XI. De Overheid en het Volk

Want de Heere is onze Rechter, de Heere is onze Wetgever, de Heere is onze Koning; Hij zal ons behouden.

Jesaja 33 : 22. a


Is in het dusver geleverd vertoog onderzocht, in wat samenhang met de Gemeene Gratie de Overheid als zoodanig staat, thans dient onder datzelfde verband de aandacht te worden gevestigd op de wederzijdsche verhouding, die tusschen de Overheid en het door haar geregeerde Volk bestaat. Werkt de Gemeene Gratie op het Volk alleen door de instelling der Overheid? of ook buiten en zonder die instelling? Denk deze vraag scherp in, want van het antwoord op deze vraag hangt ten slotte geheel uw staatkundige positie als burger af. Buiten Gemeene Gratie is er niets in of aan u, dat niet verzondigd en door zonde verwoest is. Daaraan is dus nooit eenig recht door u als burger te ontleenen. Komt nu de Gemeene Gratie u alleen door de Overheid toe, dan staat ge, bij die onderstelling, willoos en rechtloos tegenover haar. Dan zijt ge niets buiten haar. Dan is het door haar dat alle goede gave u moet toekomen. En dan moet haar heerschappij over u, over uw leven en over al het uwe wel volstrekt en onbeperkt zijn. Ge komt dan uit bij de meest absolute Alleenheerschappij. Veilig mag dan ook gezegd, dat niets zoozeer als het blind zijn voor de Gemeene Gratie oorzaak is geworden van de stuitende verwarring van begrippen, die ook voor den belijder van den Christus zich op staatkundig terrein voordoet, Al moet toch dankbaar worden erkend, dat meer dan één staatsgeleerde onder ons de rechten en vrijheden des volks met goed gevolg tegenover de zich steeds uitbreidende macht van het dusgenaamde staatswezen verweerd heeft, toch ontbrak het hun, zoolang hun oog voor de beteekenis der Gemeene Gratie niet openging, aan het juiste uitgangspunt, om de verhouding tusschen Volk en Overheid naar eisch af te bakenen. Er werd dan, tot verwering der volksvrijheden, meest uit het wezen van den mensch of uit den aard der menschelijke natuur geredeneerd; maar hierbij zag men voorbij, dat de Gereformeerde belijdenis omtrent het diep verderf der zonde dit zonder meer niet toelaat. Dusdoende gleed men ongemerkt over naar een beschouwing van den mensch, die het bederf der zonde lichter opvatte. En dat was oorzaak, dat men zoo dikwijls van zulke mannen uitingen te beluisteren kreeg, die den zondaar in den mensch schier ganschelijk uit het oog deden verliezen. Niet weinigen, met name onder de Hugenoten, maar toch ook hier te lande, en niet minder in |74| de Vereenigde Staten van Amerika, hebben zich dientengevolge vaak in bewoordingen uitgelaten, die aan de taal der Fransche Revolutie zóó nakomen, dat minder scherpzienden zich inbeeldden, dat hun staatsrecht met dat der Fransche Revolutie één was. Toen nu op het laatst der 18de, en in het begin der 19de eeuw, de in het buitenland opgekomen antirevolutionaire richting bijna uitsluitend òf Roomsche òf hoog-Luthersche staatsgeleerden tot woordvoerders had, die voor de beteekenis van het Gereformeerde leven geen sympathie gevoelden, en met name tegen het historische Calvinisme principiëele bedenking hadden, is het een tijdlang ook onder ons gewoonte geweest, uit de hoogte op deze Hugenootsche en andere schrijvers over staatsrecht neer te zien, en het voor uitgemaakt te houden, dat ze den bal ganschelijk missloegen, en weinig anders dan voorloopers waren der Fransche Revolutionairen. Het was eerst Groen van Prinsterer, die in zijn tweede periode de eigenaardige beteekenis van het Calvinisme weer deed opleven, en met dankbaarheid mag erkend, dat zelfs Von Stahl, hoe ook op menig punt in verkeerde wijsgeerige stellingen verstrikt, voor deze hooge waardij van het Calvinisme een geopend oog kreeg.

