X. De Overheid buiten de Openbaring

En zijn God onderricht hem van de wijze, Hij leert hem.

Jesaja 28 : 26. a


Op wat wijze heeft nu onze God in zijn Noachietisch algemeen genadeverbond aan de door Hem verordende Overheid, buiten de bedeeling des Woords, dat licht doen toekomen, dat voor de vervulling van haar taak noodig was? Ook dit is een gewichtig vraagstuk, waaromtrent onder ons veel droef misverstand bestaat. Het loont daarom de moeite, het opzettelijk ter sprake te brengen, en het naderbij te bezien.

De gewone voorstelling onder ons is, dat de Overheid haar wijsheid te putten heeft uit den Bijbel. Sommigen gaan hierin zelfs zoo ver, dat ze ook bij de Overheid de bron van kennis, die in de natuur der dingen ligt, geheel veronachtzamen, en niet ongaarne den eisch zouden stellen, dat elk vorst, elk minister, elk gezworene, elk burgemeester den grond van zijn handeling aanwees in een Bijbeltekst. Dit is het stelsel, dat een tijdlang |66| onder Cromwell in het Engelsche Parlement zegevierde, en waaraan ten slotte Cromwell zelf een einde moest maken, door het Parlement met de boodschap te ontbinden: „Gij zegt dat ge voor uw besluiten den Heere zoekt, ik nu weet dat Hij in uw vergaderingen sinds lang niet meer te vinden was.” — Het behoeft wel nauwlijks aanwijzing, hoe toch met dit stelsel de eisch samenhangt, om uitsluitend geloovige belijders in de Overheidsbetrekkingen te benoemen. Dit stelsel kwam op onder de eenzijdige heerschappij der Roomsche hiërarchie. Niemand mocht, eer de Reformatie opkwam, bewind voeren of hij moest tot de Roomsche kerk behooren. En toen nu de Reformatie tot breuke met Rome, en tot reformatie van geheele brokstukken der kerk leidde, volgde men in de landen der hervorming feitelijk hetzelfde stelsel. Ook in die landen toch mocht niemand ambten bekleeden, of hij moest lid der heerschende kerk zijn. Ook ten onzent gold dit als regel. Een Roomschgezinde, een Doopsgezinde, een Remonstrant kon niet in het Overheidsambt optreden. Dat kon alleen wie lid der Gereformeerde Staatskerk was. En al is dit stelsel ten onzent lang niet altoos zoo volstrekt in practijk gebracht, als stelsel heerschte het toch en gold in onze Staatswetten.

