VI. Overheid ook onder Heidenen

Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde.

Psalm 2 : 10. a


Is de Overheid ingesteld om der zonde wil, en behoort ze dienvolgens tot het terrein der Gemeene Gratie, dan is reeds uit dien hoofde haar instelling algemeen menschelijk. Hiermede wordt bedoeld, dat de Overheid een instelling van Goddelijken oorsprong is en blijft, geheel afgescheiden van de vraag, of de Magistraat God vreest dan wel tegen God strijdt, en evenzoo onverschillig of het de Overheid is over een heidensch, een Mahomedaansch, een Joodsch, een Christelijk of een gansch ongeloovig volk. En is dit zoo, dan volgt er tevens uit, dat de Overheid als zoodanig noch heidensch, noch Mahomedaansch, noch Christelijk, en dus ook zoomin Roomsch of Protestantsch, of nader nog Luthersch of Gereformeerd kan zijn, wat haar grondkarakter aangaat. De geschiedenis toont wel op overtuigende wijze, dat ze zulk een gestalte aannemen kan, en later zal ons blijken, in hoeverre dit lofwaardig is, en naar welken regel daarbij is te werk te gaan; maar thans dient er de aandacht op gevestigd, dat de Overheid als zoodanig, geheel buiten deze nadere onderscheidingen bestaat, en dat, ook waar deze nadere onderscheidingen opkomen, ze noch uit het grondkarakter van de Overheid als zoodanig zijn af te leiden.

We hebben dit ingeleid met de opmerking, dat ze een algemeen menschelijk karakter draagt. Wat is hiermede bedoeld? Niets anders dan dit, dat het Noachietisch Verbond zich tot heel ons menschelijk geslacht, afgezien van alle religieuse, kerkelijke of confessioneele verschillen, uitstrekt; dat de instelling van de Overheid in dat Noachietisch Verbond tot stand kwam; en dat ze alzoo naar den regel van dat Verbond moet beoordeeld worden. Natuurlijk handelen we hier alleen met hen, voor wie het vaststaat, dat heel het thans levend menschelijk geslacht afstamt van Noach; dat Noach de tweede stamvader van ons geslacht is; en dat dienvolgens al wat God sprak over hem en zijn zonen, doelt op heel de thans levende menschheid. Of staat er niet uitdrukkelijk: „Maar Ik, ziet, Ik richt mijn Verbond op met u, en met uwen zade na u, en met alle levende ziel, die met u is”? En verder, met het oog op den Regenboog: „Dit is het teeken des Verbonds, dat Ik geef tusschen Mij en tusschen ulieden, en tusschen alle levende ziel, die met u is, tot eeuwige geslachten”? Er is hier alzoo geene sprake van iets dat alleen op de Joden of Christenen betrekking zou hebben. Wat hier geordend en geregeld wordt, slaat op al wat mensch is |38| over heel de aarde, door alle geslachten, tot op het einde der wereld, zelfs met inbegrip van de dierenwereld. Ten overvloede wijzen we er nog op, dat in Gen. 9 : 7 er bij staat: „Maar gijlieden, weest vruchtbaar en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voort op aarde, en vermenigvuldigt daarop”. Wie nu toestemt dat in het gebod van de doodstraf op moord de onbetwistbare instelling van de Overheid ligt, kan met ons tot geen andere slotsom komen, dan dat de Overheid door God is ingesteld voor alle menschen, voor alle volken en voor alle tijden, en dienvolgens zulk een karakter moet dragen, dat ze onder alle menschen, voor alle volken en in alle tijden, tot aan het einde der wereld, bij de Gratie Gods als Overheid bestaan en handelen kan.

*

Alle denkbeeld alsof er slechts dan Gratie Gods in het optreden der Overheid uitkwame, als die Overheid Christelijk was, moet op dien grond worden weersproken. De Gratie Gods schuilt hier niet in het edel gedrag van eene goede Overheid, maar in de instelling der Overheid als zoodanig. Vandaar dat het zoo onzinnig is, te wanen, dat uitsluitend de koningen bij de Gratie Gods zouden regeeren, en dat de instelling van de Overheid op zou houden een Gratie Gods te zijn, indien ze in republikeinschen vorm optrad. De vormen waarin de Overheid kan optreden en opgetreden is, zijn schier eindeloos verschillend, maar die vormen scheppen noch wijzigen haar wezen. Dat wezen is en blijft, dat er onder menschen, en voor alle volken, een macht optreedt, die beveelt, die dwingt tot gehoorzaarnheid, en waaraan de onderdanen gehoorzaamheid schuldig zijn om der consciëntie wille. Welke laatste bijvoeging zeggen wil, dat de macht die er is, d.i. de macht die feitelijk het opperbewind uitoefent, door wat schuldige daad ook aan het bewind gekomen, zoodra ze eenmaal de Overheidsfunctiën uitoefent, dat doet niet uit eigen hoofde, ma krachtens het verband tusschen Overheid en onderdanen, dat onbestaanbaar zou zijn, zoo God zelf dit verband niet verordend en in der menschen hart gelegd had.

