IV. De Overheid om der zonde wil

Allen morgen zal ik alle goddeloozen des lands verdelgen, om uit de stad des Heeren alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.

Psalm 101 : 8. a


Ten einde nu tot een heldere voorstelling omtrent de beteekenis van de Overheid te geraken, zult ge allereerst principiëel verstaan, wat het zeggen wil, dat ze om der zonde wil is ingesteld. Wel kan men met onze Belijdenis betuigen, dat haar instelling strekt „om de ongebondenheid der menschen te bedwingen en te zorgen, dat alles met goede ordinantie onder de menschen toega”; maar dat is de zaak alleen van haar practische zijde bezien. De Belijdenis zelve voegt er dan ook bij, dat de Overheid is ingesteld, overmits God wil „dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën.” Ook hiermede echter is het optreden der Overheid nog niet oorzakelijk en in beginsel verklaard, want „wetten en politiën” zijn nog alleen de middelen om goede ordinantie in stand te houden.”

Misschien had de Belijdenis onzer kerken hiermede kunnen volstaan, omdat de kerken in haar belijdenis ten deze niet anders bedoelen dan een getuigenis tegenover de wereld af te leggen. De toenmalige wereld hield de Reformatie voor een poging om anarchie, d.i. regeeringloosheid in te voeren, en Doopersch fanatisme had in meer dan één stuk tot die opvatting gereede aanleiding gegeven. En het was tegenover die opvatting, dat de Gereformeerde kerken er prijs op stelden, én om den koning van Frankrijk, én om den koning van Spanje, én om den Provincialen Staten hier te lande, duidelijk te maken, dat zij, als goed-Gereformeerden, met deze uitspattingen en met deze anarchistische stellingen der Dooperschen, niets uitstaande hadden. De landsregeering mocht niet in den waan blijven verkeeren, alsof onze vaderen gevaar opleverden voor de instandhouding der bestaande orde van zaken. Het moest openbaar worden, dat zij, wel verre van met de Nihilisten dier dagen gemeene zaak te maken, integendeel de burgerlijke Overheid als een van God bestelde macht eerden. Daarom voegden onze kerken er aan het slot van Art. 36 dan ook bij: „En hierover verwerpen wij de Wederdoopers en andere oproerige menschen, en in ’t gemeen alle degenen die de overheden en magistraten verwerpen en de justitie omstooten willen, invoerende de gemeenschap der goederen, en verwarren de eerbaarheid, die God onder de menschen gesteld heeft.”

Het is zaak, zich in dit politiek-practische doel van Artikel 36 helder |24| in te denken. De pauselijke hiërarchie verzette zich tegen de Reformatie, ten deele om eigen macht te handhaven, maar ook anderdeels om de scheuring der ééne Christelijke kerk in meerdere kerken te voorkomen. Doch ten einde aan dit verzet kracht bij te zetten, had ze de hulp der Overheid van noode. Die hulp nu boden de vorsten niet voetstoots. Integendeel, de toenmalige vorsten zagen in de overmacht der Roomsche hiërarchie een niet gering gevaar voor hun eigen prinselijke macht, en uit dien hoofde was meer dan één vorst niet ongenegen, juist de zonen der Reformatie tegenover de hiërarchie in bescherming te nemen. De koning van Engeland ging in die breuke met de pauselijke macht zelfs voor. In Duitschland, Denemarken en Zweden hieven de vorsten de beschermende hand over de Protestanten op; sommigen hunner zeer zeker uit geloofsovertuiging, maar de meesten even ongetwijfeld, om zich van Rome’s oppermacht te ontslaan, en zichzelven als Summus episcopos, d.i. als hoogste bisschop, in de plaats van den paus te stellen, door het trekken van de oppervoogdij van de landskerk aan zich. En ook hier te lande waren niet weinigen in de Staten der Provinciën en in de vroedschappen der steden op de hand van de „mannen der Religie”, gelijk zij aanvankelijk de Protestanten noemden, minder uit geestelijke sympathie voor de nieuwe leer, dan wel omdat ze in breuke met Rome het gewenschte middel zagen, om zichzelven van een lastigen band te ontslaan en eigen macht te vergrooten. De woeling van Oldebarnevelt en zijn vrienden was van dat streven het lijnrecht gevolg. Hij toch wenschte aan den Staat gelijke macht over de kerk te trekken, als eertijds de bisschop van Rome bezat. Zou het derhalve aan de hiërarchie gelukken, de vorsten en magistraten tegen de Protestanten in het harnas te jagen, dan moest hiertoe, niet een kerkelijke maar een politieke prikkel worden aangewend.