Nu vergist zich, wie waant, dat dit eenvoudig een verbinding van Staat en Kerk bedoelde. De beweegreden lag dieper. Destijds gingen de menschen uitéén naar een maatstaf, die voor kerkelijk en politiek geding eender was. De Gereformeerde op kerkelijk gebied, beleed ook van zelf, en dienovereenkomstig, op politiek gebied de gewenschte politieke beginselen. Het één dekte het ander. Bedoeld was dus niet een politieke uitsluiting om kerkelijke redenen, maar een uitsluiting om politieke overtuiging, die uitkwam in het niet-behooren tot de Gereformeerde kerk. Artikel 36 was politiek en stond toch in de kerkelijke confessie. Er sprak in die uitsluiting dus geen kerkelijke haat, maar verzet tegen politieke beginselen en gevoelens, die men het best door het niet aanvaarden der kerkelijke confessie constateerde. Zoodra dan ook kerkelijke en politieke overtuiging elkander niet meer dekten, maar uiteen begonnen te loopen, raakte dit geheele stelsel in discrediet. Van die ure af werd het onhoudbaar. Het werd toen een hatelijke uitsluiting van iemand om zijn kerkelijke confessie, die niets meer met zijne politieke overtuiging uitstaande had. Het verzet tegen dit stelsel wies toen met den dag. En op het laatst der 18de eeuw is het eens voor goed begraven. Doch al behoort het thans tot het verleden, en al zal het in dien vorm nooit weer opstaan, er dient toch de aandacht op te worden gevestigd, dat dit stelsel uitging van den waan, dat de Overheid zoo goed als haar eenig licht op te vangen heeft uit Gods Woord, gelijk dat Woord door de kerk uitgelegd en in zijn strekking saamgevat wordt. En dit nu was een blijven loopen in het oude Roomsche spoor. Oudtijds toch achtte de kerk, dat zij de beginselen van de Staats |67| regeering uit de Bijzondere Openbaring Gods had vast te stellen, en dat de Overheid zich hiernaar te voegen en te gedragen had. Aan dat denkbeeld gewend, bleef men toen, ook na de Reformatie, nog een tijdlang in datzelfde spoor loopen. Alleen met dit verschil, dat de uitleggende en verklarende kerk nu de Gereformeerde werd. En juist dit had tengevolge, dat er van meet af niet alleen politieke mannen, maar ook theologen onder ons opstonden die staande hielden, dat wel ook de Overheid haar wijsheid uit de Heilige Schrift had te putten, maar dit te doen had naar eigen inzicht, en niet als pupil der kerk. Op zichzelf natuurlijk een even onhoudbaar standpunt. Of hoe zouden de politieke heeren als zoodanig tot steekhoudende Schriftuitlegging bekwaam zijn? En wat te denken, van een vergadering der Hoogmogende heeren der Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden, elk met een Bijbel voor zich, aan het redetwisten, wat ten opzichte van een te nemen besluit eisch van Gods Woord bleek? Zoo is het nooit gegaan. Zoo kan het nooit toegaan. En al verdedigde men zulke stellingen in theorie, in de practijk heeft men er nooit naar gehandeld.

Gelijk we reeds vroeger opmerkten, spreekt het vanzelf, dat de Overheid, zoodra ze met Gods Woord in aanraking komt, ook met dat meerder licht te rekenen heeft; hoe en op wat wijs bespreken we later. Maar het is toch niet aan twijfel onderhevig, of de ongezonde theorieën, waarop we ditmaal wezen, danken alle haar ontstaan aan de verkeerde voorstelling, als ware de Heilige Schrift het bij de Overheid hoorende wetboek, zoodat eigenlijk een Overheid zonder de Heilige Schrift een kapitein zonder kompas zou zijn. En het is hierom, dat we thans deze verkeerde voorstelling in haar wortel blootleggen, om wel te doen uitkomen, hoe al zulk zeggen het wezen van de Overheid vervalscht. Het moet hier herhaald: Behoorde de Heilige Schrift bij de Overheid gelijk het kompas bij den schipper, dan zou de Heilige Schrift overal moeten geopenbaard zijn waar een Overheid moest optreden, en zou er geen Overheid kunnen zijn opgetreden vóórdat de Heilige Schrift er was, d.i. niet vóór de eerste eeuw van onze jaartelling. Staat daarentegen vast dat de Heilige Schrift tot de Particuliere Genade, de Overheid tot de Gemeene Gratie behoort, dan blijkt beider grondslag verschillend te zijn en uiteen te loopen, en kan noch mag ooit beweerd worden dat de Heilige Schrift ook voor de Overheid het eenige en onmisbare licht was op haar pad en de lamp voor haar voet. Beroep op enkele uitspraken van David geldt hiertegen niet, want David was geen koning „gelijk de andere volken hadden”. Hij was instrument van den Koning Israëls en leefde onder de Particuliere genade. Uit wat voor hèm gold, kan dus nooit gevolgtrekking worden gemaakt voor de Overheid als zoodanig, gelijk ze onder alle volken optreedt.

