IX. Instelling der Overheid

Zoo zet nu eenen koning over ons, om ons te richten, gelijk alle de volkeren hebben.

1 Samuel 8 : 5b. a


Geen voet mag worden gegeven aan de voorstelling, alsof de instelling van het Overheidsambt door de verkiezing en zalving van wie de eerste maal als Overheid zou optreden, met zekere ongemeene en indrukwekkende plechtigheid van de zijde Gods had plaats gegrepen. Aldus is het werk des Heeren niet. Wel vertoont zich dat ongemeene en indrukwekkende bij de groote keerpunten der Bijzondere Openbaring, omdat het Bijzondere hier |59| uit zijn aard extraordinair was, en dus wel op ongemeene wijze moest uitkomen. Maar bij de Gemeene Gratie is dit niet alzoo. Feitelijk gaat voor de instelling van de Overheid niet anders uit dan het gebod, dat de moordenaar met den dood zal gestraft worden. Anders niet. En toch zat in dat schijnbaar zoo eenvoudige gebod, geheel de instelling van de Overheid in. Toch wordt hieromtrent verder niets gezegd. Er wordt niets verder verordend. Niets geregeld. De verdere ontwikkeling van de instelling der overheid wordt aan het beloop der historie onder Gods bestel overgelaten. En eerst als de Overheidsinstelling onder de Romeinen tot haar rijke ontplooiing gekomen is, wordt door het apostolaat de breede omschrijving gegeven, die we in Rom. 13 aantreffen. Gen. 9 : 6 is het aanvangspunt. Het eerste punt op den langen weg. Maar de ontwikkeling van de Overheidsinstelling, die op dezen langen weg plaats greep, geschiedde in en door de menschen natuurlijk onder het bestel en als genadegifte des Heeren.

Vlak na den zondvloed, dat lijdt geen twijfel, was Noach de eenige heerscher op aarde; en indien er tijdens zijn leven moord mocht hebben plaats gegrepen, is het buiten kijf Noach geweest, die ’s Heeren bevel aan den moordenaar heeft laten volbrengen. Vergeet niet dat Noach na den vloed nog 350 jaren leefde. Stelt men nu, dat vooral in deze tijden de gezinnen sterk in kinderen waren, en b.v. minstens acht kinderen per hoofd hadden, en dat allen een nog zeer hoogen leeftijd bereikten, dan is het niets te hoog geschat, zoo men aanneemt, dat in elke dertig jaren het getal der levende personen tot het viervoud klom. En dat over 350 jaren voortzettende, komt men bij het einde van Noach’s leven reeds tot een totale bevolking van meerdere honderdduizenden. Aan te nemen, dat vooral in zoo ruwe tijden onder zulk een massa geen enkele moord zou zijn voorgekomen, gaat niet aan. En zoo pleit alle waarschijnlijkheid er voor, dat wel terdege reeds onder het deels nog exceptioneele Overheidsbewind van Noach, meer dan eens de doodstraf zal zijn toegepast. En ook pleit de waarschijnlijkheid er voor, dat het Overheidsgezag in die drie eerste eeuwen na den zondvloed nog bijna geheel in de patriarchale lijn liep. Hieruit verklaart het zich dan ook, dat we in oude tijden nog zoo schier overal de bloedwraak der verwanten vinden. Wat toch lag meer voor de hand, dan dat Noach, in dagen toen er nog van geen politie of afzonderlijk opgerichte justitie sprake was, het volvoeren van de doodstraf opdroeg aan de familie van den vermoorde? De familie-wraak moet daarom niet uit zelfverweer verklaard worden, maar uit den patriarchalen vorm, waarin de Overheid met noodzakelijkheid opkwam. De patriarchie duurde voort al de dagen van Noach’s leven, edoch met dit verschil, dat ze na den zondvloed niet meer het vaderlijk gezag, maar het Overheidsgezag vertegenwoordigde.