Het moest dan door haar aan de vorsten en magistraten duidelijk worden gemaakt, dat de Reformatie niet alleen kerkelijk tegen de pauselijke macht, maar ook politiek tegen de Overheid als zoodanig en tegen de gevestigde orde van zaken was gericht. En dit doel nu trachtte Rome te bereiken, door er op te wijzen, hoe de Reformatie alweer verliep in een anarchistische beweging. Nu nog houden de Roomsche schrijvers staande, dat de Reformatie revolutionair was, omwenteling op staatkundig gebied beoogde, en hierdoor de moeder werd van de Fransche Revolutie.

Hun betoog konito dan hier op neer, dat goede orde in de wereld alleen te handhaven is, zoo er een zichtbaar hoogst gezag van Christuswege is, dat zich op het hoogste gebied kan doen gelden; dat dienvolgens de troon der vorsten alleen vaststaat, zoo die gerugsteund wordt door het pauselijk gezag; en dat uit dien hoofde breuke met Rome ook het wereldlijk gezag op losse schroeven moet zetten. Maar al is het, dat ze ook destijds reeds gelijk betoog voerden, toch wisten ze destijds beter doel te treffen, |25| door practisch te wijzen op de revolutionaire beweging, die én in den Boerenkrijg in Duitschland én in de uitspattingen der Wederdoopers aan het licht traden. Wat thans de Nihilisten, de Anarchisten en ten deele de Sociaal-Democraten willen, is, gelijk ons later zal blijken, niet iets nieuws, maar een woeling, die in den loop der historie telkens opkwam. De vorm, waarin deze woeling thans optreedt, moge een andere zijn, in den grond der zaak is die woeling heel de historie door steeds dezelfde geweest. Eenerzijds had men telkens te klagen over misbruik van gezag van de zijde der Overheid, en daartegenover ontwikkelde zich even gedurig de neiging om zich aan alle gezag te onttrekken, en de wil om de bestaande orde van zaken voor een geheel andere te doen plaats maken. Het opkomen van die anarchistische woeling maakte destijds de vorsten bevreesd. Van die vreeze wist de hiërarchie partij te trekken. En het is goeddeels uit dien angst der gemoederen in hoogere kringen, dat toentertijd de zoo wreede en vreeselijke vervolgingen zijn voortgekomen. Er school zeer zeker ketterjacht onder, maar de ketterjacht alleen zou het niet gedaan hebben. Eerst toen bij de ketterjacht de vreeze voor anarchie kwam, nam de vervolging een ernstig en algemeen karakter aan. De Spaansche en Oostenrijksche dynastie, en na lang aarzelen ook het Fransche koningshuis, traden toen in bond als conservatieve wereldmachten, om de bestaande orde van zaken tegen het gevaar dat van anarchistischen kant dreigde, te verdedigen. Toen deze koningshuizen ten slotte tot niets ontziende en niets sparende vervolgingen overgingen, hebben ze niet bedoeld de oude kerk te sterken, maar wel om die kerk te handhaven als middel ter beveiliging van een eigen koninklijke macht.