*

|68| Toch heeft ook die Overheid als zoodanig niet kunnen wandelen in volstrekte donkerheid. Ook zij moet een licht op haar pad hebben zien stralen. En zoo rijst de vraag, van welken aard het licht was, dat, geheel vallende binnen de sfeer der Gemeene Gratie, door God ter beschikking van alle Overheid was gesteld, opdat ze haar taak zou kunnen vervullen. Een vraag die we in tweeën hebben te splitsen, inzoover de taak der Overheid in twee machtige stukken uiteenvalt: het ééne rakende de verzorging van het volk en het andere rakende de handhaving van recht en gerechtigheid. Een vorst moet zijn volk in oorlog verdedigen tegen den vijand; zorg dragen voor den aanleg van wegen en kanalen, van bruggen en sluizen hij moet de middelen bijeenbrengen om dat alles ten uitvoer te leggen en verder den landbouw, de nijverheid en den arbeid helpen ontwikkelen en beschermen. Maar afgescheiden van deze verzorging van de volksbelangen heeft hij een veel hoogere roeping: de roeping om Gods recht in het midden des volks hoog te houden, en bij het licht van dat recht de onderlinge verhoudingen onder zijn volk te regelen. Nu zullen we over die eerste taak niet breed zijn. Het is toch volkomen duidelijk, dat de beste wijze van den krijg te voeren, van het aanleggen van wegen en kanalen, van het bevorderen van landbouw en nijverheid, van handel en arbeid ons, niet door de Schrift, maar door de natuur en de ervaring wordt geleerd. Van den landbouw zegt Jesaja dit uitdrukkelijk in de bekende schoone woorden van hfdst. 28: „Ploegt de ploeger den geheelen dag om te zaaien? Opent en egt hij zijn land den geheelen dag? Is het niet alzoo: Wanneer hij het bovenste er van effen gemaakt heeft, dan strooit hij wikken, en spreidt komijn, of hij werpt er van de beste tarwe in, of uitgelezene gerst, of spelt, eik aan zijne plaats? En zijn God onderricht hem van de wijze, Hij leert hem. Want men dorscht de wikken niet met den dorschwagen, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan; maar de wikken slaat men uit met eenen staf, en het komijn met eenen stok; het broodkoren moet verbrijzeld worden, maar hij dorscht het niet geduriglijk dorschende; en hij breekt het niet met het wiel zijns wagens, en hij verbrijzelt het niet met zijne paarden. Zulks komt ook voort van den Heere der heirscharen; Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad.”

Hier wordt dus duidelijk gezegd, dat de wijze waarop het land moet bebouwd worden, zich uit de natuur zelve aanwijst, en er wordt ons bijbetuigd, dat dit onderwijs der natuur niets anders dan een onderwijs van God zelf is. „Zijn God onderwijst hem”. Geheel hetzelfde geldt van den krijg, als David zegt in Ps. 144 : 1: „Gezegend zij de Heere, mijn rotssteen, die mijne handen onderwijst ten strijde, mijne vingeren ten oorlog.” En niet anders is te oordeelen over de ontwikkeling van nijverheid en handel. Dit betreft al te gader aangelegenheden, die in de natuur, door de ervaring, hare onderwijzing vinden, en in dit alles is het God zelf, die het licht doet |69| schijnen, waarbij den mensch wandelen en handelen zal. Een vorst of wat andere overheid ook, verzuimt alzoo zijn plicht of gaat zijn macht te buiten, zoo hij deze onderwijzing der natuur òf niet telt òf stuit. Ook hij is geroepen bij dat deel van zijn taak, dat in de verzorging van zijn volk bestaat, de lessen der natuur en der ervaring te volgen. En juist deswege is het zoo noodzakelijk dat hij te rade ga met de werkelijkheid, de bestaande toestanden raadplege, lette op wat in andere landen geschiedt, en zich door goede statistieken op de hoogte stelle van wat de ervaring leert.

