VIII. De Overheid dienaresse Gods

Door Mij regeeren de koningen, en stellen de vorsten gerechtigheid.

Spreuken 8 : 15. a


Het licht door God voor de Kerk ontstoken, is dat der Particuliere Genade; het licht bestemd voor de Overheid, is dat der Gemeene Gratie. Iets wat niet uitsluit, dat ook de Kerk profijt trekt van het licht der Gemeene Gratie, en dat ook de Overheid haar voordeel heeft te doen met dat der bijzondere Openbaring. Maar op zichzelf, Kerk en Overheid in haar natuurlijk onderscheid en hare eigenaardige tegenstelling genomen, wandelt de Kerk bij het licht der bijzondere, de Overheid bij dat der algemeene Openbaring. Ons voorafgaand betoog toonde aan, waarom dit zoo zijn moet en niet anders kan of mag gesteld worden. Toch zullen de belangrijkste |52| gevolgtrekkingen die hieruit voortvloeien, eerst aan de orde komen, als we handelen van den Staat onder gedoopte natiën, en van de verhouding tusschen Kerk en Staat. Thans daarentegen zijn we nog zoover niet. Eerst moet de aandacht gevestigd op de Overheid, die, nog van geen bijzondere Openbaring kennis dragende, wandelt bij haar eigen licht, d.i. op de Overheid onder de heidensche volken.

En dan zij al aanstonds opgemerkt, dat de mate van licht, waarmede deze heidensche volken beschenen zijn, tijdelijk en plaatselijk zeer uiteenloopt. De Overheid in Jeruzalem in Melchizedeks dagen, ontving veel voller licht dan toen Dingaan over de Kaffers in Zuid-Afrika het bewind voerde. Dat is het verschil in tijd. En ook, op eenzelfden tijd, b.v. in de dagen van onzen Heiland, viel veel voller licht op de Overheid te Rome, dan op de Overheid onder de Scyten. Dat is het plaatselijk verschil.

Het verschil in tijd wordt beheerscht door den afstand, waarop de onderscheiden heidennatiën staan van de oorspronkelijke openbaring, die tot Noach had voortgeduurd, en met hem in de arke ging en uit de arke kwam. De nieuwe menschheid die uit het geslacht van Noach geteeld is, begon met die heilige overlevering nog te bezitten. Eerst van lieverlede is die overlevering verduisterd en vervalscht En niet dan na eeuwen is ze geheel teloor gegaan. Al moet toch erkend, dat in de sagen en mythen der later levende volken nog vaak zeer duidelijke herinneringen aan de oorspronkelijke openbaring naklinken, toch geraakte deze overlevering al spoedig in zulk een gansch ander geheel van voorstellingen ingewikkeld, dat ze nauwelijks meer te herkennen is. Neem b.v. de oude Egyptenaren. In hun dusgenaamd „Doodenboek,” en in geheel hun dienst der dooden is nog duidelijk de nawerking te bespeuren van de oorspronkelijke Openbaring omtrent oordeel en opstanding. Maar in hun overige religie en in hun verdere levensbeschouwing, en zoo ook in hun Staatsbestuur is de oude overlevering niet meer te herkennen. De omzetting van de idee God in het Goddelijke, en het zoeken van dat Goddelijke in de natuurkrachten, in geheimzinnige verschijnselen, in onzichtbare geesten, en in menschelijke uitnemendheden, heeft al spoedig bij al deze volken het Monotheïsme in afgodendienst doen ondergaan of in Pantheïsme doen vervluchtigen. Daarmede nu was het uitgangspunt vervalscht. Het ideaal was zijwaarts getrokken. En het kon niet anders of met innerlijke noodzakelijkheid moest hierdoor geheel hun wereld- ep levensbeschouwing een andere worden. God stond niet meer boven het schepsel, maar het Goddelijke werd gezocht in het schepsel, in natuur, geest, dier of mensch. Hierdoor nu werd naar orde van tijd, die gestadige achteruitgang veroorzaakt, die in de traditiën der meeste oude heidensche volken valt waar te nemen.