Hiermeê echter was de wortel der zaak nog niet blootgelegd, en dit lag daaraan, dat men wel met het feit der zonde als algemeen verschijnsel rekende, maar zich niet genoegzaam rekenschap gaf van de vraag, hoe de mensch als mensch is te beschouwen, indien men hem in dien volstrekten zin als zondaar neemt, waarin de Gereformeerde belijdenis, op grond van de Heilige Schrift, dit eischt. Wie zich de moeite geeft nog eens na te lezen, hoe én, de Psalmist in het Oude én de apostel Paulus in het Nieuwe Testament, zegt, „dat er niemand is, die verstandig is, niemand die God zoekt, dat vernieling en ellendigheid in hun wegen is, ja, dat er niemand is die goed doet”, — die moet wel tot de erkentenis komen, dat het het toppunt van dwaasheid ware, aan zulke menschen burgerlijke rechten en burgerlijke vrijheden toe te kennen, niet als iets, dat de Overheid hun gunt, maar als iets, dat ze van Godswege bezitten. En of men nu al zegt, dat er toch „kleine vonkskens” ook in den zondaar waren overgebleven, dat helpt u niet. Immers zonder nadere verklaring komt dit op niets anders neer, dan dat het bederf der zonde dan toch weer niet zóó volstrekt was; iets waaruit volgen zou, dat én de Psalmist én Paulus overdreef.

*

Geheel anders komt daarentegen de zaak te staan, zoo ge, met klaar en helder inzicht, de Gemeene Gratie in uw beschouwing opneemt. Gratie is niet iets, wat in den mensch is, of uit den mensch opkomt, maar iets dat bij den mensch bijkomt, en zijn oorsprong in de genade Gods heeft. De mensch blijft dan in zichzelf de volstrekte zondaar. Aan hem is niets geheels. Uit hem komt niets goeds. In hem kleeft geen enkel recht. Hem |75| komt geen enkele vrijheid toe. Maar op dien in zonde verzonken mensch daalt nu de Gemeene Gratie neder. Niet op dezen of genen, maar op alle menschen, zij het ook met het verschil in graad. Door die Gemeene Gratie wordt de zonde, en dus ook het verderf in hem, gestuit, wordt hij in staat burgerlijk-goede dingen te doen, en ontvangt hij van Godswege die rechten en vrijheden, die hij voor de burgerlijke saamleving behoeft. Heel die burgerlijke saamleving was dan verbeurd, want onder menschen, die louter zondaren zijn, is geen burgerlijke saamleving denkbaar. Die burgerlijke saamleving is ook niet meer het natuurlijk product van den toestand, maar de vrucht van genade. En het is nu diezelfde genade, die den mensch de voorwaarden beschikt, waaronder alleen zulk een saamleving denkbaar is. Tevens verklaart het zich dan, hoe het komt, dat de rechten en vrijheden der volken volstrekt niet overal gelijk zijn.

Die eisch van gelijkheid van toestanden vloeit voort uit de valsche beschouwing der Fransche Revolutie, die alle rechten en vrijheden uit den mensch als zoodanig afleidt, en die daarom spreekt van de Droits de l’homme, d.i. van de Rechten van den mensch, en deze als haar uitgangspunt kiest. Dan is er geen onderscheid, en moeten deze zelfde rechten, op gelijke wijze, overal en onder alle volken gelden. Staat het daarentegen vast, dat deze rechten en vrijheden worden afgeleid uit de Gemeene Gratie, en weet ge ten andere, dat deze Gemeene Gratie bij het ééne volk gering en bij het andere volk zeer overvloedig is, dan kunt ge tot geen andere slotsom komen, dan dat ook die rechten en vrijheden zeer beperkt zullen zijn bij een volk dat soberlijk, en daarentegen groot bij een ander volk, dat zeer mildelijk met deze Gemeene Gratie werd bedeeld. En evenzoo zult ge uit de historie verstaan, dat bij hetzelfde volk die rechten en vrijheden in den aanvang zeer beperkt van natuur zullen zijn, zoolang het nog slechts in geringe mate met de Gemeene Gratie verrijkt werd, en daarentegen voor datzelfde volk veel grooter omvang aannemen, zoodra de Gemeene Gratie zich milder over datzelfde volk uitbreidt. Bij vergelijking kan men zich dat zelfs met het temmen onzer dieren duidelijk maken. Door het temmen stuiten wij en temperen in het dier zijn wilden aard. Is dit nu b.v. bij een hond nog slechts ten deele gelukt, dan leggen we zulk een hond nog aan den ketting, en geven hem slechts een zeer beperkte vrijheid van beweging. Is datzelfde dier daarentegen allengs zachter van aard geworden, d.w.z. is het temmen van zijn woesten aard verder doorgegaan, dan nemen we hem ten slotte dien ketting af, en laten hem vrij op het erf rondloopen. En juist zoo als wij met zulke dieren doen, zoo doet God met de volken. Hoe verder de Gemeene Gratie inwerkt, hoe grooter ook de rechten en vrijheden worden, die aan zulk een volk worden toebedeeld.