*

Ontkend kan dan ook niet, dat er destijds onder degenen, die op geloofsterrein met Rome braken, metterdaad zeer gevaarlijke en zeer bedenkelijke staatkundige neigingen opkwamen. Drieërlei soort lieden vielen destijds onder de mannen der nieuwe beweging te onderscheiden: de vromen, de dwepers en de meêloopers. Om met deze laatsten te beginnen, sloten zich in tal van plaatsen allerlei lieden bij de Reformatie aan, die met den geest der Reformatie niets gemeen hadden. Lieden die om godsdienst bitter weinig gaven, en voor wie de zaak der Religie bijzaak was. Woelgeesten, ontevredenen, malcontenten, lieden die naar verandering haakten, en die gereed stonden om zich bij de eerste beweging de beste aan te sluiten, die beloofde verandering in den bestaanden toestand tebrengen. „Meêloopers” is deswege hun eigenlijke naam. Want al werden ook enkelen hunner in de Hagepreeken gezien, en al, lieten velen hunner zich later in de nieuwe gemeenten opnemen, van hen was dit alles enkel middel, om hun woelzieken geest bot te kunnen vieren. Wat beleden of niet beleden |26| werd, liet hen volkomen koud. Hen trok alleen de gisting in de gemoederen aan. Daarin zagen ze een welkom middel om tot oproerige daden te komen, en om die onderstbovenkeering van het bestaande was het hun te doen. Onder de dusgenaamde Geuzen waren heel wat van deze ruwe klanten, waarvan de Reformatie nooit anders dan verdriet heeft beleefd.

Lijnrecht tegenover deze „meêloopers” stonden de waarlijk vromen en godvruchtigen, wien het uitsluitend om de zake Gods te doen was, en die uit innerlijke zielsovertuiging tegen de verlaging van het religieuse standpunt in den aflaathandel, en zooveel meer opkwamen. Bij deze vond men van dien naar verandering hakenden geest geen zweem. Integendeel ze gevoelden zich door deze politieke woelingen geërgerd, en bleven op grond van Gods Woord de Overheid eeren, ook waar die Overheid hen met het zwaard vervolgde. En het is deze groep, die, toen eindelijk het Calvinisme doorbrak, de hooge hand verkreeg, en onder Prins WilIem de overwinning behaalde.

Maar tusschen de politieke meêloopers en deze stille godvreezende lieden stond nu nog een derde groep in, die men „de dwepers” kan noemen, en die zich meestal bij een der vele Doopersche sekten aansloten. De dwaling dezer lieden bestond hierin, dat zij het Koninkrijk der hemelen en het koninkrijk dezer wereld als twee afgesloten sferen tegenover elkander stelden, en het koninkrijk dat komen moet met wat nu reeds bereikbaar is verwarden. Zij wisten geen onderscheid te maken tusschen ideaal en werkelijkheid. Ze zagen niet in, dat in deze bedeeling nog niet op te richten is, wat ons eerst in de toekomst van onzen Heere Jezus is toegezegd. Ze letten niet op het verschil tusschen de eerste komst van Christus, om zondaren te redden van het eeuwig verderf, en zijn tweede komst als Hij verschijnen zal, om het Vrederijk op aarde op te richten. Gelijk de Joden, en zelfs de discipelen een tijdlang, verwachtten, dat terstond na Golgotha de eeuwige gelukstaat zou ingaan, zoo beeldden ook zij zich in, dat wie geestelijk tot God bekeerd was, nu ook aanstonds een onzondigen toestand bereikte en op een onzondige, geestelijke maatschappij recht had. Met den Heiligen Geest in het hart postuleerden ze aanstonds den terugkeer in het Paradijs. Hun naaktlooperij te Amsterdam kwam niet op uit onzedelijke zinlijkheid, maar uit Paradijshartstocht, en de zinlijkheid sloop eerst daarna van terzijde bij hen binnen. En overmits er nu in het Paradijs geen privaat bezit denkbaar was, en in het Paradijs geen Overheid optrad, en geen zwaard werd gedragen, en geen eed werd afgelegd, achtten zij dat ook hier op aarde thans dat alles moest worden afgeschaft, en een toestand zonder privaat bezit, zonder Overheid, zonder zwaard en zonder eed moest worden in het leven geroepen. De meer lijdelijken onder hen namen er dan genoegen mede, dat ze zich persoonlijk aan dit alles onttrokken, maar de mannen van actie voelden drang, om de hand |27| aan het werk te slaan, en zulk een Paradijsrijk daadwerkelijk te stichten. Een pogen dat historisch op zoo droeve wijze aan den naam van Jan van Leiden, en zijn Munstersche uitspattingen, verbonden is.

