III. Van den Burgerstaat

Vermaan hen, dat zij den Overheden en machten onderdanig zijn, dat zij haar gehoorzaam zijn, dat zij tot alle goed werk bereid zijn.

Titus 3 : 1. a


De Gemeene Gratie vindt hare rechtstreeksche en opzettelijke belichaming in den Burgerstaat, en de vele valsche begrippen die over het wezen van den Burgerstaat ook onder Christenen zijn ingeslopen, danken goeddeels aan de zoo schromelijke en ver gaande onbekendheid met het wezen der Gemeene gratie hun oorsprong. Met name zoo dikwijls de wederzijdsche verhouding, die tusschen Kerk en Staat moet gelden, ter sprake kwam, werd het niet rekenen met de Gemeene Gratie oorzaak van de meest grenzenlooze verwarring van denkbeelden. Klaarheid, helderheid van inzicht en van oordeel ontstaat ten deze eerst, zoo men een duidelijke voorstelling heeft van de twee sferen, waarin de genade werkt: de ééne algemeen en voor al wie mensch heet van kracht, en de andere particulier en alleen voor hen die in Jezus sterven van goeden effecte. Immers staan deze beide sferen, waarin Gods genade werkt, met klare en duidelijke onderscheiding tegen elkander over, dan springt het terstond in het oog, dat de institutaire Kerk en de geïnstitueerde Staatsmacht twee instituten of instellingen van geheel uiteenloopende natuur zijn, en tast en ziet de eenvoudigste onder onze lezers, dat de Staat het instituut is der Gemeene Gratie, en de Kerk het instituut der Particuliere Genade. Vergissing is hier niet mogelijk. En is alzoo het grondverschil tusschen het wezen van den Staat en het wezen van de Kerk scherp in het oog gevat, dan spreekt het evenzoo vanzelf, dat de verhouding tusschen deze beide, zóózeer in aard en natuur verschillende instituten, geheel beheerscht wordt door de grondverhouding die tusschen de Gemeene Gratie en de Particuliere Genade bestaat. Eerst zóó krijgt men vasten grond onder den voet, en doorziet men aanstonds, hoe het komt, dat zij die over zoo moeilijk vraagstuk gingen redetwisten, zonder dat éénig juiste uitgangspunt gevonden te hebben, noodzakelijkerwijs in hopeloos geharrewar verloopen moesten.

Aan de practicale toelichting van het leerstuk der Gemeene Gratie toegekomen, hebben we uit dien hoofde geen keus. Er moet daarbij van de toepassing van dit leerstuk op den Burgerstaat worden uitgegaan. De reden hiervoor is de navolgende. Ongetwijfeld strekt de Gemeene Gratie veel verder dan het Staatsleven. Gelijk door ons in de beide vorige reeksen is aangetoond, strekt ze zich over geheel het leven der wereld uit, over |17| de natuur, over de plantenwereld, over de dierenwereld, over heel het menschelijk leven, beide naar lichaam en naar ziel, en in zooverre vormt het Staatsleven slechts ééne van hare vele openbaringen. In zooverre liet het zich derhalve denken, dat men de practicale toelichting begon met eene bespreking van onze verhouding tot het leven der natuur, van heel onze menschelijke existentie, van geheel de geschiedenis der menschheid, en dat men zoo tenslotte eerst op den Burgerstaat kwam, als het instituut, waarin de Gemeene Gratie zich het klaarst belichaamd heeft. Dit zou intusschen niet de goede, maar de omgekeerde weg zijn. Als men van de Schepping handelt, dan voorzeker moet men, evenals Genesis I dat doet, met de natuur beginnen, van de natuur op de plantenwereld en dierenwereld komen, en zoo eerst tot den mensch voortschrijden. Maar bij de Gemeene Gratie is door den aard der zaak een geheel andere orde geboden. De zonde en het verderf is niet uit de natuur tot den mensch gekomen, maar de zonde kwam in den mensch op, en heeft zich van den mensch als vloek over de natuur uitgebreid. Het verderf ging alzoo van den mensch uit en daalde van den mensch op de natuur. Is nu alle genade, en zoo ook de Gemeene Gratie, een macht Gods die zich tegen de zonde keert, die in de zonde de beweegreden van haar optreden vindt, en uitsluitend strekt om de zonde in haar gevolgen te niet te doen of te stuiten, dan is het klaar als de dag, dat de genade in het algemeen, en zoo ook de Gemeene Gratie van den mensch af rekent, en slechts in verband met den mensch zich over de overige natuur uitstrekt. Bij de Particuliere Genade is men het hierover dan ook eens. Buiten allen twijfel zal de Particuliere Genade haar finale werking ook hebben voor ons lichaam en voor de geheele natuur. Dat is onze belijdenis van de Wederkomst van Christus, van de Wederopstanding des vleesches, en van de Wedergeboorte der natuur (Matth. 19 : 28). Maar al zijn alle ernstige belijders van den Christus het hierover eens, toch denkt niemand er aan bij de practische toelichting van de Particuliere genade met de wederopstanding des vleesches of de wedergeboorte der natuur te beginnen. Men begint dáár waar het begin feitelijk ligt, niet de geredde personen en met hun saamleven in de Kerke Gods, om eerst daarna te wijzen op de heerlijke gevolgen, die de Particuliere Genade ten slotte óók voor de natuur en voor ons lichaam zal hebben. En zoo nu ook moet bij de Gemeene Gratie datgene op den voorgrond staan, wat ons rechtstreeks de werking van het grondmotief toont, dat is: de mensch na den val en zijn samenleving in den Burgerstaat.