Dit soort onderwijs verstaat men nooit beter, dan zoo men het met de instincten der dieren vergelijkt. De bij vormt een graat, en puurt voor die graat honig, maar de constructie van die graat is een volkomen meesterstuk. Nauwkeurig onderzoek heeft geleerd, dat zoo er een prijsvraag werd uitgeschreven, op wat wijs de graat te bouwen ware, om met het minste materiaal de hoogste mate van stevigheid en doeltreffendheid te verkrijgen, de graat, gelijk ze door alle bijen gevormd wordt, het antwoord zou geven dat met goud ware te kronen. De bodem toch van elke cel rust op drie cellen aan den tegenovergestelden kant, en wordt gevormd door ruitvormige vlakken, die in het middenpunt van de cel saamloopen. En de inclinatie van deze vlakken is volgens opmeting van Meraldi gebleken te zijn 109° 28' en 70° 32', juist de wiskundige maten voor het verkrijgen van de grootst denkbare sterkte bij den bouw. Hier is dus volkomenheid. Het kan niet anders, het is niet te verbeteren. Het is een volmaakt werk. En de werkbijen erven dit niet van vader of moeder, want de koningin werkt niet, en evenmin de teelende bij. Ook hier kan dus niet anders gezegd, dan dat God de werkbij onderwijst, en dat God haar leert, hoe zij den graat moet maken. Iets wat te meer uitkomt, zoo ge bedenkt, dat de bijen werken in het donker, dat honderden bijen saam één graat maken, en dat heel de wereld door deze cellen, en de vlakken in die cellen, volkomen gelijk zijn. Evenzoo nu onderwijst God den mensch in alle practisch werk. Alleen met dit onderscheid, dat Hij het de werkbij op eenmaal volmaakt onderwijst, en dat Hij den mensch het allengs, door schade en schande, langs den weg der ervaring leeren doet. Voor hem is dus moeite, arbeid, inspanning eisch. En de Overheid, die deze inspanning schuwt of op deze leering der natuur niet let, helpt het volk achteruit in plaats van vooruit. Tevens blijkt hieruit, hoe tegen Gods bevel ingaande het doen van zulke Christenstaatslieden is, die wel een open oog hebben voor beginselen en geestelijke belangen, maar de studie van de natuurlijke dingen verwaarloozen en beneden zich achten. Dezulken slaan het boek der natuur en der ervaring moedwillig dicht, en weigeren te luisteren naar de les, naar het onderricht, naar het onderwijs, dat God ook voor de staatstaak in natuur en ervaring geeft. Enkel op theorie te drijven, is wel gemakkelijk, maar het gaat tegen Gods bestel in. God wil dat de Overheid voor dit deel van haar taak |70| wandelen zal bij het licht, dat Hij zelf in natuur en ervaring ontsteekt. Wie zich als Christen op staatkundig gebied beweegt, en dat alles overlaat aan de ongeloovigen, is er dan ook zelf oorzaak van, zoo de ongeloovigen zich al vaster in het staatsgebouw nestelen. Van de pers moet hetzelfde worden gezegd. Het is altegader een schuldig verwaarloozen van een breed terrein der Gemeene Gratie.

*

Toch staat ontegenzeggelijk het andere deel van de Overheidstaak principiëel hooger: t.w. het handhaven van recht en gerechtigheid ten opzichte van de onderscheidene verhoudingen, die tusschen burgers en overheid, en tusschen volk en volk bestaan. Niet hierdoor uitsluitend is ze Dienaresse Gods, maar toch hierdoor in de eerste plaats. Want zij het al, dat ze in het andere deel van haar taak Gods wijsheid en bestel dient, hierin, in dat tweede deel van haar taak, dient ze Gods eere en Zijn heilig recht. En zoo rijst dus de vraag, welk licht voor dit hooger deel van de Overheidstaak door God in de sfeer der Gemeene Gratie was ontstoken, en nu nog ontstoken blijft. Dit licht nu is gradueel verschillend, en lang niet voor alle volken gelijk. Er zijn lage, er zijn ordinaire, er zijn exceptioneel gunstige volkstoestanden, en al naar gelang deze volkstoestanden zijn, schijnt het licht, dat ten deze aan de Overheid in de oogen straalt, nauwer of klaarder. Maar ook bij lager staande volkstoestanden, als dat licht niet dan flauwelijk schijnt, is het toch nog voldoende, om het optreden van de Overheid mogelijk te maken, en haar, hoe gebrekkig ook, tot een vervulling van haar taak in staat te stellen. Ook al is het rechtsbesef en het begrip van recht nog zoo vervalscht, of ook nog zoo weinig ontwikkeld, zoodat de Overheid vaak iets als recht maintineert, waarvan wij nu klaarlijk inzien, dat het klinkklaar onrecht is, toch handhaaft de rechtsbedeeling, onder wat vorm ook optredend, nog altoos het hooge denkbeeld, dat er een vaststaand recht is dat gehandhaafd moet worden en waaraan een iegelijk zich heeft te onderwerpen.