Het is nu het optreden van deze dwepers, waardoor het zwaard der Overheid tegen de Reformatie gewet is. Hier stuitte men wel wezenlijk op een meer dan denkbeeldig gevaar. De Boerenopstand in Duitschland, de Doopersche excessen in tal van Westersche landen, en ook de politieke theorieën uit Maagdenburg en het Zuiden van Frankrijk opkomend, waren metterdaad onrustwekkend. Juist de vermenging van religie en politiek in deze beweging maakte haar zoo door en door onzuiver. Vele onnoozelen werden misleid en meêgesleurd, en het stond te vreezen, dat, als straks met de religie het laatste bluschmiddel krachteloos zou zijn gemaakt, heel Europa in brand zou vliegen. Waren deze dwepers niet uitgekomen, en ware deze Doopersche woeling niet opgetreden, hoogstwaarschijnlijk zou de Reformatie een geheel ander verloop hebben gehad. Niets zoozeer als de Dooperij heeft aan de Reformatie onherstelbare schade aangebracht, haar onzuiver en onheilig gemaakt, en aan haar tegenstanders de wapens in de hand gegeven, om haar te vuur en te zwaard te bestrijden. Met name in Frankrijk zou de loop van zaken waarschijnlijk een heel andere zijn geworden, indien de politieke extra-vagantiën de machthebbers niet hadden verschrikt. En al erkennen we gaarne, dat ook uit den kring dezer dwepers hier te lande een geheele schare van vrouwen en van mannen is voortgekomen, die hun geloof met hun bloed bezegeld hebben, toch staat het vast, dat de Dooperij voor geen gering deel aansprakelijk is en blijft voor de gruwzame vervolging, die zich onder Alva van de zijde der vorsten tegen de lieden der Reformatie ontketend heeft.

*

Eerst wie dit verstaat, doorziet de beteekenis van ons Artikel 36. Dit Artikel toch is het protest van Calvijn en van alle Gereformeerden uit die dagen tegen het valsche bijmengseI dat door de Dooperij in de Reformatie binnendrong. Calvijn zelf was dat protest reeds begonnen in zijn beroemden brief aan koning Frans I. De Fransche Confessie nam het over, Guydo de Bray sprak het na. En onze Gereformeerde kerken hebben het volmondig beaamd. Neen, de Paradijstoestand kon nog niet intreden. Die kwam pas met de wederkomst van Christus op de wolken. En in afwachting daarvan, was het wel waarlijk de wil des Heeren, dat de „wereld door politieke ordinantiën zou geregeerd worden”, en het was God zelf, die prinsen en magistraten had ingesteld, en bekleed met macht, „om de ongebondenheid en de oneerbaarheid in toom te houden en te bedwingen”. De Overheid was niet uit den Booze, zoodat ze moest worden weggedaan, |28| maar uit God, zoodat ze in stand moest worden gehouden. Juist deswege mocht de Overheid de Reformatie dan ook niet tegenstaan en vervolgen, maar rustte op haar veeleer de plicht, om den kerkendienst, d.i. hier de Reformatie, te helpen en te bevorderen. En alle opkomen van de Wederdoopers en andere oproerige sekten voor het tegendeel moest én door de Overheid én door elk goed en godvruchtig Christen worden tegengestaan. Zoo was dit Artikel 36 een noodkreet, om de hydra der Revolutie zich van den arm te schudden, om aan de valsche vermenging met het politiek fanatisme eens voorgoed een einde te maken, en om de Reformatie te doen kennen als een conservatieve macht, die niet alleen de kerk poogde te hervormen, maar ook de maatschappelijke en staatkundige orde te maintineeren. Niet de verhouding tusschen Kerk en Staat is in Artikel 36 hoofdzaak. Voorzoover deze in het Artikel voorkomt, is alleen bedoeld, de verhouding van de Overheid tegenover de Reformatie te regelen en het zwaard der vervolging daardoor van haar af te wenden, dat men zich als goed Gereformeerden, en als Calvinisten openbaarde in het karakter van een Staatbehoudende, en niet den Staat omverwerpende burgerij.

Men gevoelt de les die hierin voor het heden ligt.