Heel iets anders is dan ook bloot militair geweld. Als een vijandelijk leger in een land valt, en er met sabel en bajonet den baas speelt, zoodat de hulpelooze burgers wel gedwongen zijn te gehoorzamen, is eer van zulk een verband tusschen Overheid en onderdanen geen sprake. De militaire bevelhebber beweert dat ook niet, en de burgers denken er niet aan, om der consciëntie wille hem te gehoorzamen. Ze wijken voor zijn geweld, en zoodra ze kans zien, aan dat geweld te ontkomen, verzetten ze zich; en zulk verzet is geoorloofd niet alleen, maar eerbaar en plicht. Doch zoodra er een macht optreedt, die na verdringing van wie dusver het Overheidsgezag uitoefende, nu zelve het Overheidsgezag uitoefent, en zich weet te |39| maintineeren, dan staat men niet meer tegenover brutaal geweld, maar tegenover een geordende macht, die haar heerschappij door wetten en decreten handhaaft, en is dienvolgens gehoorzame plicht. De machthebber beweert dan niet alleen, dat hij troepen en kanonnen genoeg heeft, om u te dwingen, maar dat hij bekleed is met het hoogste gezag over het land, dat er zulk een gezag zijn moet, dat hij alleen het op dit oogenblik uitoefent, en dat gij als onderdaan tot gehoorzaamheid gehouden zijt, en alzoo, bij wetsovertreding strafbaar en schuldig zijt.

*

Dat dit naar den aard onzer menschelijke wispelturigheid, en ingevolge de ongestadigheid van onze menschelijke toestanden tot velerlei wisseling van gezag en tot onzekerheid kan leiden, is niet te weerspreken. Als Jerobeam het halve koninkrijk van Rehabeam aftrekt en zichzelf opwerpt als Overheid over de Tien stammen, is er een periode van overgang, waarin het op tal van plaatsen onzeker is, of men Jerobeam of Rehabeam heeft te gehoorzamen. Maar zoodra de nieuwgeschapen toestand zekere vastigheid verkrijgt, en beide vorsten zich, elk op een afgebakend gebied, weten te handhaven, verdwijnt die onzekerheid allengs, en na niet zoo lange dagen wordt er een toestand geboren, waarin het volkomen duidelijk is, en geen twijfel overlaat, of Rehabeam kan in de Tien stammen geen Overheidsgezag meer uitoefenen en Jerobeam wel. Onder Napoleons overheersching hebben we hier te lande gelijken overgang beleefd, en ook in de dagen onzer vaderen waren er oogenblikken, waarin het voor menig burger twijfelachtig was, of bij nog den koning van Spanje, of reeds de Staten had te gehoorzamen. Alle deze wisselingen en overgangen, met den twijfel en de onzekerheid die er tijdelijk uit voortvloeit, veranderen intusschen niets aan het karakter der Overheid als zoodanig. Zoodra heeft zich niet bij de burgerij de indruk en de overtuiging gevestigd, dat feitelijk de gezag uitoefenende macht wetten uitvaardigt, of de plicht tot gehoorzaamheid spreekt tot de consciëntie. En omgekeerd beweert dan zulk een gezag uitoefende macht, dat ze niet alleen met geweld dwingt, maar veel meer, dat ze dwingen mag en moet krachtens een haar verleend gezag. En dat gezag nu kan haar nooit anders verleend zijn dan door God, overmits God alleen ons in de consciëntie kan binden.