Alleen kon de tweeërlei vraag rijzen, of men niet beter deed, zoo men begon met de practicale toepassing van het leerstuk op den enkelen mensch, of ook, zoo dit onraadzaam bleek, met de practicale toepassing er van op het gezin en de familie. Ook deze beide vragen intusschen moeten in ontkennenden zin worden beantwoord. Men kan hier niet beginnen met |18| den enkelen mensch, omdat al hetgeen op den enkelen mensch ziet, thuis hoort in het leerstellig deel, en daarin dan ook volledig door ons is afgehandeld. En men kan evenmin beginnen met het gezin of de familie, omdat noch het gezin noch de familie uit de Gemeene Gratie opkomen. Beide zijn uit de Schepping, en moeten alzoo wat hun aard en wezen betreft, bij de Schepping, of wil men bij de bespreking van den mensch krachtens schepping ter sprake komen. Alleen van den Burgerstaat kan en moet gezegd, dat hij niet uit de schepping is, dat hij er buiten zonde niet zijn zou, en dat hij eeniglijk aan de Gemeene Gratie zijn aanzijn dankt. Alle overige stukken van het menschelijk leven hebben door de Gemeene Gratie wel zekere wijziging ondergaan, maar vinden er hun oorsprong niet in. En daarin juist is de Burgerstaat evenals de Kerk, van alle overige stukken van het menschelijk leven onderscheiden, dat er geen institutaire Kerk zou zijn geweest, als er geen Particuliere Genade ware uitgegaan, en zoo ook dat er geen Burgerstaat zou geweest zijn, indien er geen Gemeene Gratie ware gekomen. De Burgerstaat is iets geheel nieuws, dat bij de dingen der Schepping bijkomt, en het is uit dien hoofde alleen in den Burgerstaat, dat de Gemeene Gratie haar rechtstreeksche en onmiddellijke openbaring vindt. Overgaande tot de practicale toelichting of toepassing, heeft men zich dus allereerst af te vragen, wat in ons menschelijk leven het tastbaar verschijnsel is, waarin de Gemeene Gratie zich opzettelijk en regelrecht belichaamt. En zóó de vraag gesteld zijnde, is er geen ander antwoord mogelijk, dan dat men beginnen moet met het oog te vestigen op het Staatsleven.

