenover zich, en had ze aan die volksorganisatie aansluiting te zoeken. Het duidelijkst komt dit uit bij het optreden van David als koning over gansch Israël, gelijk ons dit in 2 Samuël 5 beschreven wordt. Het geval spreekt hier zeer sterk. David was door Samuël in naam des Heeren, en ook van Gods wege, tot koning over Israël gezalfd. In zooverre bezat hij dus een aanstelling, gelijk geen andere vorst of geen andere Overheid vertoonen kan. Op zichzelf zou men het dan ook hebben kunnen begrijpen, indien David tot zichzelven gezegd had: „Met de goedkeuring van het volk heb ik verder niet van noode. God heeft mij aangesteld en verkoren; zijn profeet heeft mij gezalfd. Verder behoef ik niets.” En dan zou men het verstaan hebben, indien het volk gedacht had: „We staan hier voor zulk een bijzonder geval, en voor zoo duidelijke openbaring van den wil des Heeren, dat het in óns vermetel zou zijn, indien wij onzerzijds ons in de aanstelling van David als koning zouden mengen.”

Toch deed noch David alzoo, noch het volk. We lezen toch in 2 Sam. 5 : 1-3, dit: „Toen kwamen alle stammen Israëls tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vleesch zijn wij. Daartoe ook tevoren, toen Saul koning over ons was, waart gij Israël uitvoerende en inbrengende. Ook heeft de Heere tot u gezegd: Gij zult mijn volk Israël weiden, en gij zult tot een voorganger zijn over Israël. |82| Alzoo kwamen alle oudsten Israëls tot den koning te Hébron, en de koning David maakte een verbond met hen te Hébron, voor het aangezichte des Heeren, en zij zalfden David tot koning over Israël.” Hier is dus sprake van een zalving van David tot koning door het volk. Iets wat te opmerkelijker is, omdat we uit 2 Samuël 2: 4 weten, dat hij vóór dien tijd reeds afzonderlijk door het volk van Juda gezalfd was, toen de stam Juda hem als koning erkende, en zijn zevenjarig bewind te Hebron begon. Hij is dus eerst gezalfd door Samuël, ten tweeden male door de oudsten van Juda over den stam Juda, en daarna ten derden male te Hebron door de oudsten van alle stammen van Israël als koning over heel Israël. Nu heeft David die beide laatste zalvingen niet afgewezen, maar veeleer gezocht en hierdoor het recht des volks tot zulk een zalving erkend. Die beide laatste zalvingen door de oudsten van het volk, staan dan ook met zijn eerste zalving door Samuël volstrekt niet op één lijn. Die eerste zalving door Samuël is de bijzondere, die tot het terrein der Bijzondere Openbaring, en alzoo tot dat der Particuliere Genade behoort. De beide laatste zalvingen had David met de koningen der omliggende landen gemeen, behoort alzoo tot het terrein van het natuurlijk leven, en valt daarmede onder de Gemeene Gratie. Duidelijk blijkt hieruit derhalve, dat de Bijzondere Openbaring den eisch van het natuurlijk leven niet opzij zet, maar dien eerbiedigt en er zich bij aansluit. Het was David niet genoeg, dat hij koning was van Gods wege, hij wilde ook door het volk erkend zijn, en wel door het volk erkend zijn in den gewonen weg, naar de daarvoor bestaande usanties en regelen.