Want wel heeft men dit, vooral sinds 1789 anders uitgemaakt, en het gezag aan den wil des volks pogen te ontleenen, maar zelfs die onderstelling werpt het betoogde omver. Ook toch de onderstelling van de volkssouvereiniteit gaat uit van een grondregel, die dan leert, dat de enkele burgers gehouden zijn zich aan den wil van het volk, en aan de door dat volk aangestelde personen te onderwerpen. Maar ook in dien grondregel |40| ligt dan niet, dat men gehoorzamen moet, omdat de volkswil u met geweld noodzaakt en dwingt, maar heel anders, dat onze menschelijke verhoudingen alzoo zijn verordend, dat er een gezaghebbende macht moet optreden, en dat het de volkswil is die deze macht aanstelt en wapent tegen de ongehoorzamen. Zij het dus al, dat de voorstanders der Volkssouvereiniteit zeer beslist de Souvereiniteit Gods ontkennen, en voor de beschikking van den Allerhoogste het goeddunken van het volk in de plaats stellen, toch berust ook wat zij willen op de onderstelling, dat onder de menschen een ordenende macht moet optreden, dat de aldus opgetreden macht niet enkel door militair geweld, maar krachtens een hooger beginsel gezag kan en moet uitoefenen, en dat de burger aan die macht te gehoorzamen heeft, niet omdat hij zich niet verzetten kan, maar omdat hij zich niet verzetten mag. Ook hierdoor komt het dus toch weer neer op een grondslag van zedelijken aard, die dan uit den aard der menschelijke natuur en der menschelijke saamleving wordt afgeleid, en krachtens die natuur van het menschelijk saamleven gehoorzaamheid afvordert. Dieper bezien komt voor het punt dat ons thans bezig houdt, het geschil over de Volkssouvereiniteit dan ook hier op neer, of die natuur van den mensch en van zijn saamleving is wat ze is, omdat God ze alzoo schiep, of wel, dat ze buiten God om zoo tot stand kwam.

*

Oefent ge macht uit, omdat ge dwang oefent, of wel oefent ge dwang uit omdat ge met gezag zijt bekleed, is en blijft alzoo het grondverschil tusschen geweldenarij en Overheidsinstelling. Doch onder wat vorm, en op grond van welke onderstelling ook, er een macht optreedt, die beweert als ingestelde macht recht tot heerschappij te hebben, en die slechts dwangmiddelen tegen den schuldige aanwendt, omdat hij als burger gehoorzaamheid aan haar wetten weigert, steeds is en blijft dit een Overheid, die staande houdt, dat ze als zoodanig en op grond van een algemeen beginsel recht en plicht bezit, om orde in het land te handhaven, en dat de burgers, ook buiten dwang, tot gehoorzamen van haar gebod gehouden en verplicht zijn. Nu kan het beginsel waaruit men dat afleidt, gelijk bij de Volkssouvereiniteit, vervalscht zijn, en de onderstelling waarvan men uitgaat op dwaling berusten, maar dit neemt niet weg, dat ook een Christen, in zulk een land levende, wel terdege in zijn consciëntie gevoelen zal, dat hij tot gehoorzaamheid gehouden is. Wie onzer zich in Frankrijk metterwoon vestigde, zou niet kunnen zeggen: Het Fransche bewind is revolutionair: het gezag rust in Frankrijk op de Volkssouvereiniteit; dus gehoorzaam ik niet. Integendeel, hij zou aanstonds gevoelen, dat hij, in weerwil van dat alles, gehoorzaamheid aan de wetten des lands verschuldigd was. Maar is dit zoo, en we kunnen ons niet voorstellen, dat iemand dit zou willen |41| weerspreken, dan volgt er ook uit, dat het karakter van de Overheidsinstelling als zoodanig geheel onafhankelijk is, zoowel van den vorm waarin het opkwam, als van de onderstelling waarop het beweert te rusten. Ook bij de verste afdoling blijft de Overheid Overheid, en voor den burger als onderdaan is er geen andere maatstaf om dit te beoordeelen, dan het feit, dat er over heel het land gezag wordt uitgeoefend, niet door geweld, maar door een ordening van het staatsleven, die den overtreder straft.

