V. Het kerkelijk instituut om der zonde wil

Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden; of de strengen des Orions losmaken? Kunt gij de Mázzaroth voortbrengen op zijn tijd; en den Wagen met zijne kinderen leiden? Weet gij de ordeningen des hemels; of kunt gij zijne heerschappij op aarde bestellen?

Job 38 : 31, 32, 33. a


Aan de belijdenis dat de Staat, dat is hier de Overheid, er is om der zonde wil, heeft meer dan één jurist zich gestooten. Men zag er een onderschatting van het wezen van den Staat in. Het scheen den Staat in zijn waardij te doen dalen. En vooral aan de theologen duidde men het euvel, dat zij zulk een taal én zelf dorsten voeren én aan anderen op de lippen dorsten leggen, overmits het vermoeden niet verre lag, dat hiermeê verheffing van de Kerk als heilig tegenover den Staat als zondig bedoeld was. Dit vermoeden echter sproot op uit misverstand. Nooit toch hebben de Gereformeerden beleden, dat alleen de Staat om der zonde wil was opgericht, maar natuurlijk beleden ze er steeds bij, dat óók de Kerk er alleen om der zonde wil gekomen is. Toch dient dit hier ter afsnijding van verwarring eenigszins nader toegelicht. Zoo dikwijls er sprake is van de verhouding tusschen Kerk en Staat, is onder Kerk nooit anders te verstaan dan het kerkelijk instituut. De Kerk als organisme is als zoodanig voor de Overheid ongenaakbaar. Daarmede kan de Overheid niet in aanraking treden en dus ook niet in een bepaalde verhouding geraken. Ze kan wel in aanraking komen met de enkele personen der uitverkorenen, en deze vervolgen zoodra ze zich als belijders openbaren, en de Overheid er op uit is deze belijdenis tot zwijgen te brengen, hetzij door verbod van getuigenis, hetzij door het uitmoorden van wie belijdt. Ook laat hetzich denken dat de Overheid in aanraking komt met belijders die een vergadering willen houden, die eigendom willen verwerven, of openbare optochten willen houden. Maar in al deze gevallen rekent de Overheid nooit dat ze met de Kerk te doen heeft, doch stelt ze zich altoos teweer tegen de enkele personen of groepen van personen, en richt hare vervolging tegen hen als zoodanig.

Wel wordt toegegeven, dat de Overheid, om aan de klem van het woord Kerk te ontkomen, en ten einde zich van een oordeel over den kerkelijken titel te kunnen onthouden, zich sinds het laatst der vorige eeuw er aan gewend heeft, om van gezindten of van gezindheden te spreken, maar deze naamsverandering verandert niets aan de zaak. Feitelijk erkende onze |31| Overheid in de 16de en 17de eeuw hier te lande slechts ééne Kerk, t.w. de Gereformeerde. Noch de Roomschen, noch de Remonstranten, noch de Lutherschen werden als kerk erkend, en de Doopsgezinden wilden zelfs geen kerk heeten. Voor deze kerkelijke groepen koos men toen aanvankelijk het woord sekte. Maar om den hatelijken bijsmaak dien het woord: sekte had, te mijden, sprak men al spoedig daarna van Roomschgezinden, Doopsgezinden, Rernonstrantschgezinden en Lutherschgezinden. De naam gezinden was eigenlijk van de Doopers herkomstig, die zichzelven steeds, en nog als Doopsgezinden aandienden. Van dien naam gezinden heeft men toen als eenheid het saamvattende begrip van gezindten en gezindheden gevormd, dit afgewisseld met kerkgenootschappen, en beide deze uitdrukkingen, als gelijknamig, in onze wetgeving opgenomen. De toeleg om het begrip: Kerk te ontmunten, was hierbij zoo sterk, dat men het woord: kerkgenootschap ook op de Joden toepaste, en nu nog in onze administratieve regelingen van het Israëlietisch en Portugeesch-Israëlietisch kerkgenootschap spreekt. Iets wat natuurlijk de onzin zelf is, want Kerk beteekent letterlijk: huis van Christus, en was alzoo een naam die alleen op een Christelijk instituut kon worden toegepast. Juist die onderscheiding echter tusschen de Kerk van Christus en andere godsdienstige vereenigingen wilde men wegcijferen. De Overheid, zoo oordeelde men, had alleen met godsdienstige vereenigingen of genootschappen te doen, en had niet te onderzoeken, of deze Christelijk of niet Christelijk waren. En zoo kwam men er toe, om ook een Joodsche vereeniging te noemen met den Christelijken naam van kerkgenootschap. Juist hierdoor echter gaf men in ons Staatsrecht te kennen dat men onder gezindte, gezindheid of Kerk niets anders wilde verstaan dan een vereeniging of een genootschap met een godsdienstig doel opgericht.