Zoo bezitten we hier dus een duidelijke, klare aanwijzing, dat het optreden van de Hooge Overheid de rechten en vrijheden van het volk niet te niet doet, maar er mede te rekenen heeft. Wie als koning, of onder wat titel ook, als Hooge Overheid optreedt, vindt tegenover zich een volk, dat een zelfstandig bestaan heeft, dat in eigen boezem georganiseerd is, en niet dan in die organisatie, en met behoud van de rechten en vrijheden die er toe behooren, aan de Hooge Overheid onderworpen is. Israël was onderscheiden en verdeeld in zijn stammen. Elk dier stammen had zijn oudsten, die den stam vertegenwoordigden. En alle deze oudsten kwamen te Hébron bijeen. En nu doen ze tweeërlei: Ten eerste maken ze met David een verbond, en ten tweede zalven ze na die verbondssluiting David tot koning. Het ééne is even belangrijk als het andere. Deze verbondssluiting beduidde, naar de uitlegging onzer kantteekenaren, dat David en het volk „wederzijds onder eede tot het houden van hun schuldige plichten zich verbonden.” Een andere uitlegging is dan ook niet wel denkbaar. Een verbond onderstelt altoos twee partijen. Die partijen konden hier niet anders zijn, dan de koning en het volk. Beiden verbonden zich over en weer. Ze doen dit voor Gods aangezicht, d.i. onder eede. En ze konden zich niet verbinden, of ze moesten zich tot iets verbinden, en dat iets kon |83| hier niet anders zijn, dan van ’s konings zijde datgene waartoe hij als koning tegenover het volk gehouden was; en zoo ook kon dit iets van de zijde des volks niets anders zijn, dan hetgeen waartoe het volk tegenover zijn koning gehouden was. Over en weer dus plichten. Plichten, die over en weer onderscheiden zijn en erkend worden. En nu een verbintenis onder eede, dat men over en weer die verplichtingen zal nakomen. En nadat alzoo het verbond tusschen koning en volk gesloten was, gaan nu de oudsten over tot de tweede daad, die ze te verrichten hadden, namelijk tot de zalving. Hierin ligt alzoo, dat de zalving afhankelijk was van, en eerst volgen kon op, de voorafgaande verbondssluiting. Ze zalven niet een vrij man, die voorts regeeren kan gelijk hem goeddunkt, maar zulk een man, die zich vooraf onder eede verbonden heeft, de rechten en vrijheden des volks te eerbiedigen, en deze in zijn eedzwering heeft erkend.

*

Van de zijde der Hooge Overheid heeft men deze gebeurtenis liefst in de schaduw laten staan. Onze vaderen daarentegen, die het gevaar van het absoluut gezag der koningen kenden, hebben op deze gebeurtenis juist vollen nadruk gelegd. Ze ontwikkelden de beteekenis van deze gebeurtenissen breedvoerig in hun geschriften; ze legden haar uit in hun predicatiën : ze behandelden ze met volle toelichting bij het godsdienstonderwijs; en op die wijs doordrongen ze heel het volk van de ordinantie Gods, die in deze gewichtige gebeurtenis sprak. Dat enkelen hierbij te ver gingen, ontkennen we niet. Overdrijving ligt altoos voor de hand en brengt gevaar met zich. Maar toch dient erkend, dat ons volk hier te lande, en zoo ook de Protestantsche volken in Zwitserland, Frankrijk en Schotland, vooral aan deze derde zalving van David een stelsel van politieke inzichten ontleenden, dat hen gesterkt heeft in hun strijd.

Dat ze zich daarmede waagden op gelijke paden, als die de leiders der Fransche Revolutie aanwezen, is ten eenenmale onwaar. De Fransche Revolutie redeneert uit den volkswil, als zoodanig; zij deden dit steeds uit de ordinantiën Gods. En hierin juist ligt al het verschil. Wie opkomt voor volksrechten en volksvrijheden, omdat zijn geest tegen onderwerping gekant is, of omdat hij zelf het gezag wil uitoefenen dat hij aan de Overheid betwist, en liefst in de Overheid zijn eigen lasthebber ziet, verwerpt daarmede het beginsel van het over ons gesteld gezag. Wie daarentegen, gelijk onze vaderen, met God begint, zijn gezag hoog houdt, en beide, volk en vorst, aan dat hoog gezag des Heeren onderwerpt, ondermijnt het gezag niet, maar eert en sterkt het. En bespeurt men dan, dat de Overheid, in strijd met de ordinantiën des Heeren, zich aanmatigt wat haar niet toekomt, en voorts verwerpt wat God in het volk heeft ingesteld, die doet slechts zijn plicht, zoo hij hiertegen in verzet komt. Een iegelijk, aan wien |84| rechten en vrijheden zijn toegekend, staat daarmede onder de verplichting om voor die rechten en vrijheden te waken en op te komen met alle mogelijk hem ten dienste staande middelen. Een vorst, die zijn gezag straffeloos hoonen laat, staat schuldig. Maar even schuidig staat een volk, dat zijn rechten en vrijheden in den steek laat En God straft zulk een volk. Alleen wie dat goed verstaat, begrijpt onzen volksopstand tegen Spanje, en doorziet den zegen, waarmede het God beliefd heeft dezen opstand te kronen. Hij alleen verstaat bovendien, hoe Willem van Oranje zeggen kon, in den koning van Spanje het hoogste gezag te eeren, en niettemin, ja, juist daarom, tegen zijn verkrachting van de volksrechten in verzet te komen. Dit is onverklaarbaar, zoolang men slechts aan de rechten van de ééne zijde denkt, maar wordt volkomen doorzichtig, zoodra men oog krijgt voor de wederzijdsche rechten en verplichtingen, en gezind is, deze, als in Gods ordinantie haar oorsprong vindende, in den naam des Heeren te verdedigen.