Over het gebrekkige in den vorm waarin, en het valsche in de onderstellingen, waarmede zulk een Overheidsgezag optreedt, hebben we ons dan ook in het minst niet te verwonderen, mits we maar het karakter der Gemeene Gratie wel verstaan. Ware toch de Gemeene Gratie alleen berekend op Christenen, dan zou ze niet algemeen zijn, en juist wijl ze algemeen is, kan ze alleen dan doel treffen, zoo ze stand kan houden ook dáár, waar sprake is van een volk dat geheel afdoolde van den levenden God. Gemeene Gratie immers gaat uit van het feit, dat de menschelijke natuur in zonde verdorven is. Ze is er dus op berekend dat ook de natiën en volken in hun zonde verzinken. En haar voortreffelijkheid bestaat juist daarin, dat ze doel treft, en blijft treffen, hoever die afdoling in zonde ook toegaat. De Gemeene Gratie behoudt niet ten eeuwige leven, maar ze is een behoudende macht in dit leven, te midden van een zondig geslacht. En al is het dat het ééne volk verder in zonde afdoolt dan het andere, Gemeene Gratie is ze alleen dan als ze ook aan het verst afgedoolde volk ten goede komt. De instelling van de Overheid, als de belichaming van die Gemeene Gratie voor onze menschelijke samenleving, moest dus wel van dien aard zijn, dat ze haar gezegende werking kan doen uitgaan, ook onder het verst afgedoolde volk, bij de sterkst denkbare vervalsching van beginselen, en bij de verst gedreven vijandschap tegen God. En dan eerst geraakt men tot een helder inzicht in den rijkdom van Gods genade, die in deze Gemeene Gratie, en met name in deze instelling van de Overheid spreekt, zoo men bedenkt, hoe God deze middelen ter behoudenis verordend en ingesteld heeft ten behoeve van een menschelijk geslacht, dat in zijn overgroote meerderheid Hem hoont en in vijandschap tegen Hem overstaat. Ja, nog hooger rijst onze aanbidding voor deze Gratie onzes Gods, zoo we er rekening mede houden, dat Hij deze Gemeene Gratie, en met name deze instelling van de Overheid, alzoo geordend en beschikt heeft, dat ze haar zegen blijft brengen, ook al is het dat de zondige mensch in plaats van Hem, die instelling dank te weten, en ze uit Hem af te leiden, integendeel ze in een macht tegen zijn Naam omzet, en ze afleidt uit beginselen en onderstellingen die lijnrecht tegen zijn waarheid ingaan.

*

|42| Vooral onder ons, Antirevolutionairen, is het goed ons hiervan diep te doordringen. Zoo licht toch zijn wij geneigd om de fout te begaan, dat we het Overheidsgezag afhankelijk willen stellen van onze onderstellingen daarbij, omdat wij die onderstellingen uit Gods Woord putten, en alzoo verzekerd zijn, dat alleen bij het aanvaarden van onze onderstellingen de ware en juiste verklaring van het Overheidsgezag gegeven wordt. Ziet men nu, dat anderen deze eenig ware onderstellingen loochenen, en er een geheel ander beginsel van Volkssouvereiniteit of Staatsalmacht voor in de plaats stellen, dan vervallen we zoo licht in de fout van te wanen, dat het Overheidsgezag van die ware beginselen afhankelijk is, en alzoo valt, zoodra geheel andere beginselen aan de instelling der Overheid worden ondergeschoven. En toch is dit niet zoo. Het Overheidsgezag staat of valt niet, met wat wij of anderen over zijn oorsprong denken. Het is van die menschelijke onderstellingen geheel onafhankelijk, al wordt het zeer stellig misbruikt of verzwakt, zoo het zijn ware aansluiting aan de consciëntie verliest. En sterker nog, het zou als bestemd voor alle volken, voor alle toestanden, voor alle tijden, en dus ook voor de meest zondige toestanden, geen afdoend middel van Gemeene Gratie zijn kunnen, zoo het niet onder alle omstandigheden, en bij de verste afdoling, toch nog een zegen brengen kon.

Natuurlijk bestaat er ook bij den zegen, dien de Overheidsinstelling brengt, een verschil in graad. Wie het Overheidsgezag ten onzent met dat in Turkije vergelijkt, voelt dat tastbaar, en zelfs een vergelijking van wat in China bestaat met wat op Java gevestigd is, toont dit klaarlijk. Er kan een Overheidsgezag zijn, dat den hoogsten zegen afwerpt waarvoor deze instelling vatbaar is, en er kan ook een Overheidsgezag werken, waarvan de zegen tot een minimum afdaalt. Dit kan niet anders, omdat het aldoor door zondige menschen wordt uitgeoefend. Maar evenzoo als een perzikboom perzikboom blijft, al plukt ge er niet dan weinige, en dan nog wormstekige vruchten van, zoo ook blijft de Overheid Overheid, zij het al, dat de zegeningen die ze aan het volk brengt, ongaaf en schraal zijn. Het komt ten slotte altoos op de instelling als instelling aan, en die instelling nu zou niet kunnen bestaan, als God ze niet verordend en den drang er voor niet in ’s menschen hart gelegd had.