Ook nu weer woelen dezelfde anarchistische en revolutionaire geesten, die destijds den staat van zaken met onderstbovenkeering bedreigden. Het verschil is maar, dat de leidslieden dezer beweging thans niet uit den religieusen hoek komen, maar openlijk met God en zijn Woord hebben gebroken. Het is dezelfde geest van opstandigheid, maar die destijds gevoed werd door onware godsdienstige voorstellingen, gelijk ze nu gesteund wordt door sociologische, oeconomische en politieke redeneeringen. Maar hierin overeenkomende, dat én toen én nu het feit werd en wordt geloochend, dat God zelf, om der zonde wil de Overheid en de politieke ordinantie heeft ingesteld. Toch neemt dit niet weg, dat er ook thans weer religieuse drijvers opstaan, die van een geheel andere reeks van denkbeelden uitgaande, tot gelijke conclusiën komen, als de ongeloovige anarchisten. Zelfs is het niet ongewoon, om Jezus ook door die politieke drijvers te hooren voorstellen als de groote socialist van zijn tijd. Over en weer laat men dan zijn zeer uiteenloopende overtuiging en bewijsmiddelen rusten, maar ontmoet elkander in de tamelijk gelijke conclusie. En dit is oorzaak geworden, dat niet zelden anders vrome en godvruchtige lieden, zich de vraag gingen stellen, of de socialisten het toch niet bij het rechte eind hadden, of de Overheid wel van God gewild was, en of men, naar eisch van Jezus’ woord, toch niet, welbezien, een gansch andere orde van zaken behoorde in te voeren. Zelfs de naam van Keuchenius is een tijdlang misbruikt, om zoo gevaarlijk spel te drijven.

*

|29| Tegenover het zeer ernstig gevaar, om op die wijs een da capo van de Christelijke vlag gedreven extravagantiën der Doopers te doen herleven, is het daarom zoo hooglijk zaak, dat wie Gereformeerd wil heeten het dan ook metterdaad zij, en gewapend met Artikel 36 belijden blijve, dat hij „verwerpt alle oproerige sekten, en in het gemeen allen die de overheden en magistraten verwerpen, en de justitie omstooten willen, en de gemeenschap der goederen denken in te voeren, en verwarren de eerbaarheid, die God onder de menschen gesteld heeft.” Zelfs zullen de kerken hebben toe te zien, dat zij een iegelijk die hierin het pad der vaderen verlaat, zeer ernstiglijk vermanen, en baat het vermaan der liefde niet, hen buiten haar gemeenschap sluiten. Reeds nu hebben enkele van die dweepzieke en dwalende geesten ongelooflijke schade aan de zake der Religie berokkend. Steeds staat de tegenstander gereed, om naar zulk een woelziek extravagant onzen geheelen kring te beoordeelen. En ook hier geldt het, dat één doode vlieg de kostelijke zalf bederft. Niet genoeg kunnen we er ons daarom in verheugen, dat met name Patrimonium tegen dit zeer ernstig gevaar steeds op zijn hoede was, en zonder in onmeêdoogende hardheid te vervallen, toch steeds Artikel 36 in zijn banier omhoog hield.

Dit is te meer noodig, omdat kwalijk te ontkennen valt, dat het baatzuchtig kapitaal en de egoïstische machthebber ook in onze dagen maar al te dikwijls de door God ingestelde ordinantiën breekt, om niet God, maar om zichzelven te eeren, de bezitters te dekken, bestaande hoogheden te sterken, en als onvermijdelijk gevolg hiervan te drukken wat klein en machteloos is. Dat prikkelt zoo licht. En als dan de stem van den verleider komt, om te vragen, of al zulk misbruik dan nu naar de wet der liefde van Christus is, dan is het zoo alleszins begrijpelijk, hoe enkelen, die min wel onderlegd zijn, het spoor bijster worden, en meé afglijden langs het woeiziek pad, zonder dat ze zichzelven rekenschap geven bij wat onheilig punt ze zullen uitkomen. De prediking heeft daarom ook op dit punt zoo groote schuld van verzuim en zoo heilige roeping. Onder alle stukken der waarheid is er geen, dat in de prediking zoo schromelijk pleegt verwaarloosd te worden als dat der Gemeene Gratie. En toch het is alleen die wel doordachte en ter zake dienende prediking van de Gemeene Gratie, die de trouw onder ons bestendigen kan, waarmede we, in het voetspoor onzer vaderen tredende, aan de politieke en sociale grondbelijdenis van Artikel 36 willen vasthouden.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ IV, De Heraut No. 1143 (19 november 1899).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001