*

Aldus handelende houden we ons aan onze Belijdenis, die in Art. 36 uitspreekt: „Wij gelooven, dat onze goede God, uit oorzaak der verdorvenheid des menschelijken geslachts, koningen, prinsen en overheden verordend heeft, willende dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën, opdat de ongebondenheid der menschen bedwongen worde, en het alles met goede ordinantie onder de menschen toega. Te dien einde heeft Hij de Overheid het zwaard in handen gegeven, tot straffe der boozen en tot bescherming der vromen.” Men ziet, hóe algemeen en alomvattend deze belijdenis is. Er wordt aangewezen: hoe het onder de menschen moet toegaan. Er is sprake van, hoe de wereld moet geregeerd worden. Er wordt gezegd, dat te dien einde de Overheden zijn ingesteld en gewapend met het zwaard. En er wordt erkend, dat dit niet alzoo van nature was, maar dat het door God alzoo om de verdorvenheid der menschen is ingesteld; terwijl de Gemeene Gratie daarin wordt beleden, dat God „onze goede God” wordt genoemd, die dit óns ten goede en uit barmhartigheid alzoo besteld en beschikt heeft. Is in de artikelen die aan deze belijdenis voorafgaan, |19| eerst het ontstaan en bestaan der Kerk verklaard, thans, met Art. 36, buiten het gebied der Kerk, op dat der Gemeene Gratie overtredende, vatten onze kerken het alles saam onder dat ééne machtige denkbeeld, dat God uit louter ontfermen een Overheid voor ons heeft ingesteld. De Heilige Schrift ging hierin voor. Als toch Paulus in zijn eerste schrijven aan Timotheüs op de practicale toepassing des geloofs voor vrouw en man enz. komt, laat hij voorafgaan dit ernstig vermaan: „Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle menschen; voor koningen, en allen die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle Godzaligheid en eerbaarheid. Want dat is goed en aangenaam voor God onzen Zaligmaker.” Ook hier wordt dus heel ons uitwendig menschelijk leven door de eenheid der Overheid, dat is door het Staatsleven ingeleid.

Hier nu gevoelt men aanstonds den onmetelijken invloed van het leerstuk der Gemeene Gratie. Verwerpt men toch, of verwaarloost men dat leerstuk, dan weet men met den Burgerstaat geen weg. Dan komt de Burgerstaat aan een belijder van Jezus voor als iets wereldsch, als iets onreins, iets gebrekkigs, iets onheiligs, iets wat hij beter aan de onbekeerden heeft over te laten. Deze valsche neiging is in den loop der geschiedenis dan ook telkens opgekomen en werkt nog. Ze trad in ons land het duidelijkst aan het licht toen de Wederdoopers, en ten deele ook de Doopsgezinden, voor zich persoonlijk alle bemoeiing met het Staatsleven afsneden, en ze komt nog in onze dagen uit bij die vele Christenen in alle landen, die er vroomheid in zien, om zich op het gebied van Zending en Evangelisatie terug te trekken, en die de politiek schuwen als iets dat voor hun bemoeiing te onheilig is. Toch moet men op deze neiging niet laatdunkend neerzien. Ze is natuurlijk verachtelijk, wanneer ze zich (gelijk dit ook ten onzent in den strijd tegen Groen van Prinsterer gezien is) voordoet als een politiek-schuwheid, die slechts zóó lang stand houdt als men zelf zijn zin niet kan krijgen, maar opeens omslaat in drukke politieke kuiperij, zoodra men zelf op invloed uitzicht erlangt. Dan is er geen vroomheid, geen ernst, geen teederheid der consciëntie aan het woord, maar wordt er een onheilig spel gedreven met den vromen schijn. Alleszins eerbied daarentegen verdient deze neiging, waar ze uit teederen zin opkomt, en metterdaad geboren wordt uit afkeer van de vele booze machinatiën, waartoe het bezit van regeermacht zoo telkens de machthebbers verleid heeft.

*

Zoolang men toch geen oog kreeg voor de hooge beteekenis van de Gemeene Gratie, en dus ook de Overheid en den Staat niet onder het gezichtspunt der Gemeene Gratie leerde beschouwen, kon het Staatsleven |20| den Christen weinig anders dan weerzin inboezemen. Enkele goede regenten niet te na gesproken, moet toch erkend, dat zondig misbruik van macht aan de orde van den dag is, en dat tegen dit machtmisbruik een gestadig opwoelen van de volkshartstochten plaats grijpt, dat tot allerlei politieke zonde uitlokt. Zoodra echter het oog voor de heerlijke waarheid van de Gemeene Gratie ontsloten wordt, verandert dit ten eenenmale. Men tuurt dan niet langer eenerzijds op het vele zondige dat het Staatsleven aankleeft, maar vraagt zich af, wat er van de menschelijke samenleving onder zondige menschen worden zou, zoo de Staat er niet was, en geen Overheid was ingesteld, en looft en dankt de driewerf verbeurde goedertierenheid des Heeren, die door de instelling van de Overheid ons voor den gruwel der zelfverwoesting bewaard heeft. Voor klacht komt dan prijs op onze lippen. We verstaan het dan, dat de Overheid een weldaad onzes Gods is, een weldaad, die wij evenals alle goedertierenheden des Heeren door onze zonden bederven en bezoedelen, en die daardoor nooit anders dan in gebrekkigen vorm genoten wordt, maar die ook zelfs in dien meest gebrekkigen toestand nog altoos een zoo onschatbare bron van orde, rust en vrede is en blijft.

