VII. De Overheid buiten de bijzondere Openbaring

Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden; en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten; nochtans zult gij sterven als een mensch; en als een van de vorsten zult gij vallen.

Psalm 82 : 6, 7. a


Er dient alzoo wel verstaan, dat de instelling van de Overheid en de bedeeling der Christelijke Religie twee afzonderlijke dingen zijn, die wel met elkander in aanraking kunnen, en veelszins moeten komen, maar die toch niet met elkander in oorzakelijk verband staan. Kon men, op een afgelegen eiland, een groep bijeenbrengen van uitsluitend waarachtig geloovigen, dan zou men zelfs de vraag kunnen stellen, of onder hen nog het optreden van een Overheid geëischt werd. Men denke slechts aan wat de heilige apostel aan de kerk van Corinthe schreef, toen belijders des Heeren, die een burgerlijk geschil hadden, nog bij de toenmalige rechtbanken der Overheid recht zochten. Hij schreef toen dit: „Durft iemand van ulieden, die eene zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen? Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordeelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig de minste gerechtzaken? Weet gij niet, dat wij de engelen oordeelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan! Zoo gij dan gerechtzaken hebt, die dit leven aangaan, zet die daarover, die in de gemeente minst geacht zijn. Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan alzoo onder u geen die wijs is, ook niet één, die zou kunnen oordeelen tusschen zijne broeders? Maar de ééne broeder gaat met den anderen broeder te recht, en dat voor ongeloovigen. Zoo is er dan nu ganschelijk gebrek onder u, dat gij met malkanderen rechtzaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade? Maar gijlieden doet ongelijk, en doet schade, en dat den broederen” (1 Cor. 6 : 1-8).

Zou uit dien hoofde onder enkel geloovige Christenen de publieke burgerlijke |45| rechtspraak der Overheid wegvallen, en veel meer nog de strafrechterlijke rechtspraak, zoo valt niet in te zien, welke plaats er in zulk een kring voor een Overheid in eigenlijken zin zou overblijven. Het eigenlijk karakter der Overheid als zoodanig toch ligt niet daarin, dat er kanalen worden gegraven, sporen aangelegd enz., maar in het hoogheidsrecht om de kwaadwilligen met geweld te dwingen, en desnoods te bedwingen met het zwaard. — Dit wordt hier aangevoerd niet alsof zulk een Christelijke samenleving van enkel geloovigen, zonder Overheid ook zou te verwerkelijken zijn. Proefnemingen van dien aard zijn geschied, maar steeds mislukt, omdat ze uitgingen van het verkeerde denkbeeld, alsof ooit de Christenen zich geheel van de wereld konden afscheiden. Hun roeping is niet uit de wereld uit te gaan, maar hun kracht schuilt in de belofte dat de Vader hen bewaren zal in de wereld. Elke andere voorstelling is eenvoudig anabaptistisch, d.w.z. ze wordt ten eenenmale veroordeeld door het feit, dat de maatschappij niet uit willekeurig zich verbindende individuën bestaat, maar genealogisch opkomt. Er zijn niet losse individuën, maar geslachten, en de individuën worden uit en in die geslachten geboren. En daar nu de genade niet aller is, kan het niet anders of de geloovige Christenen zullen reeds door dat geslachts- en familieverband altoos met ongeIoovigen verbonden blijven.

Dit komt tot uitdrukking in het Genadeverbond en in den Kinderdoop, en daarom is het volkomen natuurlijk, dat Gereformeerden en Dooperschen ten slotte op het punt van den Doop uiteen zijn gegaan. Wie de maatschappij opvat als een saamvoeging van losse individuën, die zich onderling verbinden, kan alleen dezulken doopen die zich bekeerd hebben, en rekent met het geslachtsverband niet. Zij daarentegen, die verstaan, dat de maatschappij der menschen organisch samenhangt, d.i. ontstaat door de geboorte van de individuën uit de geslachten, kan niet anders aanvaarden dan den Kinderdoop. Maar zooveel blijkt dan toch uit het woord van den heiligen apostel Paulus, dat de uitwerking der Christelijke religie niet is, om aan de Overheid een taak op te leggen, maar juist omgekeerd om haar de taak van de schouders te nemen. Er zijn vrome Christenen, die hun leven lang noch met de politie noch met den rechter in aanraking komen. Onder oprechte Christenen vindt de Overheid geen arbeidsveld voor haar dwingende macht.