*

|60| Op gansch natuurlijke wijze is hierin eerst verandering gekomen door het gebeurde bij den torenbouw van Babel. Dusver was de menschheid één. Van dat oogenblik splitste ze zich in meerdere groepen. En het is juist die splitsing van de ééne menschenmassa in meerdere groepen, die de Overheidsinstelling allengs geheel losmaakte van haar patriarchalen vorm. Dit ging van zelf. Immers toen eenmaal volk tegenover volk kwam te staan, en geen hoogere eenheid de onderscheiden volken meer omsnoerde, kon het niet uitblijven, of verschil van inzicht en belangen voerde tot botsing en strijd. De oorlog met zijn ontzettende naweeën, is vanzelf uit de deeling der volken ontstaan, en zal blijven voorkomen, zoolang de hoogere eenheid der natiën niet is teruggevonden: Ook al neemt men toch aan, wat ook wij toegeven, dat bij de deeling der volken, in de eerste oogenblikken, nog wel het stamhoofd als vorst zal gegolden hebben, toch kon dit geen stand houden. Zulk een patriarch was in den regel een oud en welbedaagd man, buiten staat om in den krijg aan het hoofd van zijn volk op te trekken. De eerste worstelingen op het slagveld waren, gelijk niet anders kon, gevechten van man tegen man, en op den duur kon dus hij alleen volkshoofd zijn, die, nog in zijn volle levenskracht, in staat was persoonlijk zijn volk in zulk een strijd van man tegen man ter overwinning te leiden. Nog bij Saul’s keuze ziet men dit. Israël wilde toen een koning hebben „gelijk andere volken hadden”, en koos zich toen niet Samuel, maar Saul, een jong, krachtig man van hooge statuur, die in zijn persoonlijke verschijning de belofte gaf van in den strijd een onverwinbaar held te zijn. De eerste overgang van de Overheidsinstelling uit den patriarchalen in den staatkundigen vorm, moet dus van militairen aard zijn geweest. Uit nood zette elk volk zulk een man aan zijn hoofd, die als een soort Goliath in statuur en sterkte alle overigen de loef afstak. Zoo werd de band tusschen het familieleven en de Overheidsinstelling doorgesneden. De Overheidsinstelling werd van nu af zelfstandig. Ze was iets aparts. Ze stond naast het familie- en geslachtsleven. En óók, ze droeg van meet af een militair karakter. Hoofd zijn beteekende held zijn. Alleen hij die op het slagveld nummer één bleek te zijn, kon nummer één ook in den Staat wezen.

De tweede overgang werd dan daardoor gevormd, dat zulk een held, als hem de kracht ontging, zijn zoon in zijn plaats stelde, en dat op die wijze de dynastie, of het erfelijk Overheidsgezag in eenzelfde huis, opdook. Toch maakte dit langen tijd geen wezenlijke verandering, overmits ook lichaamssterkte en heldenmoed zich in het geslacht pleegt voort te planten. In den regel was de zoon gelijk zijn vader, zoolang het uitsluitend op de physieke kracht aankwam. Toch verliep dat allengs, meest door de weelde die in zulk een huis insloop, en dan nam het hoofd der dynastie zijn toevlucht tot het aanstellen van veldheeren onder zijn hoogheid; iets wat |61| bovendien noodig werd, zoodra een volk zich zoo sterk uitbreidde, dat één man toch onmogelijk de geheele weerbare manschap van het volk meer kon aanvoeren. David was zelf nog veldheer. Salomo na hem niet meer. Dit leidde dan tot de afscheiding van het militaire deel van het Overheidsgezag, en zoo erlangde dit Overheidsgezag als vanzelf een meer uitsluitend politiek en justitieel karakter. Dit bracht echter het gevaar met zich, dat zulk een veldheer grooter in de oogen des volks werd dan de koning zelf. En van daar toen die herhaalde en telkens terugkeerende revolutiën in paleis en legerkamp, die er veelal op uitliepen, dat de dynastieke vorst onttroond werd, en de legerbevelhebber zijn plaats innam, om straks op zijn beurt door een ander veldheer te worden verdrongen.