*

Het feit blijft dus vaststaan, gelijk we het boven omschreven, dat de Overheid, zoolang ze met de enkele belijders te doen heeft, deze beschouwt als op zichzelf staande personen, en dat ze dan eerst met de Kerk in aanraking treedt, als deze zich openbaart als een geordende vereeniging van belijders, d.w.z. als ze te doen krijgt met een kerkelijk instituut. Men prente zich dus wel in, dat er, zoo dikwijls sprake is van Kerk en Staat, nooit anders gehandeld wordt dan van de geïnstitueerde Kerk, die in haar ambten optreedt, en een bepaald statuut of een bepaalde kerkenordening heeft aan te wijzen. Van de Kerk als organisme is in dat verband nimmer sprake. Een iegelijk alzoo, die met ons, op Protestantsch standpunt staande, vasthoudt aan het onderscheid tusschen de zichtbare en onzichtbare Kerk, en op dien grond tusschen het organisme en het instituut der Kerk onderscheidt maakt, heeft wel toe te zien, dat hij, waar sprake is van de |32| verhouding van Kerk en Staat, deze beide begrippen niet verwarre. Hierop moet te meer nadruk gelegd, omdat de Roomschgezinden deze onderscheiding niet toegeven, instituut en organisme vereenzelvigen, en alzoo steeds van meening blijven, dat in de uitdrukking van: Kerk en Staat sprake is van de Kerk in absoluten zin, en hieruit kwam de verwarring op.

Immers, wie raadpleegt wat onze Catechismus antwoordt op de vraag: „Wat gelooft gij van de algemeene Christelijke Kerk?” en dan vindt, dat hieronder te verstaan is de vergadering van Gods uitverkorenen, die eeuwiglijk leden van Christus’ Kerk zullen blijven, die kan niet toegeven, dat deze Kerk er zijn zou om der zonde wil. Zonder ons toch hierbij in het geschil tusschen Infra- en Supralapsaristen te verdiepen, is het duidelijk, dat al wat om der zonde wil opkomt, wegvalt, als de zonde zal zijn te niet gedaan, terwijl omgekeerd de Kerk in dezen absoluten zin eeuwiglijk stand houdt, en niet alleen op aarde, maar evenzoo nu reeds in de hemelen is. De strijdende Kerk op aarde en de triomfeerende Kerk in den hemel. En plaatst men daartegenover nu den Staat als om der zonde wil opgekomen, en dus ook met de zonde eens verdwijnende, dan voorzeker verkrijgt men twee geheel ongelijksoortige grootheden, en zoo genomen zou in dat om der zonde wil voor den Staat wel terdege iets verlagends liggen, in tegenstelling met de Kerk.