Zelfs kan men verder gaan en zeggen: Indien de komst van Jezus ten gevolge had gehad, dat welhaast alle Christenmenschen oprechte geloovigen waren geworden, zou alle reden van bestaan van de Overheid als zoodanig zijn weggevallen. Regeling van gemeenschappelijke belangen zou ook alsdan noodig zijn gebleven, maar niet dáárin ligt het eigenlijke wezen der Overheid. Dat zou het bestuur eener maatschappij evengoed hebben kunnen uitrichten, en het is dan ook volkomen consequent, indien |46| de Sociaal-Democraten, die wel die regeling willen behouden, maar alle hoogheidsrecht willen te niet doen, den eisch stellen, dat de Overheid verdwijne, en dat er niets overblijve, dan een maatschappij onder een door haar zelve gekozen bestuur. Men kan dit ook zoo zeggen: Heeft God, naar luid van Artikel 36 onzer Belijdenis, de Overheid ingesteld om der zonde wil, opdat de ongebondenheid der menschen bedwongen worde, zoo zou er voor de Overheid geen plaats of plek zijn overgebleven, bijaldien de Christelijke religie bestemd ware geweest, om alle publieke werking van zonde en ongebondenheid geheel te niet te doen of geheel te voorkomen.

*

Dat we hierop zoo scherpen nadruk leggen, is, om de voorstelling te bestrijden, die uit de Middeleeuwen ook in onze Gereformeerde landen was overgegaan, alsof men de maatschappij zelve in Christenlanden als Christelijke maatschappij had te beschouwen, en alsof het de gemeente des Heeren was, die tweeérlei leven leidde: het ééne geestelijk, het ander burgerlijk, en alsof nu voor dat burgerlijk leven de Overheid optrad, gelijk voor dat geestelijk leven de Kerk. Men vergeleek dit dan meest met onze samenstelling uit ziel en lichaam. De landsgemeente had een ziel, en daarvoor was de Kerk, maar ze had ook een lichaam, en daarvoor was de Overheid. Dit dreef men zelfs zoover, dat de zorg voor de kerkgebouwen en traktementen, als van uitwendigen aard onder de zorgen voor het lichaam werd gerekend, en daarom aan de Overheid werd opgedragen. Vandaar dat de kerkgebouwen niet aan de Kerk, maar aan de Overheid toebehoorden, en het vanzelf scheen te spreken, dat de Overheid ook voor het onderhoud der leeraren zorgde. Tot in 1810 zijn de Gereformeerde kerkgebouwen dan ook het eigendom van de burgerlijke Overheid gebleven, althans te Amsterdam, en eerst in dat jaar zijn ze door den Franschen koning aan de kerken geschonken, deels aan de Gereformeerden en deels aan de Roomschen. Nu nog zelfs is men, naar aanleiding van het gebeurde met de Nieuwezijdskapel te Amsterdam, in het onzekere, of aan die kerk wel het eigendomsrecht over de kerkgebouwen toekomt.

*

Welnu, dit alles is ten eenenmale in strijd met het beginsel neergelegd in Art. 36 van onze Belijdenis, en was niets dan de ondoordachte voortzetting van de denkbeelden die in de Middeleeuwen post hadden gevat. De Staat, het volk, het land zelf, in zijn geheel genomen, werd als de openbaring van het Lichaam van Christus beschouwd. Kerk en Burgermaatschappij waren één wezen, maar een wezen dat zich naar twee zijden openbaarde: de ééne zienlijk en lichamelijk van uitwerking, de andere onzienlijk en geestelijk. Over het uitwendige en zienlijke stond de Overheid, |47| over het geestelijke en onzienlijke het kerkelijk regiment. En zoo kon het niet anders, of de uitwendige en onzienlijke zijde ook der kerk werd aan de zorge der Overheid toevertrouwd. Een stelsel, dat er noodzakelijk toe leidde, om eenerzijds het wezen van de Kerk, en anderzijds het wezen van de Overheid te vervalschen. Er werd toch op die wijze niet slechts een band tusschen Kerk en Overheid gelegd, maar beide werden als de openbaring van éénzelfde wezen verstaan. En dit had tot resultaat dat de vrijheid en zelfstandigheid der kerk ten eenenmale vernietigd werd, en dat alle recht begrip van het wezen van de Overheid teloor ging. Wel ontkennen we niet, dat ook de Overheid den invloed van het Christendom ondergaat, en onder dien invloed in gewijzigden vorm optreedt. In dien engen zin kan men zelfs niet alleen van een Christelijke, maar zelfs van een Protestantschen en van een Gereformeerden Staat spreken. Maar omdat zelfs het huisdier, in den dienst van den mensch gesteld, allengs een zacht en tam karakter erlangt, daarom mag men toch het eigenlijk wezen van het dier niet uit dien gewijzigden vorm van bestaan afleiden. Om het dier in zijn eigenlijke wezen te leeren kennen, moet men het veeleer in de wilde natuur bespieden, waar het zijn oorspronkelijke natuur openbaart.