*

Heeft op die wijs het eenvoudige feit van de deeling en splitsing der ééne menschenmassa in meerdere volken er noodzakelijk toe geleid, om het Overheidsgezag eerst aan een physiek-sterk en moedig hoofd, straks aan zijn dynastie toe te vertrouwen, en voorts om, bij uitbreiding, het politieke en militaire gezag min of meer van elkaar te doen afwijken, de tweede groote verandering van het Overheidsgezag heeft de Heere bewerkt, door de natuurlijke uitbreiding van de bevolking. Wie heerscht over een kleine groep kan nog veelal zelf handelen, en waar hetnoodig is in eigen persoon optreden, om recht te spreken, om orde te herstellen, en om de noodige maatregelen ten uitvoer te brengen. Maar zoodra de bevolking van zulk een staat zich uitbreidde, werd dat onmogelijk. Toen vooral, toen aan een dicht opéén wonen nog niet gedacht werd, en landbouw en veeteelt zoo goed als de eenige bron van bestaan vormden. Een gezin had daarvoor een groote hoeve met groote weilanden noodig, en reeds een Staat van een half millioen personen, moet dus wel een territoir beslaan zoo groot als ons heele land. Iets wat te meer klemt, zoo men bedenkt, dat aan uitroeiing van de bosschen nog niet gedacht werd, en onvruchtbare streken niet onder den ploeg kwamen. Hoe wilde nu één volkshoofd over zulk een breede landstreek in persoon het bevel voeren, vooral waar destijds schier alle middelen van gemeenschap ontbraken? Dit nu leidde met noodzakelijkheid tot de indeeling van het éénegroote gebied en tot de aanstelling van tusschenpersonen, van ambtenaren onder allerlei naam en titel, die den vorst, als ware het, tot armen verstrekten, om geheel het gebied van zijn bewind te overspannen. En hiermede eerst verkreeg het Overheidsgezag zijn geheel zelfstandige en meer saâmgestelden vorm. Het Overheidsgezag kwam nu niet meer enkel in den persoon van den vorst uit, maar trad op in een geheele instelling van allerlei ambtenaren, met hiërarchisch verband. En dit had weer het welbekende gevolg, dat, zou de vorst zijn macht niet kortweg afstaan en overdragen, maar zóó |62| overdragen, dat hij toch zelf in de hoofdzaken gekend werd, en zijn wil als wil voor allen gold, er in zijn hofstad zekere organisatie van het bewind moest zijn, waardoor hij in contact bleef met de verst afgelegen deelen, van zijn rijk, en zekerheid erlangde, dat zijn gebod of bevel ook op die verre afstanden ten uitvoer werd gelegd.

Hieraan nu sluit zich even natuurlijk de derde overgang aan, die zich kenteekende door het optreden van de Wet, als eigen soort van uiting van het Overheidsgezag. Aanvankelijk heerschte de wil, en vaak de gril, van het levende hoofd. Hij beval, en allen gehoorzaamden. Juist zooals het nog onder Dingaan en Lobengula onder de Kaffers toeging. Maar strekt het gebied van een vorst zich over afgelegen streken uit, en moet de vorst zijn heerschappij staande houden door gouverneurs en ambtenaren, dan is zulk een tot gelding brengen van een inval van het oogenblik, kortweg afgesneden. De afstanden zijn daartoe te groot en de personen, — zij die handelen moeten — te vele. Zoo ontstaat dan de behoefte, om zekere gelijke regelen van handelen vast te leggen, die aan alle ambtenaren bekend zijn, en waarnaar ze zich allen te gedragen hebben. Voor den vorstelijken wil van het oogenblik treedt zoo doende een meer blijvende wil in de plaats, en ook zonder dat de Vorst het opzettelijk weer zegt, weet. men in alle streken van zijn gebied, wat men te doen en hoe men zich te gedragen heeft. En juist doordien de vaste doorgaande wil den lossen wil van vroeger verving, gaat die vastheid van wilsuiting ook op de opvolgers van den vorst over.