En daarbij kwam nu in de tweede plaats een geheel ander verschil. Lang niet alle volken kunnen hun oorsprong tot op Noach herleiden. |53| Verreweg de meeste zijn eerst in later tijd ontstaan, toen de vervreemding van de paradijs- en arketraditie reeds een voldongen feit was geworden. Deze jongere volkeren zijn ontstaan door plaatselijke afzondering van de oudere. De gansche aarde is niet op eenmaal bevolkt geworden. Na de volkensplitsing bij Babylon is de afzondering van stam en stam eerst langzaam in zijn werk gegaan. Gelijk nu nog de Boeren in Zuid-Afrika tot nieuwe volksstichting gekomen zijn, door zich terug te trekken in nog onbekende streken, en daar tot nieuwe staatsformatie te komen, zoo is het ook oudtijds op groote schaal toegegaan. Voor het bij elkaar blijven wonen bestond geen oorzaak. Zoodra men elkander begon te hinderen, of elkander in den weg zat, trok het eene deel weg, en ging nog onbewoonde streken bewonen. Was later ook op dat punt de bevolking weer te sterk geworden, dan trok een deel weer verder op. En zoo heeft zich groepsgewijze, of starnsgewijze, het ééne deel voor en het andere na steeds verder verplaatst. Dat het uitgangspunt van dezen grooten, steeds voortgaanden trek der volkeren in het midden van Azië ligt, valt niet te betwijfelen. Van het hart van Azië uit, waar het Paradijs lag, en de Ararat, eens drager der arke, zijn top verhief en nog verheft, trok men zuidwaarts door de Himalaya-poort naar Indië en uit Indië naar den Indischen archipel. Trok men Oostwaarts naar China, Japan en Anam, en allicht door Kamschatka Amerika binnen, om ook daar aldoor Zuidwaarts af te dalen. Trok men Zuidwaarts over Arabië en Egypte heel Afrika binnen. En trok men Westwaarts naar Klein-Azië en Europa. Maar steeds werd de lengte van den straal, die zich van het middelpunt in het hart van Azië afscheidde, grooter, werd dienvolgens de aanraking met het oorspronkelijk stamgebied geringer, en naar die mate moest ook de kracht der overlevering en de nawerking van de oorspronkelijke traditie verzwakken, om ten slotte zoogoed als geheel op te houden. Bij de Asteken in Amerika, bij de Zulukaffers in Zuid-Afrika, bij de bewoners van Patagonië, en bij de Finnen en Lappen in Noorwegen, die „de einden dezer aard bewoonden”, sleet dan ook bijna elke heugenis van de overgeleverde herinneringen uit.

*

Toch trad onder al deze volken een Overheid op. De instelling is nergens geheel teloor gegaan. En of men nu al zegt, dat dit vanzelf spreekt, daar geen samenleven zonder zeker bestuur denkbaar is, dit weerlegt onze voorstelling volstrekt niet. Vooreerst toch is het staatsverband iets geheel anders dan het geslachtsverband, en is alleen dit laatste uit de natuur. Ten tweede blijkt dan toch, dat in alle volken de trek, de neiging, om een Overheid op te richten, inzat. En ten derde toont de ervaring even beslist, dat in de consciëntie alle deze volken zich tot zekere mate van gehoorzaamheid aan de mystiek der Overheid genegen en genoodzaakt |54| gevoelden. Men kan er nog bijvoegen, dat het recht over leven en dood bij alle deze volken het vaste merkteeken van het Overheidsgezag was. De invoering van de doodstraf was algemeen.