*

Alleen de Anarchisten staan hier principiëel tegenover. Nog niet de Sociaal-Democraten en de Nihilisten. De Sociaal-Democratensprekenwel uit, dat ze tegen elke Overheerschappij gekant staan, maar dit raakt weer alleen den vorm en de voorstellingen die ze ons bieden. Zij willen dat de maatschappij zich van lieverlede tot ééne groote vereeniging zal organiseeren, en dat deze groote vereeniging een bestuur zal kiezen, om de leden |43| der maatschappij te leiden. En al moet men nu toegeven, dat ze welterdege bedoelen hiermede elk denkbeeld van een Overheidsgezag op zij te schuiven, toch is het duidelijk dat ook zij in hun ideaal-staat in het Hoofdbestuur van hun heel het land omvattende vereeniging of maatschappij een hoogste macht zouden oprichten, en dat ze eischen zouden dat elk burger aan die macht gehoorzamen zou. Ze zeggen wel, dat het dan geen „gehoorzamen” zou zijn, omdat ieder vanzelf zou doen, wat het Bestuur der maatschappij verordende en beschikte, maar dit doet niets te kort aan het feit, dat er toch ook in hun ideaalstaat mannen zouden zijn die regelen stelden, en dat de anderen zich aan die regelen zouden te houden hebben, niet enkel omdat men er hen toe dwong en noodzaakte, maar omdat zedelijke plicht dit zoo meebracht. Al geven we dus toe, dat de Sociaal-Democraten, wat den vorm van hun voorstellingen en onderstellingen betreft, het Overheidsgezag als zoodanig afbreken, ook zij zouden ten slotte toch weer datgene vasthouden, wat het wezen der Overheidsinstelling uitmaakt: Een regelend bestuur, dat gehoorzaamd moest worden, ook daar waar geen dwang noodzaakte.

Met de Nihilisten staat het heel anders. De Nihilisten laten zich niet in met de Overheidsinstelling, maar richten hun critiek rechtstreeks op het menschelijk leven. Dat leven, zoo beweren ze, is van zijn eersten oorsprong af, op een verkeerd pad geraakt, en door aperceptie feitelijk steeds verder afgedoold. Het heeft zich voortgezet in allerlei overgeleverde denkbeelden, vormen en usantiën. Die vormen en usantiën vinden hun bestendiging in wat er gemaakt, gebouwd, gesticht is. En men, kan dus tot geene betere toestanden geraken, omdat bij elke poging tot verbetering steeds het bestaande zich als een conservatieve macht tegen u stelt. Er is daarom maar één weg tot oplossing, en dat is, dat ge alles te niet doet en verstoort, wat door menschenhand op aarde gesticht en tot stand is gebracht, en de menschheid opnieuw laat beginnen. Nihil d.i. niets van wat tot stand kwam, mag gespaard blijven. Alles moet weg. Het gebouw moet niet hersteld, maar gesloopt, en op het leege erf kan men dan nieuw gaan bouwen. Vandaar het Nihilisme.

Maar anders staat het met het Anarchisme. Dit keert zich principiëel tegen het gezag als zoodanig. Het beweert dat de instelling van het gezag nooit zegen, altoos vloek heeft gebracht. Het houdt staande dat het grooter deel van onze menschelijke ellende uit het bestaan van de Overheidsinstelling voortvloeit. En op dien grond verzet het zich niet alleen tegen alle gezag dat nu bestaat, maar verkondigt luide, dat, als het nu bestaande gezag zal zijn te niet gedaan, er nooit weer eenig gezag moet worden opgericht. Archie is gezag, Anarchie is opheffing van alle gezag. Vandaar de naam van Anarchisme.

Hier is alzoo de tegenstelling volkomen. God gaf in zijn Gemeene Gratie |44| ons de Overheidsinstelling tot een zegen. Zij verzetten zich hiertegen, en gaan tegen deze genadedaad Gods in. Ze willen dezen zegen niet. En met opgeheven hand zich tegen den hemel keerend, vermeten ze zich tot de stoute uitspraak, dat indien God de Overheid heeft ingesteld, Hij, God, de oorzaak is van al onze namelooze ellende.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ VI, De Heraut No. 1145 (3 december 1899).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001