*

Slechts zij men tegen ééne ernstige misvatting op zijn hoede. Men mag natuurlijk de oudsten in Israël niet zonder nadere bepaling op één lijn stellen met door het volk gekozen vertegenwoordigers of volksrepresentanten. De vraag, hoe de organisatie van het volk voor de uitoefening en verdediging van zijn rechten en vrijheden tot stand komt, is niet voor alle tijden op gelijke wijze te beantwoorden. Dit verschilt naar plaatsen, tijden en gelegenheden. En veilig mag gezegd, dat van een keuze bij meerderheid van stemmen, gelijk wij dit kennen, bij Israël weinig te vinden was. Gelijk reeds de naam oudsten te vermoeden geeft, waren deze volksmannen in Israël oorspronkelijk door geboorte aangewezen. Bij ons is de geslachtsorganisatie voor het volk als zoodanig uitgesleten. We hebben nog provinciën, maar geen stammen meer. Bij Israël daarentegen werd met groote zorg het geslachtsverband opgeteekend, en wist men nog na lengte van dagen met groote nauwkeurigheid op te geven, wie in elken stam de oudste zoon was in dat geslacht, dat in rechte lijn afstamde van den stamvader van den stam. Veelmeer dan men denkt, werd in die dagen opgeteekend. Kirjath-Sefarim beteekent: Stad der papieren, documenten en geschriften, en was dus stellig oorspronkelijk een stad, die bestemd en uitgekozen was, om er de registers en documenten te bewaren. En wat in den jongsten tijd in Egypte en Babylon en Ninive is ontdekt geworden, toont zulk een overvloedig opteekenen van allerlei bijzonderheden, dat men er zich volstrekt niet over behoeft te verbazen, dat ook bij Israël de kennis der geslachten, veel beter dan bij ons, bewaard was gebleven. Bij ons vindt men zulk een kennis der geslachten alleen nog bij de koninklijke dynastieën, en bij enkele geslachten van zeer ouden adel, terwijl de jonge |85| adel, en de deftige burgergeslachten, hoogstens van een twee, drie eeuwen weten te spreken. Israël daarentegen was een volk met een koninklijk zelfbesef, en de geslachtsregisters in de Heilige Schrift toonen, welke waarde aan de opteekening der geslachten gehecht werd. Wie nu aan het hoofd van zulk een stam stond, werd vorst genoemd. Maar behalve de vorsten behoorden tot deze oudsten ook de erfgenamen der afzonderlijke geslachten; en men mag aannemen dat deze oudsten saam misschien een vier-, vijfhonderd in aantal waren. Op die wijs had men oudsten van heel het land, zooals zij uit alle stammen van Israël te Hebron tot David kwamen. Maar behalve deze oudsten van heel het land, had men oudsten van de onderdeelen van het land, en zelfs oudsten voor de afzonderlijke steden, gelijk we dan ook herhaaldelijk van de oudsten van die of die plaats hoorden. De oudsten van Succoth b.v. vormden een college van 77 man (Richt. 8 : 14). Er staat toch van Gideon: „Zoo ving hij eenen jongen van de lieden te Succoth op, en ondervraagde hem. Die schreef hem op de oversten van Succoth, en hunne oudsten, zeven en zeventig mannen.” Vond men nu reeds in zoo kleine plaats als Succoth een stedelijk college van 77 man, zoo kan men hiernaar afmeten, van welke beteekenis zulk een raad van oudsten in een stad als Jeruzalem moet geweest zijn. En ook levert het een sterk bewijs voor de beteekenis van zulk een college, en voor de warmte van het publieke leven, dat zulk een jongen aan Gideon de namen van deze 77 mannen wist te noemen. Het mag althans sterk betwijfeld worden, of een Amsterdamsche jongen, onder Diemen opgevangen, zoo maar vlotweg de leden van den Amsterdamschen Gemeenteraad zou weten op te noemen.