En zoo nu is het ook hier. Later kan men rekening houden met den gewijzigden vorm dien de Overheid aanneemt, waar ze onder den invloed van de Christelijke religie komt, maar om haar eigenlijke wezen, haar ware natuur te leeren kennen, moet men beginnen met de Overheid zóó te verstaan, als ze optreedt in landen en onder volken, waar geen andere krachten dan die der Gemeene Gratie werken. Onder die volken openbaart ze haar eigenlijk wezen. Ge moet u een oogenblik indenken in den toestand, dat er geen Christelijke religie gekomen was, en dat uitsluitend de Gemeene Gratie zonde- en vloekstuitend ware opgetreden. Dan bevindt ge u op het eigenlijke terrein waar de Gemeene Gratie, en dus ook de Overheid thuis hoort. Ze is toch een instelling van de Gemeene Gratie. Ze is van die Gemeene Gratie de klaarste en meest grijpbare openbaring. Gemeene Gratie en Overheid hooren onlosmakelijk bij elkander. Het is de goede God, die, zooals onze Confessie zegt, om de ongebondenheid der menschen tegen te gaan, en alzoo uit oorzaak van de zonde, de Overheid heeft ingesteld. Het is dus ook volkomen natuurlijk dat dezelfde apostel, die aan de kerk van Corinthe aanried, om niet met onderlinge twistgedingen naar de Overheid te gaan, anderzijds in den brief aan de Romeinen zoo kras uitspreekt, dat de Overheid, die er is, van God is, en dat ze om der consciëntie wille moet worden gehoorzaamd. Dit toch sprak hij uit, niet van een dusgenaamde Christelijke Overheid, maar integendeel van een heidensche Overheid, en wel van diezelfde keizers, die zoo wreed tegen de Christenen hebben gewoed. Psalm 82 staat op hetzelfde standpunt. In dien |48| psalm toch is sprake van een Overheid, die in den rechterstoel gezeten, onrecht oordeelt, het aangezicht der goddeloozen aanneemt, den armen en den weezen geen recht doet, en die alzoo alle fundamenten der aarde doet wankelen. En toch wordt van die Overheid, en van die rechtbank beleden: „God staat in de vergadering Godes”, en wordt tot die plichtvergeten Overheid gezegd: „Gij zijt goden, en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten”. En tegenover die wanverhouding tusschen wat de Overheid zijn moest, en wat ze is, wordt geen ander oordeel ingeroepen, dan het oordeel Gods: „Sta op, o God, en oordeel het aardrijk; want Gij bezit alle natiën.” Hier is nu wel, in nader zin, sprake van de Overheid van Israël, maar in niets worden die Overheden hier van de Overheden der overige volken onderscheiden. Immers het slot is niet: „Want Gij zijt de Koning van Israël”, maar heel anders: „Want Gij bezit alle natiën”. Niet dus uit de bijzondere betrekking die tusschen God en Israël bestond, maar uit de betrekking waarin God tot alle natiën zonder onderscheid staat, wordt hier de positie der Overheid afgeleid.

*

Is dit nu wel verstaan, en helder ingezien, dat, zoo van de Overheid sprake is, de Christelijke religie en haar invloed, iets is, dat er van buiten bij komt, en dus wel haar vorm van optreden kan wijzigen, maar dat niet haar wezen raakt, noch haar roeping bepaalt, dan zal men ons toegeven, dat goede orde eischt, dat we, om de Overheid te leeren verstaan in haar wezen, haar eerst moeten bespieden op dat terrein, waar alleen de Gemeene Gratie heerscht, en dat we eerst daarna de heel andere vraag kunnen stellen, namelijk, wat wijziging ze ondergaat in landen waar de Christelijke kerk optrad, en waar de Christelijke religie haar invloed deed gelden. We laten dus dien invloed van de Christelijke religie voorshands geheel buiten onze beschouwing, en nemen de Overheid thans alleen in haar onvermengd wezen, waar ze optreedt onder volken, die geen andere genade ontvangen dan de Gemeene Gratie.