Maar geheel anders komt de zaak te staan, als men de Protestantsche onderscheiding volhoudt, en bij het spreken van Kerk en Staat uitsluitend aan de Kerk als instituut denkt. Dat instituut toch is niet van de dagen der Schepping af bestaande, maar eerst veel later, na de zonde, opgekomen. Dat instituut is er alleen om der zonde wil. En ook, dat instituut verdwijnt eenmaal, zoodra de zonde zal zijn te niet gedaan. Van dat instituut der Kerk is noch in Adams noch in Noachs dagen sprake. Van dat instituut leest ge niets in de dagen der Patriarchen. Zelfs onder Israël ontbrak nog een instituut dat onafhankelijk en zelfstandig naast den Staat optrad. En het was eerst door Jezus zelven dat de eerste grondslagen voor dat instituut in den kring zijner discipelen gelegd werden, en eerst daarna, op den Pinksterdag, is dat instituut, door zijn afscheiding van Israëls volksbestaan en eeredienst, tot openbaring voor de wereld gebracht. Dat instituut kwam eerst zelfstandig uit, toen er onafhankelijk van Israël als natie, ambten zijn ingesteld, toen er personen in die ambten gesteld waren, toen die ambtelijke personen de zaak gingen regelen, en toen de belijders zich onder dit ambtelijk verband saamvoegden bij Woord en Sacrament. Maar juist dit Woord, dit Sacrament, dit ambt, deze saamvoeging en deze ordening overleeft de wederkomst des Heeren niet. In het rijk der heerlijkheid is geen Bijbel, valt alle Sacrament weg, omdat het symbool dan voor het wezen der zaak wijkt; vervallen de ambten der prediking enz., en vervalt evenzoo elke kerkenordening met haar artikelen. Het instituut der Kerk |33| heeft alzoo een uitsluitend tijdelijk bestaan. Het komt op, het houdt stand, en het gaat weer weg, en is juist hierin volstrektelijk onderscheiden van de Kerk als organisme, want het organisme der Kerk is onveranderlijk, en ligt vast in het mystieke Lichaam van Christus. Dat organisme kwam op aarde op, zoodra de eerste uitverkorene begenadigd was in het Paradijs, bestond voort ook toen er nog aan geen instituut gedacht werd, bestaat nu reeds zoowel op aarde als in den hemel, en zal eerst in het rijk der heerlijkheid zijn volle corporatie in de vergadering der volmaakt rechtvaardigen, d.i. in het rijke Lichaam van Christus, vertoonen.

*

Dat nu het kerkelijk instituut er is om der zonde wil, beduidt niets anders dan dit, dat het er niet zijn zou, zoo er geen zonde meer was. Let wel, we zeggen niet, zoo er geen zonde geweest ware. Dit laatste toch zou men ten deele ook van de Kerk als organisme kunnen zeggen. Indien er nooit zonde geweest ware, zou geen Verlosser of Heiland denkbaar zijn, en zou men dus niet van het Lichaam van Christus kunnen spreken. De Kerk als het inbegrip der verlosten, organisch genomen, vindt wel terdege in het opkomen van de zonde haar motief. Doch daarvan is hier geen sprake. De vraag is alleen, of het voortbestaan van de zonde al dan niet het optreden van de Kerk in haar institutairen vorm noodzakelijk heeft gemaakt. En dit nu juist is hetgeen de heilige historie ons leert. Aanvankelijk bestond de Kerk in dien institutairen vorm niet. De religie was eerst zaak van het gezin, toen van de familie, eindelijk van het nationale leven onder Israël. Maar juist onder dien drieërlei vorm bleek met toenemende duidelijkheid, dat op die wijs, en zonder eigen instituut, aan geen handhaven van de Kerk op aarde te denken viel. Het gezinsleven, het stamleven, het nationale leven bedierf slag op slag de zaak der religie, en nooit kon de ware aanbidding in een dier drie vormen „den muur des afscheidsels” doen vallen, en de eenheid der verlosten tot openbaring brengen. Vandaar dat met name de apostel Paulus er zoo telkens nadruk op legt, dat dit het mysterie is, verborgen van alle eeuwen, maar nu geopenbaard, dat het heil uit de gezinnen en nationale banden moest worden losgemaakt, om alle volken en natiën te zegenen, en dat de Kerk, om dit doel te bereiken, in eigen institutairen vorm, zelfstandig en onafhankelijk moest optreden. Ware er geen zonde in de gezinnen, in de stammen, in de natiën, de Kerk zou in deze natuurlijke bedding haar juiste strooming hebben gevonden. Maar nu de zonde én het gezinsleven én het nationale leven bedierf, bleek dit onmogelijk; moest de Kerk zich een eigen bedding uitgraven; en moest alzoo om der zonde wil de Kerk als eigen formatie naast gezin en Staat te voorschijn treden. |34|