Komt nu die Gemeene Gratie aan den mensch in het gemeen, en aan |76| een volk als een veelheid of groep van menschen, alleen door de Overheid toe? Stellig niet. Dit kan reeds daarom niet, omdat de Gemeene Gratie terstond na den val intrad, en de Overheid als zoodanig eerst na den zondvloed is opgetreden. Wel wordt niet ontkend, dat het Overheidsgezag een der middelen is, waardoor God de Gemeene Gratie uitbreidt en het volk zegent en ontwikkelt, maar in geen geval mag gezegd worden dat er geen Gemeene Gratie buiten de Overheid is; dat de Gemeene Gratie in de Overheidsinstelling opgaat; en dat ze dus alleen door de Overheid aan het volk en aan den mensch in dat volk toekomt. Het tegendeel is waar. Ze werkte eer er een Overheid was, en ze werkt buiten de Overheid om. Dat mag en moet hier zonder nader betoog geconstateerd worden, omdat het daartoe strekkend betoog slechts zou kunnen herhalen, wat in de eerste en tweede reeks van deze studie in den breede is uiteengezet. De Gemeene Gratie begint met de zonde in het menschelijk hart en den vloek in de natuur te stuiten. Aldus ontstaat er een menschelijk leven, dat als saamleving eerst den patriarchalen vorm aanneemt. En het is eerst in het aldus reeds door Gemeene Gratie verrijkte menschelijk leven, dat lang daarna de Overheid optreedt, niet om dat geheele leven te omspannen, maar om in dat leven een beperkte taak te vervullen. De Overheid treedt dus op in bestaande toestanden. Ze ontvangt het zwaard over een groep menschen, die reeds op zichzelf een saamleving hebben. En ze vindt in die bestaande saarnleving verhoudingen en werkingen, die niet zij eerst gaat regelen, maar die reeds een regeling bezitten. Niet een regeling, die van 'buiten is aangelegd, maar zulk eene die uit het leven zelf, gelijk dit dreef op de Gemeene Gratie, was opgekomen, en nog steeds verder opkomt.

*

Hieruit nu ontstaat de tegenstelling van Overheid en Volk, en nader ook tusschen Staat en Maatschappij. Ware het de Overheid, die zelve het volk maakte en formeerde, en aan het volk zijn leven schonk, zoo zou die tegenstelling niet bestaan. Het volk zou dan in de Overheid opgaan, van die Overheid een uitvloeisel zijn, en alle levensaandrift van die Overheid ontvangen moeten. Maar zoo is het niet. De ééne Gemeene Gratie werkt op tweeërlei wijze, eenerzijds in de menschen die het volk gaan vormen, en anderzijds in de Overheid die over dat volk gesteld wordt; en wel in beide op geheel uiteenloopende wijze. Als volk, buiten de Overheid gedacht, leeft die menschenmassa in gezinnen en geslachten ingedeeld; Die gezinnen en geslachten, en de enkele personen in die familiën, komen met elkander in aanraking op het gebied van landbouw, handel en nijverheid, als buren en saamwonende personen, als belanghebbenden bij algemeen menschelijke aangelegenheden, als liefhebbers van kunst en wetenschap, en zooveel meer. Door alle deze betrekkingen ontstaat wat wij noemen de |77| maatschappij, d.i. het burgerlijke samenleven, en wel als natuurlijke uiting van die vele verbindingen, waarin het gewone leven menschmetmensch brengt. Die maatschappij is zelfs niet gebonden aan het eigen terrein, waarover de Overheid het bewind voert. De belangen van de maatschappij overschrijden de grenzen van het volk. Door huwelijk, door handel, door arbeid, door wetenschap enz. komen personen van het ééne volk in maatschappelijke aanraking met lieden van het andere volk. De bewegingen en werkingen van volk en volk kruisen zich. En boven deze persoonlijke belangen, die de burgers van het ééne volk met die van het andere volk in verband brengen, hebben allen saam gemeen zekere algemeen menschelijke belangen, die aanvankelijk wel weinig gewicht in de schaal leggen, maar die van lieverlede toch almeer beteekenis erlangen en die ten slotte zelfs vorsten en koningen in zekere richting drijven.