Nu is het duidelijk, dat er bij zoodanige volken geen sprake is van het gezag der Heilige Schrift. Neem, om ons tot een concreet voorbeeld te bepalen, het aloude Romeinsche keizerrijk of de Grieksche gemeenebesten. Niemand ontkent, dat er in deze staten een geordende samenleving werd gevonden, noch ook dat in die landen niet een Overheid in den eigenlijken zin des woords bestond. Toch staat het evenzoo vast, dat de Overheid van deze landen geen kennis droeg van Gods bijzondere openbaring in de Heilige Schrift. Ze kende die niet, en kon er dus niet mede te rade gaan. Ook al geeft men toch de mogelijkheid toe, dat zekere denkbeelden en voorstellingen reeds destijds uit Israël, hetzij rechtstreeks, hetzij over Egypte, aan de Grieksche geleerden bekend waren geworden, en ook al |49| erkent men, dat de Joodsche koloniën in het Romeinsche keizerrijk zekere kennis van Mozes en de profeten ook in dat wereldrijk moeten verspreid hebben, toch staat het vast, dat de Heilige Schrift gelijk wij die kennen, en niet name het Nieuwe Testament, aan de grondleggers zoo van de Grieksche gemeenebesten als aan die van den Roomschen burgerstaat, als gezaghebbend woord, ten eenenmale onbekend waren. De stichters en grondleggers van deze staten konden alzoo niet met de openbaring der Heilige Schrift te rade gaan. Het licht waarbij ze hun taak volvoerden, kan derhalve niet het licht van Gods Woord zijn geweest, maar moet hun van elders zijn toegekomen, zonder dat ze daarom ophielden ware Overheden te zijn. Nog sterker gevoelt men dat, zoo men denkt aan de rijken van China en Japan, die geheel van alle gemeenschap met Israël waren afgesloten, en waar desniettemin geregeld geordende staten gevormd zijn, onder welgeordend Overheidsgezag.

*

Dit nu kan tot geen andere conclusie leiden, dan dat God in diezelfde Gemeene Gratie, die tot de aanstelling van de Overheid leidde, ook tevens zooveel licht ontstak, als noodig was om de Overheid voor haar taak te bekwamen. Hierop lette men wel. Zij toch die zoo gezind zijn, om de Overheid in zulk een zin aan de Heilige Schrift als Gods Woord te binden, alsof zij zonder de kennisse van dat Woord, haar roeping niet zou kunnen vervullen, verijdelen in hun gedachten geheel het bestel Gods. Immers die zeggen, dat de Overheid haar taak niet kan vervullen, zoo zij zich niet bindt aan de Heilige Schrift, spreken daarmede uit, dat God haar in de heidensche landen een onmogelijke taak heeft opgelegd, of wel de Overheid alleen bedoeld heeft voor Christelijke landen, waar de Heilige Schrift bekend is. Het laatste nu is te ongerijmd, om door iemand beweerd te worden, en wordt door wat Paulus over de Overheid in het Roomsche keizerrijk schreef, voetstoots weerlegd. Ieder stemt dus toe, dat God Overheden heeft ingesteld ook in de heidensche landen. Maar nu uit zijn bestel blijkt, dat Hij die heidensche volken niet verrijkt had met het licht van zijn Woord, zou het toch de hoogste onrechtvaardigheid zijn geweest, van die Overheden in heidensche landen te vergen, dat ze wandelen zouden bij het licht van een Heilige Schrift, die ze niet bezaten, noch zelfs kenden. Men gevoelt zelf, zoo loopt men met zijn redeneering vast. En de eenige conclusie waartoe we wettiglijk kunnen komen is, dat, zoo God de Heere de Overheden van alle natiën verordend heeft, en toch aan verreweg de meeste natiën in die tijden het licht van zijn Woord onthouden heeft, er op andere wijze aan deze ingestelde Overheden het licht, voor de vervulling van haar taak geëischt, moet zijn toegekomen. En dit nu komt ook juist zoo uit, mits we vasthouden aan den zetregel, dat de Overheid op het |50| terrein der Gemeene Gratie staat, en dus ook uit de Gemeene Gratie het licht ontvangt, dat ze voor de vervulling van haar taak noodig heeft.