*

Dit nu is alleen mogelijk door twee gegevens. Ten eerste door het ons ingeprente besef van recht en eerlijkheid. En ten andere door de ons ingeprente overtuiging, dat we het bestaand gezag te eerbiedigen hebben. Dat feitelijk beide diep in onze menschelijke natuur zijn ingeprent, is openbaar. Hoe diep ook de moreele overtuiging zinke, voor recht komt nog een ieder op, en een ieder voelt zich gekrenkt, zoo men zijn eerlijkheid in twijfel durft trekken. Zelfs onder de spelers en deugnieten geldt valsch spelen nog als onrecht. Ontwikkeld is dit besef dan niet. Men weet zich |71| geen rekenschap te geven van wat recht is. Vaak komt men in toorn op tegen iets wat onrecht schijnt, en toch hoog recht is. Doch formeel blijft het rechtsbesef nog tot het laatste doorwerken, en een onrechtvaardig en oneerlijk man te zijn, geldt nog in elken kring als onduldbare blaam. Dit nu is alleen daaruit te verklaren, dat dit rechtsbesef ons als een soort „instinct” is ingeprent, en dat, hoezeer de zonde ook dit Goddelijk instinct moge verzwakt hebben, God de Heere in zijn Gemeene Gratie deze betere qualiteit van ons bewustzijnsleven sterker dan eenige andere beveiligd en vastgezet heeft. En het is dank zij deze werking der Gemeene Gratie, dat de Overheid een menigte voor zich vindt, onder welke ze met de rechtsidee optreden en voor de handhaving ervan werken kan. Hoe meer de Overheid haar rechtsbepalingen met dit rechtsbesef in overeenstemming brengt, des te vaster zal ze dan ook staan. Maar ook al wijkt ze er van af, in geen geval zou zij als Overheid voor recht kunnen opkomen, indien dat rechtsbesef, dit gevoel voor recht, niet als algemeen verschijnsel onder het volk zich openbaarde.

En evenzoo staat het met het tweede motief waarop we wezen: Het besef van aan een gezag onderworpen te zijn. Dit tweede besef hangt met het eerste saam. Indien niet in het volk het besef leefde, dat er een objectief recht is, waarnaar een ieder zich te voegen heeft, zou er geen besef van ondermijning van gezag zijn. Nu echter drijft juist dat eerste besef uit naar het zoeken van gezag, waardoor dat recht gehandhaafd wordt. Zakelijk loopt onder het volk het idee over wat al dan niet recht is, telkens en op allerlei punt uiteen. Hieruit ontstaan geschillen over eigendom, over beleediging, over misdaad enz. En nu van tweeën één, nu zal bij elk geschil een iegelijk zijn tegenstander in de haren vliegen, of men zal van beide kanten uitzien naar een macht om recht te spreken. Dit laatste zou niet zoo zijn, zoo alle personen in het volk even handig en even sterk waren. Dan liep het uit op een eindeloos gevecht. Maar dit is niet zoo. De sterken zijn de minste in aantal. De zwakken zijn de meeste. Kinderen, vrouwen grijsaards, kranken, zwakkeren van gestel. Deze allen kunnen hun recht zelven niet uitvechten. Dan toch weten ze vooruit, dat de sterken hun ver de baas zijn. Vandaar, dat de groote menigte uitziet naar een macht nog sterker dan de sterkste tegenstander, die hem tot rede kan brengen, zoo dikwijls hij onrecht bedrijft. En dit nu brengt teweeg, dat allengs in heel het volk de behoefte aan zulk een superieure macht gevoeld wordt; en hierdoor ontstaat dan van zelf de overtuiging, dat het pleit tusschen recht en onrecht door die hoogere macht moet beslecht worden. Dit nu leidt tot de gebondenheid aan het gezag in de consciëntie. Immers dat hooge gezag komt op voor het recht, en het recht is Godes. Aldus heeft God in den loop zijner Gemeene Gratie het besef van onderworpenheid aan het gestelde gezag in de consciëntie ingeprent. En het is op deze beide |72| beseffen: 1º. het aIgemeene rechtsbesef, en 2º. het algemeen besef van onderwerping, dat alle Overheid haar stoel doet rusten.