*

Als regel goldt nu, dat deze oudsten, in stad, landsdeel (Richt. 11 : 5) of volk, elk in hun kring de gewone zaken leidden en regelden. De centrale regeering van Jeruzalem deed betrekkelijk weinig. Het ambtenaarspersoneel, dat van Overheidswege werd aangesteld, was zeer klein, en de bureau’s waren zeer beperkt. Verreweg het meeste werd plaatselijk of in het kleiner landsdeel afgedaan. En in deze kleine kringen waren deze oudsten volstrekt geen oppermachtige regeerders, maar riepen ze bij gewichtige aangelegenheden het volk van de stad in de poorte saam, om de gezamenlijke aangelegenheden saam te bespreken, juist zoo als dit nog in Transvaal en in den Oranje Vrijstaat geschiedt. Uit alles blijkt dus dat de volksregeering uit het gezin opklom. In het gezin was de vader de natuurlijke oudste. In zijn familie de oudste der broeders. In een geslacht de oudste afstammeling van de oudste familie. En zoo verder. Maar juist dat opkomen van deze oudsten uit den broederkring maakte, dat het tusschen hen en de anderen als onder broeders toeging. Gelijk nu nog, |86| na het sterven van vader, de oudste zoon van zelf de leiding heeft, maar hij om te kennen leiden de andere broeders raadpleegt, zoo werd ook in Israël op alle trappen met een ieder raad gepleegd. Opzijzetting van wien ook, omdat hij arm was, kende men niet. De vraag was alleen, of iemand afstamde uit den bloede, en als zoodanig behoorde tot den kring. Wel is er in Mozes’ dagen een raad van 70 oudsten ingesteld, maar deze instelling heeft geen stand gehouden. De organische vertegenwoordiging is regel gebleven; en het was aan deze organische vertegenwoordiging van de geslachten, dat Israël het behoud van den volkssamenhang in de ballingschap dankt. Alles liep toch vanzelf. De oudsten waren vanzelf aangewezen. Uit Jeremia 19 : 1 en Ezechiël 14 : 1, 20 : 6 enz. blijkt dat ze ook in de ballingschap gelden bleven. En nog in het Nieuwe Testament worden ze genoemd, ook al pleegt onze overzetting ze daar met den naam van „ouderlingen” te betitelen; iets wat stellig tot misverstand leidt, en een kerkelijk ambt onderstellen doet. Dit komt daarvandaan, dat later naast de oudsten ook de priesters en schriftgeleerden een deel der leiding in handen kregen, wat ten onrechte tot het vermoeden heeft geleid, dat ook deze „oudsten” een kerkelijk ambt bekleedden.

Doch dit daargelaten, zoo blijkt uit deze instelling der „oudsten” op overtuigende wijze, dat de Overheid in Israël niet tegenover een massa van enkele individuen stond, maar tegenover een volk, dat een eigen organisatie bezat, en door middel van zijn natuurlijke tolken, bij en tegenover de Overheid optrad, en juist dit is het, waar het hier op aankomt. De organisatie van een volk is in zijn geslachten uit de schepping, want in de schepping is het door Goddelijke ordinantie alzoo verordend, dat er een vader is, en dat onder de broeders één de oudste is. Voorts, dat alle volgende kinderen die geboren worden, geboren worden in enger of in meer verwijderd verband met dien oudsten zoon. Alsook dat in elke nieuwe familie zich dezelfde ordinantie herhaalt. Ware dus het besef van onderlingen samenhang sterk genoeg, zoodat men in onderling verband bleef, van elkander afwist, en nauwkeurig elkanders geslachtsregister kende, zoo zou tusschen elke twee menschen het familieverband te constateeren zijn.