Iets wat de apostel Paulus in Romeinen 2 : 14, 15 aldus uitdrukt, dat de heidenen, die de Schrift niet hebben, zichzeIven een wet zijn, en doordien ze van nature doen de dingen, die in de Wet geboden zijn, betoonen het werk der wet geschreven te hebben in hunne harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkander ben beschuldigende, of ook ontschuldigende.

Hier wordt toch duidelijk uitgesproken, dat onder de heidenen het licht van Gods Openbaring niet scheen, maar dat ze daarom toch in volslagen duisternis wandelden, doch beschenen werden door het wel min heldere, maar ook zoo toch een heilig schijnsel uitgevende licht van die algemeene Openbaring, die in de Gemeene Gratie ook aan deze natiën ten deel viel. De Overheid onder zulke natiën ingesteld had alzoo bij dát licht te wandelen, en zal naar dát licht eens geoordeeld worden. Iets wat natuurlijk niet uitsluit, dat waar meerder licht komt, voor dat meerder licht het oog niet mag worden gesloten; maar hierop komen we later pas. We nemen nu de Overheid, naar haar instelling, en dan is ze ingesteld krachtens de Gemeene Gratie, en alzoo van nature gebonden aan dat licht, dat de Gemeene Gratie zelve uitstraalde. Dezelfde God, die de Overheid instelde had door dezelfde Gemeene Gratie, gelijk Paulus ons leert, onder de heidenen ook de duisternis der zonde gestuit, en in de inspraak van het geweten en in de publieke opinie (hun gedachten hen verontschuldigende of beschuldigende) zekere mate van licht ontstoken, genoegzaam om een ordelijke saamleving onder menschen en het optreden der Overheid mogelijk te maken.

*

De uitkomst bevestigt dit dan ook. Niemand toch zal beweren dat de staatsinrichting der Grieksche gemeenebesten, en dat met name de staatsinrichting van het groote Romeinsche wereldrijk, niet eene hooge mate van voortreffelijkheid bezat. Wel gaan er steeds luider stemmen op, om meer dan één uitgangspunt in het Romeinsch recht als in hooge mate eenzijdig te wraken, en met name begint men steeds helderder het gevaar van zijn individualistische onderstelling in te zien. Maar dit neemt niet weg, dat de Christelijke Overheden deze reeks van eeuwen nog weinig beters hebben weten te doen, dan de grondregelen van het Romeinsche recht en de Romeinsche staatsinrichting volgen. Hierin school stellig een fout, en het is niet te sterk gesproken, zoo men beweert, dat de Christelijke Overheden al te zondig verzuimd hebben, bij het licht van Gods Woord de staatsinrichting en de rechtsbedeeling zuiverder te maken. Maar zooveel blijkt dan toch, dat de oude Romeinen, die Gods Woord niet kenden, buiten |51| Gods Woord om, en alleen wandelende bij het licht der Gemeene Gratie, én de staatsinrichting én de rechtsbedeeling tot een zeer hooge mate van uitnemendheid hebben weten op te voeren. En dit juist toont de volkomenheid van het werk Gods in de Gemeene Gratie. Had Hij niets gedaan dan de Overheid aanstellen en met gezag bekleeden, maar haar het noodige licht onthouden voor de vervulling van haar taak, zoo zou de geheele instelling tot niets gediend hebben. En dat ze werkelijk een instrument der behoudenis werd, is alleen daaruit te verklaren, dat God beide tegelijk deed: én de Overheid instellen, én haar het genoegzaam licht schenken; en dat Hij beide deed in de ééne zelfde Gemeene Gratie, buiten de bijzondere openbaring om.

Ja, meer nog. Het was voor de Overheid, zou ze haar taak vervullen, niet genoeg, dat ze met gezag bekleed was, en het haar onmisbare licht ontving, maar ze moest bovendien een band hebben, die haar onderdanen aan haar verbond. Gezag kan zonder erkentenis van dat gezag niet werken. En nu toont Rom. 2 : 14 en Rom. 13 : 5 ons, dat God metterdaad ook dien band in de consciëntie gelegd had. „Daarom”, zoo zegt de heilige apostel, „is het noodig onderworpen te zijn, niet alleen om der straffe, maar om des gewetens wille.” En dat zegt hij absoluut, niet enkel van de Christenen, maar ook van de heidenen. En zoo is het dan de Gemeene Gratie, waaruit deze drie vloeien: 1º. de instelling der Overheid; 2º. het licht waarbij ze wandelen zal, en 3º. de band der consciëntie die Overheid en onderdaan saambindt.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ VII, De Heraut No. 1146 (10 december 1899).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001