Als het tijdelijk hoofd van het volk wegvalt, blijft toch de wettelijke wil, die onder zijn bewind heerschte, standhouden, en zoo ontstaat de wet. D.w.z. er ontstaat een vastheid in regeering, die onafhankelijk van de successiën der vorsten voortbestaat; die zij vinden bij hun aan het bewind komen, en die hen na hun dood overleeft. En die vastheid van Overheidswil in de wet ontvangt te meer klem, omdat de feitelijke toestanden niet dan zeer noode wijziging in de eenmaal vastgelegde regeling toelaten. Voor zulk een uitgebreide bewindvoering zijn middelen noodig. Steeds meerder geld moet beschikbaar komen. En nu had destijds een vorst wel groot domein, won buit en betaalde daaruit zelf wat voor zijn onmiddellijke bewindvoering noodig was, maar spoedig schoot dat toch te kort. Salomo was schat- en schatrijk, en toch moest zelfs zijn paleis, van maand tot maand, door aanvoer van levensmiddelen bij wijze van schatting onderhouden worden. Doch wat veel meer zegt, aan het betalen van traktementen werd niet gedacht. In elke streek moest de bewindvoerder onder den koning in zijn behoeften voor zich en zijn ambtenaren voorzien. Elke streek moest zich zelf dekken. Vandaar de schattingen en tollen en accijnzen. En daar deze gebonden waren aan een feitelijken toestand en gedane opnemingen, ging het niet aan, hierin telkens wijziging en verandering aan te brengen. |63| De realiteit dwong tot bestendiging van de gemaakte regeling. En juist dit had ten gevolge, dat de eens gemaakte bepalingen, die in het leven en in de levenstoestanden waren ingegroeid, niet dan met veel moeite te verbuigen en te veranderen waren. Eens in zwang gekomen usantiën, en eenmaal uitgevaardigde bevelen of wetten, kregen daardoor steeds meerdere vastigheid. En zoo ontstond vanzelf die hoogere toestand, dat het Overheidsgezag continuïteit verkreeg, en niet meer de uitdrukking van den wil van één toevallig heerscher, maar van een duurzame instelling werd. Zóó zelfs, dat wisseling van vorst of dynastie, het overheidsgezag in de onderdeelen van het land haast onopgemerkt voorbijging en geen de minste stoornis teweegbracht.

En zoo eerst klom het Overheidsgezag allengs tot dien hoogsten vorm op, dien het onder de hooger ontwikkelde natiën ontving, toen een en ander niet langer werd overgelaten aan den natuurlijken loop der omstandigheden, maar toen men over een en ander ging nadenken: de overgang uit het onbewuste in het bewuste Overheidsleven. Allerlei vragen deden zich toen voor. Allerlei verhoudingen vroegen om afbakening, allerlei invloeden vereischten regeling. Hoe moest de wet tot stand komen? Hoe zou de rechtspraak een zelfstandig karakter erlangen? Op wat beding zou schatting en cijns worden betaald? In hoeverre zou de positie van gezworenen en ambtenaren een zelfstandige en in hoeverre een afhankelijke zijn? Hoe kon het centrale gezag met het gezag in provinciën en steden en dorpen verband houden? Op wat wijs en in welke verhouding moesten kon aan de verschillende deelen en groepen die het ééne volk samenstelden, invloed worden gegeven op de belastingen, op de keuze van ambtenaren? En zooveel meer. Altemaal vragen, die van zelf en ongedwongen uit de werkelijkheid opkwamen en toch voor de verdere ontwikkeling van het Overheidsgezag van zoo overwegend gewicht bleken te zijn. En toen nu in China en Indië, in Babylon en Egypte, maar vooral in Griekenland en Rome, ook buiten den Overheidskring, zelfstandig over deze veelheid van ingewikkelde vraagstukken werd nagedacht, werd gepeinsd en gezonnen; toen men onder het ééne volk bekend werd met de afwijkende instellingen van andere volken, en zoo tot vergelijking kwam; en ten slotte ook de vraag niet viel af te wijzen, hoe een en ander met de dieper liggende vraagstukken van religie en filosofie in harmonie ware te brengen; — toen ontstond de studie van het Overheidswezen in staatsrechtelijke en justitieele onderzoekingen. En hiermede was toen het hoogste standpunt bereikt, dat men kon innemen. Al moet toch erkend, dat het Staatswezen ook na Rome’s ondergang nog een zeer rijke ontwikkeling tegenging, toch bespeuren we hierin niets anders dan verdere rijping van de vrucht die zich toen reeds aan den tak gezet had. Een wezenlijk nieuw element kwam er niet meer bij.