Over het zelfstandig karakter van het volksleven kan alzoo geen geschil bestaan. De maatschappij, de familie, het gezin leidt een eigen zelfstandig leven, dat door de Overheid noch geschapen, noch in stand gehouden, noch geregeld wordt. Zelfs moet men hierbij nog verder gaan, en duidelijk uitspreken, dat ook de enkele persoon in die maatschappij een eigen levenskring voor eigen geest en hart bezit, die op volle eerbiediging aanspraak heeft. Wie een eigen overtuiging, een eigen belijdenis, een eigen stem, een eigen gevoel en levensroeping, en van dat alles het kort begrip in de heilige sfeer van zijn conscientie bezit, mag en moet gezegd worden een eigen levenswereld te bezitten, die weer van het leven der maatschappij onderscheiden is, en die feitelijk buiten het bereik van de Overheid ligt. Er is dus niets van aan, dat de Overheid heel ons leven zou overspannen en op eigen gezag heel ons leven zou hebben te regelen. Integendeel, én persoonlijk, én in ons gezin, én in de maatschappij leven we een eigen zelfstandig leven; en over zulk een volk, dat alzoo in het bezit van een eigen leven is, treedt nu de Overheid op, om een beperkte en bepaalde, haar opgedragen, taak te vervullen. De Overheid mag zich dus volstrekt niet alles veroorloven. Er zijn dingen die ze doen moet en mag. Maar er zijn ook dingen die haar niet vrijstaan. Tusschen haar leven en het leven der maatschappij liggen grenzen, en die grenzen heeft ze te eerbiedigen. En datgene wat het volk, en de enkele persoon in dat volk, als eigen levensexistentie bezit, vormt dan de rechten en de vrijheden van dat volk, die met hand en tand tegenover elke machtsoverschrijding der Overheid te verdedigen zijn.

Dat dit nu vaak aanleiding geeft tot pijnlijken strijd, is uit tweeërlei te verklaren. Eenerzijds daaruit, dat de Overheid in menschelijke personen optreedt, en dat ieder mensch van natuur geneigd is, om zijn macht uit te breiden. Maar ook anderzijds vindt deze strijd en worsteling een natuurlijke oorzaak daarin, dat de Gemeene Gratie zich onder het volk allengs |78| verder uitbreidt, het volk op hooger standpunt brengt, daardoor zijn maatschappelijk leven tot krachtiger ontwikkeling uitdrijft, en alzoo den kring van zijn rechten en vrijheden uitzet. Dan moet de Overheid loslaten wat ze eerst vasthield, en zich terugtrekken van een terrein waarop ze een tijdlang heerschte. En dat nu ging gemeenlijk niet vanzelf, maar liep gemeenlijk uit op een strijd tusschen Volk en Overheid, gelijk ook wij dien in onze worsteling met de Spaansche koningen, en later met de Regenten, hebben gekend.

*

Deze gezonde en natuurlijke opvatting, die rechtstreeks uit de Schriftelijke Openbaring omtrent den mensch, de zonde en de Gemeene Gratie voortvloeit, kan uiteraard niet gehuldigd worden door hen, die, in strijd met de Schrift, het feit der zonde opzij schuiven, en den mensch beschouwen als een ja nog onontwikkeld, maar toch onbedorven wezen. Bij dezulken bestaat niet de minste drang om naar God of zijn wil ten deze te vragen. Is toch de mensch onbedorven, dan ken ik den wil van God vanzelf uit den mensch gelijk hij is. De wil van God omtrent de samenleving der bijen behoeft niet afzonderlijk geopenbaard te worden. Ge leert dien uit het leven der bijen vanzelf kennen. Hun samenleving en hun arbeid is volmaakt. Staat het nu zoo ook met den mensch, dan bestaat er uiteraard voor de menschen geen de minste noodzaak, om naar een openbaring Gods te vragen. Ze hebben dan slechts den mensch te nemen gelijk hij is, en zijn feitelijke saamieving te raadplegen, om daaruit met zekerheid te weten te komen, wat de wil Gods omtrent den mensch is. Daaruit verklaart het zich dan ook, dat zij, die, op dit standpunt staande, over de verhouding van Volk en Overheid schrijven, al minder over God en den Goddelijken wil spreken. De oude heidenen deden dit nog wel, omdat de mensch toen zooveel minder gekend was. Maar sinds onze kennis omtrent den mensch en ’s menschen leven zooveel rijker en uitgebreider werd, acht men in deze gegevens alles te bezitten wat men noodig heeft, om tot een juist inzicht van deze verhoudingen te geraken. Al zien we dus niet voorbij, dat ook vijandschap tegen God hieronder loopt, toch zou men verkeerd doen, daarin aller motief te zoeken. Hoofdmotief van dat zwijgen van God is en blijft veeleer, dat men aan geen Bijzondere Openbaring gelooft, en acht in den mensch zelf de eenige, de steekhoudende, en de genoegzame openbaring omtrent den wil Gods te dezen opzichte te bezitten.