Doch evengoed als we nadruk leggen op dezen algemeenen trek, dien de eerbied voor de Overheid gelijkelijk onder alle volken vertoonde, behoort gerekend te worden met het groote verschil in de wijze waarop de Overheid onder deze verschillende volken optrad. Aan de ééne zijde vindt ge een Overheid die geheel willekeurig en met brutaal geweld optreedt, zoodat het zedelijk merkteeken van haar gezag nauwlijks meer te bespeuren valt, terwijl anderzijds niet alleen bij Grieken en Romeinen, maar ook bij de oude Germanen, de Overheid een meer geordend karakter vertoont, de heerschappij van een wel geordend recht laat opkomen, en ten slotte zelfs den band tusschen Overheid en Volk op nauwkeurige wijze regelt. Er is hier een trap met zeer vele treden, en het verschil tusschen de Overheid die nog op de laagste trede staat met die andere Overheid, die tot de hoogste trede opklom, is zoo groot, dat ge ten slotte in hetgeen op de laagste trap bestaat nauwlijks meer een wezenlijke Overheid herkent. Ge stuit dan op geweldhebbers, die hun volk uitmergelen, hun volk misbruiken voor eigen genot en grootheid, en met onbegrijpelijke willekeur over het goed en het leven van hun onderdanen beschikken. Maar zelfs op die laagste trap blijft altijd dit over, dat zij en geen ander naast hen of evenals zij, bevelen en gebieden, én gehoorzaamd worden, en dat ze, zooals geen ander, niet door heimelijken moord, maar openlijk over het leven van hun onderdanen beschikken. Toen in Dahomey nog de oude tirannen, met hun amazonen, heerschten, en keer op keer hun groote feesten met menschenoffers, soms van honderd en meer tegelijk, opluisterden, bleef toch altoos dit bestaan, dat deze onmenschelijke vorsten als heerschers erkend werden, en dat hun onderdanen hun niet alleen gehoorzaamden, maar zelfs in die menschenoffers geen moord, maar uitoefening van hoog gezag zagen. En het is juist dit laatste waarop het aankomt. Men feilt dan ook, zoo men aarzelt te erkennen, dat ook op deze dwingelanden het woord der Spreuken toepasselijk was: „Door Mij regeeren de koningen.” Ze regeerden gruwelijk. Ze handelden onverstandiglijk. Ze riepen den toorn Gods over zich in. En hun oordeel zal verschrikkelijk wezen. Maar dit alles neemt niet weg, dat het gezag dat ze zoo onmenschelijk hanteerden, altoos Goddelijk gezag was, eenvoudig omdat zonder Gods bestel geen mensch iets over zijn medemensch te zeggen of te gebieden heeft. Mensch en rnensch staan gelijk naast elkaar, en ook al is het, dat ze in lichaamssterkte, in vaardigheid en in talent ganschelijk uiteenloopen, dit alles zal tot zedelijk gezag en zedelijke meerderheid kunnen leiden, maar nooit tot overheidsgezag. Immers het onderscheid tusschen zedelijk gezag en overheidsgezag is juist, dat zedelijk gezag alleen door |55| hem kan worden uitgeoefend, die werkelijk de meerdere is, terwijl omgekeerd overheidsgezag door een gansch onbeduidend, zwak en onzedelijk persoon kan worden uitgeoefend over dezulken, die zedelijk veel hooger staan, in hun spieren veel sterker zijn, en in genie en talent den heerscher verre overtreffen.

*

Er moet daarom stipt aan worden vastgehouden, dat alle Overheid bekleed is met Goddelijk gezag, geheel afgezien van de vraag, wie de vorst in zijn persoon is, en óók afgezien van de vraag, op wat wijze hij zijn gezag uitoefent. Men mag niet zeggen: eerst als de Overheid zeker zedelijk karakter vertoont, wordt ze dienaresse Gods. Ze is dit altijd. De heilige apostel spreekt het zoo stellig mogelijk uit, dat de macht die er is, van God is; en dat wel zonder eene beperking of machtsbepaling. Hierbij nu is tweeërlei te onderscheiden. Is de instelling der Overheid een genadedaad Gods en een hoofdstuk van zijn Gemeene Gratie, dan ligt het voor de hand, dat een volk gestraft wordt met een slechte, en begenadigd wordt met een goede Overheid. Zooals het volk is, zoo zal ook in den regel de Overheid zijn. Heerscht gelijk over veel stammen van Afrika bij het volk zelf geen eerbied voor het menschelijk leven, ja, liggen ze nog in kannibalisme verzonken, en moorden ze roekeloos onder elkaar en onder vreemde stammen, dan is het volkomen begrijpelijk, dat hun hoofden en vorsten ook voor het leven van hun onderdanen geen eerbied toonen. Is daarentegen de eerbied voor het menschelijk leven tot al het volk doorgedrongen, zoodat moord als een gruwel geldt, dan is het evenzoo begrijpelijk dat de Overheid zichzelve aan geen doodslag schuldig maakt, en daarentegen allen moord poogt tegen te gaan. De Heilige Schrift leert ons dan ook, dat een goed koning als een zegen van God is te eeren, en dat omgekeerd een volk dat zelf wegzinkt met slechte vorsten gestraft wordt. En hierbij komt dan in de tweede plaats, dat zelfs bij meer ontwikkelde en beschaafde volken alles afhangt van de vraag, of ze zich aan de publieke zaak laten gelegen liggen, of zich egoïstisch in hun huiselijke en bedrijfsaangelegenbeden terugtrekken. Zie Transvaal! Daar leeft ieder burger in en voor de publieke zaak mede, en als het moet, waagt bij er zijn leven voor. In Europa daarentegen, en zoo ook in ons vaderland, vindt ge bij zeer velen de grootste onverschilligheid voor het publieke leven, een kosmopolitisme, dat alle liefde voor het vaderland bluscht, en een opgaan in persoonlijk genot, in jacht op geld of in liefhebberijen. Hoevelen zijn er niet, die al wat op het gebied van de sport voorvalt, met levendige belangstelling volgen, maar er de schouders voor ophalen, als men hen interesseeren wil voor de wetten van hun eigen land. Dat kan hun niet schelen. Dat gaat hun niet aan. Daar bekreunen ze zich niet om. |56|