Kerk en Staat vallen hier alzoo beide wel terdege onder éénzelfde gezichtspunt De geïnstitueerde Kerk en de geïnstitueerde Staat zouden beide niet zijn opgekomen, bijaldien de zonde niet ware opgekomen. Het is het zondig karakter van het leven der enkele personen en der groepen van personen, die het optreden van afzonderlijke instellingen, zoo in den kerkelijken als in den politieken vorm noodzakelijk maakte. Deze noodzakelijkheid blijft stand houden, zoolang deze zondige bedeeling voortduurt. Maar ook, als deze zondige bedeeling haar einde zal bereikt hebben, en de macht der zonde ten volle zal zijn te niet gedaan, dan zal de noodzakelijkheid zoowel voor een geïnstitueerde kerk als voor een geïnstitueerd nationaal leven op eenmaal wegvallen, en zullen deze beide inrichtingen, die er alleen om der zonde wil waren, Staat zoowel als Kerk, met de zonde te niet gaan, vanzelf opgeheven worden, en verdwijnen. Er blijkt alzoo duidelijk, hoe onze belijdenis, dat de Staat er is om der zonde wil, noch iets krenkends, noch iets stuitends voor de politieke machten bedoelt, en dat wie van kerkelijke zijde dit belijdt allerminst verheffing van de Kerk ten koste van den Staat op het oog heeft. juist datzelfde toch wat we van den Staat zeggen, zeggen we evenzoo van de institutaire Kerk, en zulks wel in geheel gelijken zin. Eer volgt uit die belijdenis het tegendeel. Er ligt toch niets minder dan de dankbare erkentenis in, dat we in Kerk en Staat beide een genadegift Gods hebben te eeren. Er ligt de belijdenis in, dat waar wij, in onze krankheid geheel hulpeloos zouden zijn ondergegaan, God, „de goede God”, zooals Art. 36 zegt, zich over onze ellende ontfermd heeft, in zijn barmhartigheid en genade tot ons is gekomen, en, ons ter redding, ons zoowel de instelling van de Overheid als de instelling van de geïnstitueerde Kerk gegeven heeft. Beide zijn ons toegekomen uit zijn genade, alleen met dit verschil, dat de instelling van de Overheid, en hiermede saamhangend van den Staat, ons is toegekomen uit de Algemeene Gratie, en de instelling van de geïnstitueerde kerken uit zijn Particuliere Genade. Zoo keert dan de belijdenis der Gemeene Gratie onze beschouwing omtrent de Overheid die het zwaard draagt, ten eenemale om. Die Overheid is dan niet langer een bange macht, die over ons komt, en die we liever verre wenschten, maar ze is ons dan een openbaring van Gods liefde jegens ons geslacht, daarin bestaande, dat Hij, waar wij zonder Overheid zouden vervallen zijn in een afgrijselijke zelfverwoesting, ons nu die Overheid geschonken heeft, om gerechtigheid te handhaven, orde te herstellen, en eerbaarheid onder menschen te waarborgen.

*

Is dit nu helder ingezien, dan is thans de vraag te beantwoorden, wat dan door de zonde wegviel of in het ongereede raakte, waarvoor de Kerk en de Overheid in de plaats trad. Ook dan toch, als we ons het menschelijk |35| leven buiten zonde denken, zou er behoefte aan ordening en aan religie geweest zijn. Treedt nu, met het oog op de zonde, voor het herstellen dier orde de Overheid op, en voor de realiseering der religie de Kerk als instituut, dan is de vraag niet te ontgaan, hoe het met deze orde en met de religie zou zijn toegegaan, indien geene zonde ons geslacht vergif tigd had, en er alzoo geen Kerk of Staat ware opgetreden. Men zegge niet, dat dit een ijdele vraag der nieuwsgierigheid is, waarop toch niemand een afdoend antwoord geven kan. Zoo althans bedoelen wij die vraag niet. Maar gelijk de arts zich omtrent de geaardheid en de werking van een krankheid dan eerst vergewissen kan, zoo hij een rechte voorstelling heeft van het lichaam in zijn gezonden staat, en van de werkingen der verschillende organen bij gezonden toestand, zoo ook is het hier niet wel mogelijk zich omtrent Kerk en Staat een heldere voorstelling te. vormen, indien men zich niet met ernst afvraagt, hoe het zou zijn toegegaan, indien de menschheid gaaf en in gezonden staat ware gebleven. Goede pathologie onderstelt juist kennis van de normale anatomie en van de normale physiologie of levensleer. Ook is het onjuist gesproken, dat we alle gegevens zouden missen, om op die vraag een antwoord te geven. Tweeërlei toch komt ons hierbij te hulpe. Vooreerst onze kennis van hetgeen den mensch onderscheidenlijk in en na de Schepping gegeven is, en ten andere onze kennis van hetgeen in de nieuwe menschheid op de nieuwe aarde zal uitkomen. Wat in de Schepping gegeven werd, staat nog buiten verband met de zonde, terwijl omgekeerd wat den mensch eerst na de Schepping geschonken werd, met de zonde verband houdt. En zoo ook, wat ’s menschen leven zal zijn na het verdwijnen der zonde, wijst terug op den aard van zijn leven vóór de zonde. Het is toch één en hetzelfde menschelijk leven, dat uit de Schepping opkwam, door de zonde bedorven werd, en eens in heerlijkheid door herschepping hersteld staat te worden.