*

Onder de bedeeling der Gemeene Gratie wordt dus alle Overheid door dien lichtstraal van het ingeprente rechtsbesef en gezagsbesef beschenen. En hierbij komt dan, in de tweede plaats, de versterking van dat licht door traditie, historie en genie. Door traditie allereerst, want uit het Paradijs en de arke zijn nog tal van heilige denkbeelden de wereld ingegaan, in mysterie en priesterschool bewaard, en als heilige overleveringen van geslacht op geslacht overgeleverd geworden. Denk slechts aan de bondstrouw en de gastvrijheid, en aan zoovele andere heerlijke motieven, die door usueel recht zich handhaafden, en zelfs een heilig karakter droegen. Met name moet hier aan de leerschool in het huisgezin gedacht. Daarbij komt dan in de tweede plaats de historie, d.i. het verloop van de wijze waarop God de volken geleid heeft. Dit gaf, bij verschil van aanleg, omgeving en bezigheid, allerlei uiteenloopende zienswijzen. Deze zienswijzen zijn met elkaar in botsing geraakt. En uit die botsing zijn dan allerlei usantiën voortgekomen, geschikt om een hooger vorm van saamleving mogelijk te maken. Bij een herdersvolk of een landbouwend volk waren de rechtsverhoudingen veel minder ontwikkeld, dan bij volken met breede nijverheid en verren handel en groote opeenhooping van menschen in steden. En zoo heeft de historie zelve tot telkens nieuwe afbakening van rechten geleid. En ten slotte komt daarbij dan het genie. In zijn vrijmacht verkoos God het ééne volk om de zee te bevaren, het andere om in den krijg uit te munten, weer een ander om in wetenschap en kunst vooraan te staan, en zoo ook het Romeinsche volk om het recht tot scherper, klaarder, helderder ontwikkeling te brengen.

Langs alle deze wegen, en door alle deze middelen is gaandeweg steeds klaarder licht, ook buiten Israël, en buiten de Christelijke Religie, op het pad der Nijverheid gaan schijnen, en is ze steeds beter bekwaamd, om haar hooge taak te vervullen. En toen keizer Justinianus het resultaat van de Romeinsche rechtsstudiën ten slotte verzamelde, en dat Heidensch product in den naam van God Drieëenig uitgaf, beging hij wel in zoover een fout, dat hij den eisch voorbijzag om door nóg hooger openbaring ook het recht nog zuiverder te fundeeren, maar handhaafde hij toch in zooverre een diepe en ware gedachte, dat hij ook het product van de Heidensche rechtsstudiën verstond in den zin van wat jesaja sprak: Het was God die ook de Romeinen onderwees, God die ook hen onderrichtte, God die ook hen leerde in heel den loop hunner rechtsontwikkeling.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ X, De Heraut No. 1151 (14 januari 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001