Zoo intusschen is het niet gebleven. De veelheid der geboorten, het uiteengaan naar verschillende oorden, de verwarring der talen, de ondiepte van het gemeenschapsleven, het niet geven om zijn voorgeslacht, en zooveel meer, heeft teweeggebracht, dat men nu als geheel vreemd tegenover elkander staat, ook al woont men in eenzelfde stad, of in eenzelfde gewest of land. En nu bestaat hierin de Gemeene Gratie ten deze, dat toen deze toestand van vervreemding intrad, andere belangen een nieuwe saamhoorigheid gekweekt, en tot een geheel andere organisatie geleid hebben. Die andersoortige saarnhoorigheid werd toen gevoeld en gevonden in het |87| bewonen van eenzelfde dorp of stad, in het gemeen hebben van eenzelfde gewestelijk verleden, in het uitoefenen van eenzelfde bedrijf, in het hebben van gelijksoortige belangen. En op die wijs is door saarnwoning of saamverbinding een nieuw organisch leven in onze maatschappij ontstaan, dat geleid heeft tot het zich vormen van zekere kringen met een eigen ideaal, eigen belangen, eigen wenschen voor de toekomst. En wanneer wij, Calvinisten, nu zeggen, dat deze kringen een „eigen souvereiniteit” bezitten, dan bedoelen we daarmede, dat het leven in deze kringen zich moet regelen niet naar wat anderen goedvinden voor te schrijven, maar naar den aard en de natuur van die kringen zelven, terwijl aan de Overheid alleen de hooge taak verblijft, om de rechten tusschen die kringen af te bakenen, en om voor de rechten en vrijheden der enkelen in die kringen te waken. Het leven moet uit zichzelf opwassen en zichzelf een vorm weten te scheppen. Van boven af mag de regeling van het leven (die uit het leven zelf opkomt) alleen geleid en tegen mislukking gevrijwaard worden.

*

Juist daarom blijft de Calvinist dan ook op de organisatie van het gezin zulk een nadruk leggen. Niet in de ijdele hoop, als zou het mogelijk zijn de patriarchale organisatie der maatschappij, gelijk die onder Israël nog voortbestond, ook onder ons te herstellen. Dit is kortweg onmogelijk, overmits de heugenis van het verband der geslachten onder ons ten eenenmale is teloor gegaan. Maar wet omdat het gezin de oudste, de oorspronkelijke, de schoonste organisatie van ons menschelijk leven is, en tevens de groote leerschool, waarin het volk het saamleven, de erkentenis van het gezag, en tegelijk het prijsstellen op zijn rechten en vrijheden leert. Dat voorts keuze, of wil men verkiezing, thans het eenig denkbare middel is, om aan te wijzen wie namens velen spreken en voor veler belangen ook bij de Overheid opkomen zal, spreekt vanzelf. Een ander middel ter aanwijzing bestaat er eenvoudig niet. Want wet heeft men herhaaldelijk beproefd, zulke mannen door de Overheid zelve te doen benoemen, maar het springt in het oog, dat hiermede het doel nooit te bereiken was; en de droeve historie van elke poging in dien zin heeft klaarlijk aangetoond, dat men op die wijs alle denkbeeld van volksvertegenwoordiging kortweg vervalscht.

Calvijn aarzelde dan ook niet het uit te spreken, dat de hoogste volksvrijheid en de gelukkigste volksstand daar zou gevonden worden, waar zelfs alle lagere overheden door het volk zelf werden aangesteld bij keuze. Hij ging hierop zelfs zoo diep in, dat z.i. wat wij een parlement of Staten-Generaal noemen, niet noodig waren, mits maar alle burgemeesters, gewestelijke regeeringsmannen enz. uit de volkskeuze opkwamen, gelijk dit in Transvaal en den Oranje Vrijstaat metterdaad nog het geval is. Zulke |88| mannen noemde Calvijn dan: magistratus inferiores, d.w.z. de overheden van lagere orde. Werd nu de koning onder eede aan het volk verbonden, en door het volk gezalfd, en werd het volk onder den koning geregeerd door zelf gekozen ambtsdragers, zoo achtte hij dat deze magistraten van lagere orde vanzelf de geroepenen waren, om de rechten en vrijheden des volks tegenover de Hooge Overheid te verweren. Doch al heeft, in Europa althans, deze gedachte van Calvijn geen genoegzamen wortel geschoten, en al heeft men ook ten onzent almeer heil gezocht in afzonderlijke personen, die als volksvertegenwoordigers gekozen, de Overheid controleeren zouden, het gronddenkbeeld blijft toch één. De oudsten van Israël, de door het volk gekozen lagere magistraten van Calvijn, of onze vertegenwoordigende lichamen, ze bedoelen alle deze ééne waarheid te handhaven: dat het volk, als volk, ook tegenover zijn Overheid een zelfstandige positie te handhaven heeft.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XII, De Heraut No. 1153 (28 januari 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001