Hierop nu ingaande moet, wat Kerk en Staat betreft, ten principale de aandacht gevestigd worden op ’s menschen onderling samenleven. Op een vergeten eiland waar slechts één mensch leefde, zou geen Overheid kunnen optreden en geen Staat zich kunnen vormen. Voor het begrip van Overheid en Staat is de onderstelling noodig van velen die samenleven. Dan toch eerst kan er sprake zijn van een die over de anderen als Overheid gesteld wordt, en van aller saamverbinding tot een Staat. En in de geïnstitueerde Kerk geldt nu precies hetzelfde. De eenling op het verlaten eiland zou geen saamvergadering der geloovigen kunnen houden. Instelling van eenig ambt zou onmogelijk zijn. En geen kerk zou zich kunnen openbaren. Er zou in dien ééne, zoo hij wedergeboren ware, wel een verschijning van de Kerk als organisme zijn, maar van een kerkelijk instituut kon geen sprake wezen. We hebben dus het volste recht om te zeggen, dat zoowel de Staal als de geïnstitueerde Kerk begrippen zijn, die zich eerst verstaan laten, |36| waar sprake is van de onderlinge samenleving der menschen. Zelfs kunnen we nog verder gaan, en stellen, dat er een zeker aantal menschen moeten samenleven, om het optreden van Staat en Kerk mogelijk te maken. En dit getal is nu wel niet precies aan te geven. Men kan niet zeggen: voor het optreden van een Staat zijn minstens 10.000 personen noodig, en voor het optreden van een geïnstitueerde Kerk minstens 100 leden. Maar al is de strikte bepaling van dat cijfer ondoenlijk, toch gevoelt een ieder wel, dat tien personen te weinig zijn om een Staat te vormen, en dat drie niet wel een Kerk kunnen stichten. Zoolang slechts enkele personen saamleven, die als gezin of familie verbonden zijn, komt noch de Staat noch de Kerk als instituut tot haar recht. Om een Staat te vormen moet zeker aantal familiën, en om een Kerk te institueeren, een zeker aantal gezinnen saamwerken. Men moet gevoelen dat men de gewone grens van het gezinsen familieleven overschrijdt, en dat er behoefte is aan een vereeniging of saambinding, die niet meer door het gezins- of familieverband gedekt wordt. Men kan dus zeggen, dat de formatie van Staat en Kerk uitgaat van de onderstelling, dat er zulk een saamleven van menschen onderling is, dat breeder kring vormt dan het leven in het gezin of het leven in een enkele familie. Staat en Kerk gaan dus beide uit van den regel, dat er ook buiten het gezins- en familieverband, een saamleven van menschen onderling moet zijn, zoowel in het burgerlijke als in het religieuse leven, en, dat voor deze saamleving zekere ordening noodig en onmisbaar is. Die ordening, dat verband geeft dan op burgerlijk terrein het Staatsleven, en op religieus terrein het Kerkelijk leven.

Ook buiten zonde echter zou dezelfde behoefte aan regeling voor het saamleven, zoowel burgerlijk als religieus bestaan hebben, en zoo staan we dan voor de vraag, op wat wijs, bij ontstentenis van zonde, en dus ook van Staat en Kerk, dit geordend saamleven zou verwezenlijkt zijn. Op die vraag nu is in het gemeen te antwoorden, dat een gebroken arm of een gebroken been door een verband in het lid moet worden gehouden, maar dat in normalen toestand armen en beenen vanzelf in het lid worden gehouden door de werking van het lichamelijk organisme. De banden van het Zevengesternte en de strengen van den Orion, en „de Wagen met zijn kinderen”, zegt de Heere tot Job, houd Ik saam, en gij kunt ze niet losmaken. En juist zooals God in het gezonde lichaam met zijn almachtige hand de verschillende leden in het lid houdt, en de sterrengroepen in haar stand bevestigt, zoo ook zou buiten zonde de orde des saarnlevens vanzelf in stand zijn gehouden door Gods almachtige kracht.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ V, De Heraut No. 1144 (26 november 1899).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001