We stellen ons dan niet langer tegenover de Overheid met een ingebeelde volmaaktheid, alsof ooit onder zondige menschen een volkomen gelukstaat mogelijk zou zijn, maar staan dan in de diepe overtuiging van het algemeen zondige van den toestand, waarin we door eigen schuld gekomen zijn, en staren in bewondering op een zoo veelszins goed geordenden staat der dingen, als waarin we, dank zij de instelling der Overheid, voor Gods aangezichte leven mogen. Reeds de vergelijking van onzen Burgerstaat met den smadelijken toestand, waarin nog geheele volken en stammen in Afrika en Azië leven, toont ons dan voor wat volmaking de Burgerstaat, niettegenstaande het zondige dat alle machthebbers aankleeft, vatbaar is. En al ontwaren we telkens, boe ook de rechterlijke macht zich vergissen kan, en lang niet altoos van partijdigheid is vrij te pleiten, toch stemt het ons tot dank, dat een onafhankelijke rechtsspraak in den regel tot het doen van recht en gerechtigheid in staat blijkt, en dat ook deze weldaad als vanzelf en langs aan te wijzen weg uit die wondere instelling der Overheid, en alzoo uit deze schepping van Gods Gemeene Gratie is voortgekomen. Zeker er is in zekeren zin nooit anders dan een klassenjustitie in zooverre de rechterlijke ambtenaren gemeenlijk uit de hoogere klasse der maatschappij gekozen worden, en ook deze ambtenaren menschen blijven, en overmits zekere sympathieën en antipathieën, die ze uit de gemeenschap van hun stand erfden, nooit geheel kunnen worden afgelegd. Maar even zeker is het, dat de rechters uit de lagere klasse der bevolking opgekomen, gelijk dit in 1793 te Parijs het geval was, een klassenjustitie van veel ergerlijker karakter vormden, en dat zelfs de jury in meer dan één land veel partijdiger |21| geest verried. Dit smoort daarom wel den kreet om recht niet, als men ontwaart, dat wie geroepen is om het recht te handhaven, het plooit naar zijn sympathieën, en ook in den kerkelijken strijd, die hier te lande in 1834 en in 1886 is gestreden, deden we van die soms zeer ver gaande partijdigheid de droeve ervaring op, en klaagden er tegen. Maar in niets vermindert dit onzen dank aan God, dat Hij ons een welgeordende rechtsbedeeling schonk, en die voor ons in stand houdt. De keuze staat toch niet tusschen een nog zoo veelszins gebrekkige rechtsbedeeling en een rechtsbedeeling die volmaakt zou zijn. Het volmaakte is onder zondige menschen eenvoudig ondenkbaar. Neen, de keuze staat tusschen een rechtsbedeeling, die in den regel goed, maar soms partijdig en kwaad werkt, en tusschen een toestand zonder rechtsbedeeling, een iegelijk levende op zijn eigen zwaard, en de sterkere den zwakkere vertredende. De keuze staat tusschen een orde van zaken, waarin niets dan het uitwendig geweld heerscht, en zulk een toestand, waarin geestelijke, zedelijke factoren den doorslag geven. En dat nu de Overheid door haar rechtsbedeeling recht boven macht doet zegevieren, dát is de nooit genoeg te waardeeren uitnemendheid, die ons toekomt uit de Gemeene Gratie, gelijk zij zich de instelling van de Overheid en in de vorming van den Burgerstaat verwezenlijkt heeft. Protest is daarom alleszins geoorloofd, en zelfs plicht, zoodra misbruik insluipt en uitkomt. Aller roeping blijft het, steeds luider te getuigen voor rechtsverbetering en rechtszuivering. Hoe fijner en edeler de rechtsbedeeling bewerktuigd wordt, des te beter. Stilstand mag hier niet zijn, en in tal van opzichten is ook de rechtsbedeeling nog voor volmaking vatbaar. Maar bij de waardeering en beoordeeling van wat we bezitten, mogen we nimmer het bestaande brandmerken, omdat het ons nog het ideaal niet brengt, maar hebben we ons steeds af te vragen, welke onze toestand zijn zou, indien God ons geen Overheid geschonken had, en indien er geen rechtsbedeeling bestond. Doet men het eerste, dan wordt men ontevreden, mort en komt in opstand. Doet men het laatste, dan wordt men dankbaar gestemd, en looft Hem die ons zondig leven aldus geordend heeft.