Hier staat dus het hoog zedelijk begrip, om voor zijn vaderland te leven, tegenover het egoïstisch begrip van te leven voor eigen kring, eigen genot en eigen bedrijf en geldbezit. En nu is het toch volkomen natuurlijk, dat de Overheid in landen met een patriottische bevolking een heel andere zal zijn, dan in landen met een egoïstische bevolking. Gevolg waarvan is, dat in landen waar het volk meeleeft voor de publieke zaak, het Overheidsgezag vanzelf getemperd zal worden door goed geordenden volksinvloed, terwijl in andere landen, waar men alles aan de Overheid overlaat, vanzelfs de Overheidsmacht almeer drukkend zal worden. Zoo ziet men dus, hoe het lage of hooge standpunt, waarop de Overheid staat, in algemeenen zin genomen, bepaald wordt door de gesteldheid van het volk zelf. Staat het volk nog op laag-menschelijke trap, dan zal ook de Overheid in onmenschelijke geweldpleging vervallen. En ook staat het volk nog op egoïstische trap, dan zal de Overheid op staatkundig gebied zich weinig aan het volk storen. Is daartegen het volk in menschelijken zin krachtig en hoog ontwikkeld, en leeft het ernstig mede voor de publieke zaak van het vaderland, dan zal ook het Overheidsgezag een steeds hooger karakter aannemen, en door den volksinvloed worden getemperd. Toen men in Turkije een constitutioneel parlement invoerde, beging men een naäperij, die uiteraard tot niets geleid heeft. De Turken als volk staan te laag, om een bewind van hoog karakter te kunnen bezitten. En zoo als het volk is, zoo moet zijn Overheid zijn. Hierin heerscht de gerechtigheid, die ook in de Gemeene Gratie zich nooit verloochent. Doch juist daaruit volgt dan ook, dat men misgaat, zoo men alleen de betere Overheid als dienaresse Gods beschouwt, en de lagere verschijning van de Overheid buiten Gods bestel sluit. Een slecht mensch blijft dan toch mensch, en zoo ook blijft een slechte Overheid toch altoos Overheid. En gelijk in het mensch-zijn van den grootsten zondaar toch altoos de grootheid Gods in de schepping van den mensch blijft te eeren, zoo ook zult ge, tot zelfs in de slechtste Overheid nog altoos de Goddelijke instelling van de Overheid als zoodanig erkennen. Met of zonder Overheid blijft altoos de tegenstelling tusschen een ordelooze massa die zichzelve verteert, en een geordende menigte, die in staat is zich als geheel te doen gelden en te ontwikkelen. Gelijk een leger machteloos staat, als ge al zijn bevelhebbers, hoogere en lagere, wegneemt, zoo houdt ook een volk op volk te zijn, zoo ge u alle Overheid, in wat vorm ook, wegdenkt. En zelfs bij het slechts geregeerde volk blijft, dank zij de Overheid, altoos dit bestaan, dat het volk een geheel vormt, in staat als geheel op te treden, leeft onder bevelen en door gehoorzaamheid, en dat het bewaard blijft voor de ontblnding der zelfvernietiging.

De weldaad Gods in de instelling der Overheid moet dus gemeten worden naar beginsel en graad van ontwikkeling. Er is vooreerst, in beginsel de weldaad der instelling, die aan alle volken gemeen is. En er is in de |57| tweede plaats de weldaad van een in graad hooger ontwikkelde Overheid, die God in zijn gunste alleen aan die volken schenkt, die in staat zijn haar te genieten en op prijs te stellen. Maar ook al is er niets dan de principiëele weldaad, en al ontbreekt bij de Overheid van een laag staand volk, nog elke hoogere exponent van graadverschil, toch is en blijft ook zoo reeds de instelling der Overheid op zichzelve een gunstei iets wat de niensch uit zichzelf nooit zou verkregen hebben, en iets wat ook aan een nog zoo laag staand volk gegeven is door de Gemeene Gratie onzes Gods.