Onder dit gesternte nu staat tweeërlei weg open. Men kan óf de Overheid kortweg uit het volk verklaren, óf, omgekeerd, het volk verklaren uit de Overheid. Het eerste leidt tot het stelsel van de dusgenaamde Volkssouvereiniteit, het tweede tot wat men noemt de Staatssouvereiniteit.

Gaat men uit van den enkelen mensch, als een met zin en wil, en dus |79| met macht begaafd wezen, dan staan de vele duizenden menschen, die saam een volk vormen, naast elkander als eenlingen zonder verband. Blijkt het nu desniettemin noodig, dat er tusschen deze vele duizenden zeker verband worde gelegd, dan kan dit verband alleen opkomen uit den wil van die enkele personen. Ze zien dan in, dat er zekere orde noodig is, dat die orde zich niet denken laat zonder zeker bestuur, en zij zijn het dan, die zelven dit bestuur aanstellen. De bestuurders zijn dan hun lasthebbers. Ze zijn aan het volk rekenschap schuldig. En ten allen tijde heeft het volk, dat ze aanstelde, ook de macht om ze af te zetten, en óf anderen in hun plaats te zetten, óf wel het voortaan zonder bestuur te doen. Dat heel deze voorstelling op een fictie berust, behoeft geen nader betoog. Of wie zal van de Franschen, van de Belgen, van de Duitschers, van de Russen, van de Nederlanders de stukken kunnen overleggen, waaruit blijkt dat zulk een aanstelling bij algemeen besluit van de enkele personen heeft plaats gehad? Voorts, als de enkele personen toentertijd dat recht hadden, waarom zullen de personen die thans leven, dan niet datzelfde recht bezitten? En ook, als dat recht uit de enkele personen opkomt, hoe kan dan de meerderheid de minderheid binden, en waarom zou dan niet elk burger, op elk gegeven oogenblik, het volle recht bezitten, om te zeggen: Ik wil niet meer, ik doe niet meer mee, ik trek mijn lastgeving in. Alzoo, ik onderwerp mij niet langer.

Dit sprong dan ook al spoedig zoo duidelijk in het oog, dat de kundige denkers thans almeer met dit geheel valsch en onhoudbaar begrip van Volkssouvereiniteit gebroken hebben. Met de enkele personen, en den wil van de enkele personen, viel niet te vorderen. Op die wijs toch kon op elk gegeven oogenblik heel de staat weer uiteenvallen. Daarom zocht men toen heil in de dusgenaamde Staatssouvereiniteit. Er ligt, zoo zei men, in elken mensch een natuurlijke saamhoorigheid met die veelheid van menschen die hij zijn volk noemt. In de idee van een volk werkt alzoo ongemerkt de drang, om het volk steeds beter als één geheel in elkaar te doen sluiten. Zoodra deze idée tot meerdere bewustheid komt, vervormt het volk zich dan ook tot een staat. Onder de macht van die staatsidée komt het volk tot steeds hoogere eenheid. Het is dus de gemeenschap, die den enkele almeer aan zich conformeert. De bijzondere belangen worden almeer in de algemeene belangen opgelost. En zoo ontstaat van lieverlede die hoogste en die beste toestand, dat geheel het volk, als één wezen georganiseerd, de hoogste uiting van zijn gemeenschappelijke kracht aanwendt om het volksgeheel tot den hoogsten staat van geluk op te voeren. Het is dan niet de wil van den enkele, die op deze uitkomst mikt, maar het is de Staat, die gedacht als een persoon, met eigen bewustzijn en eigen wil, de geslachten overleeft, alle volksdeelen als zijn orgaan hanteert, en zichzelf in het volksleven tot steeds hoogere ontwikkeling brengt. Van |80| een Overheid spreekt men dan niet meer. De Staat, de gemeenschap is dan de mystieke persoon geworden, waarin de bron van het gezag schuilt. Maar het is dan toch duidelijk, dat het op dit standpunt het Gezag is, dat het volk vormt, opvoedt, in zijn bestaan regelt, en het zijn toekomst tegemoet voert.

In de Volkssouvereiniteit komt het Gezag (de Overheid) uit het volk op. Op het standpunt van de Staatssouvereiniteit is ’t het Gezag (de Overheid), dat omgekeerd het volk vormt. En noch op het ééne noch op het andere standpunt kan de zelfstandige positie van de Overheid, en daarnaast de zelfstandige positie van het Volk, worden gered.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ XI, De Heraut No. 1152 (21 januari 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001