*

En zeg nu niet, dat hierin geen gave Gods is te eeren, want dat wij zelven immers den Burgerstaat opbouwen, zelven het recht van de wet vaststellen, en zelven, als menschen, de rechtsbedeeling in het land organiseeren. Al zulke inbeelding toch berust op louter misverstand. Zeker is er dit ware in, dat het Gode beliefd heeft, den mensch zelven als instrument te gebruiken, om de Staats- en rechtsorde in het leven te roepen. Maar is er iets in ons menschelijk leven dat we uit onszelven voortbrengen, en dat ons niet door God is ingegeven of aangewezen? Natuurlijk wij huwen, en |22| wij vormen een gezin, en wij verwekken kinderen, en wij verwerven voor onszelven en voor ons gezin de bestaansmiddelen; maar is erin dit alles iets, dat wij uit onszelven zouden kunnen doen, zoo God er ons den zin, de gedachte en de middelen niet voor geschonken had? Als God ons niet man en vrouw had geschapen, waar zou het huwelijk wezen? Zoo God ons niet het vermogen van voortplanting van ons geslacht had geschonken, hoe zouden we kinderen erlangen? Zoo God het graan niet uit de aarde deed voortkomen, waar zoudt ge uw brood vinden? Buiten onze zonde, is er niets dat wij tot stand brengen, of het is door God uitgedacht, door God alzoo besteld, door God ons in de hand gegeven, en door God met zijn zegen achtervolgd. En zoo is het ook hier. De gedachte van een Burgerstaat, van een Overheid, van een Rechtsbedeeling, schijnt ons nu de eenvoudigste en natuurlijkste zaak ter wereld te zijn. We kunnen ons niet inbeelden dat ze er niet waren. Maar raadpleeg nu eens de ordelooze toestanden vóór den Zondvloed, en nu nog de ordelooze toestanden in zoo menig Afrikaansch en Aziatisch land, en als ge dan ziet, hoe in ons werelddeel allengs een rijk geordende staat des levens is opgekomen, wie zal dan ontkennen, dat het God geweest is, die ons de wegen en middelen om daartoe te geraken, getoond en geschonken heeft? Niets is dan ook rijker en schooner, dan in de geschiedenis der volken na te gaan, door wat wonderen loop der gebeurtenissen, en door wat machtige genieën, God de Heere ons allengs tot dien rijken staat des levens gebracht heeft. En mocht u dat nog niet overtuigen, vraag u dan af, boe Overheid en Rechter ooit hun gezag zouden hebben kunnen vestigen en handhaven, zoo dit gezag in de consciëntie geen echo had gevonden, en oordeel dan zelf, of dit ontzag voor het gezag in de consciëntie een anderen oorsprong kan hebben dan in Hem, die onze consciëntie in de klem van zijn heilige hand houdt. Mits we dus maar als goede Christenen de zondigheid van ons eigen hart belijden, en belijden dat al onze medemenschen, en dus ook de Overheidspersonen met ons, in gelijke zondigheid staan, kan het bezit van een welgeordenden Burgerstaat door ons niet anders dan in het licht van Gods goedertierenheid beschouwd worden. Hij dacht den Staat voor ons uit. Hij wees er ons het spoor voor. Hij heeft dien onder ons en door ons en voor ons verwezenlijkt. En het is niet ónze vinding en ónze wijsheid, maar de Gemeene Gratie Gods, die wij in het bezit van Overheid en Burgerlijken staat verheerlijken.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ III, De Heraut No. 1142 (12 november 1899).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001