*

Hieruit volgt tevens, dat de vraag, of een Overheid wezenlijk Overheid is, niet beheerscht wordt door haar verwerping of haar eeren van den eenigen waren God. Men zou geneigd zijn, dit te onderstellen. Immers, zoo zou men willen zeggen: hoe kan een vorst „dienaar Gods” zijn, als hij den eenigen waren God noch kent noch erkent, en integendeel zijn offerande offert voor de afgoden, of door Godloochening zichzelf bezondigt. En toch kan er geen de minste twijfel bestaan, of ook een afgodendienaar en een Godloochenaar, zoo hij met het Overheidsgezag bekleed is, is en blijft Overheid, en als zoodanig is ook de Overheid in zijn persoon een Dienaresse Gods. Rom. 13 wijst dit uit. Paulus schreef den aanhef van den brief, als onderdaan van den keizer van Rome. Hij beriep er zich zelfs op dat hij „Romeinsch burger” was, en ook al roemt hij in afstamming als Jood, welnu, ook de Joden waren onderdanen van den Romeinschen keizer. Zelfs kan niet eenmaal gezegd, dat de toenmalige Romeinsche keizer als mensch zedelijk hoog stond. Eer het tegendeel. Maar in elk geval was hij een afgodendienaar, en een die voor zichzelf als schepsel Goddelijke eer en offerande afeischte. En toch zegt de apostel, niettegenstaande hij onder zulk een Overheid schreef: „Alle ziel zij de machten die over haar gesteld zijn onderdanig, want er is geen macht dan van God, en de machten die er zijn, die zijn van God verordend”. De heilige apostel maakt dus geen enkele beperking, en sluit niet ééne Overheid uit. Hij zegt niet, dat ze ophouden Overheid te zijn, als ze God niet kennen, of God niet vreezen. Integendeel, hij maakt geen enkele uitzondering. Geldt dit nu van den afgodendienaar, dan geldt het natuurlijk ook van den Godloochenaar. En zoo blijkt dat men van God verordende Overheid kan zijn zonder Hem te kennen, of te erkennen.

Hierin nu ligt tevens opgesloten, dat de vervulling van de Overheidstaak, op wat gebrekkige wijze dan ook, zonder de kennisse van den dienst van God, mogelijk is. Dat we hier zoo sterken nadruk op leggen, en dit punt niet terloops behandelen, is, omdat wij als Christenen zoo licht geneigd zijn, zeker Christelijk karakter voor de Overheid als noodzakelijk te stellen. En dit blijkt nu op overtuigende wijze niet het geval te zijn. Ongetwijfeld |58| verhoogt het Christelijk karakter der Overheid de gezegende werking van haar gezag, maar het is en blijft iets dat als verrijking en als sieraad bij de Overheid bijkomt, maar dat niet als zoodanig van haar wezen onafscheidelijk is. De Overheidsinstelling als zoodanig onderstelt geen andere noch hoogere ontwikkeling dan die bij het licht der Gemeene Gratie bereikbaar is. We zullen in ons volgend vertoog nader ontwikkelen waarin dat licht bestaat, en welke onderscheiden vormen het aanneemt; van de laagste tot de hoogste trap. Thans, strekte ons doel niet verder, dan om onze lezers diep van de waarheid te doordringen, dat men het wezen en het eigenlijk karakter van de Overheid niet mag afmeten naar wat er bij kan komen, maar moet beoordeelen naar wat haar onmisbaar kenmerk en het niet van haar af te scheiden merkteeken is. Iets wat daarom ook voor de practijk te belangrijker is, omdat feitelijk zelfs in Christennatiën thans weder personen als dragers van de Overheid optreden, die geheel van de kennisse en van den dienst van den eenigen waren God vervreemd zijn. Al is het toch een hooge zegen te achten, dat de meeste vorsten en vorstinnen op dit oogenblik openlijk voor de belijdenis van God uitkomen, en dat ook de Presidenten der Vereenigde Staten van Amerika en van de Zuidafrikaansche Republieken openlijk voor den dienst van God partij kiezen, toch neemt dit niet weg, dat b.v. in Frankrijk de macht in handen is van mannen, die even openlijk van hun verwerping van allen confessioneelen dienst van God geen geheim maken, en dat ook in ons land, onder onze Vorstin, de regeermacht maar al te vaak in handen van mannen berust, die principiëel met alle belijdenis van den levenden God gebroken hebben.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ VIII, De Heraut No. 1147 (17 december 1899).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001