*

|64| Dit nu brengt ons vanzelf tot een gansch andere vraag. Dat aldus in groote trekken de ontwikkeling van het Overheidsgezag tot stand kwam, wordt vrij algemeen toegestemd. Daarover bestaat geen hinderlijk geschil. Alleen maar, zij die voor de Gemeene Gratie onzes Gods geen oog hebben, houden nu staande, dat deze ontwikkeling niet anders was dan de natuurlijke ontplooiing van de krachten, die in de menschelijke natuur lagen. En zij die dit staande houden, verschillen alleen in zoover, dat de ééne groep onder hen toegeeft, dat in onze menschelijke natuur de drang leeft tot een verwezenlijking van een Staatsidée, terwijl de jongere groep zelfs hiervan niets weten wil, en er van zegt, dat wat verkregen werd niets is dan het toevallig resultaat van de aanpassing van ons menschelijk leven aan de eischen der werkelijkheid, gelijk deze zich even toevallig voordeden. Doch hoezeer beide groepen in hun wijze van verklaring ook verschillen, hierin komen ze overeen, dat ze voor een bestel Gods in dat alles geen plaats laten, en beweren dat op niet één punt van dien langen weg van een doen Gods in dit alles blijk bestaat. Ze weigeren daarom zoowel met het feit der zonde, als met het bestel Gods, bij de ontwikkeling van het Staatswezen te rekenen. Het is de mensch, en altoos weer de mensch, en de mensch alleen, die hetzij onder natuurdwang, of krachtens den eisch der werkelijkheid, of ook door zijn sluwheid en geslepenheid, dit alles tot stand bracht en in stand houdt.

Hier ligt dus het punt, waarbij zij, die in Gods Voorzienig bestel gelooven, en die anderen die dit bestel loochenen, principiëel uiteengaan. Wij houden staande, dat de deeling en splitsing en indeeling der volken, die het Overheidsgezag uit den patriarchalen vorm in den vorm van een zelfstandige instelling overleidde, niet door den mensch gezocht werd, maar tegen ’s menschen wil in, bij de spraakverwarring van Babel werd doorgezet. Wij zeggen dat de strijd tusschen deze gesplitste deelen der menschheid, tot krijg en oorlog, en zoo tot het aanstellen van physiek-sterke hoofden, voerende, het gevolg is van de zonde. Wij merken op, dat onder de oorspronkelijke bewoners van Afrika geen verdere staatsontwikkeling plaatsgreep; dat ze in Amerika en Azië slechts ten deele gelukte; en dat eigenlijk alleen één enkele groep van ons geslacht die hoogere vermogens in zich bleek te dragen, die tot in hoogere staatsinrichting geleid hebben. En eindelijk, naar onze overtuiging, is deze hoogere staatsinrichting zelfs bij deze rijker begiftigde volken, niet tot stand gekomen dan door het optreden van politieke genieën, die, geheel eenig in hun soort, door God verordend waren, om dit hooger licht te ontsteken. Iets, waaraan we dan nog toevoegen, dat ook waar bewuste studie van deze vraagstukken aan de orde kwam, deze studiën meest gefundeerd zijn op religieuse en wijsgeerige beginselen, die eerst toen gelouterd en gezuiverd werden, toen het licht van Bethlehem over een inzinkende wereld opging. |65|

Dat nu anderen dit alles loochenen, en dit alles uit de natuur verklaren, deert ons niet. Van hen toch scheidt ons een geloofsbeginsel, waarover geen vergelijk te sluiten valt. Ook in het persoonlijk leven houden onze tegenstanders staande, dat ze van Gods leiding niets ontwaren, terwijl wij van onzen kant onze persoonlijke levenshistorie geen oogeilblik zonder de leiding van Gods bestel denken kunnen. Wij laten hun dan hunne natuurlijke verklaring, en toonen hun aan, hoe juist daardoor voor de toekomst alles op losse schroeven wordt gezet, en ten eenenmale die vastigheid te loor gaat, die voor het bestaan van een wezenlijk Overheidsgezag volstrekt onmisbaar is. En wat ons zelven aangaat, drijft innerlijke drang ons, om te bewonderen die Gerneene Gratie onzes Gods, die door zijn bestel en beleid, door wat Hij onderscheidenlijk aan het ééne volk gaf, en aan het andere onthield, door het verband waarin Hij de ontwikkeling van het ééne volk met die van het andere zette, door de staats- en rechts-genieën, die, Hij onder de volken deed opstaan, en last not least, door wat Hij zelf in Israël verordende, en door het licht dat Hij uit Bethlehem deed opgaan, — allengs een toestand in het leven riep van burgervrijheid en van gevestigde orde, waaronder wij „een stil en gerust leven mogen leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid”.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ IX, De Heraut No. 1150 (7 januari 1900).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001